Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 25

Chapter 253,966 wordsPublic domain

Verschrikt zag Charmion den kring der omstanders rond, doch weldra haalde zij diep adem en was weer gerust gesteld, want de lange man die Dions arm ondersteunde, was de wakkere bouwmeester Gorgias, zijn beste vriend, en die andere, die nog grooter en forscher was, haar broeder Archibius. De gedaante, die zich daar van hare vermomming ontdeed, was vrouw Berenice, Barine's moeder. Enkel vertrouwde vrienden dus! Alleen den jongen aardigen ephebe, die naast haar broeder stond, kende zij niet.

Barine, die zij nog altijd aan den arm hield, trachtte zich nu van haar los te maken om haar moeder en den geliefden man tegemoet te ijlen; maar Archibius ging naar haar toe, en vermaande haar op zachten toon geduld te hebben, en zich te onthouden van alle vragen of begroetingen, »altijd in veronderstelling," zoo besloot hij, »dat het volgens uw wensch is hier, voor het altaar, in den echt verbonden te worden met Dion, den zoon van Eumenes."

Charmion voelde hoe bij dit vooruitzicht Barine's arm op den haren beefde, doch de jonge vrouw volgde den wenk van haar vriend. Zij wist eigenlijk niet wat er met haar gebeurde, en of zij, in de overmaat van de zaligheid die haar deel werd, luid zou juichen van vreugde, of stille tranen storten van dankbaarheid en ontroering.

Alle omstanders hadden tot nu toe gezwegen. Nu nam Archibius uit de hand van den verloofde een rol, stelde zichzelven aan de aanwezigen voor als kyrios of voogd der bruid, en vroeg Barine of zij hem als zoodanig erkende. Daarop gaf hij aan Dion het geschrift, dat het huwelijkscontract bevatte, spoedig terug, daar hij den inhoud kende en goedkeurde. Vervolgens deelde hij de aanwezige mede, dat zij hem bij dit huwelijk dat met zooveel spoed gesloten moest worden, ook beschouwen moesten als paranymph of leidsman en vrouw Berenice als leidsvrouw der bruid. Daarop ontstaken zij een fakkel aan het vuur van een der altaren. Archibius legde nu als kyrios naar Aegyptische, de moeder der bruid als leidsvrouw naar Grieksch gebruik, de handen der verloofden in elkander, en Dion gaf hierbij aan zijne uitverkorene een eenvoudigen ijzeren ring. Dat was dezelfde die zijn vader bij zijn eigen huwelijk aan zijn vrouw gegeven had, en hij fluisterde haar in het oor: »Mijn moeder stelde dien op hoogen prijs; nu is het aan u, dit oude kleinood in eere te houden."

Nadat Archibius had verklaard dat de noodige offers gebracht waren aan Isis en Serapis, Zeus, Hera en Artemis, en dat de echtverbintenis tusschen Dion, den zoon van Eumenes en Barine de dochter van Leonax, voltrokken was, drukte hij hen beiden de hand.

Het scheen dat de tijd drong, want hij vergunde aan vrouw Berenice en aan zijn zuster nog slechts één oogenblik om Barine te omhelzen, en Gorgias om haar en Dion de hand te drukken. Daarop gaf hij een wenk, en de moeder der jonggehuwden volgde hem, wegsmeltend in haar tranen, en Charmion verbijsterd en als het ware bedwelmd. Niet eerder dan toen een oude neokore haar met de beide anderen door de zijpoort in de open lucht had gebracht, werd het haar recht duidelijk, welke gewichtige gebeurtenis zij als getuige had bijgewoond.

Barine zelve was het te moede alsof ieder oogenblik haar uit een zaligen droom kon wekken, en toch bekende zij zichzelve met blijdschap dat zij wakker was, want die man die daar aan den arm van zijn vriend voortliep, was Dion. Zij zag echter bij het flauwe schijnsel in de slecht verlichte tempelzalen wel dat hij pijn leed. Het gaan scheen hem zoo moeilijk te vallen, dat het haar verheugde toen hij gehoor gaf aan het verzoek van Gorgias om weder in den draagstoel te stappen.

Maar wie zouden hem dragen? Dat zou zij spoedig genoeg gewaar worden, want terwijl zij nog naar hen uitzag, hadden de bouwmeester en de ephebe, in wien zij reeds lang den jongen Philotas, den helper van haar grootvader had herkend, de stokken gegrepen.

