Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 2

Chapter 23,946 wordsPublic domain

In het voorhof van het heiligdom heerschte groote levendigheid. Men hoorde het gekletter der ringen aan het sistrum[1], en het halfluid gezang der priesters. Het stille voorportaal van het kleine heiligdom der godin, dat hier in de Grieksche paleizenwijk even weinig bezocht werd als de groote Isistempel in de Rhakotis overvol placht te zijn, was nu de allerongeschikste plek geworden, waar mannen, die de leiders der staatszaken zoo van nabij kenden, elkander rustig konden spreken. Het gezegde van Antyllus, de negentienjarigen zoon van Antonius, dat hem ontsnapt was in het huis van Barine, een jonge, schoone vrouw, die alle aanzienlijke jonge lieden van Alexandrië tot zich trok, was des te onvoorzichtiger, omdat het zoo geheel overeenkwam met het gevoelen der meer verstandige menschen. De lichtzinnige jongeling koesterde eene dwepende vereering voor zijn vader, maar Cleopatra, die door de Aegyptenaren als diens wettige gemalin werd beschouwd, was niet zijne moeder. Dat was Fulvia, de eerste vrouw zijns vaders geweest; daarom gevoelde hij zich vóór alles Romein, en zou duizendmaal liever aan de Tiber gewoond hebben dan hier. Daarbij was het een uitgemaakte zaak, die de beste vrienden zijns vaders niet verhelen konden, dat de aanwezigheid der koningin bij het leger Antonius hinderde, en afbreuk moest doen aan den koenen moed van den veldheer. Dat had Antyllus met de onvoorzichtige openhartigheid, die hij van zijn vader had, uitgesproken ten aanhoore van alle gasten van Barine, en wel in een vorm, die te Alexandrië, waar men zoo iets aardig vond, maar al te snel verbreid werd.

[1] Geraasmakend muziekinstrument, bij den Isisdienst in gebruik.

Tot de geringe lieden die in den tempel bijeengebracht waren door het bericht der overwinning, drong iets dergelijks slechts langzaam door, maar menigeen kende zeker den zoogenaamden koning Cæsarion, dien de bouwmeester hier verwachtte. Daarom vond hij het geraden den zoon der koningin beneden aan de trap te ontvangen. Zoo daalden dan beiden af naar het plein, doch de talrijke menigte die hier den tempel binnenkwam en daar voor het huis van den geleerde bijeenstroomde, maakte hun het heen en weer gaan zeer moeilijk. Zij waren beiden verlangend om te weten of het gerucht, dat men Didymus zijn tuin wilde ontnemen, om er het standbeeld te plaatsen, zich reeds had verbreid, en al spoedig vernamen zij, dat dit werkelijk zoo was. Men zeide zelfs dat ook het huis moest worden gesloopt, en dat wel binnen enkele uren. Natuurlijk verhief zich daartegen een felle tegenstand, maar een lange magere man scheen zich tot taak gesteld te hebben de overheid te verdedigen.

De beide vrienden kenden hem wel. Het was de Syriër Philostratus, een knap improvisator en volksredenaar die de slechtste zaken verdedigde en zijn gladde tong ter beschikking stelde van ieder, die hem goed betaalde. »Thans," zeide Dion, »staat de schelm zeker in dienst van mijn oom. Het denkbeeld om het beeld daar ginds te plaatsen, is immers van hem afkomstig, en het zal moeilijk gaan hem van zoo iets af te brengen. Daarbij zijn hier zeker ook andere bedoelingen in het spel. Dat zij nu juist dien Philostratus hebben omgekocht! Wie weet of er niet iets met Barine achter steekt, die immers helaas met dien pleitbezorger gehuwd was, eer hij haar verstootte."

»Verstootte!" viel Gorgias hem driftig in de rede. »Dat klinkt al te sterk. Het is waar, dat heeft hij gedaan, doch om hem zoover te brengen, offerde de beklagenswaardige vrouw de helft van het vermogen op, dat haar vader met zijn penseel had verdiend, en nog meer dan dat. Gij weet evengoed als ik dat het leven aan de zijde van dien ellendeling haar eindelijk onverdragelijk geworden was."

»Gij hebt gelijk," gaf Dion kalm ten antwoord. »Toen geheel Alexandrië bij haar Jamelos[2] op het Adonisfeest van bewondering was vervuld, had zij den nietswaardigen levensgezel niet langer noodig."

[2] Klaagzang.

