Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 26
»Zoo iets" riep Charmion uit, »zal zij zeker niet verlangen van den vriend harer jeugd." Daarop ging zij naar hem toe, strekte hare beide handen naar hem uit, en ging met blijde ontroering voort: »Zóó moest gij juist gevoelen en spreken, en daarin ligt ook het antwoord op de vraag, die sinds gisteren mijn ziel bezig houdt. De vlucht van Barine, de genade en ongenade van onze gebiedster, Iras, mijn arm hoofd dat voor staatkunde terug deinst, terwijl Cleopatra juist in dezen tijd een scherpzinnige vertrouweling noodig heeft...."
»In het geheel niet," viel haar broeder haar in de rede. »Het komt alleen aan mannen toe haar in deze dingen raad te geven. Ik verwensch dat gewauwel van vrouwen aan de toilettafel! Dat heeft reeds menigen wel doordachten raad der verstandigste mannen in den wind doen vervliegen, en nooit kon het staatsbeleid van eene Iras noodlottiger worden dan juist nu, indien het lot niet reeds het laatste woord gesproken had."
»Dus dit bezwaar is ook opgeheven!" riep Charmion levendig uit, »dan weet ik voor mij zelve wat ik doen zal! Zooals altijd, wijst gij mij ook nu weder den rechten weg. Het is waar, ik had het mij verrukkelijk schoon voorgesteld op het landgoed dat wij Irenia--Vrede-oord--noemden, of te Kanopus in het lieve, kleine paleis, de jaren die mij nog gegeven zullen worden, in rust door te brengen, en terug te keeren tot alles wat onze kinderjaren zoo heerlijk heeft gemaakt. De philosofen, de bloemen in den tuin, de dichters--ook die nieuwe Romeinsche, waarvan Timagenes ons zulke verrukkelijke proeven zond, zouden onze eenzaamheid veraangenamen. Het kind, de dochter van den man, van wiens liefde ik afstand deed, en misschien later ook hare knapen en meisjes, zouden voor mij als mijn eigen kinderen zijn. Even dierbaar als zij Leonax zouden geweest zijn, zoo hartelijk zou ik ook hen hebben bemind.--Zóó heb ik in stille uren dikwijls de toekomst gezien. Maar dezelfde Charmion, die, toen haar hart nog warmer klopte en het leven voor haar open lag, hare eerste vurige neigingen offerde op het altaar der vriendschap voor hare vorstelijke speelnoot, zou die nu, uit zelfzuchtige beweegredenen, Cleopatra in het ongeluk verlaten? Neen! Neen!--Evenals gij, behoor ook ik--er kome van wat wil--aan de Koningin!"
Van zijne instemming overtuigd, zag zij haar broeder in het gelaat, doch deze maakte een handgebaar en antwoordde met ernst: »Neen, Charmion! Wat ik als man op mij neem, zou voor u noodlottig kunnen worden.... Het tegenwoordige is niet zoet genoeg om dat te verbitteren met alsem uit de toekomst. En toch!.... Gij moet een enkelen blik slaan in haar duister rijk om mij te verstaan. Gij kunt zwijgen, en wat gij hooren zult, blijft een geheim tusschen ons beiden. Slechts één ding," en hij liet zijn stem dalen, »slechts één kan haar redden: de moord van Antonius of een schandelijk verraad, dat hem in de handen van Octavianus doet vallen. Dat is het wat Timagenes mij heeft doen inzien."
»Dat?" vroeg zij dof, en liet haar grijzend hoofd op de borst vallen.
»Ja, dat is het," herhaalde hij met vastheid. »En als zij voor de verzoeking bezwijkt en ontrouw wordt aan de liefde die haar gansche leven heeft doorstroomd, zooals de Nijl het land harer vaderen, dan, Charmion, blijf haar dan, onder iedere voorwaarde getrouw, en hecht u vaster aan haar dan ooit; want dan, zuster, zal zij ongelukkiger zijn, tien- honderdmaal ongelukkiger dan wanneer Octavianus haar alles, misschien zelfs het leven ontneemt."
