Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 23

Chapter 234,014 wordsPublic domain

Daar ging haar hart van open. Terwijl zij het kind optilde en kuste, en daarbij de gedachte bij haar opkwam, welk een treurig lot het te wachten stond, liet al de met moeite verkregen zelfbeheersching haar in den steek. Hare oogen liepen over van tranen en luid snikkend drukte zij het knaapje vaster tegen haar borst.

Doch het koningskind, dat alleen aan opgeruimde gezichten en vriendelijke liefkoozingen gewend was, maakte zich verschrikt uit hare armen los, om hard terug te loopen naar zijn broertje en zusje. Toch had het kind een warm hart, en daar hij wel wist dat niemand weent en snikt zonder dat hij verdriet heeft, voelde Alexander medelijden met Charmion, van wie hij zeer veel hield, en daarom kwam hij nog eens bij haar terug. Wat hij van plan was haar te toonen, daarin had ook zijn moeder behagen geschept en het zou de tranen der bedroefde Charmion drogen. Het kind vatte hare hand, trok haar mede, en zeide dat hij haar iets héél moois en aardigs wilde laten zien. Zij liet zich gewillig medevoeren over de paden met fijn roodachtig zand bestrooid, van den kleinen tuin, dien Antonius voor hem en de andere kinderen op zijn gewone verkwistende en prachtlievende manier had laten aanleggen en voorzien was van allerlei schoone en zeldzame zaken.

Er was een vijver met goud- en zilvervisschen, waarop zeldzame lotosbloemen met rozenroode bloesems uit het groen der gladde bladeren te voorschijn kwamen, en een andere, waarop dwergeenden van allerlei kleuren rondzwommen, alsof zij opzettelijk voor kinderen waren gemaakt. Een gedeelte van de zee, die den tuin bespoelde, was met gouden traliewerk omheind, en op haar spiegel dreven tal van zwanen, sneeuwwit of zwart met roode snavels. In de bloemperken stonden inheemsche of Indische bloemen van alle kleuren. Doorgangen van gouddraad, omrankt door bontbloeiende slingerplanten, gaven schaduw op de smalle paden. Achter een dichtbegroeiden Indischen boom, noodigde een druipsteengrot tot rusten uit, en daarnaast stond een huisje, dat geheel voor de kinderen was ingericht. Niets ontbrak daarin wat tot het dagelijksch leven behoort, zelfs niet het gereedschap in de keuken, noch in het tablinum de portretten der familie, die een kunstenaar sierlijk geschilderd had op kleine platen van ivoor. Dat alles was in verhouding tot de grootte der kinderen, van de kostbaarste stoffen en met de meeste kunst vervaardigd.

Achter het huis was een kleine stal, waarin vier vlugge paardjes met gevlekte huid, zoo vreemd en aardig als men maar bedenken kan, een geschenk van den Koning van Medië, vol vuur op den grond stampten. Elders waren weder perken met gazellen, struisvogels, jonge giraffen en andere gras-etenden dieren. Bonte vogels en apen sprongen in de kruinen der boomen rond, en op den waterstraal der fontein werden gekleurde ballen voortdurend op en neder geworpen. Kindergeniën en godenbeelden uit marmer en brons kwamen uit het gras te voorschijn, en deze geheele tooverwereld was bijeen gebracht in een kleine ruimte en maakte door haar kleuren- en vormenrijkdom, haar geuren, gezang en gekweel een overweldigenden indruk op de verbeeldingskracht, en niet op die der kinderen alleen.

De kleine Alexander trok Charmion voort, vol opgetogenheid en zonder op al die heerlijkheden ook maar één blik te slaan. Eerst bij den lotosvijver bleef hij staan, legde zijn vingertje op den mond en zeide: »Nu zal ik het u laten zien. Kijk eens naar dezen kant!"

