Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 28

Chapter 283,745 wordsPublic domain

De komst van Alexas maakte een eind aan hare overpeinzingen. De Syriër beklaagde zich hevig, dat het hem toegekende recht om over de schuldige het oordeel uit te spreken, hem door schandelijke listen zoo goed als ontnomen was. Dit viel hem bijzonder hard, omdat hem de mogelijkheid afgesneden was de vluchtelingen te doen vervolgen. Antonius had hem de vereerende opdracht gegeven Herodes weer tot zijne partij terug te doen keeren. Hij moest nog dezen nacht Alexandrië verlaten. Daar in deze zaak niets te wachten was van den menschenschuwen imperator, hoopte hij dat de Koningin zulk een inbreuk op hare gekwetste waardigheid straffen, en tegen Barine zoowel als tegen haar laatsten geliefde, dien Dion, die den zoon van Cæsar met heiligschennende hand mishandeld had, strenge maatregelen zou nemen.

Cleopatra gebood hem echter met vorstelijke hoogheid binnen de perken te blijven, en van deze zaak in hare tegenwoordigheid niet meer te spreken; daarop wenschte zij hem met een weemoedigen glimlach een goeden uitslag van zijne zending bij Herodes toe. Welke goede gedachten zij ook had van de handigheid van den bemiddelaar, zij geloofde toch niet, dat het hem zou gelukken, dezen tot de verloren partij van Antonius terug te brengen.

Zoodra hij zich verwijderd had, riep zij Charmion toe: »Ben ik dan blind geweest? Deze man is een verrader. Dat zullen wij spoedig ondervinden. Waarheen Dion zijn jonge vrouw ook heeft gebracht, laat zij zich goed verbergen, niet voor mij, maar voor dezen Syriër. Men kan zich gemakkelijker hoeden voor een leeuw, dan voor een schorpioen. Vriendin, zorg gij er voor dat nog heden Archibius mij komt bezoeken. Ik moet hem spreken, en van een scheiding tusschen ons beiden is geen sprake meer, niet waar? Spoedig genoeg zal er een ander komen, die deze lippen voor altijd verbieden zal uw trouw gelaat te kussen."

Zij sloot nog eens de vriendin harer jeugd in hare armen, en toen Iras naderde om gehoor te vragen voor Lucilius, den vertrouwden vriend van Antonius, zeide Cleopatra, die opgemerkt had met welk een benijdenden blik zij deze omarming aanzag: »Vergiste ik mij toen ik meende te bemerken, dat gij u achteruitgezet voeldet bij Charmion, die toch mijne oudste vriendin is? Dat zou niet goed zijn, want gij zijt mij beiden lief, en ik heb u beiden noodig. Gij zijt haar nicht, en van jongs af zijt gij haar veel dankbaarheid schuldig. Vergeet daarom wat er is gebeurd, evenals ik dat heb gedaan, al derft gij daardoor het verkwikkend gevoel van u op iemand dien gij haat te wreken, en laat die oudere vriendschappelijke omgang blijven bestaan. Mijn dank daarvoor is het eenige wat de dochter van den rijken Krates zich niet koopen kan, en dat zij toch zeker niet geringschat: de liefde harer koninklijke vriendin."

Daarop sloot zij ook Iras in hare armen, en toen deze heenging om Lucilius te roepen, dacht zij: »Geene vrouw heeft zooveel liefde ontvangen als deze; misschien komt het daardoor dat zij zelve zulk een rijken schat daarvan bezit en door liefde anderen zoo onuitsprekelijk gelukkig maken kan. Of wordt zij door zoo velen bemind, omdat zij zoo vol van liefde ter wereld kwam, en die als het ware uitstraalt evenals de zon het licht? Ja, dat moet het zijn. Ik heb, meer dan iemand, reden om dat te gelooven, want wien had ik lief behalve haar? Niemand, zelfs niet mij zelve, en hoe ik ook peins, ik zou niemand weten van wien ik zou mogen denken dat hij mij liefhad.... Maar waarom versmaadde Dion mij, hij, dien ik zou innig...? Dwaze, die ik ben! Waarom koos Antonius Cleopatra boven Octavia, die niet minder schoon was en wier hart hem toebehoorde, en die de heerschappij over de geheele wereld in hare hand had?"