»En dus verlaat ik haar niet, maar wat er ook gebeurt, ik blijf bij haar tot aan het eind," riep Charmion met vuur. Doch Archibius sloeg geen acht op deze geestdrift en warmte, die zijne kalme zuster anders niet eigen waren, en ging bedaard voort: »Zij heeft ook u voor zich gewonnen, en het schijnt u nu onmogelijk toe u van haar los te scheuren. Velen is het evenzoo gegaan, en dat heeft niemand tot schande gestrekt. Het ongeluk is als het ijzer, dat alledaagsche naturen als een zwaard van elkander scheidt, en edele als met een hamer des te vaster aaneen smeedt. Het schijnt u daarom juist nu dubbel moeilijk haar te verlaten; maar gij hebt liefde noodig. Het recht om te leven en uzelve te behoeden voor den droevigsten achteruitgang, komt u even goed toe als die merkwaardige vrouw op den troon. Houd aan haar vast zoolang gij zeker zijt van hare liefde, en blijf haar getrouw door alles heen, tot aan het eind. Doch de redenen die u van haar willen aftrekken en voeren tot de boeken, de bloemen en de kinderen, wegen zwaar, en als het u ontbreekt aan den dauw van hare liefde en genade, dan zie ik reeds hoe gij jammerlijk wegkwijnen zult. De koude die van Cleopatra uitgaat, wanneer haar hart voor u is verkoeld, de speldeprikken die Iras u, die weerloos zijt, geven zal, zouden u te gronde richten. Dat mag zoo niet zijn, zuster, dat willen wij verhoeden.... Neen, laat mij uitspreken! Ik heb den raad dien ik hoop dat gij volgen zult, goed overwogen. Indien gij bemerkt dat de Koningin u nog altijd liefheeft als in vroeger dagen, blijf dan bij haar; doch als gij het tegendeel ondervindt, zeg haar dan morgen reeds vaarwel. Mijn Irenia is het uwe..."
»Maar zij bemint mij, en als zij dat niet meer deed..."
»De toetssteen daarvan ligt voor de hand. Wij zullen aan haar zelve de beslissing overlaten. Gij bekent haar dat gij het waart die Barine hielpt om zich te onttrekken aan haar straffende hand."
»Archibius!"
»Zoo gij dat niet doet, zoudt gij een geheele keten van leugens moeten smeden. Let wel op, of het kleine in haar karakter, dat haar dreef om de dochter van Leonax in de hand van een onwaardige te geven, sterker is dan het groote! Onderzoek of zij de zelfopofferende trouw, die gij haar uw geheele leven hebt gewijd, wel waard is. Als zij, in weerwil van deze bekentenis, voor u blijft wat zij altijd is geweest...."
Hier werd hij in de rede gevallen door de Nubische, die kwam vragen of hare meesteres, ondanks het late uur, Iras nog even zou willen te woord staan.
»Laat haar binnenkomen," antwoordde Archibius na een vluchtigen blik van verstandhouding op zijn zuster die nog zeer bleek zag, sedert hij haar dien eisch had gesteld. Dat merkte hij op, en zoodra de dienares zich had verwijderd, greep hij Charmions hand en zeide met vertrouwelijke hartelijkheid: »Ik heb u alleen maar mijn gevoelen gezegd, maar op onzen leeftijd moet men met zich zelve te rade gaan, en gij zult ook ditmaal zeker toch wel het rechte vinden."
»Ik heb het al gevonden," zeide zij zacht en met neergeslagen oogen. »Dit bezoek heeft mij tot een spoedig besluit gebracht. Zoover mag het met mij niet komen, dat ik mij voor Iras moet schamen!"
Nauwelijks had zij deze woorden geuit, of de jongere vertrouweling der Koningin kwam de kamer binnen. Zij was gejaagd, en terwijl zij in de welbekende vertrekken onderzoekend rondzag, zeide zij na een korte begroeting: »Niemand weet, waarheen de Koningin gereden is. Mardion heeft reeds in hare plaats de processie ontvangen. Heeft zij u in haar vertrouwen genomen?"
Charmion antwoordde ontkennend, en vroeg op hare beurt of Antonius al aangekomen was, en hoe zij dien gevonden had.
»Treurig," luidde het antwoord. »Ik heb mij zooveel ik kon gehaast om de Koningin terug te houden van een mogelijk bezoek aan hem. Doch zij was reeds afgewezen. Het is ontzettend."
»De ontgoocheling van Parætonium komt nog bij de overige ongelukken," merkte Archibius op.
»Dat is een veertje in vergelijking met het andere," voegde Iras er misnoegd bij. »Welk een tooneel! Een ineengekrompen ziel, die nooit overgroot was, in het lichaam van een reus. De afstammeling van Herakles is door zijn tegenspoed geheel ineen gezonken. De zwakke man zal den fieren moed der Koningin nog met zich medetrekken in het stof."
