Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 27
Gorgias zag een tijd van koortsachtig haastigen arbeid vóór zich, doch dat schrikte hem niet af. Met zulke bouwheeren zou hij het aandurven de geheele stad te overdekken. En deze opdracht verblijdde hem nog te meer, omdat zij bewees dat de vrouw, wier grafmonument zoo snel uit den grond verrijzen moest, er toch ook nog aan dacht zich het leven te veraangenamen; want zij wenschte wel is waar dat de tuin zou blijven zooals hij was, doch de zuilengangen en al het overige wilde zij samengesteld zien uit edele grondstoffen en in schoonen vorm. Bij het afscheid drukte Gorgias met vurige bewondering een kus op haar kleed.
Welk een vrouw! Wel had zij den sluier niet opgelicht, en droeg zij slechts eenvoudige, donkere kleederen, doch al hare bewegingen waren edel en schoon. Haar arm, en de hand waarmede zij nu hier- dan daarheen wees, schenen hem bezield te zijn, en den man, die zooveel waarde hechtte aan het volmaakt schoone, viel het moeilijk zijn blik los te maken van dien wondervollen vorm. En dan haar geheele persoon! Dat waren eerst lijnen, dat was echte voornaamheid, en warm bewegelijk leven! Dien morgen toen Helena, die nu zijn huisgenoot was, hem den ochtendgroet had gebracht, had hij getracht haar te vergelijken met Cleopatra, maar hij had dat spoedig opgegeven. Hij, wien Hebe zelve nektar schenkt, vraagt niet naar den edelsten Bybluswijn. Het bezorgde hem nog altijd een moeilijk te beschrijven, dankbaar en opgewekt gevoel van welbehagen, wanneer de ingetogen, bedaarde Helena hem zoo hartelijk en vertrouwelijk begroette, maar Cleopatra's beeld plaatste zich gedurig tusschen hem en haar, en het kostte hem moeite zichzelven te begrijpen. Hij had al vele vrouwen, de een na de ander bemind, en nu klopte zijn hart zelfs voor twee tegelijk, maar de Koningin was van die beide sterren, wier licht hem verrukte, toch de helderste. Daarom zou hij het in zijn rechtschapen ziel als verraad hebben beschouwd, indien hij nu naar de hand van Helena gedongen had.
Cleopatra voelde welk een vurig bewonderaar zij in den degelijken kunstenaar gevonden had, en dat verheugde haar. Bij hem had zij zich van geen beker bediend! Reeds den volgenden dag zou hij met de oprichting van haar grafmonument beginnen. In de groeve moest ruimte zijn voor verscheidene lijkkisten. Antonius had meer dan eens den wensch geuit om, waar hij ook mocht sterven, naast haar begraven te worden, en dat had hij reeds gezegd, eer zij den beker in haar bezit had. Zij moest hem in ieder geval die gunst bewijzen, waar en door wien hij ook den dood zou vinden, en het reeds verduisterend licht van zijn bestaan zou zeker maar al te spoedig geheel worden uitgebluscht. Als zij hem spaarde, zou Octavianus hem toch uit de rijen der levenden schrappen, en zij.... Weder maakte die vreeselijke, koortsachtige onrust zich van haar meester, die de aanleiding was geweest tot het bevel om den beker te vernielen, en die haar zelve naar den tempel had doen gaan. In dien toestand kon zij niet in haar paleis terugkeeren, de Raadszitting bijwonen, bezoeken ontvangen en de kinderen gaan zien. Het was de verjaardag der tweelingen, Charmion had haar daaraan herinnerd en op zich genomen voor geschenken te zorgen. Hoe zou zij zelve tijd en opgewektheid voor zoo iets gevonden hebben?
Laat in den nacht was zij van den opperpriester teruggekomen, maar had zich nauwkeurig laten vertellen hoe men Marcus Antonius gevonden had. De beschrijving van Iras kwam overeen met den toestand waarin zij hem gedurende den slag en daarna had gezien. Ja, sedert dien tijd scheen zijn somber gepeins nog erger geworden te zijn. Dien morgen had Charmion haar bij het aankleeden geholpen. Zij was toen op het punt geweest om de moeilijke bekentenis te doen, dat zij Barine had bijgestaan om te ontkomen aan de straffende hand der Koningin; doch vóór dat zij daaraan begonnen was, werd Timagenes aangediend, want Cleopatra was eerst laat opgestaan.