Zij moest gaan, en leidde weldra den Romein Lucilius bij de Koningin binnen. Door een daad van dapperheid was deze man voor goed aan Antonius verbonden. Na den slag bij Philippi, toen het leger der republikeinen reeds op de vlucht was geslagen, was Brutus op het punt geweest door vijandelijke ruiters te worden weggevoerd; doch Lucilius had zich, op gevaar af van gedood te worden, voor hem uitgegeven, en hem daardoor, al was het maar voor korten tijd, het leven gered. Dat had Antonius zeer buitengewoon en edel gevonden, en op zijne grootmoedige manier had hij hem niet alleen vergeven, maar hem zelfs met zijn vriendschap verwaardigd. Lucilius was hem daarvoor dankbaar en bleef met dezelfde trouw als aan Brutus, ook aan hem gehecht. Bij Actium had hij eerst de gunst van Antonius op het spel gezet door hem er van af te brengen den slag te verlaten om Cleopatra te volgen; doch daarna had hij hem op zijn vlucht vergezeld. Nu deelde hij zijne afzondering op den Choma. Gebogen en neerslachtig kwam de man, die zoo kort geleden nog frisch en krachtig was geweest, al begonnen ook zijn haren reeds te grijzen de Koningin tegemoet. Zijn welgevormd gelaat had in de laatste weken een groote verandering ondergaan. Zijne wangen waren ingevallen, zijn trekken scherper geworden. Zijn trouwe oogen hadden een weemoedige uitdrukking aangenomen, en toen hij Cleopatra bescheid gaf omtrent den toestand van haar vriend, kregen zij een vochtigen glans.

Vóór den ongelukkigen slag was hij een harer grootste bewonderaars geweest; doch sedert hij had moeten aanzien hoe zijn vriend en weldoener roem, geluk en eer prijs gaf om Cleopatra te volgen, koesterde hij een wrok tegen haar. Hij zou zich dezen tocht zeker bespaard hebben, indien hij niet overtuigd ware geweest dat zij, die haar geliefde te gronde had gericht, ook de eenige was, die hem nu uit zijn moedelooze verslapping tot nieuwe geestkracht en levenslust kon opwekken.

Hij kwam ongeroepen en door niemand gezonden, alleen om de vrouw, die hij vroeger zoo oprecht had bewonderd, op het hart te drukken dat zij den neergebogen man weder oprichten en hem aan zijne plichten herinneren moest. Veel nieuws had hij haar niet te melden, want zij zelve was op zee lang genoeg getuige geweest van den droevigen toestand van haar gade. In den laatsten tijd echter begon Antonius daarin behagen te scheppen, en dat verontrustte den trouwen man het meest.

De imperator had het kleine paleis, dat hij op den Choma bewoonde zijn Timonium genoemd, omdat hij zich vergeleek bij den vermaarden menschenhater uit Athene, even als hij door vele voormalige vrienden verraden, nadat het geluk hem den rug had toegekeerd. Reeds bij Tænarum had hij zich bedacht dat hij zich op den Choma wilde terugtrekken en dien, door een muur, die de landtong van het vasteland zou afsnijden, even ongenaakbaar te maken als het graf van Timon te Halæ, in de buurt van Athene moest zijn geweest. Gorgias had dien muur opgericht, en ieder die den wereld-ontvluchtenden man wilde bezoeken, moest per schip komen en om toegang verzoeken; en nog werd deze maar aan enkelen vergund.

Cleopatra hoorde Lucilius vol belangstelling aan, en vroeg hem of er niets zou zijn waarmee men den droefgeestige genoegen kon doen of opwekken.

»Neen, gebiedster," antwoordde hij. »Hij denkt het liefst aan hetgeen hij eenmaal bezat, maar alleen om te bewijzen hoe weinig het de moeite loont zich daaraan te herinneren. »Welke genietingen heeft het leven mij niet geboden?" vraagt hij, en voegt er bij: »Maar dezelfde keerden telkens weder, en als men zich tienmaal daarin had verheugd, dan werden zij eentonig, en hadden hunne aantrekkingskracht verloren. Wat zij nalieten was enkel verveling en walging." Hij wil niets dan het noodigste hebben, zooals water en brood, maar hij verlangt naar geen van beide omdat hij daarin nog minder smaak vindt dan in datgene waarmede men zich den volgenden morgen bederft. Gisteren, toen hij bijzonder somber was gestemd, viel ons gesprek op het goud. Dat was misschien nog het meest waard begeerd te worden. De enkele aanblik daarvan wekte reeds aangename verwachtingen op, omdat daarin zoovele genietingen verborgen lagen. Maar daarop lachte hij weder, en beweerde dat het juist deze genietingen waren die de afschuwelijke oververzadiging in het leven riepen. Het goud was ook al niet waard er een hand naar uit te steken.