»Laat ons alle krachten inspannen om dat te verhinderen," hernam Archibius met vastheid; »de goden hebben u en Charmion aan hare zijde geplaatst, om haar te ondersteunen wanneer de kracht haar ontzinkt. Nu is het de tijd om te toonen wie gij zijt."
»Ik ken mijn plicht," gaf Iras bits ten antwoord.
»Bewijs dat dan!" zeide Archibius ernstig. »Gij meent reden te hebben om vertoornd te zijn op Charmion."
»Wie zoo hartelijk is voor mijne vijanden, zal het zeker wel zonder mijn vriendschap kunnen doen. Waar is uw beschermeling nu?"
»Dat zult gij later wel hooren," antwoordde Charmion en trad haar nader. »Als het u bekend wordt, zult gij echter meenen nog meer recht te hebben om aan mijne liefde te twijfelen; maar niet om u te krenken, alleen om een wezen dat mij dierbaar is, voor ongeluk te behoeden, ben ik tusschen u en Barine gekomen. En nu wil ik u dit zeggen: Wanneer gij mij gekwetst hadt tot in merg en been, en alles waaraan een Griekenhart waarde hecht mij opriep om mij daarover te wreken,--dan toch zou ik mij nu, juist nu, den dwang aandoen om aan deze neiging geen gehoor te geven, omdat er in deze borst een liefde leeft, die sterker en machtiger is dan de felste haat. Deze liefde hebben wij gemeen. Wees verbolgen op mij, tracht mij, die u tot nu toe als een moeder ter zijde stond, leed te doen en nadeel te berokkenen, doch wacht u mij te berooven van die kracht en vrijheid, die ik noodig heb om aan mijne gebiedster te geven wat ik kan. Ik sprak er zooeven met mijn broeder over, of het voor mij niet geraden zou zijn Cleopatra te verlaten."
»Nu?" viel Iras driftig uit. »Neen, neen! dat niet! Dat mag niet zijn. Zij kan u niet missen, nu minder dan ooit."
»Misschien beter dan u" verzekerde Charmion, »doch in vele opzichten zouden mijn diensten inderdaad moeilijk te vervangen zijn."
»Door niemand onder de zon," riep Iras met warmte uit. »Als zij ook u in deze dagen verliezen moest...."
»Er komen nog donkerder dagen dan deze," viel Archibius haar in de rede, alsof hij zeker van zijn zaak was. »Misschien zult gij het reeds morgen hooren. Het hangt mede van uw gedrag af, of Charmion aan haar wensch naar rust zal toegeven, of blijven bij de Koningin. Gij wilt dat zij blijven zal, en daarom moet gij haar het volharden niet al te moeilijk maken. Wij drieën, mijn kind, zijn wellicht de eenigen aan het hof, wien het geluk der Koningin nader aan het hart ligt dan ons eigen, en daarom moeten wij niet gedoogen dat het geringste misverstand, wat dat ook zij, onze eendracht verstoort."
Iras wierp het hoofd achterover, en riep in hevigen toorn uit: »Was ik het dan misschien, die iets tegen u heb misdreven? Ik zou niet weten hoe. Maar Charmion en gij--hoe lang hebt gij het reeds geweten, dat dit hart zich ook voor een andere liefde had geopend; maar gij--juist gijlieden, plaatstet u tusschen mij en hem, op wien mijn hart van jongsaf heeft gehoopt; gijlieden, gij hebt de brug gelegd die Dion met Barine verbindt. Ik had de gehate vrouw in mijn macht, om haar aan hem te ontrukken, en ik dankte de goden daarvoor--maar gijlieden--het is nu niet moeilijk meer te raden wat gij mij nog verzwijgen wilt--gij zult haar helpen, of hebt dat reeds gedaan, om mij te ontkomen. Gij hebt mij de wraak ontstolen, gij hebt de zangeres teruggebracht op den weg, waar hij haar vinden moet, op wien ik een beter en ouder recht heb dan zij. En hij zal zich misschien toch nog wel bedenken wie van ons beter geschikt is, zijn echtgenoot te zijn, indien ten minste Alexas en zijn waardige broeder er niet voor zorgen dat wij weldra tevreden moeten zijn met een doode in liefde te gedenken. Weet dus, dat ik niet het gevoel heb u nog iets verschuldigd te zijn, maar geloof dat Charmion voor al het goede dat zij mij bewezen heeft, ruimschoots betaald is."
