Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 29

Chapter 294,068 wordsPublic domain

»Als ik hier maar niet moest liggen als een doode ezel," zuchtte Caesarion, »dan zou ik haar wel vinden. Nacht en dag denk ik aan haar. Al mijn geld zou ik willen geven om haar te vervolgen. Gisteren heb ik ook den zaakwaarnemer Seleukus laten komen. Waartoe ben ik anders de zoon mijner moeder? Doch die kleine, dikke man is de eerlijkste niet. Hij wil wel-is-waar, nog niet toeslaan, maar toch moet er geld genoeg zijn. In den Delta, op de grens van Syrië, heeft de Koningin millioenen in het zand verstopt. Ik hoor dat men daar bezig is een vierkante kuil te graven, of iets dergelijks om daarin de vloot te verbergen. Ik heb dat onzinnige plan maar half begrepen. Ik had voor dat geld honderden speurhonden kunnen laten werken. Zoo worden de talenten weggeworpen, en voor den eigen zoon blijft de kas gesloten. Maar ik zal wel iemand vinden om die voor mij te openen! Ik moet het geld hebben, al kost het ook de kroon. Het klinkt mij altijd als spot in de ooren, als zij mij »Koning der koningen" noemen. Ik deug niet voor de heerschappij! Buitendien, eer ik den troon werkelijk bestijg, zal hij mij reeds ontnomen zijn. Wij hebben de nederlaag geleden, en indien het ons gelukt vrede te sluiten, waardoor wij het leven en maar weinig meer behouden mogen, dan moeten wij het daarmede doen. Ik voor mij ben tevreden met een landgoed aan het water, geld genoeg, en daarbij Barine. Wat gaat dit Aegypte mij aan? Als Caesars zoon zou ik over Rome kunnen gebieden,--doch de goden wisten wat zij deden, toen zij mijn vader ingaven mij te onterven. Om de wereld te regeeren, moet men een minder sterke behoefte aan slaap hebben. Eigenlijk--dat weet gij wel--voel ik mij altijd moede, zelfs wanneer ik gezond ben. Men moet mij met vrede laten! Uw vader, Antyllus, legt immers ook de wapenen neder, en laat de dingen gaan zooals zij willen."

»Helaas ja!" riep Antonius' zoon wrevelig. »Maar wacht slechts! De sluimerende leeuw zal weder ontwaken, en als hij zijn tanden en klauwen gebruikt...."

»Dan loopt mijn moeder weg, en uw vader haar achterna," hernam Caesarion met een diep weemoedigen, niets minder dan honenden glimlach. »Alles is nu ook verloren. Maar Rome laat de overwonnen koningen en koninginnen in het leven. Men zal Caesars zoon niet bij een triomftocht aan de Quiriten vertoonen. Daarvoor gelijk ik te veel op mijn vader. Er zou een oproer komen, zegt Rhodon, indien ik op het Forum verscheen. Als ik daar nog eens kom--dan zal het zeker niet zijn bij den zegevierenden intocht van Octavianus, want voor deze soort van schande ben ik niet gemaakt. Zij zou mij doen stikken, en eer ik een ander het genoegen gunde, Cæsars zoon achter zich aan te sleepen, om zijn eigen roem te verhoogen, zou ik aan mijn toch niet overheerlijk leven op goede Romeinen-manier tien- neen honderdmaal een eind maken. Wat is er eigenlijk zoeter dan een vaste slaap, en wie stoort of wekt mij, wanneer de dood zijn toorts voor mij uitbluscht? Maar nu blijft mij ten minste het ergste bespaard, zou ik denken. Alles wat men mij nog meer zou kunnen aandoen, zal mijn kracht niet te boven gaan. Zoo iemand geleerd heeft zijn wenschen te matigen, dan ben ik het. Den »Koning der koningen" en mederegent der groote Koningin werd zijn leven lang tevredenheid ingeprent. Wat moest ik zijn, en wat ben ik?--Doch ik klaag niet, en zal ook niemand beschuldigen. Wij behoeven Octavianus niet te roepen, en is hij er eenmaal, dan mag hij nemen wat hij wil, indien hij mijne moeder, de tweelingen en den kleinen Alexander, die mij allen lief zijn, maar laat leven; en indien hij mij het landgoed waarvan ik sprak--met vischrijke vijvers als hoofdvoorwaarde--als mijn eigendom toebedeelt. Den gewonen burger Cæsarion, die zich den tijd verdrijft met hengelen, en met de boeken die hij gaarne leest, zal men licht veroorlooven zich een vrouw te kiezen naar zijn eigen smaak, en van hoe geringer afkomst zij is, zooveel te zekerder krijg ik de toestemming van mijn Romeinschen voogd."

