Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 22

Chapter 224,028 wordsPublic domain

Nu viel de bouwmeester knorrig in: »Alsof ik één syllabe daarvan wilde terugnemen! Helena wordt door geen enkele Alexandrijnsche jonkvrouw geëvenaard, maar die andere, zij, Cleopatra.... Zij is nu eenmaal in haar goddelijke majesteit boven al het menschelijke verheven. Dien spottenden trek om uw mond kondet gij mij en uzelven ditmaal wel sparen! Als zij u even als mij aangezien had met die vochtige, diepe, weemoedige oogen, en over haar ongeluk gesproken had, dan zoudt gij hand aan hand met mij voor haar door water en vuur gaan. Ik behoor juist niet tot de lichtbewogen menschen, en sedert mijn vader gestorven is, heb ik enkel bij anderen tranen gezien; doch toen zij sprak van het mausoleum, dat ik voor haar bouwen moest, omdat het noodlot haar, wie weet hoe spoedig, zou kunnen noodzaken een toevlucht te zoeken in de armen van den dood, toen was het met mijn zelfbeheersching gedaan. En zooals zij mij toen telde onder de vrienden, op wie zij zich verliet, en mij haar hand toestak--die hand, zooals er geen tweede is--toen, ja lach maar, als gij den moed daartoe hebt, ik weet zelf niet wat mij toen bezielde, maar ik voelde mij tot haar aangetrokken, en terwijl ik haar--de hand bedoel ik--kuste, werd zij misschien nat van mijn tranen. Ik schaam mij niet over die aandoening, en mijne lippen schijnen mij gewijd door de aanraking van die bleeke, kleine godenhand, die haar eigen taal spreekt, en die mij, waarheen ik den blik ook sla, voor oogen zweeft."

Gorgias streek zich het zware haar uit het gelaat, schudde het hoofd alsof hij ontevreden over zichzelf was, en ging op een anderen toon voort: »Maar de tijd is slecht gekozen voor zulke ontboezemingen. Ik sprak van het mausoleum, dat de Koningin wil laten bouwen. Morgen wenscht zij het eerste vluchtige ontwerp er van te zien. Ik zie het reeds duidelijk voor mij. Het moet naast den tempel van Isis, haar eigen godin staan... Ik sloeg voor het te plaatsen in het groote heiligdom in de Rhakotis bij het Serapeum. Dat keurde zij niet goed... zij wilde het dicht bij het paleis op de Lochias hebben. Zij had zich den tempel in den Muzenhoek in het hoofd gesteld; maar het huis van Didymus stond een gebouw van grooter omvang in den weg. Als men dit weg dacht, dan zou men een weg kunnen aanleggen door den tuin van den ouden man heen, misschien zelfs langs de zee. Wij zouden ruimte gekregen hebben voor een reusachtig gebouw, en er zou toch nog altijd een fraaie tuin over gebleven zijn. Maar wij hadden gehoord hoe Didymus gehecht is aan zijn oude eigendom. Het zou de Koningin stuiten den grijsaaard met geweld te dwingen... Zij is rechtvaardig, en wellicht wordt zij gedreven door redenen die ik niet ken.... Ik heb daarom beloofd naar een andere plek uit te zien, hoewel ik zag, hoe zij er op gesteld was dat haar grafteeken met het heiligdom der godin verbonden zou zijn.... En ziet.... Ik heb het aan die slimme bruine heks al verteld--daar lieten de hemelsche machten, de goden, het noodlot, of hoe men anders de kracht noemen wil die de wereld en ons bestaan naar eeuwige wetten en naar haar eigen, geheimzinnigen, almachtigen wil bestuurt, een schelmstuk gelukken, waaruit redding voor u, en voor de Koningin iets wat in dezen moeilijken tijd haar zeer welgevallig zal zijn, schijnt te zullen voortkomen."