»Zulke gedachten spint hij gaarne uit, en zoekt dan beelden om zijne bedoeling duidelijk te maken. »In de sneeuw op de hoogste toppen," zeide hij, »bevriezen onze voeten. In het slijk hebben zij het warm, maar de zwarte modder is leelijk, en blijft er aanhangen."

»Ik merkte op, dat er tusschen het moeras en de sneeuw op de bergen, zonnige dalen liggen waarin men heerlijk leven kan, maar hij stoof op, en wierp het denkbeeld ver weg, zich ooit tevreden te stellen met den jammerlijken middenweg van Horatius. Daarop ging hij voort: »Ja, ik heb het onderspit moeten delven. Octavianus en zijn Agrippa zijn de overwinnaars, maar als een steen mij verplettert, of de plompe poot van een olifant mij vertrapt, dan ben ik toch nog van een hoogere natuur dan die beide zijn.""

»Dat was weder de oude Marcus Antonius!" riep Cleopatra uit, doch bij den trouwen man werd opnieuw de toorn wakker tegen de vrouw die voedsel gegeven had aan den overmoed, waardoor zijn machtige vriend ten val was gekomen. Hij ging daarom voort: »Maar dikwijls ziet hij zichzelf ook in een ander licht. Onlangs riep hij uit: »geen dichter zou zich een onwaardiger leven kunnen denken dan het mijne is: een satyrspel, met een tragedie tot slot.""

Lucilius had nog veel krenkender dingen hierbij kunnen voegen, maar tegenover den bedroefden blik uit de vochtige oogen der zwaarbeproefde vrouw, wilden die hem niet over de lippen.

De gebroken man wist op de eene of andere wijze in bijna alles wat hij sprak Cleopatra te betrekken. Somtijds deed hij dit met weergaloos bittere verwijten, maar vaker nog met onbegrensde verrukking en heftige uitbarstingen van het vurigst verlangen, en juist die waren het, die Lucilius versterkten in de hoop, dat de invloed van de Koningin zich krachtig zou doen gelden bij zijn vriend. Daarom bracht hij haar eenige bijzonder hartelijke woorden over, die Antonius aan haar aandenken had gewijd, en die hoorde zij met dankbare blijdschap aan.

Toen Lucilius ophield met spreken, maakte zij intusschen de opmerking, dat de menschenhater toch zeker ook wel in een anderen geest van haar en misschien ook van Octavia, zou hebben gesproken. Zij was op het allerergste voorbereid; zij behoorde immers tot de klippen, waarop zijne grootheid schipbreuk geleden had.

Op dat oogenblik herinnerde Lucilius zich wat Antonius eenmaal had gezegd omtrent de drie vrouwen, wier gemaal hij was geweest, en aarzelend antwoordde hij: »Fulvia, de gemalin zijner jeugd--ik heb die hartstochtelijke, vermetele vrouw, de voormalige gade van Clodius, welgekend--noemde hij de stormwind, die in zijne zeilen geblazen had."

»Goed, goed," riep Cleopatra. »Dat deed zij ook. Hij heeft haar veel te danken, en ook ik ben veel aan de overledene verplicht. Zij heeft hem geleerd de macht der vrouw te erkennen en zich daarnaar te voegen."

»Niet altijd tot zijn voordeel," hernam Lucilius, bij wien dat laatste gezegde het pas verdwenen onaangename gevoel weder opwekte, en zonder te letten op den lichten blos der Koningin, ging hij voort: »Van Octavia zeide hij, dat zij de rechte weg was geweest, die tot tevredenheid leidt, en die hen, die zich daarmede vergenoegen, bij goden en menschen aangenaam maakt."