»Weet gij wat, Cæsarion," viel hier de losbandige zoon van Antonius hem in de rede, en strekte daarbij, op zijn rustbank liggende, zijn beenen verder uit, »zoo gij niet »de Koning der koningen" waart, dan zou ik lust hebben u een nietswaardige, flauwe knaap te noemen. Wie het geluk heeft de zoon van Julius Caesar te zijn, moest dat niet zoo schandelijk vergeten. Bij al dat jammeren van u is mij de gal overgeloopen. Bij den Hond! Het was een van mijn domste streken, om u bij die zangeres te brengen! Mij dunkt dat er nu voor den »Koning der koningen" wel wat anders te bedenken valt! Daarbij geeft Barine evenveel om u als de laatste meerval dien gij gevangen hebt. Dat heeft zij u duidelijk genoeg getoond. En dan, laat ik u nog eens zeggen: als het Derketaeus gelukt de schoone op te sporen, die u het verstand doet verliezen, dan zal zij u daarom nog lang niet volgen naar uw ellendig landgoed, om de visschen, die gij met hengelen vangt, voor u te koken; want als wij haar weder hier hebben, en mijn vader slechts een hand naar haar uitsteekt, dan zou al uwe moeite vergeefsch zijn. Hij heeft die blonde harten-veroveraarster immers slechts tweemaal gezien, en de tijd ontbrak hem haar nader te leeren kennen; doch zij behaagde hem, en als ik hem aan haar herinner, wie weet wat er dan gebeurt?"

Op dit oogenblik gaf Cleopatra haar vriendin een wenk, en met gebogen hoofd keerde zij naar hare vertrekken terug. Eerst dààr verbrak zij het stilzwijgen, en zeide: »Gesprekken afluisteren, Charmion, is zeker een Koningin niet waardig, doch als alle luisteraars zulke pijnlijke dingen te hooren kregen als ik, dan behoefde men niet meer te letten op de reten der deuren en sleutelgaten. Vóór ik Eros ontvang, moet ik eerst tot mijzelve komen. En nu nog één ding! Is de schuilplaats van Barine veilig?"

»Ik ken die niet, maar Archibius zegt van ja."

»Goed. Zij wordt ijverig genoeg gezocht, zooals gij hebt gehoord, en men mag haar niet vinden. Het verheugt mij dat zij het niet was, die den knaap tot zich lokte. Waartoe kan het jaloersche hart ons niet brengen? Had ik haar hier, dan zou ik haar, ik weet niet wat willen toestaan, ter wille van Antonius en mijn valschen argwaan. En te denken dat Alexas haar--en zonder uwe tusschenkomst zou dat geschied zijn--naar de steengroeven had willen zenden! Het is een vreeselijke waarschuwing om op onze hoede te zijn. Voor wien? Altijd het eerst voor onze eigen zwakheid. Dit is voor mij een dag van nieuw inzicht. Een edel doelwit; doch op den weg daarheen worden de voeten ten bloede toe opengereten en het hart,--ach Charmion, dat arme, zwakke, ontgoochelde hart!"

