Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 24
De zon neigde reeds ten ondergang, toen zij de voorzaal betrad. De wachter, die op post stond, deelde haar mede, dat er niets belangrijks was gebeurd, en met een verruimd hart ging zij het woonvertrek binnen.
Evenwel, terwijl anders de Aethiopische haar met vriendelijke woorden tegemoet kwam om haar den sluier en mantel af te nemen, en de schoenen uit te trekken, was er ditmaal niemand om haar te ontvangen. Eerst in het aangrenzend vertrek, dat zij aan hare gast had aangewezen, vond zij Barine met roodgeweende oogen.
In Charmions afwezigheid was haar een brief van Alexas gebracht, waarin deze haar schreef, dat zij den volgenden morgen vroeg op bevel der Koningin een verhoor bij hem moest ondergaan. Haar zaak stond slecht, doch als zij hem niet door die hardheid, die hem vroeger reeds zooveel smart had berokkend, zijn plicht nog zwaarder maakte, dan zou hij zijn uiterste best doen, om haar te behoeden voor gevangenschap, dwangarbeid in de groeven, of nog erger dingen. Het onvoorzichtig spel, dat zij met den Koning Cæsarion had gedreven, had het volk helaas tegen haar vertoornd. Hoe diep dat ging bewees de woede, waarmede men het huis van haar grootvader Didymus had omvergehaald. Dion, die zich misdadig vergrepen had tegen den edelen zoon der Koningin, zou door niets voor de verbolgenheid der volksmenigte te bewaren zijn. Hij, Alexas, wist wel dat zij in dien Dion een vriend en beschermer verloor; doch hij was geneigd om zijn plaats in te nemen, wanneer haar gedrag het hem hem niet onmogelijk maakte genade met recht te vereenigen.
Deze boosaardige brief, die Barine een zachte behandeling beloofde tot den prijs van hare gunst, zonder dat Alexas daardoor in zijn hoedanigheid als rechter zichzelven aan de kaak stelde, verklaarde Charmion, waarom zij de dochter van haar vriend zoo diepbewogen vond.
Wel gaf het haar een kleine verlichting om aan haar afschuw en wrok tegen Alexas uitdrukking te geven, zoo sterk als haar zachtzinnige aard dat maar vergunde, maar toch bleven angst, bekommering en verontwaardiging in haar bedrukte ziel om den voorrang strijden.
Men zou verwacht hebben dat de jonge vrouw met haar levendigen geest, beproefd had alles te weten te komen wat Charmion bij de Koningin en Archibius had uitgericht, en wat er voor Cleopatra voor gewichtigs in staat en stad was gebeurd; maar met veel hartelijke belangstelling vroeg zij alleen naar den toestand van haar geliefde, van wien zij allerlei dingen wilde hooren, waarvan Charmion niets kon zeggen. Zij had bij haar kort bezoek aan Dion's legerstede niet vernomen hoe hij zijn eigen lot en dat van Barine droeg, hoe hij de toekomst tegemoet zag, en wat hij daarvan verwachtte.
Dat Charmion juist deze vragen met stilzwijgen beantwoordde, deed de vrees der arme bedreigde niet weinig toenemen, daar zij niet alleen zich zelve, maar ook hen, die zij het meeste liefhad, in zulk een groot gevaar zag. Zij drong er bij hare gastvrouw nog meer op aan haar te verlossen uit die slingering, die nog moeilijker te verdragen was dan de vreeselijkste zekerheid; doch noch over Cleopatra's bedoelingen, noch omtrent het lot en de verblijfplaats van hare grootouders en Helena kon zij haar iets naders meedeelen. Hierdoor klom haar angst, want indien de berichten van Alexas waarheid behelsden, dan moesten de haren nu zonder dak zijn. Toen Charmion eindelijk bekende dat zij Dion slechts even had gezien, voelde de arme gepijnigde ziel ten laatste hoe al de kracht van het in stilte dragen van haar leed gebroken was.
Zij, die altijd zoo rijk was geweest in hoop, die, als het licht van den avond verdween, zich reeds verheugde op het morgenrood van den volgenden dag, zag nu reeds in Cleopatra's hand de schrijfstift, waarmede zij het doodvonnis van haar zelve en van haar geliefde onderteekende. Met het oog van haar geest zag zij de haren, en hoe het instortende huis hen verpletterde, of hoe zij bloedden onder de steenen, geworpen door de woedende menigte. Zij hoorde Alexas den beul bevel geven om haar op de pijnbank te brengen, en zij dacht dat de Nubische niet naar huis terugkeerde omdat zij Dion niet gevonden had. Zeker hadden de trawanten der Koningin hem, met ketenen geboeid, naar de gevangenis gevoerd, in dien niet reeds Philostratus het volk had overreed hem door de straten te sleepen.