»Mensch, mensch!" viel Dion weder in. »Waarheen zal deze nieuwe hartstocht u nu weder voeren? Daarbuiten trappelen de wachtende paarden, de plicht roept den plichtmatigsten van alle menschen, en alsof hij een ziener ware, vermeit hij zich in duistere uitspraken!"

»Maar waarvan de zin en inhoud," hernam Gorgias, »u, met al uw koele berekeningen van gegeven omstandigheden, spoedig niet minder wondervol schijnen zal dan mij, al is het, volgens u, mijn onstuimig kunstenaarsbloed, dat mij parten speelt. Nu nog slechts dit ter verklaring: het huis van Didymus wordt aanstonds door mijne bouwlieden in beslag genomen, en ik onderzoek de benedenruimte van den Isistempel. Ik heb de volmacht bij mij om daar naar welgevallen te werk te gaan. Cleopatra heeft mij zelve de bouwplannen laten zien, ook dat geheimzinnige, waarop de loop der onderaardsche gangen aangeduid wordt. Er zal nu ook voor u eenig licht vallen op mijn duistere uitspraken, als ik u later door een van die geheime gangen aan uwe vijanden ontvoer. Men heeft u terecht verzwegen aan welk een dunnen draad het zwaard boven uw hoofd heeft gehangen, ondanks uw rekenopgaaf. Thans, nu ik de mogelijkheid inzie het op zijde te schuiven, mag ik het u aanwijzen. Morgen reeds zoudt gij reddeloos in de handen van wreede vijanden zijn gevallen en door uw eigen zwakken oom smadelijk prijsgegeven zijn, wanneer de onverzoenlijkste van allen zich niet het schandelijke genoegen had gegund de hand te slaan aan het huis van den grijsaard. Gij weet wat ik meen, wanneer niet de Koningin door een verpletterenden tijding op de gedachten gekomen was, voor zich zelve een mausoleum te laten bouwen. De gang," en hij liet zijn stem dalen, »waarvan ik sprak, komt uit vlak bij het stuk grond van Didymus aan de zee; daar leid ik u door, en als het kan en noodig is, ook Barine. Op den gewonen weg zou men zoo iets slechts met het grootste gevaar kunnen bewerkstelligen. Als wij de gang gebruiken, dan komen wij ongezien aan een donkere plek aan het strand, en de vlucht blijft, als er geen bijzonder ongeluk gebeurt, onopgemerkt. De draagstoel en uw waggelende gang zouden, indien wij ergens anders aan de haven in de boot wilden gaan, alles verraden."

»En dan willen wij, verstandige menschen, aan geen wonderen, gelooven!" riep Dion, en stak zijn vriend zijn witte hand toe. »Hoe zal ik u genoeg danken, gij lieve, verstandige, trouwste vriend van uw vrienden, met het hart zonder trouw voor uw vriendinnen. Voeg dit booze woord bij de andere van vroeger, waarvoor ik u nu om vergeving vraag. Wat gij voor mij en Barine wilt doen, geeft u het recht, mij uw leven lang al het kwaad aan te doen en te hooren te geven, wat gij maar wilt. Bezorgdheid voor haar zou mij heden avond, als het ernst geworden was met onze poging tot ontvluchten, zeer zeker aan dit huis en deze stad geboeid hebben gehouden, want zonder haar heeft het leven nu geen waarde meer voor mij. Doch wanneer ik mij voorstel dat zij mij zou kunnen volgen naar die klip van Pyrrhus..."