Zij zuchtte diep, en liet het hooft rusten op haar arm, die op een naast haar staande tafel steunde. Dat glimmende, fraai gevlamde blad van thyahout had een even groote som gekost als een groot landgoed; de edelsteenen der ringen en banden aan haar handen en armen, zooveel als een vorstendom. Dat kwam haar nu in de gedachte, en in een opwelling van toornigen weerzin zou zij al die kostbare nietigheden liefst ver van zich af, in de zee of in de vernielende vlammen geworpen hebben.

Zij zeide tot zichzelve dat zij zich gaarne als een bedelares met het gerstebrood van Epicurus tevreden zou stellen, indien zij daarvoor haar zoon, al was het slechts de gezindheid van den lichtzinnigen dwarrelwind Antyllus, had kunnen inblazen. Voor zóó machteloos, zóó onbeduidend hadden hare ergste vermoedens Cæsarion niet gehouden. Zij kon het op de rustbank niet meer uithouden, en terwijl zij met neergebogen hoofd een terugblik op het verleden wierp, riep de aanklager in haar eigen borst haar toe, dat zij nu maaide, wat zij had gezaaid. Zij had de ontwakende wilskracht van den knaap tegengegaan, onderdrukt, om hem gehoorzaamheid te leeren. Zij had alle pogingen van zijn kunnen en streven in wijderen kring weten te weerhouden. Dat was trouwens niet gebeurd zonder dat zij daarvoor menig voorwendsel had gevonden. Waarom zou haar zoon niet het stille geluk mogen smaken, dat zij in den Epicuristentuin te Kanopus had gekend? En was de eisch dat, wie eens zou moeten bevelen, eerst zelf moest leeren gehoorzamen, dan niet op oude ervaringen gegrond?

Deze dag was echter aan afrekening en opheldering gewijd, en voor het eerst vond zij den moed zichzelve te bekennen, dat haar eigen brandende eerzucht bij de opvoeding van Cæsarion had voorgezeten. Zij had niet uit koele berekening zijn aanleg onderdrukt. Het was haar alleen aangenaam geweest hem zoo zonder wenschen te zien opgroeien. Zij had den droomer rust gegund, zonder hem wakker te maken. Hoe dikwijls had zij zich verheugd in de zekerheid, dat deze zoon, aan wien Antonius bij zijn zegepraal over de Parthen den titel van mede-regent had gegeven, zich nooit zou verzetten tegen de voogdij zijner moeder. Het welzijn van den Staat was toch in hare bekwame hand veiliger dan in die van een onervaren knaap. En dan het trotsche gevoel van haar macht! Haar hart zwol daarbij op. Zoolang zij leefde, wilde zij Koningin zijn! De heerschappij aan een ander, wie dat ook zijn mocht, af te staan, scheen haar onmogelijk. Thans wist zij hoe weinig haar zoon naar zulke hooge dingen streefde. Haar hart kromp ineen. Het woord: »gij maait wat gij hebt gezaaid" liet haar geen rust, en waar zij ook rondzag in haar vroeger leven, overal ontdekte zij de vrucht van het zaad, dat zij zelf in den bodem had gelegd. Het veld droeg den last der onheilvolle halmen. Het was rijp voor den maaier. Doch eer deze de zeis opnam, moest het recht van den bezitter verzekerd zijn. Gorgias moest met het bouwen der graftombe haast maken, want het einde zou niet lang meer op zich laten wachten. Hoe zij aan dat einde een waardigen vorm moest geven, indien de overwinnaar haar geen andere keus liet, dat had zooeven de zoon, over wien zij zich schaamde, haar voorgeschreven. Den diepsten smaad te dragen met het geduld dat zijn moeder hem had ingescherpt, dat verbood hem ten minste het edele bloed van zijn vader.

Het was reeds laat, toen zij den lijfslaaf van Antonius bij zich toeliet. Doch voor haar moest de werkzaamheid voor den nacht nog pas beginnen. Als hij weg was, dan moest zij nog uren lang arbeiden met de bevelhebbers van het leger, de vloot en de vestingwerken. Daarbij moest zij voortgaan, door middel van hartroerende brieven, bondgenooten te werven.