Hij ging zachtjes op zijn toonen staan, en wees op een hollen stam. Daarin had een paar vinken zijn nest gebouwd, en vijf jongen met breede, gele snavels, strekten hunne leelijke kopjes hongerig in de hoogte. »Is dat niet aardig?" riep het prinsje. »En nu moet gij eens zien als de ouden komen en hen voeden."

Het lieve gezicht van den schoonen knaap straalde daarbij van verrukking en Charmion kuste hem teeder. Doch terwijl zij dat deed, dacht zij aan de dood gepikte jonge zwaluwen op het admiraalschip van zijn moeder, en een koude rilling ging haar door de aderen.

Nu hoorde men uit een verborgen hoekje achter het fraai bewerkte kinderhuisje heldere stemmen »Alexander" roepen. De knaap bedacht zich, en zei vol spijt:

»Nu heb ik u het nestje gewezen, maar daardoor heb ik wat vergeten. Agatha was ingeslapen, en Smerdis weggegaan, en dus waren wij alleen. Toen hebben zij mij gezonden naar den poortwachter Horus, om wat van zijn grof gerstebrood te halen. Hij geeft mij altijd alles, en wij houden daar zooveel van. Wij zijn boeren, en hebben hard gewerkt met de bijl en de schop, en nu gaan wij eten. Hebt gij ons huis al gezien? Wij hebben het zelf gebouwd! Selene, Helios, Jotape, daar ik mee ga trouwen, en ik.... Ja, ik! Zij hebben mij ook laten meehelpen, en wij hebben het heel, heel alleen gedaan! Het is heelemaal klaar. Morgen maken wij nog een stal voor de koe! De anderen mogen het niet zien, maar aan u mag ik het wel laten kijken."

Hij trok haar weder mede, en Charmion volgde hem gewillig. Zij werden met vreugde begroet door de tweelingen en de kleine Jotape, die de zesjarige Alexander zijn aanstaand vrouwtje had genoemd. Het was een aardig blond kind van denzelfden leeftijd als hij, de dochter van den Koning van Medië, die men na den oorlog met de Parthen met den knaap verloofd had, en die nu aan Cleopatra's hof in gijzeling was. Met uitzondering van dit Medische Vorstenkind, had Charmion hen alle zien geboren worden, en zij hielden veel van haar.

De jonge vorstelijke bouwlieden toonden haar met blijden trots hun werk, en het was werkelijk goed gelukt. Zij hadden al wekenlang daaraan gewerkt, en in dien tijd den geheelen tuin met al zijn heerlijkheden vergeten. Bijzonder trotsch waren zij op de twee planken, die Helios zelf, met de hulp van Alexander, na den laatsten storm, uit de zee had opgevischt, toen men hen eens alleen gelaten had, en op het slot aan de deur, dat zij stilletjes en met veel moeite uit een oude poort hadden gehaald. Selene had zelf het voorhangsel voor de deur geweven. Nu wilden zij ook een haard bouwen.

Charmion prees hunne vaardigheid, terwijl zij vroolijk allen door elkander spraken, om haar te vertellen welke moeilijkheden zij hadden moeten overwinnen. Het pleizier in hun eigen werk straalde hen daarbij uit de oogen, en zij waren zoo daarvan vervuld, dat zij niet eens den man hoorden naderen, die hen overviel met den uitroep: »Nu genoeg met dat spel, uwe hoogheden! Er gaat toch al genoeg tijd mee heen!"

Daarop keerde hij zich tot de Koningin, die hij daarheen vergezeld had, en ging op verontschuldigenden toon voort: »Misschien is dit spel in uwe oogen bedenkelijk, doch er is ook veel vóór te zeggen. In ieder geval scheen het de jonge Vorsten zooveel genoegen te geven dat ik het voor korten tijd heb laten gaan. Indien echter uwe Majesteit beveelt"....

