Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 20
Toch had Iras zich den slaap harer gebiedster en de afwezigheid harer oudere mede-kamervrouw ten nutte weten te maken. Zij had gehoord dat de vertrekken van deze, en daardoor ook Barine zelve, ongenaakbaar voor haar waren. Vóór zij iets tegen de gevangene ondernemen kon, moest zij ook eerst allerlei dingen met Alexas bespreken. Nu hare verwachting haar mededingster in het stof vernederd te zien, niet was vervuld, was haar jaloersche wrok in haat veranderd, en al was zij Charmion's nicht, een deel daarvan bracht zij op deze over, omdat zij zich beschermend geplaatst had tusschen haar en haar slachtoffer.
Zij had den Syriër bij zich ontboden, maar hij was ook eerst laat ter rust gegaan, en liet nu lang op zich wachten. De ontvangst, die hem door het ongeduldige meisje was bereid, kon dan ook in het begin alles behalve hartelijk heeten, maar spoedig werd zij vriendelijker jegens hem.
Vooreerst beroemde Alexas er zich op, dat hij de Koningin had overreed om Barine op genade of ongenade aan hem over te leveren. Wanneer hij haar des middags in het verhoor nam en schuldig bevond, dan kon niets hem verhinderen haar des avonds den giftbeker te laten drinken of te doen worgen. Maar die zaak was gevaarlijk, daar de aanhangers der zangeres vele in getal en niet van macht ontbloot waren. In den grond wenschte Cleopatra zeker niets vuriger dan zich van de gevaarlijke mededingster te ontslaan, maar hij kende de grooten der aarde. Als hij krachtig optrad en er spoedig een eind aan maakte, dan zou de Koningin, ter wille van haar goeden naam, de daad op zijne verantwoording stellen. Op Antonius viel niet te rekenen, en van diens gunst hing al zijn wel en wee af. De terechtstelling der zangeres van het laatste Adonisfeest kon op het Alexandrijnsche volk de allergevaarlijkste uitwerking hebben. Het was toch al zoo verontwaardigd en zijn broeder, die het volk goed kende, had gezegd: hier verging het van rouw, en dáár was het op het punt in dolle woede een bloedig oproer te verwekken. Van dit gepeupel kon men alles verwachten; doch Philostratus verstond ook de kunst het tot allerlei over te halen, en hij had zich te voren van zijn hulp verzekerd.
Inderdaad, het werk der verzoening was Alexas goed gelukt. In den tijd toen de improvisator met Barine gehuwd was, had zij haar zwager den toegang tot haar huis ontzegd en haar echtgenoot was met zijn broeder die zijn vrouw voor zich begeerde, in onmin geraakt. Nadat deze echter zoo hoog was gestegen in de gunst van Antonius, en door diens altijd geopende hand met goud was overladen, was Philostratus weder naar hem toe gekomen om zijn deel te eischen van dien pas verkregen rijkdom. En de bron, waaruit Alexas putte, vloeide zoo rijkelijk, dat het geven den gunsteling in het geheel niet zwaar viel. Beiden waren even gewetenloos als verkwistend, en bij hen werd de waarheid gestaafd, dat lage naturen er altijd een pad op na houden, dat de tweedracht overbrugt. Is dat van goud, dan wordt dat het spoedigste betreden. Zoo was het dan ook hier, en in de laatste dagen had dat pad een bijzondere vastheid verkregen, want wederkeerig hadden zij elkander noodig.
Alexas wenschte Barine te bezitten, terwijl Philostratus zich niet meer om haar bekommerde. Daarentegen haatte hij Dion met zulk een fellen dorst naar wraak, dat hij om dien te lesschen, zelfs de hoop op nieuwe veroveringen zou hebben prijsgegeven. De vernedering, die hem door den hoogmoedigen Macedonischen edelman aangedaan was, en de smaad, waarmede hij door zijn schuld was bedekt, lieten hem evenmin rust als lasterende vervolgers, en hij voelde dat hij zich van hen slechts tegelijk met den veroorzaker daarvan, kon ontdoen. Zonder zijn broeder had hij zich moeten vergenoegen met hen door zijne lastertong te benadeelen; met den steun van diens veelvermogenden bijstand kon hij hem veel erger dingen aandoen, ja zelfs de vrijheid en het leven benemen. Daarom hadden zij zooeven een afspraak gemaakt, waarbij Philostratus op zich nam het volk te verzoenen met alles wat Barine zou worden aangedaan, terwijl de ander beloofd had zijn broeder te helpen om een bloedige wraak te nemen op Dion.