Daar kwam Eros, de lijfslaaf van Antonius, binnen. Bij dit wederzien vulden zich zijn trouwe oogen met tranen. Het verdriet had wel is waar zijn aardig rond gezicht niet aan volheid doen verliezen, maar de uitdrukking van een schalksche, vaak overmoedige vroolijkheid had plaats gemaakt voor een weemoedigen trek om den mond, en zijn blond haar begon al grijs te worden.

Het bericht van Lucilius, dat Cleopatra er in bewilligde zijn heer weder te ontmoeten, was voor hem geweest als het doorbreken van de zon na lange duisternis. In zijn oogen moesten allen, niet alleen zijn heer, zich buigen voor de macht der Koningin. Hij had het bijgewoond hoe Antonius te Tarsus uitgevaren was tegen de Aegyptische slang, die hij voor haar twijfelachtige gezindheid jegens hem, haar ouden vriend, en omtrent de zaak van Caesar, zou laten betalen, betalen dat de schatkamers aan den Nijl er zoo mager van zouden worden als een leege wijnzak,--en slechts enkele uren later, was hij haar weder met lichaam en ziel toegedaan geweest. Zoo was het altijd gegaan, tot aan den dag van Actium toe. Nu was er niets meer te verliezen; maar wat kon Cleopatra zijn heer niet schenken en toestaan? Hij dacht daarbij slechts in het voorbijgaan aan de goede jaren, toen zijn gezicht zoo dik en rond geworden was, en iederen dag oogen en ooren, verhemelte en neus te gast waren gegaan, terwijl ook de nieuwsgierigheid werd bevredigd door allerlei vermaken en vertooningen, op een wijze zooals de wereld nooit weder zien zou. Indien dat alles--al ware het in bescheidener vorm--zich herhalen wilde, des te beter! Datgene waarom het hem hoofdzakelijk, ja bijna alléén was te doen, was zijn heer te verlossen uit deze droevige eenzaamheid en van dat akelige wereldverachters-bestaan, dat zoo slecht bij hem paste.

Cleopatra had hem ongeveer twee uren laten wachten, doch hij zou graag nog driemaal zoo lang in het voorvertrek vliegen gevangen hebben, wanneer zij dan had kunnen besluiten zijn raad te volgen. Die was werkelijk de aandacht waard, en Eros hield hem niet vóór zich. Hoe Antonius de verschijning van Cleopatra zelve opnemen zou, kon niemand weten. Daarom sloeg hij voor, dat zij Charmion zou zenden, en wel vergezeld van haar slimme gebochelde kamervrouw, aan wie de imperator zelf den naam Aisopion gegeven had. Hij was Charmion altijd genegen geweest, en de bruine dienares kon hij niet aanzien zonder met haar te schertsen. Als zijn heer nu maar eerst weder eens aan een ander dan alleen aan hem, Eros, een vroolijk gezicht had getoond, en daarbij had ondervonden, hoe veel meer goed het doet te lachen dan somber voor zich heen te staren en te morren, dan zou er al zóóveel gewonnen zijn. Het overige zou Charmion wel gedaan krijgen, wanneer zij hem slechts vriendelijke woorden van de Koningin mocht overbrengen.