»Laat hun dit vermaak," gaf de Koningin vriendelijk ten antwoord, en zoodra de kinderen hunne moeder zagen, liepen zij naar haar toe, drongen zich hartelijk en zonder vrees tegen haar aan, bedankten haar en verzekerden haar met levendigheid dat zij in den geheelen tuin niets zoo heerlijk vonden, als hun huis dáár.

Zij waren ook van plan nog een stal er bij te bouwen.

»Dat kon wel eens te veel worden," merkte de gouverneur Euphronion op. Deze was een man, die reeds op jaren kwam, met een verstandig en welwillend gelaat; hij liet er op volgen: »Laat ons niet vergeten, hoeveel er nog te leeren is, opdat wij op den verjaardag van Hare Majesteit ons plan ten uitvoer brengen, en de proef goed doorkomen."

Maar de kinderen vereenigden zich in het dringend verzoek, dat zij den stal nog mochten bouwen, en eindelijk stond hij hun ook dat nog toe.

Toen de gouverneur hen eindelijk wilde wegbrengen, hield de koninklijke moeder hen nog even tegen, en vroeg: »En wanneer ik u nu eens in plaats van dezen tuin een stuk land gaf, dat in het geheel niet aangelegd was, juist zooals een boer het beploegt, en gij mocht daarin, na de leeruren, graven en bouwen, zooveel gij maar wildet?"

Daar klonk een luide jubelkreet uit den mond der kinderen; alleen de kleine Medische Jotape vroeg bezorgd: »Maar dan mag ik mijn pop toch meenemen? Alleen maar de oudste van allen, Atossa. Zij heeft maar één arm, maar ik houd van haar het allermeeste."

»Neem ons maar alles af wat gij wilt!" riep Helios, en trok den kleinen Alexander naar zich toe, om te toonen dat zij, de mannen, het met elkander eens waren, »geef ons alleen het land, en laat ons daar bouwen!"

»Wij zullen zien of het gaat," antwoordde Cleopatra. »En gij Euphronion, zoudt misschien de rechte persoon zijn, om... Doch daarvan op een rustiger tijd."

De gouverneur ging heen, en de kinderen volgden hem, terwijl zij nog lang naar hunne moeder omzagen, en haar groetten en toewuifden.

Zoodra zij achter de boomen in den tuin verdwenen waren, riep Charmion: »Hoe duister de hemel ook moge worden, zoo lang gij deze nog hebt, kan het er nooit ontbreken aan zonneschijn."

»Indien," ging de Koningin nadenkend voort, »niet een andere gedachte zich met deze samenvlocht, die den nacht nog zwarter maakt. Weet gij wat deze vreeselijke dag ons gebracht heeft?"

»Ik weet alles!" antwoordde zij met een diepen zucht.

»Dan kent gij ook den afgrond, aan welks rand wij wandelen, en deze kinderen door hunne ongelukkige moeder zelve medegesleept te zien in die gapende kloof,--dat, Charmion,--dat!"... Zij barstte daarbij in een luid snikken uit, sloeg hare armen om den hals van hare vriendin, de speelnoot harer kindsche jaren, en liet een oogenblik haar hoofd rusten aan dat trouwe hart, als een kind dat troost noodig heeft.

Zij weende enkele minuten zonder zich te bedwingen. Toen hief zij het vochtige gelaat weder op, en zeide zacht:

»Dat heeft goed gedaan! O, Charmion, ik heb meer dan iemand behoefte aan liefde. Aan uw warm hart is het hier binnen al stiller geworden."

»Gebruik het maar, rust er aan uit, zoo dikwijls gij het noodig hebt, tot aan het einde toe!" riep Charmion diep ontroerd.