Met den dood van Barine zou Alexas niet gediend zijn, want toen hij haar had wedergezien, was hij opnieuw voor haar ontvlamd, en hij wilde haar eindelijk de zijne noemen. In den kerker, misschien op de pijnbank, zou zij gedwongen worden zijn reddende hand aan te grijpen. Doch dit alles leed geen uitstel. Het moest alles afgeloopen zijn vóór Antonius terugkwam, en hij kon ieder oogenblik verwacht worden. De verkwistende beschermer had hem zoo rijk gemaakt, dat het hem thans onverschillig liet of hij door dit geval bij hem in ongenade viel. Ook zonder hem zou hij nu met Barine een weelderige huishouding kunnen opzetten in een der steden van zijn Syrisch vaderland.
Toen de gunsteling verzekerde dat hij reeds den volgenden dag Barine onttrekken zou aan de hoede van Charmion, werd Iras reeds vriendelijker jegens hem gestemd. Tegen zijn beweren dat het nieuwe verhoor wel is waar tot geene doodstraf zou kunnen leiden, maar wel tot een verwijzing naar de steengroeven of iets dergelijks, had zij niets ernstigs in te brengen.
Nu trachtte Alexas voorzichtig uit te vorschen hoe Iras dacht over den doodvijand van zijn broeder. Zij droeg dezen geen goed hart toe, doch zoodra hij er op zinspeelde dat ook hij aan de straffende gerechtigheid kon worden overgeleverd, kwam zij daar zoo ijverig tegen op, dat hij dat onderwerp liet rusten en het gesprek weder bracht op de vrouw, die veroordeeld moest worden. Zij stelde zich weder met haar gewone levendigheid tot zijn beschikking, en men besloot den volgenden dag, terwijl Charmion des voormiddags dienst had bij de Koningin, de gevangenneming te doen plaats hebben.
Iras wist goeden raad te geven, want in een der gevangenissen was zij goed bekend. Zij had de poorten daarvan geopend voor menig ongelukkige, van wien zij geloofde dat zijn verdwijnen de Koningin van dienst zou zijn. Zij had het bij zulke gelegenheden als haar plicht beschouwd, hand in hand met den zegelbewaarder haar gebiedster te voorkomen, wanneer het deze, in hare goedheid, te moeilijk zou gevallen zijn een streng vonnis uit te spreken. Cleopatra had zich dat dan laten welgevallen, zonder zich er over uit te laten, noch het te beloonen. Wat binnen die muren voorviel, drong, dank de stilzwijgendheid van den wachter, niet naar buiten door. Het was wellicht in dien kerker niet fraai, en toch, als Barine daar was en dan het leven verwenschte, had zij het altijd nog beter dan zij. Iras, die in de laatste nachten, wanneer zij dacht aan den man, die hare liefde had versmaad en haar had opgeofferd aan een ander, aan den rand der wanhoop was geweest.
Toen de Syriër haar reeds de hand tot afscheid reikte, vroeg zij op eens: »En Dion?"
»Hij zal zijne vrijheid wel verbeurd hebben," was het antwoord, »want Barine is zijn geliefde; de dwaas was reeds op het punt haar als zijn echtgenoot in zijn fraai paleis binnen te leiden."
»Is dat waar? zonder eenigen twijfel waar?" vroeg Iras, terwijl zij wel hare kalmte bewaarde, maar niet verhinderen kon, dat het bloed uit haar wangen en lippen verdween.
»Hij heeft het gisteren aan zijn oom, den zegelbewaarder, medegedeeld in een brief, en hem daarbij bezworen voor zijne uitverkorene, die hij voor altijd trouw gezworen had, het zijne te doen. Doch Zeno wil van deze nicht niets weten. Wilt gij den brief zien?"
»Als dat zoo is," begon het meisje opnieuw, en haar hooge stem kreeg weder een schrillen klank, »dan kan men hem ook niet vrij laten. Voor zijn geliefde zet hij alles op het spel, en dat is veel--veel meer dan gij, die hier half vreemd zijt, vermoeden kunt. De Macedonische geslachten hangen alle aan elkander. Hij maakt deel uit van den Raad.... De ephebenvereenigingen staan als één man achter hem... En het volk... Toen uw broeder onlangs handelde zooals ik hem had gezegd, heeft hij hem in de wielen gereden op een manier die.... Men moest hem op het laatst ophalen uit het bekken der fontein, druipend van water en van schande...."