Tot zoover had Cleopatra hem laten voortspreken, doch toen zij het vermoeden uitte, dat de radde tong van een slavin maar weinig zou kunnen veranderen aan de ernstige zwaarmoedigheid van een door tegenspoed getroffen man, maakte Eros een gebaar met zijn breede, korte hand, en zeide: »Moge de goddelijke Majesteit een gering man zijn openhartigheid vergeven, maar voorname lieden geven onwillekeurig aan een van onzen stand veel te zien, wat zij voor huns gelijken verbergen. Alleen aan den allerhoogste en geringste, aan de godheid en den slaaf, toonen de grooten zich onvermomd zooals zij zijn. Men mag mij de ooren afkappen, wanneer die menschenhaat en zwaarmoedigheid zoo diep gaan bij den imperator. Dat is alles een vertooning, waarin hij behagen schept. Gij weet nog wel, hoe gaarne hij in beter dagen zich als Dionysos vertoonde, en met welk een wegslependen vroolijken overmoed hij de rol van dien god speelde. Nu verbergt hij zijn waar en opgeruimd gelaat onder het masker van menschenschuwe mijmerij, omdat het hem toeschijnt zoo slecht te passen voor dezen tijd van jammerlijke ellende. Het is waar, menigmaal geeft hij iemand dingen te hooren, die hem een rilling op het lijf jagen, en ook zit hij dikwijls in zichzelf gekeerd stil te peinzen. Maar dat duurt nooit lang, wanneer wij alleen zijn. Kom ik met een recht grappig verhaal aan, en legt hij mij niet dadelijk het zwijgen op, dan kunt gij er op aan, dat hij mij met een nog koddiger overtroeft. Onlangs herinnerde ik hem aan die vischvangst, waarbij uwe Majesteit door den duiker een gezouten haring aan zijn hengelhaak had laten binden. Toen hadt gij hem moeten hooren lachen en uitroepen, welk een kostelijke tijd dat was geweest! De edele Charmion behoeft hem dien slechts weder te binnen te brengen en Aisopion het met iets geestigs te kruiden. Ik geef ook mijn neus er voor--hij is wel klein, maar ieder geeft dáárom toch het meeste--als zij hem er niet toe brengen om dat afschuwelijke kraaiennest, midden in de zee, te verlaten. Zij moeten ook spreken van de tweelingen en van den kleinen Alexander; want als dat mij veroorloofd is, dan wordt zijn voorhoofd het spoedigst weder glad. Hij zelf spreekt nog dikwijls met Lucilius en zijn andere vrienden van zijn grootsch plan om een machtig rijk van het Oosten te stichten, met Alexandrië tot hoofdstad. Zijn krijgsmansbloed is dan ook nog niet tot rust gekomen. Onlangs moest ik zelf den krommen Perzischen sabel slijpen, dien hij hier zoo gaarne draagt. Men kan niet weten, zeide hij, waarvoor die nog dienen kan. En toen zwaaide hij dien met zijn sterken arm. Bij den Hond! De kracht van drie jongelingen steekt nog in dezen grijzenden reus. Als hij maar eerst weder bij u is, en onder zijn krijgslieden en paarden, dan wordt alles nog goed."

»Laat ons dat hopen," antwoordde zij vriendelijk, en beloofde hem zijn raad te zullen volgen.

Toen Iras, die Charmion in den dienst opgevolgd was, de Koningin na vele uren arbeid ter ruste bracht, vond zij haar stil en bedroefd. In gedachten verzonken liet zij zich de handreikingen van haar vertrouweling welgevallen. Nadat zij zich reeds op hare legerstede had gelegd, verbrak zij het stilzwijgen, en zeide: »Dat was een moeilijke dag, meisje, en toch bracht hij mij niets dan de bevestiging van een oude, misschien de alleroudste les: Ieder maait alleen, wat hij heeft gezaaid. De kiem die voortkomt uit het koren, dat gij in de aarde hebt gelegd, laat zich wel vertreden, doch geene macht ter wereld kan den zaadkorrel dwingen zich anders te ontplooien en een andere vrucht voort te brengen, dan de natuur daaraan voorgeschreven heeft. Mijn zaad was slecht. Dat wordt mij nu, in den oogsttijd, duidelijk. Maar toch zullen wij ook nog een handvol goede tarwekorrels in de schuur bergen. Daarom moeten wij daarvoor zorgen zoolang het nog tijd is.