»Tot aan het einde," herhaalde Cleopatra, en droogde hare tranen af. »Het is mij, alsof alles eerst heden begon. Straks was ik een uur alleen. Ik dacht dat ik zou ondergaan, en gij weet hoe licht ik mij door den hartstocht laat meesleepen. Maar wat was mij ook al niet overkomen! Het leger vernietigd, Herodes en Pinarius afvallig geworden, het grootmoedige, vertrouwende hart van Antonius verscheurd door snood verraad, zijn ziel verduisterd, de herstelling van het kanaal, mijn laatste hoop--Gorgias is het mij komen zeggen--zoo goed als mislukt.... Daar kwam de kleine Alexander, om mij naar zijn vogelnestje te brengen. Al het overige in den tuin scheen hem daarbij vergeleken, onbeduidend. Dat wekte nieuwe gedachten bij mij op, en dan dat huisje, dat de kinderen geheel alleen voor zich zelve hebben gebouwd! Dat alles,--het heeft mij met geheimzinnige kracht gedwongen terug te zien op mijn levensweg, tot in de lang verloopen dagen in het huis van uwen vader... Ik... De kinderen... Op hoe verschillende grondslagen bouwen wij ons leven op! Waartoe ik ook, toen mijn jeugd achter mij lag, gekomen ben, bij haar zoek ik het begin van alles. Mijn kindsheid viel midden in de verwikkelingen van den Staat, met de verdrijving van mijn vader en den dood van mijn moeder. Ik stond toen ook aan den rand van een afgrond. De tweelingen, die nu al tien jaar zijn, hebben ook bijna de kinderjaren achter den rug, en zij zullen spoedig hetzelfde lijden moeten doorstaan als ik, nadat zij genietingen hebben gesmaakt, waarvan ik ook niet de geringste heb gekend. Doch waren er voor ons niet betere weggelegd? Wat hen dagelijks ten deel is gevallen, daarvan hebben wij in onzen eenvoudigen tuin alleen maar gedroomd. Hoe dikwijls liet ik u deelen in de schitterende toekomstvisioenen die ik destijds had! Gij volgdet mij altijd gaarne in de sprookjeswereld mijner droomen. En ik.... wat de phantasie mij toonde, in die jaren van rust en nadenken, dat is in mijn later leven met mij medegegaan. Toen ik rijk en machtig op een troon zat, zag ik dat alles telkens weder. De middelen om die hersenschimmen tot werkelijkheid te maken, ontbraken mij niet, en toen ik den man ontmoette, wiens eigen leven de verwezenlijking van een droom geleek,--toen riep ik de visioenen uit mijn kindsheid weder op, en liet ze waarheid worden. De wonderen, waarmede ik het leven van mijn geliefde sierde, waren de kinderlijke phantasieën, waaraan ik een tastbaren vorm gaf. Deze tuin is een beeld van het leven waartoe ik geloofde opgeklommen te zijn, terwijl ik in waarheid daarin afdaalde. Alles wat de zinnen streelen kan, hebben wij op dit stuk grond bijeengebracht; doch geen daarvan komt tot rust, in deze enge ruimte, waar ieder die het waagt zich vrij te bewegen zich stoot aan al de overtolligheden die hier bijeen zijn.