»Waarom vergenoegde hij er zich dan met mede?" vroeg de Koningin driftig.

»In de school van Fulvia," antwoordde de Romein, »werd tevredenheid het allerlaatste onderwezen. Gij weet dat die aan zijne natuur, die gij zoo goed kent, vreemd is. Ook hebt gij zooeven gehoord hoe hij over rustige dalen en den gulden middenweg denkt."

»Maar ik, wat ben ik voor hem geweest?" vroeg de Koningin in spanning.

Lucilius zag een tijdlang nadenkend naar den grond, en gaf toen aarzelend ten antwoord: »Gij verlangt het te hooren, en het bevel der Koningin moet gehoorzaamd worden! U, gebiedster, noemde hij een heerlijk overwinningsfeest waarop de gasten zich met kransen op het hoofd, vóór den slag in weelde baden."

»En die verloren wordt," voegde de koningin er op gedempten toon bij. »Die vergelijking is juist. Thans, na de nederlaag, zou het iets tegenstrijdigs zijn, opnieuw een feestmaal aan te richten. Het treurspel loopt ten eind; daar het satyrspel--zoo zeide hij immers?--reeds vooraf is gegaan, zou de opvoering daarvan in dezen tijd slechts een onaangename herhaling zijn. Trouwens, ééne zaak schijnt mij gewenscht: een verzoenend slottooneel. Zoo gij denkt dat het in mijne macht staat mijn gade terug te geven aan het leven, reken dan op mij. Het overwinningsmaal, waarvan hij sprak, heeft lange jaren geduurd. Het nagerecht zal kort zijn, maar ik ben bereid daarvoor te zorgen. Toen ik hem een bezoek wilde brengen, heeft hij mij afgewezen. Op welke wijze stelt gij u de toenadering voor?"

»Ik geloof," antwoordde Lucilius, »dat ik dat aan uwe vrouwelijke fijngevoeligheid moet overlaten. Doch ik kom ook met een verzoek, en in de vervulling daarvan ligt misschien reeds het antwoord opgesloten. Eros, de trouwe lijfslaaf van Marcus Antonius, laat uwe majesteit nederig verzoeken hem enkele oogenblikken gehoor te verleenen. Gij kent den wakkeren knaap. Hij zou voor u, zoowel als voor zijn heer, het leven laten, en hij.... Ik heb eens van uzelve gehoord wat Koning Antiochus zeide: dat niemand groot was voor zijn lijfslaaf.... Zoo ziet dan ook Eros de zwakheden en voorrechten van zijn heer van meer nabij dan wij, en daarbij is hij verstandig. Antonius heeft hem sinds lang vrijgelaten, en indien uwe Majesteit er niet tegen heeft den geringen man bij zich te ontvangen...."

»Laat hem komen," antwoordde Cleopatra. »Wat gij van mij verlangt is billijk. Ik weet helaas maar al te goed wat ik bij mijn vriend heb goed te maken. Reeds vóór gij kwaamt bedacht ik mij juist, hoe ik een zijner vurigste wenschen zou vervullen."

Hierop gaf zij den Romein zijn afscheid, en zag hem met gemengde gewaarwordingen vertrekken. Het smachtend verlangen naar den man, dien zij reeds zoo lang moest missen, was opnieuw in haar ontwaakt, en toch klonken de grievende woorden, die hij omtrent haar had geuit, nog bij haar na. Doch nauwelijks was de deur achter Lucilius gesloten, of de hofmaarschalk meldde de komst van eenige afgevaardigden uit de leden van het Museum.

De geleerde heeren kwamen zich beklagen over het onrecht dat hun medelid Didymus was aangedaan, en tegelijkertijd uiting geven aan hunne gevoelens van trouw, ook in dezen tijd van druk. Cleopatra van hare zijde betuigde hen hare hulde en verklaarde dat zij den ouden philosoof reeds volkomen schadeloosstelling had aangeboden. Zij was in zekeren zin een der hunnen. Zij wisten immers allen, dat zij van hare jeugd af aan hun streven geëerbiedigd en gedeeld had. Ten bewijze daarvan vereerde zij aan de bibliotheek van het Museum de tweehonderd duizend boekdeelen die uit Pergamus afkomstig waren, een der schoonste geschenken waarmede Marcus Antonius haar ooit had verrast, en die zij tot nu toe aan hunne boekerij slechts in bruikleen had afgestaan. Daardoor hoopte zij de schade die tot haar leedwezen aan Didymus was toegebracht, weder goed te maken, en tenminste gedeeltelijk het verlies te herstellen, dat de beroemde bibliotheek van het Museum door den brand in het Bruchium geleden had.