»Vlei u niet met die hoop," verzocht de bouwmeester. »Daar zou zij misschien wezenlijk hinderpalen ontmoeten.--Overigens, ik moet later nog eens met de Nubische overleggen. De anderen niet te na gesproken, houd ik haar raad toch voor den besten. Zij weet hoe het bij de grooten toegaat, en behoort zelve tot de kleinen. Buitendien heeft zij door Charmion toegang tot de Koningin, en niets wat er aan het hof geschiedt, ontgaat haar. Zij deed mij ook inzien dat wij de uitlevering van Barine aan Alexas als een geluk moesten beschouwen. Hoe licht had het niet kunnen gebeuren dat zij, wier wenschen altijd daden worden, wanneer zij den al te grooten ijver harer levende werktuigen niet beteugelt, door jaloerschheid tot een gruwelijke misdaad ware gedreven! Iemand die zelf door het lot met zoo harde slagen getroffen wordt, haast zich maar zelden anderen daarvoor te behoeden, wanneer de zorgen, die als een berg op haar drukken, zich maar tusschen de Koningin en de jaloersche verbolgenheid plaatsen, die voor hare groote ziel werkelijk te klein is!"

»Wat is groot of klein voor het hart eener minnende vrouw?" vroeg Dion. »In ieder geval doet gij wat gij kunt om Barine buiten de macht der vertoornde vorstin te brengen, dat weet ik."

Gorgias drukte zijn vriend met warmte de hand, en door een plotselinge ingeving gedreven, kuste hij hem daarbij op het voorhoofd, en haastte zich naar de deur. Op den drempel werd hij door een zacht steunen van den gewonde teruggehouden. Zou hij zich dienzelfden avond reeds sterk genoeg gevoelen den langen tocht door de onderaardsche gang te doen?

Dion verzekerde, dat hij dat stellig geloofde, maar tegelijk verried zijn hooger gekleurd gelaat dat de reeds verdwenen koorts teruggekeerd was.

Gorgias sloeg den blik nadenkend naar den grond. Vele zieken die genezing behoefden, werden naar den tempel der godin gebracht, daarom kon de verschijning van Dion op die plaats niet bijzonder de aandacht trekken. Daarentegen scheen het gevaarlijk aan vreemden op te dragen den zieke door de gang te leiden. Hij zelf was sterk genoeg, maar het zou voor den allersterkste een onmogelijkheid zijn het zware lichaam van den langen man in gebukte houding tot aan de zee te dragen; want de gang was laag en van aanzienlijke lengte. Maar als het noodig was, dan zou hij het beproeven. Hij riep hem vertroostend toe: »Als uw kracht niet toereikend is, dan vinden wij er wel iets anders op!" en nam daarmede afscheid. Vervolgens schreef hij aan Barine's kamervrouw en den lijfslaaf van den gewonde voor, wat zij moesten doen, beval den poortwachter iederen bezoeker, wien ook, met uitzondering van den arts, den toegang te weigeren, en kwam eindelijk weder in de open lucht.

Voor het huis liep een kleine schaar epheben heen en weder. Anderen hadden zich neergezet op een grasperk, langs de struiken van den Paneumtuin naast het huis, en deden den edelen wijn eer aan, dien Dion's keldermeester, op bevel van zijn heer, hen hier geschonken had.

Het was een vroolijk tooneel; want cliënten van den lijder, die nadat zij hunne deelneming betuigd hadden, door den portier waren afgewezen, en aardig gekleede meisjes hadden zich bij de epheben gevoegd. Het ontbrak daarbij niet aan scherts en lach, en wanneer een bevallige jonge moeder of slavin voorbij kwam met kinderen, die in dezen tuin altijd bij voorkeur speelden en stoeiden, dan werd menig dartel woord gewisseld.

Gorgias wuifde de jongelingen vroolijk toe, verheugd over de frissche levenslust, waarmede de flinke knapen de plichtsvervulling tot een feest maakten, en menige ephebe hief den beker op om den beroemden kunstenaar, die nog niet zoo lang geleden een der hunnen was, een vroolijk »Io" en »Evoë" toe te drinken.