»Hoe kunt gij er een genoegen in vinden op de vrouw die gij gisteren nog zoo vlekkeloos noemdet, zoo bevallig, zoo eenig, nu zulk een schaduw te werpen?"

»Dat doe ik opdat het sterke licht, dat van haar uitgaat, u niet geheel verblinde. Ik weet hoe gevoelig gij zijt."

»Spaar mij dan liever, in plaats van mij te prikkelen. Bovendien geeft uwe veronderstelling te denken. Barine is de kleindochter van den man, wien zij zijn huis willen afnemen, en de pleitbezorger wil het voor beide kanten goedmaken. Maar ik zal er tusschenbeide komen. Het is aan mij, de plaats voor het standbeeld te bepalen."

»Aan u?" vroeg de ander. »Ja, als geen machtiger dan gij u vóór is. Ik wilde mijn oom al overreden, maar ook boven hem staat nog deze en gene. De koningin is weliswaar weg, maar Iras, wier bevelen ook niet in den wind gesproken zijn, zeide mij nog dezen morgen dat zij omtrent de plaatsing van het beeld hare eigen gedachten had."

»Dus gij zijt het," riep de bouwmeester uit, »die Philostratus hierheen hebt gebracht!"

»Ik?" vroeg de ander verbaasd.

»Ja, gij!" hield Gorgias vol. »Hebt gij mij niet zelf gezegd dat Iras, met wie gij als knaap hebt gespeeld, u nu lastig begon te worden, omdat zij al uwe schreden naging? En ook... gij zijt een trouw bezoeker van Barine, en zij trekt u zoo openlijk boven ons allen voor, dat Iras het licht gehoord kan hebben."

»Als Argus honderd oogen heeft, zoo heeft de jaloerschheid er duizend," gaf zijn vriend ten antwoord, »en toch verlang ik van Barine niets dan in dezen vervelenden tijd van wachten, in den avond een paar aangename uren. Het zij zoo! Iras--zoo denkt men--heeft gehoord dat de gevierde vrouw mij genegen is. Iras zelve is dat ook een weinig, en daarom juist heeft zij getracht de gunst van Philostratus te winnen. Gelooft gij dat zij zooveel moeite deed om de vrouw, die zich tusschen haar en mij plaatst, of ook om den ouden man, die het geluk of ongeluk heeft de grootvader van haar mededingster te zijn, kwaad te doen? Neen, neen. Dat zou al te laag zijn! En waarlijk, wanneer Iras Barine ten val wilde brengen, dan had zij daarvoor niet zulk een langen, listigen omweg behoeven te gaan. Bovendien is zij niet werkelijk boos. Of zou zij het toch zijn? Ik weet alleen, dat zij geen middelen schuwt, als het er om te doen is voor de koningin iets gedaan te krijgen, en verder, dat de uren in haar gezelschap bijzonder snel voorbijgaan. Ja, Iras, Iras.... ik spreek dien naam gaarne uit. En toch bemin ik haar niet, en zij, zij bemint allereerst zich zelve, en wat maar weinigen kunnen zeggen, een tweede nog meer. Wat geeft zij om de wereld, wat geeft zij om mij, vergeleken bij de koningin, de afgod van haar hart? Sedert die weg is, voelt zij zich als de verlaten Ariadne, als een jonge ree, die van haar moeder is afgedwaald. Maar wacht eens, misschien is zij toch er bij in 't spel; de koningin vertrouwt haar als eene zuster, als haar eigen dochter. Niemand weet wat zij en Charmion voor haar zijn. Zij heeten kamervrouwen maar eigenlijk zijn zij de hartsvriendinnen van hare gebiedster. Toen Cleopatra, bij het uitzeilen der vloot, Iras hier moest laten, daar zij toen aan koorts leed, droeg zij haar op voor de kinderen te zorgen. Ook voor die welke reeds een baard kregen, den »Koning der koningen" Cæsarion, wien zijn gouverneur voor iedere ongehoorzaamheid kastijdt, en voor den woesten knaap Antyllus, die de laatste avonden toegang verkreeg bij onze vriendin."

»Zijn eigen vader, Antonius, heeft hem dien verschaft."