De geleerden verwijderden zich met levendige dankbetuigingen en verzekeringen van trouwe gehechtheid. Zij kende de meesten van hen persoonlijk, en met de uitstekendste onder hen had zij dikwijls een wedstrijd in scherpzinnigheid gehouden, tot genoegen en ten nutte van beide partijen.

De zon was reeds ondergegaan, toen een den vorigen dag aangekondigde optocht der priesters van Serapis, den hoogsten god der stad, op de Lochias verscheen. Begeleid door fakkel- en lantaarndragers, bewoog de stoet zich langzaam in plechtige staatsie, voort. Overeenkomstig den aard van Serapis, was daarbij veel dat aan den dood moest doen denken. De Koningin was met de beteekenis van ieder beeld, iedere standaard, iedere kist, iedere bijzonderheid van de muziek en het gezang vertrouwd. Zelfs de afwisselende kleuren van het licht hadden een beteekenis, die betrekking had op den kringloop van het worden en vergaan in het heelal en in het menschelijk leven, en het grootsche slot van het eerebetoon, dat de opname van de koninklijke ziel in het wezen der godheid, de apotheose van de ziel des heerschers voorstelde, was wel geschikt het hart te treffen. Onverwachts baadde de geheele stoet in een zee van licht, en terwijl door dien lichtgloed de omvangrijke steenen massa van het paleis, de zee met de schepen en masten die haar bedekten, en de kust met zijn tempels, pylonen, obelisken en praalgebouwen werd beschenen, vereenigde zich al de koren, begeleid door de klanken der bazuinen, cymbalen en luiten tot één machtige hymne, welker tonen tot aan den sterrenhemel en de open zee achter den vuurtoren doordrongen.

Allerlei zinnebeeldige voorstellingen moesten doen denken aan den dood en de opstanding, de nederlaag en een daarop volgende overwinning door den bijstand van den grooten Serapis, en toen de fakkels zich verwijderden en tegelijk met het gezang der priesters in het donker van den nacht verdwenen, hief Cleopatra het hoofd omhoog, en het was haar alsof de gelofte die zij zichzelve had gedaan, onder het zachte gezang der grijsaards en het uitblusschen der flambouwen, de goedkeuring had verworven van den god, dien hare vaderen naar Alexandrië gebracht en daar eer hadden doen bewijzen, opdat hij het wezen der Grieksche en Aegyptische godheden in zich vereenigen zou.

Nu moest haar grafmonument worden opgericht en wanneer het noodlot het wilde, haar geliefde en haar zelve tot gezamentlijke rustplaats strekken. Zij had uit de bittere woorden van Antonius, zoowel als uit den blik en den klank der stem van Lucilius, begrepen, dat hij, evenals den man aan wien haar hart ook nu nog met onverbrekelijke banden was gehecht, haar aansprakelijk stelden voor Actium en de vernietiging van zijn grootheid. Zij wist dat de wereld dat naspreken zou, maar die moest leeren inzien dat, zoo het de liefde was geweest die den grootsten man van zijn tijd roem en heerschappij had doen verliezen, deze liefde ook den allerhoogsten prijs waard was geweest.

Wat men haar zooeven in een zinnebeeld voor oogen had gesteld, dat het voor het verdwijnende licht was weggelegd in nieuwen stralenden glans weder op te gaan, dat wilde zij bedenken, ook dan als de beste uitslag harer pogingen tot niets leidde dan om de glimmende vonken nog eens aan te blazen en het uitdooven daarvan nog wat uit te stellen.

Voor haar eigen persoon was er geen groote overwinning meer te behalen, die den strijd zou zijn waard geweest. Toch mochten de wapenen niet rusten tot het laatste toe, en mocht Antonius niet langer, als een andere Timon, morrend en als een stuk wild dat in een strik gevangen was, er bij nederliggen. Zij wilde het vuur zijner heldennatuur, dat door de blinde liefde tot haar en door de macht der tooverkunst, waarmede zij zijn wil gebonden had, met verstikkende asch was bedekt, weder oprakelen en het dwingen, al was het maar tot een enkele laatste opflikkering.