Hierop liep zij ijlings naar de deur, maar op den drempel bleef zij staan, en riep nog eens in de kamer: »Zóó is het met mij gesteld; maar daarom ben ik toch bereid hand in hand met u, als met een vriendin, in alles de Koningin te dienen, want ook gij zijt, zooals ik reeds zeide, noodig tot haar welzijn. In al het overige ga ik zonder u mijn eigen weg."
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Cleopatra had een bezoek gebracht aan den grijzen Anubis, die nu in de hoofdstad als Alexanderpriester aan het hoofd stond van de geheele priesterheerschappij des lands. Het was den tachtigjarigen opperpriester moeilijk gevallen zijn leunstoel te verlaten, maar toch had hij zich naar de sterrenwacht laten dragen om den droevigen uitslag van het onderzoek dat de Koningin had ingesteld, zelf nog eens na te gaan. Doch de stand der sterren aan den hemel was al te ongunstig geweest, om nog vol te houden dat verder verwijderde planeten een verzachtenden invloed hadden, zooals hij in het begin had beweerd, te meer daar Cleopatra zelve zich ook in die studie had verdiept.
Toch had de opperpriester in zijn ontvangzaal verzekerd, dat de redding van hare eigen persoon en de onafhankelijkheid van Aegypte in hare macht stonden, doch de planeten wezen er op dat deze haar een vreeselijk offer kosten zou, waarvan zijne waardigheid, zijn tachtig jaren en zijne liefde tot haar hem intusschen verboden te spreken. Zij was er aan gewend dergelijke duistere gezegden uit zijn mond te vernemen, en had die altijd op hare wijze uitgelegd. Allerlei dingen hadden haar gedrongen nog op dit late uur den grijsaard te gaan bezoeken. In moeilijke omstandigheden had hij haar dikwijls met goeden raad ter zijde gestaan; doch ditmaal was het vooral de tooverbeker van Nektanebus die haar tot hem voerde, welken de pastophoren die hem hadden vergezeld, hem heden hadden teruggebracht; want sinds Actium was dit voorwerp een voortdurende bron van onrust voor haar geweest.
Thans richtte Cleopatra tot den leeraar harer kindsheid de rechtstreeksche vraag: of die bokaal, een schaal met spiegelgladden bodem, inderdaad Antonius er toe gebracht kon hebben den nog onbeslisten slag te verlaten en haar te volgen? Voordat de vloten op elkander stieten, had zij er zich nog van bediend, en deze omstandigheid gaf Anubis aanleiding hare vraag bevestigend te beantwoorden.
Lang geleden had men haar het wondervolle voorwerp in den tempelschat getoond, en haar medegedeeld dat het dengenen, dien het gelukte een ander tot op zijn blanken bodem te doen zien, gegeven was, dien te doen gehoorzamen aan zijn wil. Intusschen was toenmaals haar wensch om hem te bezitten onbevredigd gebleven, en zij had hem niet weder begeerd, eer het haar toescheen dat de onvoorwaardelijke overgave en vurige liefde van Antonius in den laatsten tijd begonnen te verkoelen.
Van dat oogenblik af was zij niet moede geworden haar grijzen vriend te overreden om den wonderbeker aan haar te geven.--In het begin had hij dit met groote beslistheid geweigerd en voorspeld, dat het gebruik van de magische bokaal op haar ongeluk uitloopen zou; doch toen haar wensch was gevolgd door een streng bevel, en de bokaal haar was toevertrouwd, had Anubis zelf geloofd, dat alleen dit ééne voorwerp de toovermacht bezat, die men daaraan toeschreef. Ook vond hij in den beker het zekerste bewijs voor de, het menschelijke vermogen ver te boven gaande magische kunsten der verheven godin, met wier bijstand Koning Nektanebus, die door de overlevering de vader van den Grooten Alexander werd genoemd, dit voorwerp op het Isiseiland Philae gesmeed zou hebben.
Anubis was van plan geweest Cleopatra te herinneren aan zijne weigering, en haar voor oogen te houden welk een groot gevaar er voor een sterveling in ligt, te gebieden over krachten, die buiten den kring van zijn macht liggen. Hij had plan gehad haar te wijzen op Phaëton, die op den wagen van zijn vader Phoebus Apollo een vreeselijken brand had gesticht, toen hij de zonnepaarden zelf had durven besturen; maar het kon daar niet toe komen, want nauwelijks had hij hare vraag bevestigend beantwoord, of zij beval met hartstochtelijke drift, dat men het onheilbrengende voorwerp voor hare oogen vernietigen zou.