Met een koortsachtige opgewondenheid, die Charmion te meer deed schrikken, omdat het in de dochter van haar vriend zoo iets vreemds was, liet Barine haar al de schrikbeelden zien die hare door doodsangst, smachtend verlangen, liefde en afschuw gefolterde phantasie haar voortooverde. Charmion deed alles wat zij kon om haar tot rust te brengen en aan de wanhoop te ontrukken; nu eens bestrafte zij haar, dan weder overlaadde zij haar met liefkoozingen, doch niets hielp. Eindelijk slaagde zij er in de ongelukkige te overreden met haar aan het venster te gaan staan, vanwaar zij een verrukkelijk schouwspel konden gadeslaan. In het Westen, achter het Heptastadium, midden tusschen het mastbosch in de haven van Eunostus, ging de zon onder, en Charmion, die van de kinderen der Koningin had geleerd hoe men een geschokt jong hart de rust moest wedergeven, wees hare beschermeling op het gloeiende avondrood aan den westelijken horizont, in de hoop dat hare gedachten daardoor op iets anders gericht zouden worden. Zij vertelde haar daarbij hoe haar vader, de schilder, haar opmerkzaam had gemaakt op den prachtigen lichtgloed, dien de kleuren aannemen op dezen tijd van den dag, ook al gloeide de avondhemel niet zoo sterk als ditmaal het geval was.
Maar Barine, die zich op andere dagen aan zulk een tooneel niet verzadigen kon, was haar daar nu niet dankbaar voor, want deze zonsondergang deed haar denken aan een anderen, dien zij zoo kort geleden aan de zijde van Dion had bewonderd, en opnieuw barstte zij in hevig snikken uit.
Nu wist Charmion geen raad meer. Zij legde haar arm om Barine's schouder; op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en Anukis, de Nubische trad binnen.
Hare meesteres wist wel, dat het niets verkeerd kon zijn wat haar zoo lang van haar post bij Barine verwijderd had gehouden. Zeker was haar zelfs iets gewichtigs wedervaren, dat haar kracht op sterke proeven had gesteld. Dat bewees haar geheele uiterlijk. Haar glanzend bruine huid had een aschgrauwe tint gekregen, haar hoog, met krullend haar omgeven voorhoofd was vochtig, en de volle lippen waren bleek geworden.
Hoewel zij zich vreeselijk moest hebben ingespannen, scheen zij toch geen rust te behoeven. Zij groette de beide vrouwen haastig, verontschuldigde zich over haar lang uitblijven, en deelde Barine mede dat zij Dion nu werkelijk bijna hersteld had gezien, doch toen verzocht zij haar meesteres met een enkelen blik van verstandhouding, om haar te volgen naar het nevenvertrek. Toch was aan de beangstigde jonge vrouw die beteekenisvolle blik der Nubische niet ontgaan, en door nieuwe vrees overvallen, wilde zij alles hooren wat er gebeurd was.
Charmion gebood hare dienares dan ook te spreken. Anukis verzekerde, eer zij begon, dat de tijdingen die zij medebracht, werkelijk zeer goed waren,--alleen stelden zij groote eischen aan den moed en de standvastigheid van Barine, die zij trouwens gehoopt had anders weder te zien. Er was geen tijd te verliezen. Een uur na het ondergaan der zon werd zij op de afgesproken plaats verwacht.
Hier viel Charmion haar in de rede met den uitroep: »Onmogelijk!" en herinnerde haar aan de wachters, die Alexas, volgens overeenkomst met Iras, die in het paleis woonde, reeds den vorigen dag in de voorzaal en aan alle uitgangen, zelfs onder de vensters, had geplaatst.
Doch de Nubische verklaarde dat zij dat alles reeds had bedacht; alleen moest zij, om tijd te winnen, Barine verzoeken om onder het spreken zich het haar te laten zwart verwen en krullen.