Onder het luisteren naar de opstandingshymne der Serapispriesters, had zij zichzelve de vraag gesteld: of het misschien niet mogelijk zou zijn om aan Antonius, zoo deze tot nieuwe geestkracht ontwaakte, den zoon van Julius Cæsar tot medestrijder te geven.

Het is waar, zij had den jongeling anders wedergevonden dan zij had gehoopt. Ofschoon hij zich eenmaal tot een stoute onderneming had laten medesleepen, scheen het alsof al zijn kracht tot handelen daarmede uitgeput was, want thans gaf hij zich geheel aan de jammerlijkste liefdesmart over, en verdiepte zich in somber gepeins. Maar hij was dan ook nog ziek. Als hij hersteld was zou hij weder ontwaken tot levendige belangstelling in de gebeurtenissen, die zoo diep dreigden in te grijpen in zijn bestaan, en, even goed als de geringste slaaf, treuren over de nederlaag bij Actium.

Tot nu toe had hij alle berichten omtrent den slag, dien men hem letterlijk had moeten opdringen, aangehoord met een onverschilligheid, die alleen te verklaren en te vergeven was als men die aan zijn verwonding toeschreef.

Zijn gouverneur Rhodon had zooeven om een kort verlof verzocht en daarbij opgemerkt, dat het in zijn afwezigheid Cæsarion niet aan gezelschap zou ontbreken, daar hij Antyllus en eenige andere jongelieden van zijn leeftijd verwachtte.

De vensters van de ontvangzaal van den »Koning der koningen" waren helder verlicht. Het was nog tijd hem op te zoeken en te doen begrijpen, waarom het ook voor hem te doen was. O, indien het haar eens gelukte zijns vaders geest bij hem wakker te maken! Indien eens die strafwaardige aanslag op Barine een voorbode was geweest van toekomstige heldendaden!

Geen enkele ontmoeting met hem had haar nog aanleiding gegeven tot deze verwachting, doch voor het moederhart wordt zelfs de ontgoocheling licht een trap die tot nieuwe hoop leidt. Toen Charmion binnentrad om den lijfslaaf van Antonius aan te dienen, beval zij dien te laten wachten, en verzocht haar vriendin haar naar haar zoon te vergezellen. Op het oogenblik toen zij de vertrekken naderden die Cæsarion bewoonde, klonk de luide stem van Antyllus haar tegen door de breede open deur, waarvan het voorhangsel slechts half toegeschoven was. Het eerste woord dat de Koningin verstond, was haar eigen naam; daarom gaf zij hare gezellin een wenk, en beiden bleven staan.

Het onderwerp van het gesprek was alweder Barine. De zoon van Antonius verhaalde wat hij door Alexas had gehoord. Cleopatra, had de Syriër beweerd, was van plan geweest de jonge vrouw naar de steengroeven of in verbanning te zenden, en Dion zwaar te straffen; doch nu waren beiden ontsnapt. De epheben hadden zich als verraders gedragen, want zij hadden de partij van hun vijand gekozen. Maar dat was daaraan toe toe te schrijven, dat men hem nog niet met het jongelingsgewaad had bekleed. Hij hoopte zijn vader daartoe te bewegen indien deze maar eerst weder van zijn beklagenswaardige menschenschuwheid verlost was. Dan moest men hem ook overreden zelf voor de vervolging der gevluchten te zorgen. »En dat zal niet moeilijk gaan," riep hij overmoedig uit, »want de oude man weet wat schoon is, en heeft zelf reeds een oog op de zangeres geworpen. Doch als zij haar vangen, dan sta ik u overigens voor niets in, gij »Koning der koningen"--want ondanks zijn grijzen baard steekt hij ons allen bij de vrouwen nog de loef af, en voor Barine--dat hebben wij immers gehoord--begint een man eerst iets waard te worden, wanneer zijn haar gaat dunnen. Ik heb aan den trawant Derketaeus opgedragen al zijne lieden uit te zenden om haar te zoeken; die is zoo slim als een vos, en de gerechtsdienaars moeten hem gehoorzamen."