»Juist, en Antyllus bracht weder Cæsarion bij haar. Dat hindert Iras, evenals alles wat de koningin verdriet kan doen. Ter wille van Cleopatra, die zij voor ergernissen sparen wil, zit Barine haar in den weg, en misschien haat zij haar ook een weinig ter wille van mij. Nu laat zij toe, dat den grootvader, dien Barine zoo liefheeft, iets aangedaan wordt, dat de verwende, onvoorzichtige vrouw zeker niet kalm opnemen kan, en dat haar prikkelen zal om een dwaasheid te begaan, die weder gelegenheid geven zal iets tegen haar te beproeven. Het is Iras zeker niet te doen om haar van het leven te berooven, maar misschien denkt zij aan verbanning of iets dergelijks. Zij kent de menschen evengoed als ik haar ken. Zij was in vroeger tijd mijn buurmeisje, dat ik menigmaal uit den boom heb moeten helpen, als het vlugge ding daarin geklauterd was."

»Ik heb u zelf deze vermoedens aan de hand gedaan, maar toch geloof ik niet dat zij tot zulke kuiperijen in staat is," zeide Gorgias ongeloovig.

»Wat ik van haar geloof?" viel de andere hem levendig in de rede. »Ik verplaats mij alleen maar in gedachte aan het hof, en in de ziel der vrouw, die daar medehelpt om zonneschijn en regen te maken. Gij laat, als bekwaam bouwmeester, eerst zuilen afronden en balken hakken, opdat die later het dak zullen dragen, waarop gij de aandacht vestigen wilt, wanneer de tijd daartoe gekomen is. Zij, en al degenen die aan het hof een woordje meespreken, denken het eerst aan het dak, en dan zoeken zij wat zij maar krijgen kunnen bijeen, om het in de hoogte te brengen en te steunen. Daartoe kunnen zelfs lijken dienen, verwoeste levens en gebroken harten. Al waar het op aankomt is, dat het dak zoo lang blijft staan, totdat de bouwmeester--de koningin--het ziet, en voor goed verklaart. Het andere.... maar zie eens, die wagen dáár brengt zeker.... gij wildet...."

Hier bleef hij steken, legde de hand op den arm van zijn vriend, en fluisterde hem haastig toe: »daar zit zeker Iras achter, en het is niet Antyllus, maar de zwaarmoedige knaap daarginds, voor wien zij werkt. Toen zij zooeven van het standbeeld sprak, vroeg zij in één adem naar hem, en of ik hem eergisteravond had gezien, en juist dien dag was hij bij Barine. De aanslag is stellig op haar gemunt, en Iras doet niets ten halve. Men vangt geen muizen als de val dicht is, en Iras heft haar kleine hand al op, om haar te openen."

»Indien maar geen mannenhand haar tegenhoudt," antwoordde de bouwmeester knorrig. Daarop ging hij het voertuig te gemoet en te gelijk den ouden man, die juist uitgestapt was, en die nu naar de beide vrienden toe kwam.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Dion wilde zich bescheiden verwijderen, toen Cæsarions metgezel op hen toetrad en hen groette. Hij kende beiden goed, en verzocht daarom ook Dion, te blijven. Er was iets rustigs en afgemetens in de stem en de bedaarde bewegingen van dezen forschen man met de breede schouders en de hooge gestalte. Wel was hij nog niet eens diep in de veertig, maar zijn grijze haren en zijn geheele wijze van optreden die achting afdwong, schenen een hoogeren leeftijd aan te duiden.

»De jonge koning daar," begon hij, met een vriendelijke klankrijke stem, terwijl hij op den wagen wees, »wenscht u, Gorgias, hier persoonlijk te spreken, doch op mijn raad wil hij zich liever niet onder de volksmenigte vertoonen. Daarom komen wij ook in een gesloten rijtuig.--Als ge er niet tegen hebt, stap dan een oogenblik bij hem in, en luister naar hem, terwijl ik hier eens rondzie. Er schijnen belangrijke dingen te gebeuren, en daar--of vergis ik mij? Is het gevaarte, dat zij hierheen sleepen, misschien het standbeeld van de koningin en haar vriend? Waart gij het zelf Gorgias, die deze plek daarvoor uitgekozen hebt?"

»Neen," antwoordde de bouwmeester beslist. »Deze overbrenging geschiedt zelfs zonder mijn medeweten, en tegen mijn zin."

»Dat dacht ik al," was het antwoord. »Cæsarion wenscht u juist te spreken omtrent dit beeld. Indien gij de oprichting daarvan op het stuk grond van Didymus verhinderen kunt,--des te beter. Ik zal gaarne doen wat ik kan om u bij te staan, maar in de afwezigheid der koningin vermag ik slechts weinig."