De verrassing, die op het bedroefde gelaat der jonge vrouw eensklaps zichtbaar werd, deed Anukis uitroepen:
»Laat ons vol vertrouwen de hand aan het werk slaan. Gij zult spoedig alles vernemen. Er is veel te verhalen. Onderweg heb ik mij voorgenomen alles zorgvuldig achter elkander te vertellen, maar ik zie dat het niet gaat. Neen, neen! Wie een kudde schapen uit den brandenden stal wil halen, trekt eerst den belhamel er uit--de hoofdzaak bedoel ik,--en daarmede, al behoort die eigenlijk pas bij het einde, wil ik dan nu beginnen. De uitlegging hoe dat alles is gegaan...."
Doch hier viel Barine haar in de rede met den blijden uitroep: »Ik moet vluchten, en Dion weet er van, en zal mij volgen! Ik zie het aan uw gezicht."
Inderdaad verried elke trek op het leelijke gelaat van de Nubische dat het iets verblijdends was, wat haar gemoed vervulde. Stoute ondernemingsgeest straalde uit haar zwarte oogen, en een vriendelijke glimlach verfraaide haar grooten mond met de dikke lippen, terwijl zij antwoordde:
»Zulk een verliefd hart verstaat de kunst van waarzeggen beter dan de eerste profeet van den grooten Serapis. Ja, jonge meesteres, hij dien gij bedoelt, moet uit deze gevaarlijke stad, waar u beiden zooveel gevaar dreigt, verdwijnen. Hem zal het stellig gelukken, en, als de goden ons bijstaan, en wij verstandig en moedig zijn, ook u.--Wie weet, hoe spoedig gij elkander zult wederzien! Van welke zijde de hulp komt, zeg ik u later. Nu komt het er het allereerst op aan u te veranderen, en wel--heb daar maar geen spijt van!--in het allerleelijkste: in de bruine Anukis. In hare gedaante moet gij uit dit paleis vluchten. Nu weet gij het, en terwijl ik het noodige uit mijn kleerenkast ga halen, verzoek ik u, meesteres, te bedenken, hoe wij de zwarte verf zullen krijgen voor het kleuren van deze ivoren huid en dit gouden haar."
Zij verliet de kamer, doch Barine wierp zich aan de borst van haar vriendin, en riep half schreiend, half lachend uit: »Al moest ik ook altijd zoo bruin en krom blijven als de trouwe Aisopion, als hij mij zijn liefde maar niet onttrekt, zou ik door het vuur en het water willen gaan,--ik zou.... o, Charmion, wat wisselt sneller in ons hart dan vreugde en smart? Op dit oogenblik zou ik aan iedereen, zelfs aan uwe Koningin, die mij toch al die vrees berokkend heeft, een weldaad willen bewijzen!"
De wanhopige vrouw van zoo even was door de nieuw opgewekte hoop in een overgelukkige veranderd, en Charmion zag dat met dankbaarheid aan, terwijl zij in stilte wenschte, dat de Koningin dezen uitroep mocht hebben gehoord.
Zij begon nu al de haarkleurmiddelen die Cleopatra had afgekeurd, en waarvan zij daardoor een grooten voorraad in haren medicijnkist had, aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, doch onder die bezigheid zag zij achter al hetgeen nog onopgehelderd was en dat haar in verwarring bracht, nieuwe groote gevaren. Barine echter zag over die alle heen de vertroostende wedervereeniging met haar geliefde, die haar wachtte, en was vol vroolijke opgewektheid, toen Anukis terugkwam.
Nu begon onverwijld het werk der vermomming, en terwijl de Nubische de handen repte, stond ook haar mond geen oogenblik stil, en zoo kreeg Barine allengs het geheele verhaal te hooren van al wat er op dien gewichtigen dag voorgevallen was. Zij luisterde met toenemende spanning, en hare vreugde vermeerderde naarmate zij meer zag van den weg, dien de zorg en het beleid harer vrienden voor haar hadden gebaand. Daarentegen werd Charmion steeds stiller en ernstiger, hoe duidelijker zij het gevaar zag, dat haar beschermeling tegemoet ging. Toch moest zij bekennen dat het een misdaad zou zijn, tegen de veiligheid, misschien tegen het leven van Barine, indien zij haar van dit wel overlegde plan tot vluchten afhield.