Wat de Koningin van haar tocht naar den tempel had verwacht, was niet in vervulling gekomen, maar het onderhoud met Gorgias had haar op iets nieuws gebracht. Doch de klanken in haar gemoed, die door de plannen van haar laatste rustplaats waren wakker gemaakt, overstemden nu al het andere, evenals het bruischen van de branding het gekweel der zwaluwen aan de rotsachtige kust.
Ja, zij had behoefte in te keeren tot zich zelve. In alle stilte moest zij velen dingen overwegen en bepeinzen. Op de Lochias kon zij daar niet toe komen. Daar viel haar eensklaps het kleine heiligdom van Berenice in het oog, dat zij bevolen had te slechten, om aan de kinderen in hare nabijheid een tuin te bezorgen, die geschikt zou zijn voor hun lust tot werken. Het was ledig. Daar behoefde zij niet te vreezen gestoord te zullen worden. Het inwendige bevatte een enkele, stille, afgesloten ruimte met het beeld van Berenice. De hofmaarschalk beval den wachter om iederen anderen bezoeker af te wijzen, en weldra bevond de Koningin zich alleen in de kleine overwelfde koepel van wit marmer. Zij zette zich neder op eene der bronzen banken tegenover het standbeeld. Hier was het stil; in deze koele, rustige omgeving zou het haar geest die aan ernstig denken gewoon was, misschien gelukken datgene te vinden, waarnaar zij smachtte: klaarheid, klaarheid omtrent zich zelve en haar toestand, tegenover de beslissing waarvoor zij stond.
In het begin dwaalde hij heen en weder als een duif, eer zij de richting van haar vlucht gekozen heeft, maar de vraag, waarom zij met zulk een haast een grafteeken voor zich liet oprichten wanneer het haar nog vergund mocht worden te blijven leven, bracht hare gedachte op de rechte baan.--Onder de Scythen van de wacht, de Mauretaniërs en Blemmyers in het leger, waren genoeg woeste knapen te vinden, die zich door een woord uit haar mond en een handvol goud op den verslagen Antonius zouden laten aanhitsen, als de hond van een jager door zijn: »pak aan!" Eén wenk, en twintig der armzalige toovenaars en magiërs in de Rhakotis, de Aegyptische wijk der stad, zouden zich laten aanwerven om hem door vergif of listige kunstgrepen verradelijk te vermoorden; één bevel aan de Macedoniërs in de lijfwacht der »mellakes" of jongelingen, en hij werd nog dezen dag gevangen genomen, en was als zij dat wenschte, reeds morgen op weg naar Azië, waarheen Octavianus zich, volgens Timagenes, weder begeven had.
En wat verhinderde haar naar het goud te grijpen, dien wenk te geven, dat bevel uit te vaardigen?
Wel dacht zij nog aan den nu gesmolten tooverbeker, die hem gedwongen had roem, eer en macht als ijdele beuzelingen weg te werpen, en haar gebod om niet van haar weg te gaan, gehoorzaam te zijn; doch ofschoon deze herinnering haar drukte, toch kon zij daardoor nog niet tot een eindbesluit komen. Het was dan ook eigenlijk niet één enkele reden die haar hand en mond gesloten hield, het was iedere zenuw van haar wezen, iedere polsslag van haar bloed, iedere blik van haar geest in het verleden, tot aan de grens van haar kindsheid toe, die het haar verbood.
En zij gaf ook nog aan andere overwegingen gehoor. Zij spraken haar van hare kinderen, het trotsche gevoel van haar macht, de liefde voor het land harer vaderen, en hoe dat bedreigd werd zonder haar, van het genot het licht te zien, en van de donkerheid, het stilzwijgen, de strakheid van den dood; van de vernietiging van lichaam en geest, beide zoo trouw gekweekt en met zoo veel moeite ontwikkeld, en van het vreeselijk lijden, dat misschien met een overgang uit het leven in den dood zou samengaan. Daarbij--wat stond haar te wachten in dat leven, dat den duur der eeuwigheid had? Eenmaal zou het toch gedaan zijn met het leven hier op aarde; als zij den vastgestelden tijd willekeurig veranderde, en indien niet Epicurus, die met den dood alles deed ophouden, maar de oude leerstellingen der Aegyptenaars de waarheid gesproken hadden, wat zou haar dan wachten aan gene zijde van het graf, wanneer zij enkele nieuwe levensjaren gekocht had met den moord of het verraad van haar geliefde, haar gade?