»Volg ons," riep Gorgias haar op gedempten toon toe, en zij gehoorzaamde en bleef vlak achter den draagstoel gaan, terwijl deze eerst langs een breede trap, daarna langs een smalle, en eindelijk door een gang gedragen werd. Hier stuitten de vluchtelingen op een deur;--doch de bouwmeester opende die en hielp zijn vriend uitstappen. Vóór zij nu verder gingen, plaatste hij den stoel in een vertrek waar allerlei gereedschappen lagen, en dat hij bij het onderzoek van de onderaardsche tempelzalen had ontdekt.

Tot nu toe was tusschen de vluchtelingen geen enkel woord gewisseld. Thans riep Gorgias Barine toe: »De gang is laag.--Gij moet bukken. Bedek uw hoofd, en schrik niet wanneer vleermuizen om u heen vliegen; die zijn sinds lang niet in hunne rust gestoord geworden. Wij hadden u ook uit den tempel naar de zee kunnen laten brengen en u daar opwachten, maar dat zou licht in het oog gevallen en gevaarlijk geworden zijn. Moed gevat, jonge echtgenoote van Dion. De gang is niet kort, en het zal moeilijk vallen vooruit te komen--maar bij den weg naar de steengroeven vergeleken, is hij effen en gemakkelijk als een koninklijke heirbaan. Als gij denkt aan den eindpaal van den tocht, dan zullen de vleermuizen u voorkomen als zwaluwen, die de naderende lente aankondigen."

Zij knikte hem dankbaar toe, en kuste Dion die nu aan den arm van zijn vriend, met moeite voortliep, de hand. Het licht van de fakkel, die de trouwe opzichter van Gorgias voor hen uit droeg, viel juist op hare bruingeverfde armen, en gedurende den verderen tocht hield zij zich achter de anderen. Zij dacht dat het haar geliefde smartelijk kon zijn haar zoo misvormd weder te zien, en spaarde hem dat, hoe gaarne zij ook dichter in zijn nabijheid gebleven ware. Zoodra de gang nog lager werd namen de vrienden den herstellende in hunne armen, en nu hadden zij een moeilijk werk te verrichten, want zij moesten diep gebukt voortloopen met den last van dien langen man en zich tegelijk verweren tegen de vleermuizen, die door de fakkel van den opzichter bij troepen werden opgejaagd.

Barine's hoofd was wel-is-waar bedekt, maar op een anderen tijd zouden de leelijke dieren, die telkens vlak langs haar hoofd en armen vlogen, haar toch met ontzetting en afschuw vervuld hebben. Nu sloeg zij er bijna geen acht op, want haar blik hing aan den man die daar in liggende houding op de armen der dragers rustte, wien zij toebehoorde met lichaam en ziel, en wiens geduldig gedragen lijden haar door de ziel sneed. Zijn hoofd lag tegen de borst van Gorgias, die dicht vóór haar liep. Zij kon het niet zien, omdat de bouwmeester er zich overheen boog, maar zij zag naar de voeten van haar echtgenoot, en zoo menigmaal die zich samentrokken, meende zij te voelen dat hij pijn leed. Dan zou zij gaarne naar hem toe zijn gegaan om in de benauwde, lage gang zijn voorhoofd te drogen, en hem een vriendelijk bemoedigend woord van liefde toe te fluisteren. Somtijds werd haar dat ook vergund, wanneer de vrienden even den zwaren last lieten rusten. Het was trouwens altijd maar voor een kort oogenblik dat zij zich dat veroorloofden, maar het was toch lang genoeg om haar te doen zien, hoe de krachten van den lijder afnamen. Toen zij eindelijk het doel van den tocht hadden bereikt, moest Philotas den uitgeputten man met alle kracht ondersteunen, terwijl Gorgias behoedzaam de gesloten poort opende. Deze kwam uit boven een vrije hooge trap, die naar zee leidde, vlak naast den tuin van Didymus. Zij was die trap als kind menigmaal met haar broeder afgegaan om een klein bootje op het water te laten drijven.

De bouwmeester hield de deur slechts half open, en het bleek dat hij verwacht werd; want weldra hoorde zij hem fluisteren en plotseling ging de poort geheel open. Een lange man nam Dion op, en droeg hem naar buiten. Terwijl Barine hem met ingehouden adem nazag, kwam een andere, die niet minder groot was, haar tegemoet, verzocht haar haastig zich dat te laten welgevallen, hief haar als een kind in zijne armen op, en zoo, terwijl zij de koele nachtlucht inademde en het water, dat de drager met haar doorwaadde, tot haar opsprong en hare voeten nat maakte, zocht haar blik den jongen echtgenoot; doch zij vond hem niet, want de nacht was donker, en de lichten aan de kust konden deze plaats niet bereiken, daar de hooge muren van de kade dit beletten.