Dat zij het ondernemen moest, stond bij haar vast, doch nu het oogenblik naderde dat het geliefde kind zich in gevaar begeven moest; nu zij zichzelve moest bekennen dat zij een plan steunde, dat tegen het uitgesproken bevel der Koningin indruischte, en daarmede iets beoogde waarvan het welslagen Cleopatra's misnoegen, ja zelfs haar toorn dreigde op te wekken,--nu werd zij daardoor pijnlijk aangedaan. Voor zichzelve koesterde zij geen vrees. Geen oogenblik dacht zij aan de slechte gevolgen, die Barine's vlucht voor haar zelve kon hebben. Het eenige wat haar drukte was het besef, dat zij voor het eerst handelde tegen den uitdrukkelijken wil van haar, wier wenschen te vervullen en wier pogingen te steunen, tot nu toe de dierbaarste plicht van haar leven was geweest. Wel bedacht zij ook dat zij, door Barine te helpen vluchten, Cleopatra behoedde voor naberouw, wel was zij vast overtuigd dat zij dit schoone jonge leven, welks bloesems door storm en vorst werden bedreigd, op het oogenblik dat het reinste geluk haar was weggelegd, moest trachten te redden; maar met dat al bracht deze daad, hoe loffelijk ook op zichzelve, haar in botsing met het voornaamste streven en trachten van haar bestaan. En hoeveel hooger stond in hare schatting de vrouw, die--zij durfde het niet indenken--die zij op het punt was te verraden, dan die andere: hoe veel meer aanspraak op hare liefde en trouw had Cleopatra niet bij haar verworven!
Zou zij iets anders dan dankbaarheid kunnen gevoelen, indien het reddingsplan gelukte? En toch kon zij slechts met tegenzin haar hand uitsteken om de fraaie, goed geëvenredigde gestalte van Barine op de mismaakte der Nubische te doen gelijken, of de vinger in de zalf te doopen, die eigenlijk voor Cleopatra was bestemd. Ook om de schoonheid der blonde haarvlechten van de jonge vrouw ging het haar aan het hart, een deel daarvan te moeten afsnijden.
Toch, zou de vlucht gelukken, dan was dat alles niet te vermijden, en hoe verder Anukis kwam met haar verhaal, des te minder tegenwerpingen vond hare meesteres. Alleen reeds het door de Nubische afgeluisterd gesprek tusschen Iras en Alexas, maakte het noodzakelijk om Barine en haar verloofde aan de macht van zulke vijanden te onttrekken. Het scheen inderdaad alsof het lot zelf den bouwmeester Gorgias aan Dion's legerstede bijeengebracht had met den trouwen man, dien Anukis bij hem gevonden had, wiens naam zij nu niet noemde, doch van wiens woonplaats zij verzekerde: dat de mol onder den grond geen veiliger schuilplaats bezat dan hij. Ook dat de bouwmeester juist vrijen toegang tot de onderaardsche gangen van den Isistempel gekregen had, geleek een wonder.
De verstandige Aisopion had eerst nu, nadat zij haar omtrent de hoofdzaak had ingelicht, aan hare meesteres een tafeltje in de hand gegeven, waarop te lezen stond: »Vooraf een groet van Archibius aan zijn zuster Charmion. Indien ik u goed ken, dan valt het u even moeilijk als mij, deel te nemen aan dit avontuur, maar toch moet dat geschieden ter wille van de nagedachtenis van haar vader, en om het geluk en het leven van zijn kind te redden van den ondergang. Daarom is het uwe taak Barine te brengen naar den tempel van Isis in den Muzenhoek. Daar zal zij haar geliefde vinden en, als het kan, met hem in den echt vereenigd worden. Ik zelf zal voor het offer daarbij zorgen. Zoodra de verbintenis heeft plaats gehad, zal het u vergund zijn naar huis terug te keeren. Daar het heiligdom zoo spoedig kan worden bereikt, behoeft gij maar voor korten tijd den dienst te verlaten. Zeg aan Barine nog niet welke plannen wij met haar hebben. De teleurstelling kon te groot zijn, wanneer het onuitvoerbaar zou blijken te zijn."
Deze brief en de zaak, waarop hij het uitzicht opende, veranderde de welwillende doch gedrukte gezindheid van Charmion in den blijden, ja geestdriftvollen wensch om hare hulp te verleenen. Het huwelijk van Barine met den man wien haar hart toebehoorde, was nu mogelijk geworden, en zij was de dochter van Leonax, die eenmaal dierbaar was geweest aan haar eigen hart. Alle vrees en twijfel waren plotseling vervlogen, en toen Aisopion haar vermommingswerk had volbracht en Barine tegenover haar stond als een Nubische met hoogen rug en een bruin, gerimpeld gezicht, toen moest zij bekennen dat het niet moeilijk zou vallen in deze gedaante uit het paleis te ontsnappen.
