Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 21

Chapter 214,050 wordsPublic domain

Hij koos den naasten weg daarheen, door de Zonnepoort en de Kanopische straat. Daar wemelde het altijd van menschen op dezen tijd van den dag, maar nu was het er niet bijzonder druk. Ieder die tijd en gelegenheid had, was naar het Bruchium en de haven gegaan, om de teruggekomen schepen van de verslagen vloot te zien, een nieuwstijding te hooren, zich aan te sluiten bij de aankondigingen en optochten die te wachten waren, en--als de fortuin gunstig was--de Koningin tegen te komen en het volle hart lucht te geven in toejuichingen.

Toen de wagen links den hoek omgeslagen was en het Paneum naderde, werd voor het eerst de doortocht bemoeielijkt. Een talrijke schaar was bijeen aan den voet van den heuvel, op welks top het heiligdom van Pan zich prachtig verhief boven de uitgestrekte tuinen die er omheen lagen. De lange gestalte van den pleitbezorger Philostratus viel de Nubische in het voorbij rijden dadelijk in het oog. Was die onheilstichter dan overal tegelijk? Doch ditmaal scheen hij tegenstand te ondervinden, want zijn rede werd door luid geschreeuw afgebroken. Juist toen het voertuig hem vlak voorbij reed, wees hij op de rij huizen, waartoe ook dat van de weduwe van den schilder Leonax behoorde, maar op deze beweging volgde een hevige tegenspraak.

Anukis begreep nu ook wat de menigte terughield, want toen de wagen bijna het doel van den tocht bereikt had, kwam hen een stoet gewapende jongelingen tegen. Met hun flinken in de Palestra gestaalden lichaamsbouw, en de krullende zwarte, bruine of blonde haren, boden zij een schoon schouwspel aan. Het waren leden van den epheben bond, welks hoofdman vroeger Archibius was geweest, en waartoe later Dion was gekozen. De jongelingen hadden gehoord wat er met hem was gebeurd, en dat hij door gevangenschap of misschien nog erger dingen werd bedreigd. In vroeger tijd zou het niet mogelijk zijn geweest zich tegen de handelwijze der Regeering te verzetten en over hun bedreigden vriend te waken, maar in deze ongeluksdagen moesten de machthebbers rekening met hen houden. Ofschoon zij innig gehecht waren aan de Koningin, en besloten hadden, in weerwil van haar nederlaag, voor haar in de bres te springen, zoodra dat noodig zou zijn, toch wilden zij niet dulden dat Dion gestraft werd voor een vergrijp, dat hem in hunne oogen tot eer verstrekte. Naarmate het hen meer ergerde dat de Raad der stad in dit geval dat toch een van hun medeleden betrof, zoo aarzelend optrad, waren zij zelve des te vaster besloten hem te beschermen. Zij waren het nog niet eens geworden over de vraag of voor den man, die den »Koning der Koningen" den zoon hunner gebiedster, had gewond, volledige vrijspraak of enkel een zacht oordeel mocht worden geëischt. Ook had de stille Cæsarion, die altijd gehoorzaam was aan zijn gouverneur, geenszins de kunst verstaan om de epheben voor zich te winnen. De verwijfde jongeling vertoonde zich nooit in de Palestra, al had zelfs de groote Marcus Antonius niet versmaad daar een bezoek te brengen. Hij had daar menigmaal aan de jongelingen proeven zijner reuzenkracht gegeven, en ook zijn zoon Antyllus nam dikwijls aan de oefeningen deel. De slag dien Dion aan Cæsarion gegeven had, was niet veel meer geweest dan een van die vuistslagen, zooals ieder die in het worstelperk van tijd tot tijd ontving.