Zij ontstelde daarvan, maar een oogenblik later kwamen uit de duisternis, waarin de havenlichten slechts een zwak schijnsel gaven, de omtrekken van een groote visschersboot te voorschijn: onmiddellijk zette de sterke man die Barine droeg, haar in het schip neder, en een diepe stem fluisterde haar toe: »Alles in orde. Aanstonds breng ik u versterkenden wijn."

Daar zag zij haar echtgenoot, voor wien men op de voorplecht een leger had bereid, bewegingloos liggen. Zij boog zich over hem heen en bemerkte dat hij het bewustzijn verloren had. Zij wreef zijn voorhoofd met wijn, legde zijn hoofd op haar schoot, sprak hem zachtjes toe, vernieuwde bij het licht van eene kleine lantaarn, het verband op zijn schouder, en bemerkte onder dat alles niet dat de boot het water doorkliefde. Eerst toen de schippers het driehoekige zeil omwendden kwam zij tot het besef daarvan.

Niemand had haar nog gezegd waarheen de reis ging, maar zij vroeg daar ook niet naar. Het was overal goed, waar zij maar bij hem mocht zijn. Hoe eenzamer de plek, waar hij haar heen voerde, hoe meer zij samen zouden kunnen zijn. Hoe vol dank en liefde was haar hart! Zij boog zich over hem heen, kuste zijn voorhoofd en dacht terwijl zij den heeten koortsgloed daar van voelde: »Ik zal u verplegen totdat gij weder gezond zijt."

Daarbij richtte zij oog en hart naar boven om haar lievelingsgod, aan wien zij de gave van den zang verschuldigd was, en die alles wat rein en schoon is, onder zijne bescherming neemt, Phoebus Apollo, te danken, en te smeeken het licht van den nieuwen morgen te doen opgaan over een herstellende. Terwijl zij nog bad, kwam de boot aan land. Alweder werden zij en haar geliefde door krachtige armen naar den oever gedragen, en zoodra haar voet vasten grond onder zich voelde, verbrak haar redder, de vrijgelatene Pyrrhus, het stilzwijgen en zeide: »Gemalin van Dion, ik heet u welkom op ons eiland. Gij zult het hier wel is waar voor lief moeten nemen; doch als het u bij ons even goed bevalt, als het ons verheugt u te dienen en uw heer, die ook de onze is, dan zal het uur van scheiden nog lang op zich laten wachten."

Nu ging hij haar voor in zijn huis, en wees haar als haar toekomstige woning twee groote witgepleisterde vertrekken aan, die geen ander sieraad bezaten dan de uiterste zindelijkheid.

Op den drempel stond Pyrrhus' vrouw, wier haren reeds begonnen te grijzen, een jonge vrouw en een meisje, dat nauwlijks de kinderschoenen ontwassen was. De oudste verwelkomde Barine op eerbiedige wijze, en verzocht haar eveneens het zich als gast bij haar te willen aangenaam maken. In de zuivere lucht op het Slangeneiland kon men spoedig genezing vinden. Zij zelve en--zij wees op de andere--de vrouw van haar oudsten zoon en haar eigen dochter Dione zouden haar gaarne op hare wenken bedienen.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Broeders en zusters zijn zelden zeer spraakzaam, wanneer zij met elkander alleen zijn. Toen Charmion met haar broeder naar de Lochias ging, kostte het haar toch al moeite woorden te vinden, zoo diep hadden de gebeurtenissen van het laatste uur haar aangegrepen. Ook Archibius wilde het niet gelukken zijn geest op iets anders te richten, en toch was zijn hoofd vervuld van zaken, die in veel wijderen kring van beteekenis, en daarom gewichtiger waren.

Stilzwijgend liepen zij naast elkander voort.--Toen zijn zuster vroeg waar de jonggehuwden zich verbergen moesten, antwoordde hij dat dit, hoe goed zij ook zwijgen kon, voor haar een geheim moest blijven. Op de tweede vraag, hoe het mogelijk was geweest ongestoord het binnenste gedeelte van den Isistempel in gebruik te nemen, kon hij ook slechts met omzichtigheid antwoord geven.