Thans deelde zij ook aan Barine mede, dat zij van plan was haar zelve te vergezellen, en ofschoon de jonge vrouw zich met haar geverfd gelaat er van onthouden moest haar vriendin te kussen, zoo gaf zij toch in de volheid van haar hart aan haar en de trouwe vrijgelatene duidelijk genoeg te kennen, welk een groote dankbaarheid haar ziel deed ontroeren.
De Nubische bleef alleen achter. Eerst ruimde zij naar gewoonte zorgvuldig alle sporen harer werkzaamheid op; daarna hief zij biddend hare armen omhoog en smeekte de goden van haar vaderland om bescherming voor de schoone vrouw aan wie zij haar eigen misvormde gedaante, die nu toch ergens voor diende, had geleend en die nu zulke groote gevaren te gemoet ging, doch tegelijkertijd een geluk, waarop het lot haar reeds alle hoop had ontzegd.
Charmion had haar bevolen, indien Iras niet bijtijds van den Choma teruggekeerd zou zijn en de Koningin haar noodig mocht hebben, haar dan te verontschuldigen en te zeggen, dat zij onverwachts was uitgegaan, terwijl zij zelve dan in hare plaats den dienst moest waarnemen. Immers was het gedurende den veldtocht ook eens voorgekomen dat, toen Charmion plotseling onwel werd, aan Aisopion de zorg voor hare persoon werd overgelaten, en deze had daarbij toen veel lof ingeoogst.
Zooals gewoonlijk wanneer de vertrouwde der Koningin uitging om inkoopen te doen, werd zij gevolgd door een bruine vrouw. In de gangen van het uitgestrekte paleis waren reeds de lampen en lantaarns, op de binnenpleinen de fakkels en pekpannen aangestoken; maar hoe helder die ook op verscheidene plaatsen brandden, en hoeveel lijfwachten, officieren, eunuchen, beambten, schrijvers, trawanten, koks, bewakers en slaven, poortwachters en boden zij ook voorbijgingen, geen van allen schonk hen meer dan een vluchtigen blik.
Zoo kwamen zij tot aan het laatste binnenplein, doch toen kwam er een oogenblik waarin de beide vrouwen dachten dat haar hart stilstond, want zij ontmoetten den man, van wien zij het ergste te vreezen hadden: den Syriër Alexas. En hij ging de vluchtelingen niet voorbij maar hield Charmion staande, en deelde haar beleefd, ja zelfs nederig mede, dat hij van die lastige zaak van haar beschermeling, die hem zeer tegen zijn zin op de schouders was gelegd, gaarne ontslagen wilde zijn. Daarom had hij besloten, den volgenden dag in alle stilte Barine in het verhoor te nemen.
De lijfslaaf van den Syriër volgde zijn heer, en terwijl deze met Charmion sprak, wendde die zich tot de gewaande Nubische, gaf haar een lichten stoot tegen den schouder, en fluisterde haar toe: »Heden avond, evenals gisteren. Gij zijt ons nog het slot der geschiedenis van Prins Setnau schuldig."
Het was de vluchtende Barine op dat oogenblik te moede alsof zij stom geworden was, en nooit weder het gebruik van haar spraakvermogen terugkrijgen zou. Toch kon zij het er toe brengen met het hoofd te knikken, en tegelijk maakte de gunsteling een buiging voor Charmion. De slaaf moest hem volgen, maar zij kwam met haar beschermster door de poort tusschen de laatste pylonentorens eindelijk in de open lucht. Daar woei haar de zeelucht opwekkend en verfrisschend tegen, als een groet uit het rijk der vrijheid en des geluks, en hoe vreesachtig zij ook was, kreeg zij thans, midden in het gevaar zooveel tegenwoordigheid van geest terug, dat zij haar vriendin kon meedeelen wat de lijfslaaf van Alexas haar had toegefluisterd, opdat Aisopion hem dien avond daaraan herinneren kon, en hem versterken in het geloof, dat niet zij, maar de Nubische de vertrouweling der Koningin had begeleid.