Een der eersten daarbij was een slank jongeling, de student Philotas uit Amphissa, Didymus' helper, dien Gorgias vóór enkele dagen uit de macht der demonen van de wijn had helpen verlossen. Terwijl de bouwmeester hem, uit zijn tweewieligen wagen, vriendelijk groette, viel de gedachte hem in, dat die aardige jongen, die zoo ernstig tegen Barine en Dion had misdreven, wel de rechte kon zijn om zijn vriend door de onderaardsche gang naar de zee te dragen. Als Philotas de man was, voor wien Gorgias hem hield, dan moest het hem als een geschenk voorkomen, wanneer hij zijn misdrijf bij de betrokken personen weer goed kon maken, en hij had zich daarin niet vergist. Nadat de jongeling eerst plechtig gezworen had dat hij, tegen ieder, wie het ook mocht zijn, er van zou zwijgen, vroeg de bouwmeester hem af, of hij hem bij de redding van Dion terzijde wilde staan. Overvloeiend van dankbaarheid toonde Philotas zich dadelijk daartoe bereid, en beloofde dat hij op het bepaalde uur aan de opgegeven plaats bij den Isistempel op hem zou wachten.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Terwijl Gorgias bezig was in den Isistempel de onderaardsche ruimte te onderzoeken, keerde Charmion, vroeger dan zij had gedacht, op de Lochias terug. Zij had haar broeder, niet te Kanopus, maar bij vrouw Berenice gevonden, en hem na een kort bezoek aan het ziekbed van Dion, deelgenoot van hare vrees gemaakt. Aan hem alleen vertrouwde zij het geheim toe dat de Koningin het lot van Barine in handen van Alexas had gelegd. Dit bericht zou de moeder der bedreigde jonge vrouw allicht tot wanhopige stappen hebben gebracht, want zelfs de onverstoorbaar kalme Archibius bleef zich zelven daarbij niet meester. Het liefst had hij zich onmiddellijk toegang tot de Koningin verschaft, als het moest zijn, met geweld, maar hij werd gewacht door den uit Rome gekomen geschiedschrijver Timagenes. Deze was niet als gewoon burger in zijn vaderstad wedergekeerd, maar met de opdracht van Octavianus, om als bemiddelaar een eind te maken aan den strijd, die bij Actium immers te zijnen gunste was beslist. De keus van dezen tusschenpersoon was gelukkig, want hij had Cleopatra in hare jeugd onderwezen, en was nog dezelfde strijdlustige man gebleven, die haar dikwijls tot tegenspraak geprikkeld had. Toen hij deelgenomen had aan een volksopstand tegen de Romeinsche overheid, was hij als slaaf naar de Tiber gevoerd. Hij was echter spoedig weder vrijgekocht en tot zulk een aanzien gekomen, dat Octavianus hem, die zoo goed bekend was in Alexandrië, deze gewichtige zending had toevertrouwd. Archibius had afgesproken hem te ontmoeten bij Arius, die nog altijd niet hersteld was van de kwetsuren, die hem door de wielen van Antyllus' wagen waren toegebracht, en zoo geleidde vrouw Berenice Timagenes naar haar broeder. Charmion mocht hen daar niet volgen, want men zou haar een bezoek bij den voormaligen Mentor van Octavianus euvel geduid hebben. Daarenboven verzette hare fijngevoeligheid zich ook tegen het denkbeeld, om juist nu in aanraking te komen met den vriend van den vijand en overwinnaar harer gebiedster.

Zij liet dus haar broeder alleen met vrouw Berenice naar het huis van den gewonde rijden, doch Archibius had haar eer zij scheidden, beloofd, dat hij in het ergste geval het uiterste beproeven zou, om de Koningin, die haar verboden had van de jonge vrouw te spreken, de oogen te openen en Alexas den voet dwars te zetten.