»Wat zal ik u van mijn eigen invloed zeggen?" vroeg de bouwmeester. »Wie van ons weet in dezen tijd of de hemel morgen blauw zal zijn of grijs? Eén ding staat bij mij vast: voor zoover het van mij afhangt, zal alles geschieden om deze onrechtmatige bejegening van een achtbaar burger dezer stad, deze inbreuk op de wet en beleediging van den goeden smaak te voorkomen."

»Zeg dat aan den jongen koning, maar vooral voorzichtig," verzocht Archibius, terwijl de bouwmeester zich omkeerde om naar den wagen te gaan.

Zoodra Dion en de andere man alleen waren, trachtte de eerste iets naders te hooren omtrent de reden van het toenemend rumoer, en daar hij, evenals ieder welgezind Alexandrijn Archibius hoogachtte, en wist dat hij den eigenaar van den veelbesproken tuin en ook diens kleindochter Barine kende, deelde hij hem zonder voorbehoud alles mede, waarover hij zich ongerust maakte.

»Iras," zeide hij op zijn vertrouwelijke wijze, »is immers uwe nicht, en ik weet dat gij haar kent. Zij schept er thans behagen in om op den weg eener vrouw, die zij geen goed hart toedraagt, en die zij voor onvoorzichtig aanziet, een gouden appel neer te leggen, in de hoop dat zij dien zal oprapen, en daardoor aanleiding geven dat zij van diefstal wordt beschuldigd."

Archibius zag hem bij deze beeldspraak vragend aan, en daarom ging hij op een anderen toon ernstiger voort: »Zeus is groot, maar het noodlot is machtiger dan hij. Mijn oom Zeno vermag veel, maar als Iras en uwe zuster Charmion, die nu helaas bij de koningin is, iets willen doorzetten, dan moet hij en de Regent Mardion de zeilen strijken. Hoe beminnelijker Cleopatra is, des te zekerder stelt ieder een plaats in hare nabijheid op den allerhoogsten prijs, en vooral hooger dan zulke kleinigheden als recht en wet."

»Dat zijn harde woorden," antwoordde de ander, »en zij schijnen mij te bitterder, omdat zij een kern van waarheid bevatten. Ons hof deelt het lot van alle andere in het Oosten, en hij, wien Rome vroeger het voorbeeld gaf van recht en wet heilig te houden....."

»Die," viel Dion in, »mag nu dáárheen gaan, om te zien hoe ruw men beide met voeten treedt. De machthebbenden hier en ginds mogen elkander uitlachen zooals de waarzeggers doen, zij zijn toch broeders van ééne soort...."

»Slechts met dat onderscheid," merkte Archibius op, »dat bij ons aan het hoofd van den Staat de beminnelijkheid en gratie in eigen persoon staan, terwijl het in Rome het tegenovergestelde is: ruwe hardvochtigheid en wreede overmoed of verachtelijk gekruip voeren dáár de teugels."

Hier hield Archibius plotseling op, en wees op een troep schreeuwende lieden, die op hen afkwamen. Dion zeide: »Gij hebt gelijk. Laten wij dit gesprek liever voortzetten in het huis van de schoone Barine. Doch ik vind u daar slechts zelden, en toch hebt gij haar vader zoo goed gekend, en is er bij haar altijd iets belangwekkends te hooren. Ik ben haar vriend. Dat kan op mijn leeftijd ook beteekenen: haar geliefde, maar in ons geval is dit niet zoo. Misschien gelooft gij mij, want gij hebt immers zelf het recht u de vriend van de bevalligste aller vrouwen te noemen."

Een weemoedige glimlach gleed bij deze woorden over het ernstige, fijnbesneden gelaat van den veertiger, en met een afwerend gebaar antwoordde hij luchtig:

»Ik ben met Cleopatra opgegroeid, maar de geringe man bemint een koningin niet anders dan als een godheid. Ik geloof gaarne aan uwe vriendschap voor Barine, maar ik houd die toch voor gevaarlijk."