Doch misschien waren de straffen der verdoemden slechts middelen ter verschrikking, uitgedacht door de priesters, die voor de orde in den staat moesten waken, om de wilde driften der menigte in toom te houden, en de teugellooze overtreders der wet bevreesd te maken. En, fluisterde de vermetele Grieken-geest haar in, zij zou in het oord der verdoemenis, niet in den Aalu-tuin, de Eliseesche velden der Aegyptenaars, haar vader en moeder en al haar misdadige voorvaders terug vinden, tot aan den eersten Euergetes toe, die den slechten Philopator opgevolgd was.
De gedachte aan het hiernamaals mocht dus, als iets hoogst twijfelachtigs, waarvan niets met zekerheid te zeggen viel, buiten spel blijven. De vraag moest zóó worden gesteld: hoe zouden de levensjaren, die zij zich gekocht had door den moord of het verraad van een mensch dien zij liefhad, voor haar zijn?
In den nacht zou het beeld van den vermoorde zeker den slaap van hare legerstede verdrijven. De Erinnyen, de Dirae, zooals de Romein Antonius hen noemde, die den moordenaar vervolgden met een geesel van slangen, waren geen gewrocht der dichterlijke phantasie, maar een treffend zinnebeeld der onrust van den door gewetenswroegingen gefolterden misdadiger. Het hoogste goed, de zaligheid zonder smart der Epicuristen, was door hen, op wie zulk eene schuld drukte, voor eeuwig verbeurd.
En overdag en bij avond? Ja, dan zou het haar vrij staan genot op genot te stapelen, maar voor wien zou er feest worden gevierd? Met wien kon zij de vreugde deelen? Zonder Marcus Antonius was er sinds lang geen gastmaal of tooneelvoorstelling meer, die haar genoegen gaf. Voor wien tooide zij zich of maakte het verdwijnen der bevallige betoovering door hulpmiddelen weder goed, zoo niet voor hem?--En hoe spoedig zou die betoovering, die haar zoo langzaam maar zeker verliet, door knagenden zielsangst geheel en al vernietigd worden? Als de spiegel haar rimpels vertoonde, die zelfs de kunst van Olympus niet uitwisschen kon, als.... Neen, zij was niet geschapen om oud te worden! Zouden de enkele, gekochte levensjaren, waarin zich zulk een groote ellende mengen zoude, werkelijk waarde genoeg bezitten om daarvoor het recht te verliezen, bij tijdgenooten en volgende geslachten de betooverende Cleopatra, de onweerstaanbaarste van alle vrouwen te heeten?
En de kinderen? O ja, het zou heerlijk geweest zijn hen te zien opgroeien en zich tot den troon verheffen, maar ook bij deze voorstelling, hoe rijk aan verkwikkelijke bijzonderheden, voegden zich weldra groote, afdoende bezwaren.
Hoe verrukkelijk zou het zijn Cæsarion, in de plaats van Octavianus, als beheerscher der wereld te begroeten! Maar hoe zou die droomer daartoe geraken, hij, dien de eerste neigingen van het hart reeds verleid hadden tot het onzinnigste prijsgeven van zijn waardigheid en inbreuk maken op de wetten, en die nu in den ouden, half slapenden toestand teruggezonken scheen te zijn?
De overige kinderen wekten echter liefelijke, hoopvolle gedachten op, en hoe verlustigde zich haar moederhart in het gezicht van Antonius Helios, als Koning van Aegypte, Cleopatra Selene met haar eerste kind aan hare borst, den kleinen Alexander als een groot en begaafd, aan deugden rijk staatsman en held.--Doch wat moesten juist zij, Antonius' kinderen, die zij hoopte dat door Archibius zouden worden opgevoed, gevoelen voor de moeder, die hun vader had vermoord?
Zij huiverde, en dacht terug aan de uren, toen haar kinderlijk hart bloedige tranen had geweend, zoo dikwijls zij gedacht had aan haar eigen booze moeder, die door haar vader was vervloekt. En toch had Koningin Tryhæna, die door de geschiedenis een monster wordt genoemd, haar gemaal niet vermoord, maar enkel van den troon gestooten.