Uit den tuin van het Paneum, had zij zich naar de Kanopische straat en in de Jodenwijk laten dragen, waar zij allerlei gewichtige zaken voor Cleopatra moest inkoopen. Het was reeds langs over den middag, toen zij in haar draagstoel weder voor het paleis op den Lochias verscheen. Onderweg had zij reeds een droevig besef van haar eigen machteloosheid gehad. Zonder zelfs ook maar het geringste te hebben uitgericht, moest zij afwachten hoe andere daarin zouden slagen, en nauwelijks had zij den drempel van het paleis overschreden, of bij de oude zorgen, die hare ziel reeds zwaar genoeg drukten, kwamen nog nieuwe.

Zij verstond de kunst in de gelaatstrekken der hovelingen te lezen, en die van den poortwachter hadden haar al dadelijk doen zien, dat er in hare afwezigheid iets noodlottigs was gebeurd.

Het lag niet in haar aard om de onvrijen en minderen van het dienstpersoneel om inlichting te vragen, en dit deed zij dan ook niet, hoewel het in het paleis wemelde van wachters, beambten van allerlei soort, dienaren en slaven. Menigeen, die haar in het oog kreeg, zag haar aan met die eigenaardige schuwheid, die men gewoonlijk heeft voor iemand wien iets treurigs boven het hooft hangt. Anderen daarentegen, met wie zij in nadere betrekking stond, liepen op haar toe om zich het droevige genoegen te gunnen de eerste berichtgever van slecht nieuws te zijn. Doch Charmion stapte met ernstig afwerende blikken en woorden hen allen voorbij, totdat zij voor de deur van de groote wachtzaal, die overvol was met Aegyptische en Grieksche houders van verzoekschriften, den zegelbewaarder Zeno ontmoette. Dezen hield zij aan, om van hem te hooren wat er was geschied.

»Sedert wanneer?" vroeg de oude hoveling. »Iedere minuut heeft iets nieuws gebracht, en alles was even diep bedroevend. Welk een tijd, Charmion, en welk een onheil!"

»Toen ik uitging," antwoordde zij, »was er nog geen bode aangekomen. Nu is het alsof bij dit oude monster van een paleis, dat toch al aan zoovele verschrikkingen gewend is, de adem stilstaat. Zeg mij ten minste de hoofdzaak, eer ik mijn gebiedster terugzie!"

»De hoofdzaak? Pest of hongersnood,--wat moet men het ergste noemen?"

»Spoedig Zeno, ik word gewacht."

»Ik zelf heb ook haast, en er is ook waarlijk niets te vertellen waarbij men gaarne zou stilstaan. Vooreerst is Canidius gekomen, in eigen persoon en onmiddellijk uit Actium. Die man is stoutmoedig genoeg."

»Is het leger te land ook verslagen?"

»Verslagen, verstrooid, overgeloopen; vooraan Koning Herodes met zijn legioenen."

Nu sloeg Charmion hare handen voor het gelaat, en steunde luid, doch Zeno ging voort:

»Gij waart immers mede op de vlucht. Toen Marcus Antonius van u scheidde, zeilde hij met de schepen, die zich bij het zijne hadden gevoegd, op Parætonium aan. Daar stond een groote strijdmacht nog ongerept, waarop de Vorstin en Mardion hunne hoop vestigden. Andere troepen zouden zich bij deze kunnen aansluiten, en dan hadden wij weder een sterk leger tot onze beschikking."

»Pinarius Scarpus staat aan hun hoofd; hij is een beleidvol krijgsman, en ik zelve dacht...."

»Hoe meer vertrouwen gij in hem steldet, hoe grooter uw dwaling was! Die vervloekte schelm, die zoo veel aan Antonius te danken heeft, had reeds tijding uit Actium ontvangen, vóór de schepen kwamen, en toen de imperator zelf verscheen, was hij reeds tot Octavianus overgeloopen. De ellendeling liet al de veteranen die zich tegen dit verraad verzetten, dooden. De dappere bezetting der stad was echter niet voor de snoode daad te winnen. Aan haar heeft Marcus Antonius het te danken dat hij nog leeft, en geen schandelijken dood vond door zijn eigen troepen. Nu heeft een ruiter de tijding gebracht, dat heden avond de verslagene hier zal terug komen. Om onbekende redenen stapt hij niet op de Lochias uit, maar in het kleine paleis op den Choma."