In werkelijkheid was het de vrije beschikking over de onderaardsche gangen van het heiligdom geweest, die den bouwmeester op de gedachte had gebracht, Dion langs dien weg naar de boot van Pyrrhus te brengen. Daarvoor was alleen noodig dat de Isistempel, die gewoonlijk dag en nacht openstond, voor korten tijd alleen aan de vrienden der vluchtelingen werd overgelaten, en dat hadden zij gedaan gekregen.

De geschiedschrijver Timagenes, die als afgezant uit Rome gekomen was en de gastvrijheid van zijn vroegeren leerling Archibius genoot, had volmacht gekregen om aan Cleopatra, zijn voormalige leerling, het uitzicht te openen op de erkenning als Koningin voor haarzelve en hare kinderen, en volkomen genade, ingeval zij Marcus Antonius aan Octavianus wilde uitleveren of hem doen ombrengen. De Alexandrijn Timagenes vond zelf dezen eisch even billijk als noodzakelijk, omdat daardoor zijn vaderstad verlost zou worden van den man, wiens willekeur en overmoed hare vrijheid bedreigden, en wiens verkwistende mildheid en onmatige prachtlievendheid zooveel van haar schatten verslond. Voor den Romeinschen staat, dien de historicus hier vertegenwoordigde, beteekende het enkele bestaan van dezen man onrust zonder einde en burgeroorlog. Bij de herstelling op den troon van den fluitspeler, door Gabinius en Marcus Antonius, was Timagenes in slavernij geraakt. Ofschoon het hem te Rome, waar de zoon van Sulla den geschiedschrijver vrijgekocht had, gelukt was grooten invloed te verkrijgen, toch had hij een afkeer van Antonius behouden, en daarom was hem de taak om in zijn vaderstad zijn invloed tegen hem te gebruiken, welkom geweest. Hij hoopte door Archibius, wiens trouwe gehechtheid aan de Koningin hem bekend was, begrepen te worden. En ook Arius, Barine's oom, die vroeger de studiën van Octavianus had geleid, moest hem steunen. Doch de krachtigste medewerking bij zijn zending hoopte hij te vinden bij den grijzen Alexander-priester, het opperhoofd der geheele Aegyptische priesterheerschappij.

Aan hem had hij bewezen dat Antonius in ieder geval een verloren man was, en Aegypte op het punt stond om Octavianus als een rijpe vrucht in den schoot te vallen. Het zou nu spoedig in zijne macht staan om aan het land zooveel vrijheid en zelfstandigheid over te laten als hij goed vond. Ook over het lot der Koningin had de Cæsar alleen te beschikken, en ieder die wenschte haar op den troon gehandhaafd te zien, zou eerst de gunst van Octavianus dienen te winnen.

Dat alles had de wijze Anubis zich zelf ook reeds gezegd, doch Timagenes maakte hem het eerst opmerkzaam op Arius, als op den Alexandrijn dien Octavianus het meest vertrouwde. Zoo was dan ook de hooge prelaat in het geheim met Barine's oom in betrekking gekomen. Doch de eerbied-afdwingende waardigheid en de gebreken van zijn hoogen leeftijd weerhielden Anubis er van Arius, die reeds van vriendschap met de Romeinen werd verdacht, persoonlijk op te zoeken. Daarom had hij zijn vertrouwden schrijver, den nog jongen waarzegger Serapion gezonden, om in zijne plaats te spreken met Octavianus' vriend, die door zijn zware kwetsuur nog altijd verhinderd werd het huis te verlaten en naar hem toe te komen.

Gedurende de onderhandelingen van Timagenes met den secretaris en Arius, was Archibius gekomen om Barine's oom te overreden een poging te doen tot redding van zijn nicht. Allen die het goed meenden met de Koningin, moesten haar in dezen tijd van onrust gaarne terughouden van een daad, die, daar zij ook den Raadsheer Dion betrof, een deel der burgerij tegen haar in het harnas jagen moest. Daarom had de afgezant van den Alexanderpriester, zoodra men hem in het vertrouwen genomen had, zich dan ook volkomen bereid getoond alles te doen wat in zijn vermogen stond, tot redding der bedreigden. Om den persoon van Barine, noch om dien van Dion was het bij hem te doen--wèl ware hij bereid geweest een nog grooter offer te brengen om den machtigen Archibius en vóór alles Arius, die bij het nieuw opgaande licht, Octavianus, zooveel invloed had, voor zich te winnen.