»Wanneer gij daarmede bedoelt dat zij haar schaden kan," hernam Dion, en hief het hoofd op, als om te kennen te geven dat hij van hem geene waarschuwing noodig had, »dan hebt gij misschien gelijk. Maar ik verzoek u mij niet verkeerd te begrijpen. Ik ben niet ijdel genoeg om te denken, dat ik indruk kan maken op haar hart, maar er zijn helaas velen, die het de jonge vrouw niet vergeven dat zij op mij aantrekkingskracht uitoefent, evenals zij dat op allen doet. Zoovele mannen als het huis van Barine gaarne bezoeken, zoovele vrouwen moeten er noodzakelijk zijn, die het gaarne gesloten zouden zien. Tot haar behoort natuurlijk ook Iras. Zij heeft een wrok tegen mijn vriendin, ja ik vrees zelfs, dat wat gij daar ginds ziet, de appel is, dien zij daar geworpen heeft om haar daarmede, zoo niet in het verderf te storten, dan toch uit de stad te verwijderen, eer de koningin--de goden verleenen haar de overwinning! terugkeert. Gij kent Iras, want zij is uwe nicht. Evenals uw zuster Charmion vreest zij voor niets, wanneer het er op aan komt voor de koningin eenig leed of verdriet uit den weg te ruimen, en het zal Cleopatra allerminst verheugen, als zij verneemt, dat de beide knapen, wier welzijn haar ter harte gaat, Antyllus en Cæsarion, hun weg naar eene Barine gevonden hebben--hoe onbesproken overigens haar naam ook is."

»Dat heb ik ook reeds gehoord," antwoordde Archibius, »en ik maak er mij ook ongerust over. Antonius' zoon heeft veel van de onverzadelijke genotzucht zijns vaders. Maar Cæsarion! Die waagde zich nog niet uit het droomleven dat hij leidt, in de wereld. Wat een ander nauwelijks opmerkt, is genoeg om hem te kwetsen. Ik vrees dat Eros voor hem fijngepunte pijlen gereed maakt, die diep in het hart doordringen. Toen hij onlangs bij mij kwam, vond ik hem zeer veranderd. Zijn droomerige oogen schitterden alsof hij in een roes van opgewondenheid was, terwijl hij van Barine vertelde. Ik vrees, ik vrees."

»Dat zou iets zijn!" riep Dion verrast, ja bijna verschrikt uit. »Als de zaken zóó staan, dan heeft Iras niet geheel ongelijk, en dan moeten wij het anders aanvatten. Vóór alle dingen moet het een geheim blijven, dat Cæsarion zich mengt in de onderhandelingen met den ouden grondbezitter daar ginds. Het spreekt vanzelf dat men beproeft voor den grijsaard het zijne te behouden, en ik neem het op mij om den improvisator, die daar juist in den dienst van Iras zoo prachtig met zijn armen zwaait, zijn taak te doen opgeven. Wat Barine betreft, het beste zal zijn haar te overreden vrijwillig de stad te verlaten, waar men het haar zoo moeielijk maakt. Gij, waardige man, zoek haar daartoe te brengen. Indien ik zelf met zulk een voorstel kwam, ik, die nog gisteren... Neen, neen! Zij hoorde toch reeds dat Iras en ik.... Zij kan licht allerlei dwaasheden vermoeden. Gij weet wat jaloerschheid is. Naar u, die zij hoogacht, luistert zij echter zeker, dat weet ik, en zij behoeft ook zoo ver niet te gaan. Als het hart van dezen dweepzieken knaap, die het toch ook wel eens in zijn hoofd kan krijgen, om met enkel in naam »Koning der koningen" te zijn, in ernst voor Barine ontvlamd is, wat zou daardoor dan een groot onheil kunnen ontstaan! Wij moeten haar voor hem in veiligheid brengen. Naar mijn landgoed bij de papyrusvelden nabij Sebennytus mag zij niet gaan. Dat zou aan de booze tongen te veel voedsel geven. Maar gij... uwe villa te Kanopus is te dicht in de nabijheid--maar gij hebt immers, als ik mij niet vergis--"

»Mijn landgoed aan de kust is ver genoeg verwijderd, en dat staat tot hare beschikking," hernam de ander. »Het huis staat altijd voor mijn bewoning gereed; ik zal doen wat ik kan om haar te overreden, want uw raad is verstandig. Zij moet dien knaap niet meer onder de oogen komen!"

»En ik," ging Dion voort, »zal morgen naar den afloop van uwe zending laten hooren, misschien van avond nog. Als zij er in toestemt, dan vertel ik aan Iras, geheel toevallig, dat zij naar Opper-Aegypte gaat om daar versche melk te drinken. Iras is verstandig en zij zal blij zijn, dat zij, in een tijd, die over het lot van Cleopatra en de geheele wereld beslissen moet, zich nu met dergelijke kleinigheden niet meer behoeft in te laten."