Ook kwamen haar weder Arsinoë's verwenschingen voor den geest tegen hare moeder en zuster, en dan te denken dat de roode lippen van de tweelingen en van haar oogappel Alexander zich ook eens konden openen om haar te vloeken--zich voor te stellen, dat de lieve handen der kinderen zich zouden opheffen om met verontwaardiging en minachting te wijzen op haar, de wreede moordenares van hun vader.... Neen, neen, en nogmaals neen!.... Tot den prijs van deze pijniging, deze vernedering en schande wilde zij niet luttele jaren van een toch al waardeloos geworden leven koopen. Koopen, van wien?
Van dienzelfden Octavianus, die haar zoon het erfdeel van zijn vader Cæsar had ontnomen, wiens plaatsing in het testament een teeken was van twijfel aan hare trouw. Van dien kouden, koel berekenenden geluksvogel, wiens geheele persoon haar, sinds zij hem de eerste maal te Rome ontmoette, had tegengestaan, afgestooten, en doen huiveren. Van hem, door wiens overredingskracht en dwingelandij haar gemaal--want dat was Antonius in hare eigen oogen en in die van alle Aegyptenaren--er toe gebracht was, om zijn zuster Octavia te huwen en haar, Cleopatra, daardoor enkel tot zijn geliefde te stempelen, en de wettige geboorte hunner kinderen twijfelachtig te maken; den valschen vriend van den goed vertrouwenden Antonius, die bij Actium hem en haar op het diepst had vernederd en gesmaad.
Te gehoorzamen aan het verlangen van zulk een man, die haar de snoodste van alle daden wilde doen begaan, daartegen verzette zich met kracht haar koninklijke trots, en deze trots had haar van kind af het hoofd hoog doen houden, en behoorde bij hare natuur, zoo goed als het ademhalen en het kloppen van haar hart. En toch! Ter wille van de kinderen zou zij misschien ook deze schande op zich hebben geladen, indien die niet tegelijk het graf zou geweest zijn van het beste en schoonste, dat zij van de jonge ziel der tweelingen en van Alexander wenschte.
Reeds toen zij zich den vloek harer kinderen had ingedacht, was zij van hare plaats opgestaan. Waartoe zou zij nog langer nadenken en overwegen? De helderheid, waarnaar zij had gezocht, was reeds gevonden. Gorgias moest zich met de graftombe haasten! Wanneer het noodlot haar leven eischte, dan zou zij zich niet daartegen verzetten, mits het niet van haar vroeg, dat te bewaren tot den prijs van moord of snood verraad. Het leven van haar geliefde was reeds verloren gegaan. Aan zijne zijde had zij genoten van een heerlijk, bedwelmend, verblindend geluk zonder wederga, waarvan de wereld nog altijd met benijdende verbazing gewaagde. Aan zijne zijde wenschte zij, als alles voorbij zou zijn, in het graf te rusten, en de wereld te dwingen het minnend paar, Antonius en Cleopatra, met eerbiedig medelijden te herdenken. De kinderen moesten bij de herinnering aan haar, het hart kunnen verheffen en geen schaduw van een bitter gevoel of van een waarschuwing mocht hen verhinderen den grafsteen hunner ouders met bloemen te versieren, daarbij te weenen, en aan hun genius een plengoffer te wijden.
Vervolgens wierp zij een blik op het beeld van Berenice, die eenmaal, evenals zij, de dubbele kroon van Aegypte op haar hoofd gedragen had. Zij ook was te vroeg een gewelddadigen dood gestorven, zij ook had geweten wat liefhebben is. De gelofte om haar fraai haar aan Aphrodite te offeren, wanneer haar gade ongedeerd zou terugkeeren uit den oorlog tegen Syrië, had den roem van haren naam verhoogd. »Het haar van Berenice" was nog altijd als een sterrenbeeld aan den nachtelijken hemel te zien.
Ofschoon deze vrouw veel en zwaar had misdaan, ééne daad van trouwe liefde had haar tot een gevierde, aangebeden vorstin gemaakt. Zij, Cleopatra, wilde een nog grootere daad volbrengen. Het offer, dat zij zich zelve wilde opleggen, zou nog zwaarder wegen dan een handvol fraaie haren, want het betrof de heerschappij en haar leven.
Met opgeheven hoofd en een trotsch gevoel van eigenwaarde zag zij naar het edele marmeren gelaat der Kyrenaeische op.