»En toch had ik mij in uwe omgeving en aan de hand van uw wijzen vader leeren tevreden stellen met zoo weinig, en was ik reeds begonnen met het streven naar rust. Waar is zij, die rust zonder smart,--ons hoogste goed--toch heengegaan? Door mijne schuld hebt ook gij beiden haar verloren... maar de kinderen... Ik liet hen het leven beginnen op een brandpunt van alle mogelijke onrust, en nu zie ik hoe hun eigen gezonde natuur zich tracht los te maken uit dien verblindenden kleurengloed, den bedwelmenden geur, het geestverwarrend gezang en gekweel. Zij smachten naar den onontgonnen akker waarop het leven van den strijdenden mensch begonnen is. De knaap werpt alle beuzeling ver weg, om de kracht die hem aangeboren is te kunnen gebruiken. Het meisje doet evenals hij, en houdt zich vast aan haar pop, waarin zij het levende kind ziet, om toe te geven, aan de moederlijke aandrift, die het kenteeken is harer natuur. Wat hunne ziel met zooveel kracht begeert, dat is dan ook het ware, en dat moet hen worden gegund. Toen ik tien jaar oud was, zooals de tweelingen nu, toen had mijn geheele leven en streven reeds een bepaalde richting genomen. Zij gaan nog blindelings af op het doel dat hen voorgehouden wordt. Daarom: terug met hen naar het punt vanwaar hunne moeder uitging--naar de plek waar zij alles ontving, wat er goeds in haar is! Zij moeten naar den Epicuristen-tuin, om het even of het de oude te Kanopus is, of een andere. Wat bonte droomen aan hunne moeder hebben getoond, en wat zij met misdadige verkwisting heeft zoeken te verwezenlijken, dat heeft hen omringd van hunne geboorte af aan, en het heeft al spoedig zijn aantrekkingskracht voor hen verloren. Als zij eenmaal in de wereld komen, dan zullen zij alles wat alleen de zinnen prikkelt en bedwelmt verachten. Zij zullen vasthouden aan het streven naar smartelooze inwendige rust, wanneer zij geleid worden door een gids, die de gevaren, waarmede Epicurus' leer juist de jeugd omstrikt, verwijderd houdt. Ik heb dien leidsman gevonden, en gij zult ook vertrouwen in hem hebben, want het is uw broeder Archibius, dien ik bedoel."

»Hij?" vroeg Charmion verrast.

»Ja, hij, die opgegroeid is in den Epicuristen-tuin, en die in het leven en de philosophie het steunpunt vond, dat hem midden in al den strijd van het dagelijksch bestaan de rust der ziel heeft doen behouden,--hij, die de moeder bemint, en wien ook hare kinderen dierbaar zijn,--hij, aan wien de knapen en meisjes gehecht zijn met warmte en oprecht vertrouwen. Ik wensch de kinderen onder zijne hoede te stellen, en indien hij er in toestemt dezen wensch van de ongelukkigste aller vrouwen te vervullen, dan zie ik mijn einde met kalmte tegemoet. Dat is nabij!--Ik voel het, ik weet het. Gorgias houdt zich reeds met een ontwerp voor mijn grafmonument bezig."

»O, Koningin!" riep Charmion vol smart. »Wat er ook gebeuren moge, het kan toch nooit uw hoogheerlijk leven bedreigen! In Octavianus' borst klopt geen grootmoedig hart als dat van Marcus Antonius, maar toch is hij niet wreed, en juist omdat koele berekening datgene matigt waartoe de eerzucht hem drijft, zal hij uw leven sparen. Hij weet hoe deze stad, dit land u vergoden,--en indien het hem werkelijk gelukt op deze eerste overwinning andere te doen volgen, indien de goden toelaten dat uw troon en--wat zij verhoeden mogen!--ook uw geheiligde persoon in zijne handen valt..."

»Dan," riep Cleopatra uit, en hare heldere oogen schoten vonken, »dan zal hij gewaar worden wie de grootste is van ons beiden--juist dan zal ik mijn recht laten gelden op hem neer te zien, al zou het blinde noodlot ook hem, die mij en Cæsars zoon het erfdeel ontstal, de heerschappij over de geheele aarde schenken."

Zij had deze woorden uit gesproken met toornig fonkelende blikken, doch nu liet zij de kleine hand, die zich tot een vuist had gebald, zakken, en ging op een geheel anderen toon voort:

»Er kunnen nog maanden voorbijgaan, eer hij sterk genoeg is den aanval te wagen, en de goden zelve hebben het oprichten van het grafteeken goedgekeurd. De eenige hinderpaal die daaraan in den weg stond, het huis van den ouden philosoof Didymus, is reeds gesloopt. Zooeven heeft een bode van Gorgias mij daarvan kennis gegeven. Het moet het tweede grafteeken in deze stad worden, dat de aandacht waardig is. Het andere bedekt het lichaam van den grooten Alexander, aan wien zij het aanzijn en den naam te danken heeft. Hij, die de halve wereld onderwierp aan zijn macht en aan den genius van het Grieksche volk, was toen hij stierf, jonger dan ik. Waaraan heb ik, die door mijn ellendige zwakheid Actium deed verloren gaan, het recht te danken nog een dag langer onder de zon te wandelen? Misschien kunnen wij reeds binnen enkele uren Marcus Antonius verwachten."