Philotas van Amphissa, Didymus' leerling, had de jongelingen het eerst van den aanval in kennis gesteld, en al het mogelijke gedaan om weer goed te maken, wat hij tegen de kleindochter van zijn leermeester had misdaan. Zijn oproeping had luiden weerklank gevonden. De epheben voelden zich sterk genoeg een vriend, wie dat ook zijn mocht, te beschermen, en zij wisten dat zij in het uiterste geval waren gedekt door den Raad, den Exegeet, den bevelhebber der stad, een flinken Macedoniër, die eenmaal een sieraad van hun bond was geweest, en ook door het groote aantal cliënten van Dion en zijn geslacht. Geen enkele zwakkeling werd in hun midden geduld. Zij hadden ook reeds gelegenheid gehad hun naam te handhaven, want al waren zij ook te laat gekomen om het eigendom van Didymus voor schade te behoeden, toch hadden zij aan het tieren van het volk, dat door den pleitbezorger Philostratus opgestookt was, een eind gemaakt, en de menigte teruggedrongen, toen de Syriër die wilde leiden naar het huis van Barine om dat een zelfde lot te doen ondergaan.

Vóór het huis van vrouw Berenice stond reeds een ander voertuig, toen Anukis uit het hare stapte. Het was een van die, welke altijd ter beschikking waren voor de beambten der Koningin. Waren hier handlangers van Alexas aan het werk, of was hij misschien zelf reeds bezig Dion in het verhoor te nemen, of zelfs zich van hem meester te maken? De Nubische kende den wagendrijver, evenals allen die tot den dienst in het paleis behoorden, en vernam van hem, dat hij den bouwmeester Gorgias gereden had.

Anukis had dezen nog nooit ontmoet, hoewel zij gedurende de verbouwing van Cæsarion's woonhuis, hem dikwijls gezien en veel van hem gehoord had, ook dat het fraaie paleis van Dion zijn werk was. Hij was een vriend van den gewonde, dus behoefde zij hem niet te vreezen.

Zoodra zij het atrium binnentrad hoorde zij dat vrouw Berenice met Archibius en zijn Romeinsche vriend was uitgereden. De arts had den gewonde verboden veel bezoek te ontvangen, maar toch was behalve de bouwmeester nog een vrijgelatene van Dion bij hem toegelaten.

De tijd drong; lieden van één stand en gelijke gezindheid begrijpen elkander. De oude portier en de Nubische waren beiden trouw gehecht aan hunne meesters en daarenboven landgenooten, dus had zij maar weinig woorden noodig om den poortwachter over te halen haar aanstonds aan de legerstede van den gewonde te brengen. Vóór de deur der ziekenkamer stond de vrijgelatene, een groote, donkerbruine, eenvoudig gekleede grijskop, dien zij voor een stuurman aanzag. Hij had nog geen toegang tot den lijder gekregen, maar dit scheen hem volstrekt niet te verdrieten; hij stond bedaard tegen den muur geleund naast de deur der ziekenkamer, en zag naar zijn breedgeranden schippershoed, dien hij langzaam in de rondte draaide. Nauwelijks had Dion den naam Anukis gehoord of hij riep door de half geopende deur met levendigheid: »Laat zij binnen komen!"

Dat liet de Nubische zich geen tweemaal zeggen. Het scheen op haar bruin gelaat geschreven te staan dat iets ernstigs en dringends haar daar gebracht had, want op de eerste begroeting liet de gewonde dadelijk de angstige opmerking volgen, dat zij zeker niets goeds mede te deelen had.

Tot eenig antwoord knikte zij veelbeteekenend met het hoofd en wierp een zijdelingschen blik op den bouwmeester; Dion gaf hierop aan zijn vriend een korte verklaring wie zij was, en verzekerde van den anderen kant haar zelve dat hij alles, ook het grootste geheim, gerust hooren mocht.