Juist toen de mannen aan het beraadslagen waren wat er tot redding van Barine te doen viel, was de Nubische verschenen en had aan Archibius toevertrouwd, wat er aan Dion's ziekbed afgesproken was met den vrijgelatene en Gorgias. De vlucht der vervolgden zou alleen mogelijk zijn wanneer zij de boot der redding onbemerkt konden bereiken, en dit zou het beste bewerkstelligd kunnen worden door de onderaardsche gang, die de bouwmeester weder opengesteld had.

Nu had Archibius, wien de afgevaardigde van den opperpriester zijn medewerking had toegezegd, de verzamelde mannen in zijn vertrouwen genomen, en Arius had voorgesteld dat zijn nicht Barine in den Isistempel met Dion verbonden, en daarna beiden door de geheime gang naar de boot gebracht zouden worden. Dit denkbeeld was goedgekeurd, en de waarzegger Serapion had beloofd het heiligdom, na het vertrek van de processie, dat na zonsondergang zou plaats hebben, een korten tijd voor de vluchtenden en de huwelijksvoltrekking vrij te houden. Voor dien dienst mocht hij van Octavianus' vriend, die zijn belofte met zulk een warme erkentelijkheid had aangenomen, al zeer spoedig een anderen vragen.

De priesters, zeide de waarzegger, beschermden altijd de onrechtvaardig vervolgden, en aan deze schonken zij hunne hulp des te gereeder, naarmate het hen meer verheugde de Koningin te behoeden voor een daad die onvergefelijk zou zijn.

Wat de vluchtelingen betrof, hen stonden, dacht hem, slechts twee mogelijkheden open: Cleopatra zou zich blijven vasthouden aan Marcus Antonius en--wat de goden mochten verhoeden--met hem te gronde gaan, of hem opofferen, en troon en leven behouden. In beide gevallen zouden de geredden zonder gevaar terug kunnen komen. Het hart der Koningin was goedertieren, en waar geen schuld was, kon zij nooit lang vertoornd blijven. Vervolgens was het plan in bijzonderheden besproken door Archibius, de Nubische en vrouw Berenice, die zich tijdelijk bij het gezin van Arius bevond, en daarna had men alles aan den bouwmeester medegedeeld.

Evenmin als aan zijn zuster, had Archibius aan de beraadslagende mannen en Barine's moeder toevertrouwd, waarheen de jonggehuwden de wijk zouden nemen. Ook omtrent de zending van Timagenes en de staatkundige vraagstukken die hem zoo ernstig bezighielden, deelde hij Charmion slechts zooveel mede, als zij ter verklaring van het avontuur, waaraan zij met zooveel liefde medehielp, noodig had te weten. Zij zelve had ook niet begeerd meer te hooren, want zoo lang zij onderweg waren, had de vrees dat Cleopatra haar zou missen en Barine's vlucht ontdekt zou worden, haar geen rust gelaten. Wel had zij even melding gemaakt van den wensch der Koningin om aan Archibius de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen, doch eerst in haar woning was het haar mogelijk geweest daarvan nog meer te zeggen.

Haar afwezigheid was onopgemerkt gebleven. De Regent, Mardion had de processie ontvangen in naam der Koningin, want Cleopatra was uitgereden naar de stad, niemand wist met welk doel.

Met een verlicht hart kwam Charmion met haar broeder in hare vertrekken terug. Anukis deed de deur voor hen open. Niemand was haar komen storen, en Archibius vond er een genoegen in, aan de verstandige, trouwe vrijgelatene met eigen mond alles te kunnen verhalen. Hij had de nederige dienares, die daarnaar luisterde als naar eene openbaring, niet rijker kunnen beloonen dan met deze geringe moeite. Toen hij haar ten slotte zijn dank uitsprak, wees zij dien met den meesten nadruk af, en verzekerde dat het aan haar stond, erkentelijk te zijn. Haar fijne geest had nauwkeurig het onderscheid opgemerkt in de wijze, waarop een hooggeplaatste spreekt tot zijns gelijken of tot een mindere, en nu had hij, bij wien voor haar alles wat man heette, verre achterstond, haar den geheelen loop der gebeurtenissen beschreven alsof zij zijns gelijke was. Zelfs de Koningin had met zulk eene mededeeling tevreden kunnen zijn.