»Juist om dat alles zou men nu zijn mond moeten stoppen..."
Iras knikte hem goedkeurend toe, maar na een korte pauze viel zij uit: »Ik zal u helpen, om hem tot zwijgen te brengen, doch niet voor altijd. Vergeet dat niet! Dat gezegde van Theodotus, van de doode honden die niet meer bijten, heeft bij ons geen zegen gebracht aan hen die hem dat nazeggen. Er zijn andere middelen, om ons van dezen man te ontdoen."
»Een vogel heeft mij voorgezongen, dat gij hem wel lijden mocht."
»Een vogel? Dan zeker een uil, die bij daglicht niet ziet. Zijn ergste vijand, uw broeder, zou liever een offer voor zijn welzijn brengen, dan ik."
»Dan begin ik belangstelling te krijgen in dien Dion."
»Ik zag onlangs reeds hoe gij mij in medelijden overtreft. De dood is niet de ergste van alle straffen."
»Dus daarom dat genadig uitstel?"
»Misschien wel. Maar wij hebben nog andere dingen te bedenken: vooreerst welk een tijd het is, nu alles wankelt, zelfs de macht der Koningin, die nog zoo kort geleden een muur gelijk was, die veel dekte, en voor iederen aanval beschutte. Vervolgens den persoon van Dion. Ik heb al opgenoemd wie al niet voor hem in de bres zal springen.... En de Koningin kan, sedert Actium, het veelhoofdige monster »Volk" niet meer toeroepen »gij moet", maar »ik verzoek u". Het andere...."
»Deze eerste bedenkingen zijn genoeg. Mag ik ook weten, wat mijn wijze vriendin over den beklagenswaardigen man, dien zij haar gunst onttrok, nu heeft beschikt?"
»Vooreerst gevangenschap hier op de Lochias. Hij heeft zijn hand bevlekt met het bloed van den »Koning der koningen", Cæsarion. Dat is hoogverraad, ook in de oogen van het volk. Gij moet nog heden het bevel ter gevangenneming zien te krijgen."
»Wanneer het doenlijk is, de Koningin met zoo iets aan te komen."
»Het is niet voor _mij_, maar om _haar_ voor onheil te behoeden, dat wij dat noodig hebben. Weg met alles wat in deze dagen der eindbeslissing haar helderen geest benevelt! Eerst met Barine, die haar thuiskomst bedorven heeft, en dan met den man, die in staat zou zijn terwille dezer vrouw, te Alexandrië een oproer te verwekken. Aan haar de groote zorgen voor staat en troon; aan mij de kleine die haar toilet en haar hart betreffen."
Hier werd zij gestoord door eene der slavinnen van Cleopatra. De Koningin was ontwaakt, en Iras haastte zich om op haar post te zijn.
Toen zij de vertrekken van Charmion voorbijkwam, en daarvóór twee flinke krijgslieden uit de Macedonische jongelings-wacht ter bewaking op en neer zag loopen, nam haar gelaat een sombere uitdrukking aan. Haar mede-kamervrouw liet Barine bewaken alleen voor haar. Zij had zich van de oudere vrouw, wier nicht zij was, een strenge berisping op den hals gehaald, ter oorzake van de vrouw, die voor haar de oorzaak was van zooveel leed, en daarbij had zij spijt gehad dat zij haar vroeger had medegedeeld wat zij voor Dion gevoelde. Er mocht van komen wat wilde, de giftboom, waaruit al deze ellende, deze vrees en ergenissen waren opgegroeid, moest uitgeroeid, en zij uit de rijen der levenden geschrapt worden.
Eer zij in het voorvertrek der Koningin binnentrad, had zij in stilte het doodvonnis harer vijandin uitgesproken. Nu moest haar scherpzinnige geest nog den Syriër weten over te halen om de voltrekking daarvan op zich te nemen. Als deze steen des aanstoots eenmaal uit den weg was geruimd, zou het ook weder mogelijk zijn in goede verstandhouding met Charmion te leven, dan zou Dion weder vrij zijn, en dan.... Hoe hij haar ook had gekrenkt, zij zou hem toch beschermen voor den haat van Philostratus en diens broeder.