»Arme, arme Koningin!" riep Charmion uit. »Hoe heeft zij dat alles gedragen?"

»Tegenover den verslagen Canidius en den bode van Antonius gedroeg zij zich als een heldin. Maar daarna.... het is waar, het jammeren duurde niet lang, maar dat stomme, wanhopige stilzwijgen.... Eer zij weder geheel zich zelve geworden was, zond zij ons allen weg, en ik heb haar nog niet wedergezien. Doch alles wat hier binnen leeft van gedachten en gevoel,"--en hij wees daarbij op voorhoofd en borst--»dat heeft van dat oogenblik af zijn woonplaats verlaten en blijft bij haar. Als een mensch zonder ziel waggel ik van de eene plaats naar de andere. O, Charmion, wat is ons overkomen! Waar zijn de tijden gebleven, toen kommer en vrees begraven lagen bij de andere dooden; die dagen en nachten, toen mijn geest zich verbond met dien der vorsten, om eene droeve aarde te herscheppen in de bloeiende velden der zaligen, den gewonen dag in een feest, en het feest in Olympisch genot? Welke fonkelnieuwe heerlijkheden had ik niet voor het overwinningsfeest, den triomf, ja zelfs voor den intocht in Rome ontworpen en gedicht! Mijn plannen, programma's, teekeningen en verzen vullen geheele kisten. Allen, die het timmermanslood, den kwast en den beitel hanteeren, die verzen en muziek maken, zouden mij hebben bijgestaan, en, dat kunt gij gelooven, het zou iets éénigs geworden zijn, waarvan het late nageslacht nog spreken zou, dat men zou geprezen en bezongen hebben. En nu--en thans?"

»Thans verdubbelen wij onze krachten, om te redden wat nog te redden is."

»Nog te redden?" herhaalde de hoveling dof. »De Vorstin klampt zich trouwens ook nog vast aan dit schoone woord. Toen ik haar gisterennacht aan het werk zag, was het mij voortdurend alsof ik haar water zag gieten in het bodemlooze vat der Danaïden. Het is waar, heden, toen ik haar verliet, liet zij de armen zinken--en zóó--zoo staat zij mij nu voor mijn vochtige oogen, zoo.... Daarbij kan ik mijn neef Dion ook niet uit mijn gedachten bannen. Zorgen, niets dan zorgen, ook wat hem betreft! En ik meende het zoo goed met hem. In mijn testament vermaak ik hem alles wat ik bezit; maar nu wil hij in vollen ernst in den echt treden met de zangeres, de dochter van den schilder Leonax. Gij hebt op u genomen haar te beschermen;--doch uw eigen nicht, Iras, ligt u toch zeker nader aan het hart, en daarom zult gij wel goed vinden dat ik, als Dion bij zijn voornemen volhardt, het testament verscheur. Hij krijgt geen penning van mijn vermogen als hij de vrouw niet opgeeft, die de Vorstin een doorn in het oog is. Dat past nu eenmaal niet in ons oud, eerwaardig geslacht. Iras daarentegen is Dion's speelnoot, en ik heb haar sinds lang voor hem bestemd. Men kan geen verstandiger echtgenoot bedenken, en die daarbij de Koningin welgevalliger is. Hij was haar genegen, totdat de zangeres hem inpakte. Breng hen weder tot elkander, en ik zal hen als mijn eigen kinderen beschouwen. Indien de dwaas zijn oom, die enkel zijn welzijn beoogt, tegenstreeft, dan trek ik mijn hand van hem af. Hoe zijne vijanden ook tegen hem samenspannen, ik sla mijne armen over elkander, en zie het kalm aan. Ik neem de plaats in van zijn vader, mijn overleden broeder, en ik eisch gehoorzaamheid van hem. De Koningin is mijn alles, en hare genade is mij meer waard dan twintig weerspannige neven."