»Zoo zijn mijne gedachten," zeide Archibius, »ook telkens weder bij het leger. Hoe nietig wordt alles in vergelijking met de beslissing, die ons in deze dagen te wachten staat! Doch het leven bestaat uit kleine dingen. Die voeden en sterken en steunen ons! Al keert de koningin zegevierend terug, doch vindt zij Caesarion op verkeerde wegen...."

»Die moeten wij voor hem afsluiten!" riep Dion uit.

»Opdat de knaap Barine niet nareist bedoelt gij?" vroeg Archibius, en schudde het hoofd. »Daarvoor behoeven wij, geloof ik, niet te vreezen. Hij zou dat misschien wel vurig wenschen, maar tusschen verlangen en volbrengen vloeit bij hem een breede stroom. Antyllus is van een gansch anderen aard. Hij zou in staat zijn, dadelijk een paard te laten zadelen of op een boot de zeilen te doen hijschen om haar na te ijlen, desnoods tot over den waterval. Daarom moeten wij streng verzwijgen waar Barine in vrijwillige ballingschap heengaat."

»Ik zie haar nog niet gaan," voegde Dion er met een zucht bij. »Zij is aan deze stad als met ketenen gebonden."

»Ik weet het," bevestigde Archibius, maar de andere wees op den wagen en zeide snel en met nadruk:

»Gorgias wenkt. Nog eens, vóór wij scheiden: doe alles om Barine van hier te verwijderen. Zij wordt ernstig bedreigd. Verzwijg haar niets en zeg haar, dat de vrienden haar niet al te lang in de eenzaamheid zullen laten."

Archibius wierp den jongeling nog een veelbeteekenden blik toe, en daarop traden beiden den gesloten wagen tegemoet.

Het welbesneden doch bleeke gelaat van Caesarion, dat trek voor trek op dat van zijn vader, den grooten Caesar geleek, zag reeds door de opening boven het portier naar hen uit, en hij begroette hen met een afgemeten hoofdbuiging en een beschermenden blik uit dezelfde oogen, die nog zooeven, bij het wederzien van zijn ouden vriend, zoo vroolijk hadden gestraald. Nu wilde hij zich echter tegenover den vreemde als koning toonen. Hij wilde hem doen gevoelen hoe hoog hij boven hem stond, want hij was hem niet genegen. Hij had hem immers boven zich zelven bevoorrecht gezien door de vrouw, die hij meende lief te hebben, en wier bezit hem door de geheime wetenschap der Aegyptenaren die, naar hij vast geloofde, de toekomst ontsluieren kon, verzekerd was.

Antyllus, de zoon van Antonius, had hem bij Barine binnengeleid, en zij had hem ontvangen met al de onderscheiding, die aan zijn hoogen rang toekwam. Toch had zijn jongensachtige verlegenheid hem verboden om de jonge bevallige vrouw, die zich door vele oudere en voortreffelijke mannen omringd zag, van liefde te spreken. Alleen zijn vochtige, sprekende oogen hadden haar moeten zeggen wat hij voor haar voelde. Dat was dan ook niet onopgemerkt gebleven, want vóór enkele uren was hij aangehouden door een Aegyptische vrouw, terwijl hij zich naar den tempel van Caesar, zijn vader begaf. Bij zijn geregelde levenswijs deed hij dit iederen dag op hetzelfde uur, om daar te bidden, te offeren, den steen van het altaar te zalven of een krans te hangen om het beeld van den overledene. Hij had in die vrouw dadelijk de slavin herkend, die hij in het atrium[3] van Barine had gezien, en aan zijn gevolg bevolen achter te blijven.

[3] Voorzaal.

Gelukkig voor hem, had zijn gouverneur Rhodon zijn plicht om hem overal te vergezellen, verzuimd, en zoo had hij het durven wagen haar te volgen. Hij had in de schaduw der mimosa's in het kleine boschje naast den tempel Barine's draagstoel gevonden. Met kloppend hart en vol bange vrees had hij aan haar wenk om bij haar te komen gehoor gegeven. Doch zij had hem geen andere gunst bewezen dan dat hij een wensch van haar vervullen mocht. Zijn hart was tot barstens toe vol geweest, toen zij, met haar blanken arm op het portier van den draagstoel geleund, hem had medegedeeld dat men zoo onrechtmatig haar grootvader Didymus zijn tuin wilde ontnemen, en dat zij van hem, die immers de »Koning der koningen" heette, verwachtte, dat hij alles zou doen om daaraan paal en perk te stellen.