Met een verlicht hart kwam zij bij de Koningin. De vernietiging van het leven eens veroordeelden greep haar in de nabijheid der straffende Majesteit sinds lang niet meer diep in de ziel. Terwijl zij haar door den slaap verkwikte gebiedster de eerste diensten bewees, verhelderde zich haar gelaat hoe langer hoe meer, want de Koningin uitte ongevraagd hare blijdschap, dat zij op dezen dag door haar werd bediend, en niet altijd weder werd lastig gevallen met diezelfde onaangename zaak, die overigens spoedig genoeg afgehandeld zou zijn.
Dit zag op Charmion, die in het bewustzijn dat geen ander aan het hof dit wagen mocht, in weerwil van menige terechtzetting, niet moede geworden was Barine's verdediging te beproeven. Doch eindelijk had Cleopatra haar den vorigen dag toornig gelast, haar niet weder aan te komen met die onheilstichtster.
Toen Charmion haar daarop had verzocht den volgenden dag den dienst aan Iras te mogen overlaten, had de Koningin reeds berouw gevoeld over dien uitval tegen haar vriendin. Zij had Charmion het gevraagde verlof gaarne toegestaan, en haar zelfs vriendelijk verzocht hare drift toe te schrijven aan de zorgen die haar drukten. »En als gij mij weder uw goed, trouw gezicht vertoont," had zij tot besluit gezegd, »dan zult gij hebben ingezien, dat een ware vriendin van een ongelukkige die zij liefheeft, alles verwijderen moet wat haar toch al beneveld levenslicht nog erger verduisteren zou. De enkele naam van deze vrouw klinkt mij als een spotlied in mijn moeilijk verkregen rust. Ik wil dien niet meer hooren."
Dat alles had zoo lief en innemend geklonken, dat Charmion's geraaktheid was versmolten als sneeuw voor de zon. Toch had zij haar met angstige voorgevoelens verlaten, daar Cleopatra, eer zij uit de kamer ging, in het voorbijgaan had opgemerkt, dat zij de zaak der zangeres in handen van Alexas had gegeven. Zij waardeerde nu dubbel dat zij een vrijen dag vóór zich had, want zij wist, hoe deze gewetenlooze gunsteling omtrent de jonge vrouw gezind was, en zij wilde met Archibius overleggen, hoe zij haar voor het ergste behoeden zou.
Toen zij eerst laat ter ruste ging, hielp haar daarbij de bruine kamervrouw, die uit haar ouderlijk huis meegekomen was naar het hof. Zij was uit Nubië geboortig waar zij gekocht was, toen het gezin van Alypius het kind Cleopatra naar het Isis-eiland Philae had gebracht.
Charmion, die in dien tijd een aankomend meisje was, had Anukis, zoo heette de slavin, ten geschenke bekomen als eerste kamervrouw in haar eigen dienst, en het meisje had zich zoo verstandig, geschikt, voor ontwikkeling vatbaar en aanhankelijk getoond, dat hare meesteres haar medegenomen had tot haar persoonlijke hulp in het Koninklijk paleis.
Even innig als Charmion aan de Koningin was gehecht, was Anukis het aan haar. Zij had een hartelijke, onbaatzuchtige liefde opgevat voor haar meesteres, die iets jonger was dan zij, en haar sinds lang de vrijheid gegeven had, en Charmion had haar met zooveel vriendelijkheid bejegend, dat de belangen der Nubische bij haar eigene niet verre achterstonden. Haar eenvoudig doch scherp verstand en haar natuurlijke geestigheid hadden haar in het paleis een zekere vermaardheid doen krijgen. Cleopatra had zich menigmaal verwaardigd een snedig antwoord van haar uit te lokken, en ook Antonius had dat wel gedaan. Daar de licht gekromde rug die zij in haar jeugd had gehad, langzamerhand een bult geworden was, had hij haar den naam Aisopion gegeven, dat is de kleine, vrouwelijke Aesopus. Thans noemde iedereen in de omgeving der Koningin haar zóó, en ook, wanneer anderen, die lager geplaatst waren dan zij, dat deden, liet zij zich dat welgevallen, ofschoon haar vlugge geest haar menig scherp antwoord op een woord dat haar mishaagde, ingegeven had. Doch zij kende de levensgeschiedenis en de fabelen van Aesopus, die ook eens een slaaf was geweest, en vond het eervol bij hem te worden vergeleken.