Nu was dan ook alle vrees van haar geweken, en terwijl het zweet op haar voorhoofd parelde, gaf zij op een toon van ernstige waarschuwing te kennen dat zijn leven in groot gevaar was. Zij liet zich daarvan niet afbrengen toen hij zijn vertrouwen op de epheben te kennen gaf, die altijd bereid waren tot zijn bescherming, en op den Raad, die de zaak van een der leden tot de zijne zoude maken, doch zwoer hem zich zoo spoedig mogelijk in veiligheid te stellen, hetzelfde waarheen. Er werden reeds handen naar hem uitgestoken door machten, waartegen geen tegenstand baten zou. Maar ook deze verzekering bleek te vergeefs gedaan, want hij was overtuigd dat de invloed van zijn oom den zegelbewaarder, hem voor ieder wezenlijk gevaar behoedde. Nu besloot Anukis eindelijk te bekennen wat zij afgeluisterd had, doch sprak hierbij niet van Barine, noch van hetgeen haar dreigde. Ten slotte bezwoer zij hem met al het vuur van een trouw, bezorgd gemoed, toch hare waarschuwing niet in den wind te slaan.

Terwijl zij sprak, hadden de beide vrienden blikken van verstandhouding gewisseld, doch nauwelijks had de Nubische het laatste woord geuit of door de open gebleven deur trad de reuzengestalte van den vrijgelatene binnen.

»Gij hier, Pyrrhus!" riep de gewonde hem vriendelijk toe.

»Ja heer, ik ben het," antwoordde de ander, en liet zijn schippershoed nog sneller draaien. »Ik ben anders geen man om aan deuren te luisteren, en kom ook nooit ongeroepen ergens binnen, maar wat daar zooeven gesproken werd, moest ik wel hooren, en het gekras van dien ouden ongelukskraai trok mij naar binnen."

»Ik wilde," hernam Dion, »dat gij verblijdender dingen hadt kunnen hooren; die bruine ongeluksvogel zingt anders vriendelijke liederen, en zij komen alle uit een trouw hart. Trouwens, als mijn stilzwijgende Pyrrhus zijn mond zoo wijd open doet, dan komt er zeker iets gewichtigs te voorschijn, en voor deze hier mag dat wel voor den dag komen."

De schipper kuchte eens, drukte zijn groven, vilten hoed met zijn vereelte handen ineen, en zeide met zooveel ontroering en verlegenheid, dat zijn zware kin op en neertrok en zijn stem hem somtijds begaf: »Wanneer die bruinen vrouw te vertrouwen is dan moet gij van hier weg en naar een veilige schuilplaats heer. Ik kwam toch reeds hier om u die aan te bieden. Onderweg hoorde ik uw naam noemen. De menschen zeiden dat gij den zoon der Koningin een wond toegebracht hadt en daarvoor het hoofd zoudt moeten verliezen. Toen dacht ik: »dat zal niet gebeuren, neen, zeker niet, zoolang Pyrrhus nog leeft, die eenmaal zijn jongenheer Dion leerde de roeiriemen te gebruiken en de zeilen te hijschen,--Pyrrhus en al zijn eigen volk." Waartoe zou ik herhalen, wat wij beiden lang genoeg weten? Van mijn eerste schuitje en het stuk grond op ons eiland af, tot aan de vrijheid toe, zijn wij alles verschuldigd aan uw vader en aan u. Er rustte zegen op uw geschenk en op onzen arbeid, en nu is al het mijne het uwe. Ik behoef er niets meer bij te zeggen. Gij kent immers onze klip aan de andere zijde van den Alveus Steganus, ten Noorden der groote haven; het Slangeneiland heet het. Voor iemand die het water daar kent, is het gemakkelijk te bereiken, doch voor ieder ander even ontoegankelijk als maan en sterren. Zij worden al bang als zij den naam maar hooren, ofschoon wij dat ongedierte al lang hebben uitgeroeid. Mijn jongens, Dionysus, Dionichus en Dionikus--gij ziet, ieder heeft wat van Dion in zijn naam--wachten op de vischmarkt, en zoodra het donker wordt..."