»Morgen vroeg zal ik met Gorgias spreken. Als er iets te bouwen viel, hebt gij altijd goeden smaak getoond en ons dikwijls op een nieuwe gedachte gebracht. Wanneer Gorgias ons de plannen voor de graftombe voorlegt, dan moet gij ze mede bespreken. Daarop hebt gij recht, want zoo ik mij niet vergis, zullen weinig menschen het voltooide monument trouwer bezoeken dan mijne Iras."

Het meisje sprong op, en terwijl zij hare hand als tot een eed in de hoogte stak, riep zij: »Op mijn bezoek zal uw grafteeken te vergeefs wachten;--uw einde zal ook het mijne zijn."

»Daarvoor mogen de goden uwe jeugd bewaren," viel de Koningin haar op een toon van ernstige afkeuring in de rede. »Nog leven wij, en willen wij strijden."

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

De nacht bracht Cleopatra weinig slaap. De eene herinnering had zich aan de andere geschakeld, en de overwegingen waren elkander opgevolgd. Wat zij den vorigen dag besloten had, was het rechte. Heden moest met de uitvoering er van reeds een aanvang gemaakt worden. Wat er nu ook mocht komen, zij was op alles voorbereid.

Eer zij aan den arbeid ging, liet zij nog eens den bemiddelaar uit Rome bij haar toe, en Timagenes nam bij dit onderhoud alles te baat wat hij aan welbespraaktheid en overredingskunst, geest en scherpzinnigheid bezat. Hij beloofde aan Cleopatra ook weder het leven en de vrijheid, en aan hare kinderen den troon; daar hij echter volhield dat de uitlevering of de dood van Marcus Antonius de eerste voorwaarde voor alle verdere overeenkomsten was, bleef zij standvastig, en de onderhandelaar verliet haar, teleurgesteld en zonder eenige toezegging te hebben ontvangen.

Na zijn vertrek zag de Koningin met Iras de plannen voor de graftombe in, die Gorgias had gebracht, doch de diepe aandoeningen harer ziel verhinderden haar de volle aandacht daaraan te schenken, en zij verzocht hem er nog eens mede terug te komen. Toen zij alleen was, zocht zij de brieven op, die Cæsar en Antonius haar indertijd geschreven hadden. Hoe fijn, hoe verstandig en liefdevol waren de eerste, hoe gloeiend overstroomend van liefde, en toch waar gevoeld, die van den sterken veldheer, die als redenaar een geheele volksmenigte kon meesleepen, en dien hare teere vrouwenhand geleid had, waarheen zij wilde.

Haar hart klopte sneller als zij aan het wederzien dacht, dat nu weldra volgen zou, want Charmion was met de Nubische naar hem toe gegaan om hem uit te noodigen zich weder met haar te vereenigen. Zij waren reeds eenige uren weg geweest, en zij wachtte met toenemend ongeduld hare terugkomst af. Zij had hem tot zich geroepen voor den laatsten, gemeenschappelijken strijd. Dat hij komen zou, daaraan twijfelde zij geen oogenblik. Als het haar dan nog eens gelukken mocht, zijn ouden moed te doen herleven! Wie zóó innig verbonden waren, moesten ook als de overwinning hen onthouden werd, vast met elkander vereenigd en in den laatsten strijd samen bezwijken en sterven.

Op dit oogenblik werd Archibius aangediend. Het gaf haar rust juist nu dat trouwe gelaat weder te zien, dat zoo velen van de beste herinneringen bij haar wakker riep.

Zij legde dan ook zonder voorbehoud haar geheele ziel voor hem open, verzekerde dat zij nooit of nimmer zichzelve bezoedelen zou met het verraad van haar geliefden gade, en dat zij besloten was te sterven op een wijze, die haar naam waardig was. Toen Archibius dat hoorde, richtte hij zich op, alsof hij zich verjongd gevoelde, en in zijn blik las zij zijn goedkeuring.