»Gij zult de gunst der Vorstin toch wel behouden, al komt gij op voor den zoon uws broeders."

»En Iras dan? Als zij zich door hem bedrogen ziet,--en dat doet zij nu reeds--dan zal zij niet rusten...."

»Totdat zij hem in de ellende heeft gestort," voltooide Charmion den volzin, meer bezorgd dan verwijtend, en alsof zij het naderend onheil reeds vóór zich zag.

»Maar Iras staat niet nader bij de Koningin dan ik, en wanneer gij en ik, hand aan hand het onze doen om den wakkeren jongen man, die van uw eigen bloed is, te beschermen...."

»Ja, dat is waar.... gij staat zeker, ook om uw langeren diensttijd, nader bij de Koningin dan Iras... intusschen.... zulke dingen moeten wel overwogen worden, en ik heb het u immers al gezegd:... mijn geest heeft de oude woonplaats verlaten om de Vorstin als haar schaduw te volgen. Alleen datgene wat haar betreft, boezemt hem nog belang in. Al het andere mag gaan zooals het wil! De vloot is zoo goed als vernield, Canidius verslagen, Herodes tot den vijand overgeloopen, verraad op verraad,--en de Afrikaansche legioenen verloren. Hoe heet de god die het rad, dat in zijn vaart den berg afrolt, zou kunnen terug wentelen naar den top? En toch--laat ons offeren, vriendin, en op beter dagen hopen!"

De zegelbewaarder verwijderde zich, doch Charmion ging met gebogen hoofd verder, om bij Barine en haar trouwe Anukis tot zich zelve te komen en uit te weenen, voor dat zij de taak aanvaardde om hare dierbare meesteres te troosten en op te beuren. En toch had zij zelve zóózeer een vriendelijke toespraak noodig! Waarheen zij den blik ook wendde, overal zag zij ongeluk, gevaar, verraad en schandelijke listen. Het was haar te moede alsof zij lang genoeg had geleefd, en haar tijd nu voorbij was. Haar zachtmoedige aard, haar geest, die zich zoo gaarne in iets verdiepte, zich verrijkte, en wat zij verkregen had, met een ander deelde, had tot nu toe de Koningin veel kunnen schenken. Niet alleen was zij Cleopatra's vertrouwde geweest, maar de Koningin had haar ook noodig gehad om met haar de vragen te bespreken die haar rusteloos brein, midden onder de dagelijksche plichten, bezig hielden. Nu waren het gebeurtenissen, harde, wreede feiten, die de Koningin geheel en al in beslag namen, waaraan zij weerstand bieden, en die zij ten goede leiden moest. Haar leven was een en al strijd geworden, en Charmion voelde zich niets minder dan strijdlustig.

De harde, buigzame, scherp geslepen geest van Iras zou zich nu beter doen gelden, en de vrouw wier haren reeds grijs werden, zeide tot zichzelve dat het nu haar plicht was de jongere gezellin te laten voorgaan. Het zou haar rust gegeven hebben indien zij haar ambt had kunnen neerleggen, maar hiertoe kon zij niet besluiten. Juist omdat deze tijd zoo vol ellende was en misschien tot val en ondergang leiden kon, moest zij volharden, vooreerst ter liefde van de Koningin, en dan ook om over Barine te waken.

Nu moest zij weder naar Cleopatra terug. Zij wist dat hare enkele nabijheid reeds het gewonde hart der Koningin goed zou doen.

Voor de open deur van den tuin, waarop zij ijlings toe liep, klonk haar de zilverheldere lach van een kind tegemoet. De kleine zesjarige Alexander liep met open armen op haar toe, sloeg die om haar heen, vlijde zijn krulkopje tegen haar aan, en zag met zijn groote, heldere oogen tot haar op.