De gewonde liet hem niet uitspreken, hij stak hem de hand toe en dankte hem hartelijk voor zijne trouw en goedheid, maar toch wees hij het welgemeende aanbod van de hand. Hij moest bekennen dat hij geen veiliger schuilhoek weten zou dan de klip, waaromheen altijd meeuwen vlogen, en waar Pyrrhus met zijn gezin een overvloedig bestaan vond in de vischvangst en den dienst als loods. Doch de bezorgdheid voor zijn toekomstige gemalin hield hem van het verlaten der stad terug.

De vrijgelatene gaf het daarom toch niet op. Hij herinnerde hoe spoedig men van zijn eiland in de haven kon komen en dat er dagelijks visch naar de markt werd gebracht, zoodat het hem aan berichten nooit behoefde te ontbreken. Zijn zoons waren precies als hij, en spraken ook geen onnoodig woord, beweerde hij. Zij waren daar zelfs afkeerig van, terwijl de vrouwen maar zelden het eiland verlieten. Zoolang zij de geliefde gasten herbergen zouden, mochten zij geen stap daarbuiten doen. Als het noodig was, kon zijn heer spoedig genoeg weder te Alexandrië zijn om zijn plicht te doen.

De bouwmeester vond in dit voorstel veel goeds, en hij mengde zich dus in het gesprek, om het verzoek van den vrijgelatene te ondersteunen; doch Dion hield ter wille zijner geliefde, zijn weigering zoolang vol, totdat Anukis die reeds lang verlangde naar Archibius te kunnen gaan, nu ook voor haar gevoelen uitkwam.

»Volg dien man daarheen, heer!" riep zij uit. »Ik weet wat ik weet. Ik zal aan onze Barine vertellen van uwe trouwe standvastigheid, maar hoe kan zij u ooit hare dankbaarheid betoonen, zoo gij moet sterven?"

Dit laatste woord en de mededeelingen die er op volgden, hadden een beslissende uitwerking, en zoodra Dion er in had toegestemd den vrijgelatene te volgen, maakte de Nubische zich gereed haar verdere plannen uit te voeren. Eerst echter hield de gewonde haar nog terug, om haar allerlei dingen voor Barine op te dragen, en daarna ook de bouwmeester, die geloofde dat hij in haar de rechte helpster gevonden had voor alles wat hij nog in het schild voerde.

In den vroegen morgen was hij uit Heroonpolis teruggekeerd, waarheen hij met andere vakgenooten had moeten gaan om te onderzoeken of de waterweg weder bruikbaar gemaakt kon worden. De uitkomst was zóó slecht geweest, dat hij bijna allen moed op de mogelijkheid verloren had, en op verzoek der anderen was hij naar de Koningin gegaan, om haar te overreden het veelbelovende maar in dien korten tijd onuitvoerbare plan te laten varen.

Hij had den nacht tot dag gemaakt, en was ook, zoodra Cleopatra was opgestaan, bij haar ontvangen. Er was een wagen voor hem beschikbaar gesteld, want hij had nog veel te doen gehad in het arsenaal en bij verschillende bouwwerken. Hij was toen uitgereden van de Lochias, om den muur te gaan bezichtigen, dien hij voor Antonius op den Choma had opgericht, en ook den Isistempel bij den Muzenhoek, waaraan Cleopatra een nieuw gedeelte wenschte toegevoegd te zien. Doch nauwelijks had hij het schiereiland verlaten, of hij werd in het Bruchium opgehouden door een woeste menigte die het huis van Didymus berende met balken en masten, en zich daarbij te verweren had tegen de epheben die haar aanvielen.