Vóór zij haar verzoek had gedaan dat hij de leiding en opvoeding harer kinderen op zich zou nemen, sloeg hij uit eigen beweging voor aan hen zijn beste krachten te wijden. Hij juichte het denkbeeld toe om den tuin van Didymus te verbinden aan de Lochias, en dien af te staan ten gebruike van de jeugd. Dat zij besloten had een grafmonument te laten oprichten, wist hij reeds door zijn zuster. Het was te hopen, zeide hij, dat het eerst vele jaren later voor haar geopend zou worden.

Daarop schudde zij weemoedig het hoofd, en riep uit: »Ik wenschte dat ik in ieder gelaat zoo goed kon lezen als in het uwe! Zoo iemand, dan wenscht mijn Archibius mij een lang leven toe; doch hij is even wijs als trouw, en verliest daarom niet uit het oog dat het aardsche bestaan in geenen deele louter geluk is. Daarbij zegt hij ook tot zichzelven: deze Koningin en vrouw, die mijn vriendin is, staan dingen te wachten, die het misschien geraden doen zijn gebruik te maken van het groote voorrecht dat de goden aan de stervelingen geschonken hebben, om wanneer het hen beter voorkomt, vrijwillig af te treden van het schouwtooneel des levens. Laat zij daarom die graftombe doen oprichten!--Heb ik goed gelezen in het oude, welbekende boek?"

»In het algemeen ja," antwoordde hij ernstig. »Maar op die bladzijden staat ook te lezen, dat het een groote vorstin en trouwe moeder eerst dan veroorloofd is, de laatste reis te ondernemen, waarvan geen terugkeeren is...."

»Wanneer," viel zij hem in de rede, »een smadelijk einde, als een afschuwelijke zwerm sprinkhanen de lucht verduisterend en het veld verwoestend, dreigt te vallen op het vriendelijk begin, het schitterend midden, en het rampzalig slot. Ik weet het, en zal daarnaar handelen."

»En," voegde Archibius er bij, »gij zult ook aan dit slot, overeenkomstig uwe natuur, een waarlijk koninklijken vorm geven. Onderweg, dicht bij den Choma, ontmoette ik mijn zuster. Gij hebt haar naar uw gemaal gezonden. Hij zal de aangeboden hand grijpen. Nu hij alles op het spel moet zetten of ten onder gaan, zal de afstammeling van Herakles zijn oude heldenkracht nog eens toonen. Wie weet of hij niet, aangevuurd door de toespraak en het voorbeeld zijner geliefde, het vijandige noodlot dwingt hem opnieuw gunstig te zijn."

»Het noodlot gaat zijn gang," sprak Cleopatra met overtuiging. »Maar Antonius moet mij helpen, om het hinderpalen in den weg te leggen, en zijn arm is sterk genoeg om geheele rotsmassa's weg te slingeren, wanneer het hem behaagt zijn reuzenkracht te gebruiken."

»En indien uw verheven geest de paden voor hem effent, dan, gebiedster...."

»Ook dan is de slotsom der tragedie de dood, en die van ieder tooneel afzonderlijk: mislukking. Was het geen stout en veelbelovend denkbeeld, om de vloot van de landengte naar de Arabische zee te brengen? Ook de mannen van het vak hechtten er hunne goedkeuring aan, en toch bleek het onuitvoerbaar te zijn. Het noodlot zelf heeft het graf daarvoor gegraven. En daarbij, die verschrikkelijke voorteekenen vóór en na Actium, en de sterren, de sterren! Alles wijst op een spoedigen ondergang, alles! Ieder uur brengt de tijding dat weder een vorst of bevelhebber afvallig is geworden. Thans overzie ik, als van een wachttoren, alles wat er is opgegroeid uit het zaad, dat ik gezaaid heb. Looze aren of giftkorrels, overal waar ik rondzie. En toch! Gij die mijn leven kent, van het begin af aan,--zeg mij, moet ik mijn aangezicht met schaamte bedekken, wanneer de vraag oprijst wat Cleopatra getoond heeft aan geest en gaven, aan vlijt en geneigdheid tot het goede?"

»Neen, gebiedster, duizendmaal neen."