Vóórdat zij het heiligdom was binnengegaan, had zij een gevoel gehad, alsof zij wist hoe het den misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, te moede was. Nu zij zelve vrijwillig van het leven afstand ging doen, voelde zij zich als het ware van een drukkenden last bevrijd, en toch deed het hart haar pijn; vooral als zij aan de kinderen dacht, werd zij overweldigd door het smartelijkste van alle soorten van medelijden: het medelijden met zichzelve.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Toen Cleopatra uit den tempel kwam, verbaasde Iras zich over haar veranderd uiterlijk. De strakheid die zoo even nog iets scherps gegeven had aan haar schoon gelaat, had plaats gemaakt voor een uitdrukking van stille smart, die er goed aan stond; doch die was spoedig verdwenen toen haar vertrouweling haar wees op den stoet, die juist het eerste binnenplein van het paleis opkwam.
In Alexandrië en geheel Aegypte werd de geboortedag zoo feestelijk mogelijk gevierd. Ter eere der tweelingen waren vele kinderen uit de stad gezonden om hen geluk te wenschen, en tegelijk hunne koninklijke moeder te verzekeren van de trouw en liefde der burgerij.
De terugweg naar het paleis duurde slechts enkele minuten, en toen Cleopatra, terwijl zij zich in haast een feestgewaad liet aandoen, op die kinderschaar neerzag, was het haar alsof het noodlot haar door dit liefelijk schouwspel een teeken gaf, dat het haar moeilijk besluit goedkeurde.
Weldra stond zij met de tweelingen aan de hand op het terras, waarvoor de optocht stilhield; honderden knapen en meisjes van denzelfden leeftijd als de prins en prinses, waren daar bijeen. Deze hadden ruikers, gene droegen kleine mandjes met viooltjes en rozen in de hand. Al de hoofden droegen kransen, en vele meisjes waren met guirlanden van bloemen omslingerd. Een koor van jongelingen en jonkvrouwen zong een feestlied, waarin zij de goden smeekten om geluk voor de edele moeder en hare kinderen; de aanvoerster van het meisjeskoor hield een korte aanspraak uit naam van de geheele stad, en terwijl zij sprak, hadden de kinderen zich in rijen geschaard. De kleinsten stonden vóór de grooteren, en deze weder voor de allergrootsten. Het geheel geleek een levende tuin, waarin de frissche gezichtjes de schoonste bloemen waren.
Cleopatra sprak haar dank uit voor dien liefelijken groet der burgerij, die haar door het dierbaarste wat zij had, liet zeggen dat zij hare liefde beantwoordde. Hare oogen werden vochtig, toen zij met haar eigen klaverblad naar de gelukwenschende kinderen toeging, en een klein, bijzonder bekoorlijk meisje, dat zij kuste, de armen zoo teeder om haar hals sloeg, alsof zij haar eigen moeder was. Ook was het een allervriendelijkst gezicht, toen de meisjes den inhoud harer korfjes vóór haar op den grond strooiden, en de knapen hunne ruikers aanboden aan haar en de tweelingen en Alexander, en dat met menigen vroolijken uitroep en hartelijken gelukwensch vergezeld deden gaan.
Charmion had de geschenken niet vergeten, en toen kamerdienaren en vrouwen de kinderen naar een feestzaal brachten om hen daar ververschingen te doen geven, straalde er zulk een helder licht uit de oogen der Koningin, dat de gezellin harer jeugd moed vatte om nu met haar moeielijke bekentenis voor den dag te komen.
Zooals zoo dikwijls datgene, waarvoor wij den meesten angst hebben gehad, als het eenmaal daar is, ons een vriendelijk of onverschillig gelaat vertoont, zoo gebeurde het ook nu. Er is in het leven niets groot of klein. Het eene kan het andere worden, naar gelang der dingen waarmede wij het in verhouding brengen. De grootste mensch wordt een dwerg naast de reusachtige rots, de kleinste is een reus in vergelijking met de krioelende mieren in het bosch. De bedelaar beschouwt datgene als een rijke schat, waar de rijke verachtelijk overheen ziet. Wat voor Cleopatra, enkele dagen geleden, onverdragelijk was geweest, wat haar in onrust had gebracht en een deel van haar slaap geroofd; wat haar genoopt had ernstige maatregelen daartegen te doen nemen, kwam haar nu als iets nietigs voor, dat nauwelijks de aandacht waard was.
De dag van gisteren en die van heden hadden gebeurtenissen medegebracht, en haar voor vragen gesteld, die de verdwijning eener Barine terug gedrongen hadden naar het rijk van het onbeteekenende.