Eindelijk was hij door dien woedenden troep heen gedrongen, om het oude echtpaar en hunne kleindochter te hulp te komen. De slaaf Phryx was al bezig geweest om de booten, die in de haven lagen in gereedheid te brengen. Gorgias had moeite genoeg den grijzen philosoof te bewegen om met de zijnen hem naar den zeekant te volgen. Hij was integendeel juist voornemens zich vóór die woestelingen te plaatsen, en hen, zelfs al zou het zijn leven kosten, toe te roepen, dat zij jammerlijk misleid waren, en zich schuldig maakten aan een schandelijke euveldaad. Gelukkig kon de bouwmeester hem overreden met de opmerking, dat het een Didymus onwaardig zou zijn, als hij zijn leven, waarop de hulpelooze vrouwen en de geheele wereld, voor wie zijn geschriften wegwijzers waren naar het rijk der waarheid, recht hadden, wilde prijs geven aan ruwe barbaarschheid. Toch zouden de grijsaard en zijn gezin nog bijna in de handen der woedende menigte zijn gevallen, daar Didymus niet eerder wilde heengaan, dan nadat hij het een en ander, vooral een twintig of dertig kostbare boeken, in veiligheid had gebracht. Bovendien begreep zijn oude doove levensgezellin, die er anders gaarne in berustte wanneer haar zwak gehoor haar verhinderde de dingen te verstaan, nu volstrekt niet, wat er toch gebeurde. Zij wilde daarom dat ieder die in haar nabijheid kwam, haar dat zou uitleggen, en hield daardoor haar kleindochter Helena op, die er voor zorgen wilde dat de kostbaarste zaken van het huis gered werden. Door dat alles werd het vertrek vertraagd, en het was alleen te danken aan het flinke optreden van Philotas, Didymus' helper, en aan eenige epheben die zich bij hem voegden, dat zij nog ongedeerd ontkwamen.

De Scythische wacht die ten laatste een eind maakte aan het onzinnige woeden van het opgeruide volk, kwam te laat om het sloopen van het huis te voorkomen, doch zij redde Philotas en de epheben uit de handen en van de steenen der volksmenigte.

Eerst toen de booten een eindweegs de haven uitgezeild waren, was de vraag bij hen opgerezen waarheen de philosoof en zijn gezin de wijk zouden nemen. Het huis van Berenice werd evenzeer bedreigd, en de wetten van het Museum verboden dat dáárin vrouwen werden opgenomen. Vijf van zijn bedienden waren hun heer gevolgd, en in de huizen der geleerde vrienden van Didymus ontbrak het voor zoovele gasten aan ruimte..... Terwijl de grijsaard en Helena alle huizen waar zij wisten dat zij een onderkomen konden vinden, opsomden, kwam Gorgias met het verzoek aan, of men het verblijf in het zijne voor lief zou willen nemen. Hij had dit van zijn vader geërfd. Het was zeer groot en ruim, stond zoo goed als leeg, en was gemakkelijk te bereiken, daar het ten Noorden van het forum aan de zee lag. De vluchtelingen konden zich daar geheel vrij bewegen, daar hem nog zooveel arbeid te wachten stond, dat hij alleen den nacht onder zijn eigen dak zou kunnen doorbrengen. Hij wist de kleine bezwaren, die zijne beschermelingen opperden, spoedig uit den weg te ruimen, en een kwartier nadat zij den Muzenhoek verlaten hadden, mocht hij reeds de poort van zijn woning voor hen openen en hij deed dit met ware vreugde. De oude huisbezorgsters en de bewaarder die reeds in den dienst van zijn vader was vergrijsd, zetten een verbaasd gezicht, maar gingen ijverig aan het werk, zoodra Gorgias zijn gasten aan hun zorg had toevertrouwd. De gewichtige bezigheden die hem riepen, verhinderden hem zelf de plichten van een gastheer waar te nemen.

Didymus en zijn gezin had alle reden hem dankbaar te zijn, en toen de oude philosoof in de groote boekerij, die de bouwmeester hun tot verblijf had aangewezen, vele goede geschriften en daaronder vele van zijn eigen hand vond, staakte hij eindelijk het op en neder loopen, en ging rustig zitten. Daarbij viel hem ook weder in dat hij, op raad van een vriend, zijn vermogen aan een vertrouwd bankier ter bewaring gegeven had, en het leven scheen hem nu wel is waar nog donkergrijs, maar toch niet meer zoo zwart als eerst.