Toen Charmion Cleopatra verlaten had en ter ruste wilde gaan, vond zij Barine reeds in vasten slaap, doch Anukis wachtte haar op, en hare meesteres besprak met haar de droeve vrees voor Barine, die de Koningin bij haar had opgewekt. Zij wist hoe de Nubische de jonge vrouw genegen was, die zij als kind reeds op de armen had gedragen, en wier vader Leonax dikwijls met haar geschertst had. Vol belangstelling had zij haar in haar verder leven gevolgd, en sedert Barine de gast harer meesteres was, had zij alles gedaan wat zij kon, om haar afleiding te geven en gerust te stellen.
Iederen morgen had zij de moeder van Barine bezocht om naar den toestand van Dion te vragen, en altijd goede tijdingen mee terug gebracht. Zij kende ook den zaakwaarnemer Philostratus en diens broeder, en daar zij Antonius, die zoo goedaardig met haar schertste, gaarne lijden mocht, had zij het betreurd dat zulk een gewetenloos man als Alexas zijn voornaamste vertrouweling was. Zij was ook op de hoogte van de aanzoeken, waarmede de Syriër Barine had vervolgd, en toen Charmion haar mededeelde dat de Koningin het lot van haar beschermeling in de hand van dezen man had gelegd, kreeg haar bruin gelaat een vale tint, doch zij bedwong zich om de ontzetting, die dit bij haar wekte, te verbergen.
Hare meesteres wist immers wat de keus van dezen rechter voor Barine beteekenen moest. Het zou haar verkeerd toegeschenen hebben hare nachtrust door de voorstelling van haar eigen zielsangst te storen. Het was goed dat Charmion den volgenden morgen vroeg Archibius, dien zij voor den wijsten van alle mannen hield, om hulp wilde vragen; maar toch stelde dat haar nog in geenen deele gerust. Zij kende de fabel van den leeuw en de muis, die men in haar land verteld had, al lang vóór den tijd van den dichter, aan wien zij haar bijnaam te danken had, en zij was zelve reeds meer dan eens in de gelegenheid geweest om een gewichtigen dienst te bewijzen aan menschen die veel grooter en machtiger waren dan zij. Om Charmion spoediger te doen inslapen en haar op andere gedachten te brengen, vertelde zij haar nu van Dion, dien zij heden veel beter gevonden had. Zij voegde er bij, hoe teeder hij Barine scheen te beminnen, en hoe aandoenlijk geduldig en haar vader waardig, zij de dochter van Leonax weder gevonden had.
Zoodra haar gebiedster sliep, ging zij naar de zaal, waar zij, in weerwil van het vergevorderde uur, mocht verwachten een deel van het dienstpersoneel te vinden, en overtuigd was als een zeer welkome gast te worden begroet. Toen kort daarna de lijfslaaf van Alexas verscheen, vulde zij zijn beker, zette zich naast hem neder, en zocht met alle middelen die haar ten dienste stonden, zijn vertrouwen te winnen. Dat gelukte de verstandige Nubische vrouw zoo goed, dat Marsyas, een aardige jonge Liguriër, toen zij weg gegaan was, aan de anderen verzekerde dat Aisopion met hare grappen en geschiedenissen de kunst verstond om de dooden weer levend te maken; met dat bruine monster ernstig te praten, zeide hij, was even prettig als te stoeien met zijn blonde geliefde.
Charmion ging den volgenden morgen weder van huis, en in dien tijd wist Anukis Marsyas weer te vinden, en hoorde van hem, dat Iras Alexas bij zich ontboden had, en op welk uur hij komen zou. Zijn heer scheen tegenwoordig met die slanke Macedonische jonkvrouw veel geheimen te moeten bespreken.
Voor Barine was het een teleurstelling, dat Anukis ditmaal geen nieuws medebracht van haar moeder en Dion, doch de Nubische verzocht haar geduld te hebben, en haalde boeken en een spinnewiel voor haar, om zich daarmede in de eenzaamheid den tijd te verdrijven. Zij zelve moest in de keuken gaan, omdat zij gisteren had gehoord dat de koks paddestoelen hadden gekocht, die wel eens vergiftig konden zijn. Zij kende echter de soorten goed uit elkander, en wilde ze daarom zelve in oogenschouw nemen.
Daarop ging zij door Charmion's slaapvertrek, in de gang, die de aangrenzende kamers der beide vertrouwelingen van de Koningin verbond, en sloop de vertrekken van Iras binnen. Zoodra Alexas binnenkwam, had zij zich verborgen achter een der tapijten, die de muren van de ontvangkamer geheel bedekten.