De weg naar den Isistempel was kort. Zij zagen aan de sterren dat zij op het rechte tijdstip het doel van hun tocht konden bereiken; doch onverwachts hadden zij een tweede oponthoud. Van de trappen, die naar het inwendige van het heiligdom leidden, kwam hen een optocht tegemoet, die geen einde scheen te willen nemen. Vooraan werd door acht pastophoren het beeld van Isis gedragen. Daarop volgde de korfdraagster der godin met eenige andere priesteressen, en de voorlezer met het opengeslagen boek. Achter hem aan kwamen de vier profeten; de opperpriester, hun aanvoerder liep vol waardigheid onder een baldakijn. De overige priesters der godin droegen geschriften, heilige voorwerpen, standaards en kransen. De priesteressen, onder welke eenige met loshangend haar en fraaie kransen, het sistrum of klapperblik van Isis schudden, mengden zich in den stoet der geestelijken, en paarde hare hooge stemmen aan die der zingende mannen. Neokoren of tempeldienaars en een groot aantal aanbidders en aanbidsters van Isis besloten den stoet, allen bekranst, en met bloemen in de hand. Fakkel- en lantaarndragers verlichtten den weg, en de geur van den wierook, die opsteeg uit het kolenbakje in de hand van een bronzen arm, die door pastophoren heen en weder werd gezwaaid, omzweefde de processie en vervulde nog lang daarna de lucht.
De wachtende vrouwen zagen hen den kant van de Lochias uitgaan, en vernamen uit de gesprekken der omstanders, dat zij aan »de nieuwe Isis", de Koningin, den groet der godin gingen brengen, en tot doel hadden haar mede te deelen hoe trouw zij ook in nood en gevaar aan haar dacht.
Cleopatra kon niet anders dan dit vriendelijk huldeblijk aannemen, en was daarom verplicht zich te vertoonen met de kronen van het vereenigde koninkrijk Aegypte op het hoofd en in vol priesterlijk ornaat. Alleen de beide vertrouwde kamervrouwen waren in staat haar daarbij in alle bijzonderheden die het gebruik voorschreef, behulpzaam te zijn. Aan dienstdoende vrouwen van lager rang als de Nubische was, had zij dit nooit overgelaten. Dus zou Cleopatra de afwezige Charmion toch missen. Dit vervulde deze met nieuwe onrust, en toen eindelijk de trappen weder vrij waren, vroeg zij zichzelven af hoe dat alles zou eindigen.
Bovendien scheen het werkelijk, alsof de vluchteling en hare gezellin zich te vergeefs hadden blootgesteld aan zulk een groot gevaar. Eenige tempeldienaars drongen de aanwezigen, die het heiligdom wenschten te bezoeken, terug, en riepen de menigte toe, dat het tot aan de terugkomst der processie gesloten bleef.
Barine zag hare beschermster angstig vragend aan, doch eer deze nog haar gevoelen kon uiten, kwam hen reeds op de trappen van den tempel de hooge gestalte van een man tegemoet. Het was Archibius, en hij beval haar met kalmte en ernst dat zij hem zouden volgen. Nu leidde hij haar zwijgend rondom het heiligdom naar een zijpoort, waardoor een oogenblik te voren ook een draagstoel met begeleiders binnengelaten was.
Langs vele trappen in het inwendige van het lang uitgestrekte gebouw kwamen zij in de zwak verlichte cella.
Zooals in den tempel van Osiris te Abydos zeven zuilengangen waren, vond men er hier drie, die naar even zooveel kamers leidden, die het Sanctuarium van het heiligdom vormden. De middenzaal was aan Isis gewijd, die ter linkerzijde daarvan aan haar gemaal Osiris en ter rechter aan Horus, den zoon der groote godin. Daarvóór verhieven zich in de schemering slechts half zichtbaar de altaren, die op Archibius' bevel met offergaven waren bedekt.
Naast dat van Horus stond de draagstoel, die vóór de vrouwen uit, in den tempel was gebracht, en daaruit stapte nu, door zijn vrienden ondersteund, een slanke, jonge man.
Plotseling dreunde in de zuilenzaal een doffe slag. Het was de ijzeren hoofdpoort van den tempel die dichtgeslagen werd. Het knarsend geraas dat daarop volgde, ontstond door de metalen grendels, die een oude neokore dichtgeschoven had. Barine kromp van schrik ineen, maar vroeg evenmin naar de oorzaak van deze geluiden, als zij al het overige opmerkte dat zich in rijken overvloed aan haar oog vertoonde. De man, die daar aan den arm van een ander naar het altaar ging, was Dion, de geliefde die om harentwil zich in dit gevaar begeven had. Haar blik bleef op hem rusten, haar geheele ziel ging hem tegemoet, en zonder te weten wat zij deed, riep zij luide zijn naam.