De priester deed het nu voorkomen alsof dit verlangen beantwoordde aan een besluit, dat hij zelf ook reeds genomen had. Werkelijk had hij ook reeds, vóór zij zelve bij hem verschenen was, vrees gekoesterd dat de bokaal op gevaarlijke wijze zou misbruikt kunnen worden, wanneer Octavianus de stad en het land in bezit zou nemen en daarbij tegelijk dit wonderdoende voorwerp in zijne handen geraken kon. Nektanebus had den beker vervaardigd voor Aegyptenaars. Indien de priester hem den vreemden overheerscher onthield, zou hij zeker handelen in den geest van den laatsten koning, in wiens aderen het bloed der Pharao's had gevloeid, en die met geestdriftige zelfopoffering gestreden had voor zijn natie, haar vrijheid en zelfstandig bestaan. Toen de Koningin hem dus gelastte het wonderwerk van dezen man liever te vernietigen, dan het aan den Romeinschen veroveraar te laten, scheen dit den opperpriester een heilige plicht. Als zoodanig stelde hij het ook voor, toen hij het smeltvuur liet stoken, en den beker voor de oogen van Cleopatra in een vormlooze massa deed veranderen.
Terwijl het metaal smolt, toonde hij de Koningin in levendige bewoordingen aan, hoe gemakkelijk zij dezen beker, die zijn tooverkracht aan de groote Isis verschuldigd was, ontberen kon.
De betoovering die van een bevallige vrouw uitgaat, was immers evengoed een geschenk der godin. Die was genoeg om het hart van Antonius buigzaam en kneedbaar te maken, evenals het vuur dat het goud deed. Doch misschien had de imperator, tegelijk met de achting der Koningin, ook hare liefde, de kostbaarste aller bezittingen, verspeeld. Hij, Anubis, zou dit beschouwen als een groote gunst der godin; »want," zoo besloot hij, »Marcus Antonius alleen, is de klip, waarop iedere poging schipbreuk lijden moet om voor mijne goddelijke gebiedster onverminderd te behouden wat haar en haar kinderen als erfdeel harer vaderen toekomt, en aan dit dierbaar land vrijheid en welvaart te verzekeren. Deze beker was een kostbare schat. De troon en het geluk van Aegypte zijn nog grootere offers waard. Doch voor de vrouw bestaat er geen grooter dan dat van haar liefde, dat weet ik."
Wat de grijsaard bedoelde met deze toespelingen zou Cleopatra reeds den volgenden morgen vernemen, wanneer zij aan Timagenes, den afgezant van Octavianus, het eerste gehoor verleenen zou.
De scherpzinnige, levendige man, die een harer beste leermeesters was geweest, en met wien zij als zijn leerling menigen woordenstrijd uit verschil van gevoelen ontstaan, had gevoerd, was vriendelijk door haar ontvangen, en had zich van zijn opdracht met schitterenden uitslag gekweten. De Koningin had zijne uiteenzettingen met aandacht gevolgd, en had hem doen zien dat haar eigen geest nog niets van zijne buigzaamheid verloren, maar wel gewonnen had aan kracht. Toen zij hem eindelijk met geschenken en minzame woorden zijn afscheid gaf, wist zij dat het in haar eigen macht stond voor haar geliefd vaderland de onafhankelijkheid, en voor haar zelve en hare kinderen den troon te behouden, wanneer zij Antonius overgaf aan den overwinnaar, of hem, zij het dan ook »als handelend persoon,"--zooals Timagenes het had uitgedrukt--voor altijd verwijderde uit dit drama, dat zij voor zich zelve zoo glansrijk of noodlottig kon doen eindigen als zij wilde.
Zoodra zij weder alleen was, begon haar hart zoo hevig te kloppen, en er ontstond zulk een oproer in haar ziel, dat zij zich niet in staat gevoelde de bijeengeroepen vergadering van den Raad der Kroon bij te wonen. Zij stelde die daarom uit tot den volgenden dag, en besloot een tocht op de zee te gaan doen om tot haar zelve te kunnen inkeeren.
Antonius had geweigerd haar bezoek te ontvangen. Dat deed haar pijn. Met de vernieling van den beker, waartoe zij gedreven was door een van die aanvallen van drift, die zij in dezen ongelukstijd meer had dan vroeger, was de gedachte aan de bokaal en haar machtige uitwerking toch geenszins voor goed verdwenen. Integendeel!--Zij moest nu alleen zijn, tot zichzelve komen en beproeven licht te krijgen in hare benevelde ziel.