Gorgias had in korte woorden de Nubische van alles op de hoogte gebracht, en daarop had Dion haar medegedeeld dat zij Archibius met den Romeinschen vriend bij den broeder van vrouw Berenice, den philosoof Arius zou vinden. Deze lag even als hij, gewond op zijn legerstede, tengevolge van een overmoedige streek van Antyllus. Zij zou ook Barine's moeder bij Arius vinden. Zij kon hen dan in kennis stellen van het lot van Didymus en de zijnen, en hen mededeelen dat hij, Dion, van plan was een uur na zonsondergang hun huis en de stad den rug toe te keeren.

»Doch waarheen gij gaat," viel Gorgias hem in de rede, »mag niemand, ook vrouw Berenice en Arius niet vernemen. Gij vrouw, ziet er naar uit alsof gij zwijgen kunt."

»Hoewel zij," viel Dion hierop in, »haar naam Aisopion aan de vlugheid harer tong te danken heeft."

»Maar die tong," verzekerde de Nubische, »is toch maar als de zilvervischjes met de roode stippels in den tuin der koningskinderen. Zij schieten rad genoeg voort, doch zoodra zij een gevaar duchten, liggen zij in het water zoo stil alsof zij vastgenageld waren. En, bij de groote godin Isis!--aan gevaren is in dezen droevigen tijd geen gebrek. Wenscht gij vrouw Berenice en de anderen nog voor uw vertrek te zien?"

»De moeder, ja;--Arius' zonen zijn flinke jongens, maar heden is het toch beter, dat zij hier niet aan huis komen."

»Zeker!" zeide Gorgias. »Ook hun vader zou goed doen als hij een schuilplaats zocht. Hij is nog altijd in goede verstandhouding met Octavianus. Het is echter wel mogelijk dat de Koningin hem wenscht te gebruiken. In dat geval kan hij misschien nog van nut zijn voor Barine, die toch het kind zijner zuster is. Timagenes, die uit Rome als bemiddelaar komt, krijgt ook veel invloed."

»Op diezelfde gedachte" zeide Anukis »is mijn arm hoofd ook al gekomen. Nu ga ik mijn heer het gevaar aantoonen dat de jonge vrouw bedreigt, en als het mij gelukt.... Maar wat zou een dienares, die er uitziet als ik, kunnen uitrichten? En toch... mijn huis staat dichter bij den oever van den stroom dan dat van de meeste anderen, en als ik er een blad in werp, dan draagt hij dat misschien naar de goddelijke zee."

»Die wijze Aisopion!" riep Dion uit; maar de wakkere Nubische haalde haar hooge schouders op, en zeide: »Men behoeft niet vrij geboren te zijn, om zich te verheugen in hetgeen recht is, en als wijs zijn beteekent: zijn hoofd gebruiken om te denken, en met zijn wil alles bevorderen wat goed en rechtvaardig is, dan moogt gij mij, wat mij betreft, zoo noemen. Dus na zonsondergang vertrekt gij?"

Zij wilde zich verwijderen, doch de bouwmeester, die iedere uitdrukking van haar gelaat had bespied, had een besluit genomen, en verzocht haar hem te volgen.

Toen zij in het zijvertrek waren, verlangde hij van haar een nauwkeurig verslag omtrent Barine en wat haar dreigde. Nu beraadslaagden zij te zamen over hetgeen er te doen stond alsof zij zijnsgelijke was, en daarop reikte hij haar de hand tot afscheid, en zeide: »Als het mogelijk is, om haar zonder dat zij herkend wordt naar den Isistempel te brengen, dan kan deze duisternis nog licht worden. Van het eerste uur na zonsondergang af ben ik te vinden in het heiligdom. Ik heb daar opmetingen te doen. Wanneer gij beweert te weten dat de hemelsche machten zich erbarmen over de onschuldigen, die zij tot aan den rand van den afgrond hebben gebracht, dan hebt gij in dat geval misschien gelijk. Het komt mij voor, alsof de dingen hier samenloopen op een wijze, die door degenen die het hoorden vertellen, niet geloofd zou worden."