Toen zij heenging om zich aan het overige dienstpersoneel te vertoonen, zeide zij tot zich zelve, dat zij toch een boven velen bevoorrecht schepsel was, en toen een jonge kok haar plaagde met haar korten hals, gaf zij lachend ten antwoord: »Mijn schouders zijn zoo in de hoogte blijven staan, omdat ik ze zoo dikwijls heb opgehaald over de gekken die mij uitlachen, en die toch niet half zoo gelukkig en dankbaar zijn als ik."

Charmion was doodelijk vermoeid in een leunstoel neergevallen, en Archibius nam tegenover haar plaats. Zij waren altijd gaarne bij elkander, doch heden was beiden het hart zoo vol, dat het hen ging als de afgematten, die van vermoeidheid den slaap niet kunnen vinden. Hoeveel hadden zij elkander niet te zeggen, en toch duurde het een geruime poos eer Charmion het stilzwijgen verbrak en terug kwam op den wensch der Koningin. Zij verhaalde haar broeder hoe Cleopatra op die gedachte gekomen was door het huisje dat de kinderen zelf hadden gebouwd, hoe hartelijk en vriendelijk zij was geweest, maar hoe zij met dat al, een oogenblik later, bij het enkele noemen van den naam Barine, haar zoo onbarmhartig en vertoornd weggezonden had.

»Ik weet niet wat gij van plan zijt te doen," besloot zij, »maar hoe ik haar ook liefheb, moet ik voor mijzelve misschien het moeielijkste besluit nemen; want, zie! indien zij hoort dat ik het was die de dochter van Leonax aan haar en den snooden Alexas ontvoerde, welk lot staat mij dan niet van haar te wachten, te meer daar Iras niet meer zoo aan mij gehecht is als vroeger, en mij van hare zijde reeds heeft getoond, dat zij de liefde en de zorgen die ik haar bewezen heb, vergeten is.--Dat zal nog toenemen, en het ergste is dat, wanneer de Koningin haar bij mij gaat voortrekken, ik--wanneer ik rechtvaardig wil zijn--haar dat niet tot verwijt mag maken, want zij is scherpzinniger dan ik, en heeft een levendiger geest. Mij heeft de staatkunde van het begin af tegengestaan; Iras daarentegen heeft alles over voor de vergunning om mede te mogen spreken, waar het aankomt op de regeering van het land en vooral op het nooit rustende ernstige spel met Rome en zijne regeering."

»Dit spel is reeds verloren," zeide haar broeder met zulk een ernst, dat Charmion opsprong en zacht en angstig herhaalde: »Verloren?"

»Voor altijd," verzekerde Archibius, »als niet...."

»Den goden zij dank,--toch nog een »als"...."

»Als niet Cleopatra besluit tot een daad die haar dwingt ontrouw te worden aan haar zelve, en haar edel beeld te schenden voor alle eeuwen."

»Waardoor?"

»Wanneer gij er ook van hooren moogt, het zal altijd nog te vroeg zijn."

»En als zij dat doet, Archibius? Gij zijt de man, dien zij het meest vertrouwt. Zij zal aan uwe hoede toevertrouwen wat zij meer liefheeft dan zich zelve."

»Meer liefheeft? Indien ik u goed begrijp, dan denkt gij aan de kinderen."

»De kinderen, ja! Honderdmaal ja--die heeft zij boven alles lief! Geloof mij--voor hen zou zij bereid zijn in den dood te gaan."

»Laat ons dat hopen."

»En gij--als zij de ontzettende daad begaat.... ik kan slechts vermoeden wat gij bedoelt.... Doch als zij afdaalt van de hoogte, waarop zij zich tot nu toe staande gehouden heeft--zoudt gij dan nog bereid zijn...."

»Voor mij," viel hij haar met kalmte in de rede, »is het de vraag niet meer wat zij zal doen of niet doen. Zij is ongelukkig, en zal nog dieper, veel dieper zinken. Dat weet ik, en juist dat dringt mij haar met opoffering van alle krachten te dienen. Ik behoor aan haar, zoo goed als de kluizenaar die zich aan Serapis heeft gewijd, aan zijn god. Ieder van zijn gedachten is voor hem. Den god, die hem schiep, wijdt hij lichaam en ziel tot in den dood, dien hij over hem beschikt. De banden die mij hechten aan deze vrouw--gij kent de oorsprong daarvan--zijn niet minder onverbrekelijk. Wat zij wenscht en wat mij bij de vervulling daarvan, niet dwingt mij zelven te verachten, dat sta ik haar bij voorbaat toe."