»En wilt gij dan," vroeg Charmion, »den diep terneergebogen man in deze stemming verwelkomen?"

»Hij wil niet ontvangen worden," gaf Cleopatra scherp ten antwoord. »Hij heeft zelfs mij verboden hem te begroeten, en ik begrijp dit verbod. Maar wat moet hem wel overkomen zijn, dat hij, de opgeruimde, de menschenvriend, naar eenzaamheid smacht, en schroomt te ontmoeten zelfs die hem het liefst en het naast zijn? Hij wenscht zich af te zonderen op den Choma, en daar is Iras nu, om te zien of alles in orde is. Zij zorgt ook dat de bloemen er zijn, die hij graag heeft. Het valt mij zwaar en hard dat ik hem niet als vroeger mag welkom heeten. O Charmion, wat was dat heerlijk, wanneer hij met open armen en wijd geopend hart als een jongeling met zijn krachtige gestalte aan land sprong, en uit zijn schoon heroëngelaat een stroom van vurige, machtige liefde mij tegenkwam. En als hij dan--dat hebt gij ook nog niet vergeten!--zijn zware stem verhief, om mij den eersten groet te brengen, dan was het mij alsof de visschen in het water daarmede instemmen, en de palmen aan den oever in zalig medegevoel met de pluimen wuiven moesten.--

»En hier! De droomen der kindsheid, die ik voor hem tot werkelijkheid maakte, namen ons op, en ons leven, door liefde en rozen omstrengeld, werd aan een sprookje gelijk! Van den eersten dag af dat hij ons te Kanopus tegemoet reed, en mij den eersten bloemruiker en een om liefde smeekenden zonnigen blik toewierp, staat zijn beeld voor mijn ziel als de belichaming der alles overwinnende mannekracht en der heldere, door niets te verduisteren, wereld-bezielende vreugde. En nu, nu?--Weet ge nog hoe wij hem als een somber droomer verlieten, vóór hij naar Paraetonium vertrok? Maar neen, duizendmaal neen, zóó mag hij niet blijven! Niet met gebogen hoofd, in opgerichte houding, zooals in de dagen van ons geluk, moet hij hand aan hand met haar die hij liefheeft, den drempel van den Hades overschrijden. En hij bemint mij nog altijd! Zou hij mij anders wel hierheen gevolgd zijn, hoewel het nu geen tooverbeker meer is, die hem naar mij toetrekt? En ik? Dit hart, dat reeds als kind de eerste neiging voor hem voelde, behoort hem nog altijd, en blijft het zijne....

»Zou ik mij toch niet naar de haven begeven, en hem opwachten? Zie mij in het gelaat Charmion, en antwoord mij zonder schroom, even waar als een spiegel: is het Olympus werkelijk gelukt de rimpels te doen verdwijnen?"

»Ik kon ze te voren ook nauwelijks zien," luidde het antwoord, »en nu kan zelfs het scherpste oog niets meer ontdekken. Ik heb ook de haarzalf meegebracht, en wat Olympus u voor..."

»Stil, stil!" zeide Cleopatra zacht.... »Er zijn veel levende schepselen in dezen tuin, en men zegt immers dat de vogels het allerscherpste hooren."

Tegelijk kwamen de schalksche kuiltjes in de wangen weder te voorschijn, en de blijdschap over deze betooverende bevalligheid dwong Charmion den uitroep af:

»Als Marcus Antonius u op dit oogenblik eens zag!"