Toen Aisopion weg was, ging Gorgias naar zijn vriend terug, en verzocht den vrijgelatene dat hij met zijn schuit gereed zou liggen op een plek aan den oever, die hij hem nauwkeurig aan gaf. Daarna waren de vrienden weder alleen.

Gorgias had handen vol werk, maar hij kon toch niet nalaten aan Dion zijn verbazing te kennen te geven over de kalmte die hij bewaarde. »Alsof zij naar Kanopus moesten om oesters te eten," besloot hij, en schudde daarbij zijn hoofd, als over iets, dat hem te hoog was.

»Wat wilt gij dan?" vroeg de andere. »U kunstenaars, laat de gevleugelde phantasie altijd een toekomst zien, die aan uwe bewegelijke stemming beantwoordt. Zijt gij vol hoop, dan maakt gij een aardigen tuin tot de Eliseesche velden; vreest gij iets, dan ziet gij, als het dak brandt, de geheele wereld opgaan in de vlammen. Wij, aan wier wieg de Muze niet verschenen is, en die alleen ons overleggend verstand gebruiken om te zorgen voor ons eigen welzijn en dat van ons huis en den Staat, wij zien de dingen zooals zij zijn, en behandelen de omstandigheden als de getallen in een rekenopgaaf. Ik weet dat Barine bedreigd wordt. Dat zou mij het verstand kunnen doen verliezen; maar achter haar zie ik Archibius en Charmion staan, als met uitgespreide vleugelen om haar te beschermen. Ik zie ook de vrees van al mijne vrienden, met inbegrip van het Museum, van den Raad, waartoe ik behoor, van mijn cliënten en de tijdsomstandigheden, die verbieden de misnoegdheid der burgerij te wekken.--En nu het resultaat dat ik uit de juiste bijeenvoeging van al deze bekende grootheden verkrijg...."

»Dat zal even lang het ware zijn," viel zijn vriend in, »als de onberekenbaarste van alle factoren, de hartstocht, er zich niet in mengt, de hartstocht eener vrouw, en de Koningin behoort tot het, op het gebied van den hartstocht, stellig sterkere geslacht."

»Toegegeven! Doch zoodra Marcus Antonius terugkeert, zal het blijken, dat haar jaloerschheid haar heeft doen dwalen."

»Dat willen wij hopen. Het is ook alleen de op dwaalsporen geleide, bedrogen, verkeerd ingelichte Cleopatra, die ik vrees, want in den grond heeft zij in goddelijke goedheid haar gelijke niet. De vriendelijkheid waarmede zij aller harten wint, is onbeschrijfelijk. En dan die ijzeren kracht van haar geest! Ik zeg u Dion...."

»Vriend, vriend!" viel deze hem glimlachend in de rede, »wat vliegen uwe wenschen weer hoog! Sedert drie jaren heb ik al de branden in uw hart opgeteld. Ik geloof dat wij aan de zeventiende gekomen waren, maar deze laatste telt dubbel."

»Dwaasheid!" riep de bouwmeester verachtelijk. »Zou men niet meer mogen erkennen wat heerlijk, wonderbaar, éénig is? Dat is zij! Kort geleden--wanneer was het ook weer?--kwam zij mij tegemoet in een glans van schoonheid...."

»Dat gij ditmaal wel zorgen moogt uwe oogen te bewaken. En toch spraakt gij nog zooeven zoo vurig over uwe jonge gast, van de liefdevolle zorg, de bevallige bedaardheid die Helena midden in het dreigende gevaar...."