Vóór zij hare bekentenis deed, had Charmion haar verzekerd dat zij smachtte naar rust, maar toch bereid was om in alle omstandigheden hare koninklijke vriendin getrouw te blijven, zoolang totdat deze haar bijzijn niet meer begeeren en haar wegzenden zou. Zij vreesde dat dit oogenblik nu gekomen was.
Cleopatra viel haar in de rede met de verzekering dat zij van iets onmogelijks sprak, en toen Charmion daarop bekende dat Barine was ontkomen, en zij het was geweest, die de onschuldige, zwaar bedreigde kleindochter van Didymus in hare vlucht had bijgestaan, toen was de Koningin opgestaan en had het voorhoofd gefronst; doch dit had slechts een oogenblik geduurd.
Zij had haar vriendin glimlachend met den vinger gedreigd, haar naar zich toe getrokken, en ernstig, doch vriendelijk verzekerd, dat van alle ondeugden, ondankbaarheid het verste van haar verwijderd was. De vriendin harer jeugd had haar zooveel sprekende bewijzen van trouw en liefde, van offervaardigheid en onvermoeid dienstbetoon gegeven, dat zij door ééne daad van eigenmachtige ongehoorzaamheid nog lang niet opgewogen werden. Er bleef nog altijd een aanzienlijk bedrag over, en daarop terende, mocht zij nog een tijd lang voort zondigen, zonder te vreezen dat Cleopatra zich van haar Charmion zou kunnen scheiden.
Op dit oogenblik wist deze opnieuw, dat niets op aarde vijandig en scherp genoeg zijn kon om den band door te snijden, die haar aan deze vrouw verbond. Terwijl hare lippen overvloeiden van den dank uit haar volle hart, bekende Cleopatra dat het haar toescheen alsof haar met Barine's vlucht, eigenlijk een dienst was bewezen. Het was haar niet ontgaan hoe voorzichtig Charmion verzwegen had waar de jonge vrouw zich nu verborgen hield, en zij verlangde dat ook niet te hooren. Het was haar genoeg dat de gevaarlijke schoone onbereikbaar geworden was voor Cæsarion.--Wat Antonius aanging, deze was nu door een muur gescheiden van de overige wereld, en dus ook van de vrouw, voor wie hij eigenlijk nooit iets innigers had gevoeld, niettegenstaande de beschuldigingen van Alexas.
Met veel warmte trachtte Charmion nu de Koningin te doen inzien wat de aanleiding was geweest, dat de Syriër Barine met zulk een fellen haat vervolgde. Het lag voor de hand, en behoefde nauwelijks bewezen te worden, dat de geheele omgang van Marcus Antonius met de kleindochter van Didymus in het minst niet tot een nauwere betrekking had geleid. Cleopatra luisterde echter slechts met een half oor. Het was alsof de geliefde, voor wien eenmaal haar hart uitsluitend had geklopt, haar nu reeds tot een dierbare herinnering geworden was. Zij vergat niet welk geluk zij met en door hem had gesmaakt, en wat zij hem door den tooverbeker aangedaan had, doch met den muur voor de landtong Choma, die hem van haar en de overige wereld scheidde, en haar bevel om voor hen beiden een grafteeken te bouwen, was, dacht zij, het tijdperk hunner liefde afgesloten. Wat nu nog aan dit deel van het leven hunner harten toegevoegd kon worden, kon alleen het einde zijn. Zelfs dacht zij voor goed te hebben afgedaan met de jaloerschheid, die het geluk van haar liefde als een voorbijgaande, plotseling invallende schaduw had verduisterd.
Terwijl Charmion verzekerde dat niemand buiten Dion zich er op mocht beroemen dat Barine zijn wensch had verhoord, en daarbij allerlei gebeurtenissen uit haar vroeger leven vertelde, verwijlde Cleopatra in gedachte bij haar geliefde. De boven allen uitstekende heldengestalte van Antonius stond als het beeld van een dierbaren doode voor haar geestesoog. Daarbij herdacht zij alleen wat hij vóór Actium voor haar was geweest. Zij verlangde en hoopte niets meer van den man, die nu zoo geheel gebroken was, misschien door haar schuld alleen. Maar zij was immers besloten daarvoor te boeten. Zij wilde dat doen met haar leven en haar troon. Dat zou de rekening doen sluiten. Wat de rest van haar leven misschien nog aan de uitkomst toevoegen of daarvan aftrekken zou, moest medegerekend worden.