De beker had deel uitgemaakt van den schat van Isis, en bij de herinnering daaraan kwamen haar de uren voor den geest, waarin zij vroeger zoo vaak in de stilte van den tempel der godin rust en vrede had gevonden. Zij wilde ook nu weder een bezoek brengen aan dat heiligdom, en om het onbekend te doen, wierp zij een dichten sluier over haar hoofd, en begaf zich, alleen vergezeld door Iras en den eersten der hofmaarschalken, naar den naburigen tempel in den Muzenhoek.
Doch zij vond daar niet wat zij zocht. De menigte die daar gekomen was om te bidden en te offeren, en daarbij de vrees herkend te zullen worden, stoorden haar in hare godsdienstige overpeinzingen.
Op het punt van weder heen te gaan, ontmoette zij den bouwmeester Gorgias, gevolgd door een dienaar, met gereedschappen voor de opmeting. Zij riep hem onmiddellijk tot zich, en hij verhaalde haar op welk een wonderbare wijze het noodlot zelf haar bouwplannen scheen te begunstigen. Zij wist hoe het volk het huis van den ouden Didymus had omvergehaald, en nu was de grijsaard, dien hij in zijn eigen woning huisvesting had verleend, bereid om haar het erfgoed zijner vaderen af te staan, indien de Vorstin daarvoor aan hem en de zijnen hare bescherming wilde beloven.
Uit hare vraag: wat het hoog geachte lid van het Museum van haar, die een vriendin was van geleerdheid en onderzoek, te vreezen kon hebben, bemerkte hij dat zij nog niets had gehoord van de vlucht van Barine, en daarom doelde hij alleen op de ongenade der hoogste Majesteit, die de kleindochter van den philosoof zich op den hals had gehaald. Doch zij verzekerde dat, wat de zangeres ook misdaan mocht hebben, het niet aan hare familie zou toegerekend worden.
Daarop liet zij zich toonen hoe de bouwmeester zich de aansluiting van het mausoleum aan het heiligdom voorstelde, en verdiepte zich in het eerste ontwerp, waaraan Gorgias een deel van den nacht en den morgen had gewijd. Het beviel haar goed, en met levendigen aandrang beval zij zoo spoedig mogelijk met bouwen te beginnen en dat ook in den nacht voort te zetten. Wat anders in maanden zou worden verricht, moest nu in weken gereed komen.
Iras en de hofmaarschalk wachtten haar in gewone burgerkleeding in den voorhof op. Nu vergezelden zij haar met den bouwmeester naar den eenvoudigen draagstoel, die bij een der zijpoorten stond; zij ging daar echter nog niet in, maar gelastte Gorgias haar eerst naar den tuin te geleiden.
Toen zij dien in oogenschouw nam, bleek het dat de bouwmeester goed gezien had, en hij dubbel zoo groot zou blijven als die bij het paleis van de Lochias, ook al nam het mausoleum een deel daarvan in, en werd de weg, die hem van den Isistempel scheidde, naar de zee verlegd. Uit het nauwkeurig onderzoek dat Cleopatra deed, maakte Gorgias op, dat zij met dien tuin nog een bepaald plan had. Uit haar vraag, of hij met de Lochias verbonden kon worden, bleek duidelijk waaraan zij dacht, en de architect gaf een bevestigend antwoord. Alleen zou men eenige gebouwen die koninklijk eigendom waren, en een klein heiligdom van Berenice, ten zuiden van de Koningshaven, moeten sloopen. De arm van het Agathodemonkanaal die hier uitliep, was sinds lang van een brug voorzien.
Met wonderlijke vlugheid had de Koningin zich het geheel nieuwe beeld dat uit deze verandering ontstond, voor den geest gesteld, en zij beschreef het nu den bouwmeester kort en aanschouwelijk. De tuin zou blijven bestaan, doch naar de zijde van de Lochias, tot aan de brug toe vergroot worden. Van daaruit moest een overdekte zuilengang naar het paleis voeren. Op de verzekering van Gorgias dat alles zich zeer wel zoo liet inrichten, zag zij een tijdlang nadenkend naar den grond. Daarop beval zij dat men oogenblikkelijk een aanvang zou maken met dit werk, en verzocht den bouwmeester middelen noch arbeiders daarvoor te ontzien.