»Vleister!" antwoordde de Koningin met een dankbaren glimlach, doch haar vriendin voelde dat nu het oogenblik gekomen was om nog eens een goed woord voor Barine te doen, en daarom zeide zij met levendigheid:

»Neen waarlijk, ik vlei u niet! Geen vrouw in Alexandrië, hoe zij ook heeten moge, zou het mogen wagen, zich ook maar in de verte met uwe bekoorlijkheden te meten. En daarom: laat toch de vervolging varen van die ongelukkige, die gij aan mijne hoede hebt toevertrouwd. Het is zichzelve beleedigen, wanneer men een Cleopatra is...."

Doch hier werd zij in de rede gevallen door een misnoegd:

»Al weder!"

Cleopatra's gelaat, dat gedurende dit gesprek alle gemoedsbewegingen eener vrouwenziel, van de diepste droefheid tot vroolijke schalkschheid weerspiegeld had, kreeg nu een uitdrukking van hardheid. Zij maakte de korte opmerking: »Gij vergeet weder, wat ik om goede redenen niet wilde hooren,--nu moet ik aan het werk," en keerde daarmede de vriendin harer jeugd den rug toe.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Charmion ging nu naar hare woning terug. Wat reeds zoo menigmaal het geval was geweest, was het ook nu weder. Zoo vaak zij de diepte van gemoed, de mannelijke geestkracht, den rusteloozen ijver, de waakzame zorg van Cleopatra voor haar land, de moederlijke toewijding dezer zeldzame vrouw het vurigst had bewonderd, was zij op jammerlijke wijze ontgoocheld.

Dan had zij het moeten aanzien hoe de Koningin, om een droom uit de sprookjeswereld harer kindsheid te verwezenlijken, en haar geliefde daarmede te verrassen, ontzettende sommen verkwistte, die zoodoende aan de welvaart harer onderdanen onttrokken werden; hoe zij groote en gewichtige zaken liet achterstaan bij de ijdele en angstvallige verzorging harer eigene persoon; hoe kleingeestige jaloerschheid haar de rechtvaardigheid en goedheid deed vergeten die haar anders eigen waren; hoe zij, de vriendelijkste en meest vrouwelijke van alle gebiedsters, in een toornige opwelling tegen een ondergeschikte zich tot onrechtvaardigheid toe vergat, wanneer diens manier van doen haar met verontwaardiging vervulde. Dezelfde eerzucht, die haar van nature eigen was en haar de schoonste en roemrijkste harer daden ingegeven had, was meer dan eens de drijfveer geworden tot handelingen, waarvan zij later berouw had. Zooals zij het als kind reeds niet had kunnen hebben dat een ander haar in het oplossen van moeilijke vraagstukken overtrof, zoo had zij altijd de behoefte behouden om, waar zij zich vertoonde, de eerste te zijn en zich nooit geëvenaard te zien. Misschien lag daarom de voornaamste oorzaak van haar bitteren wrok tegen de ongelukkige Barine in de omstandigheid, dat Antonius haar de wedergade van een armband had vereerd, dien zij zelve droeg als een geschenk van haar geliefde.

Charmion had dikwijls gezien hoe Cleopatra menig onrecht, ja zelfs menige beleediging gewillig en grootmoedig had vergeven, maar zich door haar gemaal gelijkgesteld te zien in wat het ook zij, met eene Barine, kon haar licht onverdragelijk voorgekomen zijn;--daarbij gaf hetgeen met Cæsarion was gebeurd, ten gevolge van den dwazen hartstocht, dien de jonge vrouw bij hem had gewekt, haar het recht hare mededingster te straffen.

Vol vrees voor het lot van haar beschermeling, diep geschokt, en daarbij afgemat naar lichaam en ziel, naderde Charmion hare woning. Dáár hoopte zij verkwikking te vinden in de weldadige, gelijkmatig opgeruimde stemming van Barine; daar wachtten haar de trouwe, zorgzame handen van hare bruine dienares en vertrouweling.