Nadat de Syriër weder vertrokken en Iras uit haar kamers geroepen was, keerde zij tot Barine terug en zeide dat er werkelijk vergiftige paddestoelen onder geloopen hadden, en nog wel van de gevaarlijkste soort. Men had die ook reeds gekookt, en daarom moest zij nu uitgaan om voor tegengif te zorgen. Daar kon Barine zeker niets tegen hebben, als zij wist dat meer dan één kostbaar menschenleven er mee gemoeid was.
»Ga gerust,« antwoordde deze vriendelijk. »Maar als gij nog de oude dienstvaardige Aisopion zijt, dan vreest gij zeker niet een kleinen omweg te maken.«
»En loopt eens aan in het huis naast den Paneumtuin,« viel de ander in. »Dat had ik mij toch al voorgenomen. Een smachtend verlangen is voor een minnend hart ook vergif, en dáárvoor is het tegengif: een goede tijding.«
Met een lachend gezicht liet zij nu haar lieveling alleen, doch nauwelijks was zij in de open lucht, of er kwamen diepe rimpels in haar bruin voorhoofd, en zij bleef een poos peinzend stilstaan. Vervolgens ging zij naar het Bruchium om een ezel te huren voor den tocht naar Kanopus, waar zij Archibius wilde opzoeken. Het was intusschen zeer moeielijk de plaats waar de ezels stonden, te bereiken. Op de kade tusschen de Lochias en den Muzenhoek was een groote volksmenigte bijeenverzameld, en troepen geringe lieden, matrozen en slaven stroomden nog altijd toe. Toch kwam zij eindelijk en ten laatste bij den ezelverhuurder, en terwijl de drijver haar hielp om het gekozen dier te bestijgen, vroeg zij hem, wat daar toch te doen was.
»Zij halen het huis van Didymus, den ouden man van het Museum omver," was het antwoord.
»Hoe is dat mogelijk?" riep de Nubische vol schrik. »Die oude, kloeke man."
»Kloek?" herhaalde de drijver smadelijk. »Hij is een verrader, die aan al het onheil mede schuld heeft. Dat heeft de pleitbezorger Philostratus, de broeder van den grooten Alexas en een vriend van Marcus Antonius, zelf verzekerd. Hij wilde het ook bewijzen, en dus moet het wel waar zijn. Hoor zij eens schreeuwen! en wat vliegen die steenen! Ja, zijn kleindochter en haar geliefde hebben samen Koning Caesarion opgewacht, om hem het leven te benemen. Doch de wacht is bijtijds toegeschoten, en nu ligt hij gewond op zijn legerstede. Als de groote Isis niet te hulp komt, dan zal het wel spoedig gedaan zijn met den jongen Koning."
Hierop keerde hij zich weder naar zijn ezel, gaf hem met zijn langen stok twee flinke slagen rechts en links op zijn rug, en riep hem toe: »Niet waar, grauwtje? het doet toch goed te hooren, dat er op een koninklijken rug ook nog wel een plekje is, waar de slagen vallen."
Ondertusschen was de Nubische in tweestrijd of zij den ezel niet zou doen omkeeren en eerst bij Didymus aangaan. Doch Barine dreigde een grooter gevaar, en haar leven was kostbaarder dan dat van het oude paar. Dat gaf den doorslag, en zonder verder oponthoud reed zij voort.
De ezel en zijn drijver deden hun uiterste best, maar toch kwamen zij te laat. Anukis hoorde in het kleine paleis te Kanopus reeds van den portier, dat Archibius naar de stad was gegaan met den geschiedschrijver Timagenes, een oud vriend van hem, die tegenwoordig in Rome woonde, en nu als afgezant scheen gekomen te zijn.
Charmion was daar ook reeds geweest, en zij had haar broeder evenmin te huis gevonden. Daarom was zij hem in een wagen nagereden. Dat was slecht nieuws, dat bovendien noodlottig kon worden door het tijdverlies dat er van komen zou. Liep die ezel maar wat harder! Het is waar, Archibius had zijn stal vol paarden, maar wie was zij, om te durven wagen zich daarvan te bedienen. Toch had zij in verloop van tijd iets verworven dat haar met vele vrij- en hooggeborenen gelijk stelde: den goeden naam van betrouwbaarheid en verstand. Daarop rekende zij, en deelde den ouden, trouwen huismeester mede, zoo goed en zoo kwaad het ging, waarom het haar te doen was. Spoedig daarna geleide hij haar zelf met twee muildieren naar de stad en de tuinen van het Paneum.