Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 19
»Dus ook dáártoe komt men door de Stoa?" riep de Koningin opgewekt uit, en terwijl zij zich naar de deelgenoot van haar eigen studies keerde, voegde zij er bij: »Hebt gij het gehoord, Charmion? Ware het ons maar gelukt, de redelijkheid en ongestoorde, doelmatige orde van het leven in de wereld te erkennen, waaraan de Stoa, die zooveel verkeerds, ziekelijks, tot tegenspraak uitlokkends eischt, bijna al het andere vastknoopt. Hoe kan ik, om verstandig te leven, doen als de natuur, wanneer ik in haar worden, zijn en werken, zooveel ontmoet wat met mijn menschelijke rede, die een deel der goddelijke is, zoo beslist in tegenspraak is?"
Hier hield zij op, en haar gelaat veranderde plotseling van uitdrukking. Zij was dicht naar Barine toe gegaan, en toen zij tegenover haar stond, was haar blik op den gesneden steen gevallen, die haar bovenarm versierde.
Was het dit gezicht, dat Cleopatra op eens zóó heftig bewoog, dat hare stem alle liefelijke welluidendheid verloor, toen zij ruw en misnoegd voortging: »Dat is dus de bronwel van al dit onheil? Reeds als kind was ik afkeerig van die willekeur, die verstandig moest heeten, en die in de wereld voor zedelijke strengheid doorgaat. Ja, dat is het! Hoort gij den storm wel huilen? Evenals daarbuiten, zijn er ook in de menschelijke natuur onweders en verwoestende vulkanen, en het eigenlijke wezen van een sterveling is even vol van zulke woeste krachten als de streek van den Vesuvius of den Etna. Wat er van komt als men daaraan toegeeft, daarvan zien wij hier een levend voorbeeld. Wel zeker! Den Stoïcijn is het verboden de harmonie en de schoone orde der dingen van het leven, en ook die welke de staat, als bijzondere godheid, voorschrijft, te verstoren. Maar onze natuur te volgen waarheen zij ons ook voert--dat is een waagstuk, zóó gevaarlijk, dat wie de macht heeft daaraan bijtijds paal en perk te stellen, verplicht is dat te doen.--En ik bezit die macht, en ik zal er gebruik van maken!"
Daarop ging zij met ijzeren strengheid voort: »Evenals het tot de eischen uwer natuur, vrouw, schijnt te behooren, dat gij alles wat man heet tot u lokt en doet ontvlammen, zelfs al droeg het nog niet het ephebengewaad, zoo lijkt het ook gesteld te zijn met uw welbehagen in ijdele versieringen. Of"--en zij strekte de hand uit naar den schouder der jonge vrouw--»of hoe komt in dit middernachtelijk uur deze armband aan uw arm?"
Barine had met toenemenden angst de groote verandering in de houding en den toon der Koningin opgemerkt. Zij zag nu een herhaling van hetgeen er op het Adonisfeest was gebeurd, en ditmaal wist zij wat de jaloezie van Cleopatra opwekte. Zij, Barine, droeg een geschenk van Antonius aan haar arm. Doodsbleek zocht zij naar een gepast antwoord, doch vóór zij dat gevonden had, trad Iras op de opgewonden Koningin toe en zeide: »Deze armband is de wedergade van dien, welke uw doorluchtige gemaal u heeft vereerd. Ook deze is zeker een geschenk van Marcus Antonius, ditmaal aan de zangeres. Zij houdt, evenals iedereen, den edelen imperator voor den grootsten man van zijn tijd. Wie kan het haar dan ten kwade duiden dat zij zijn geschenk waardeert, en dat zelfs in den slaap niet afgelegd?"
Barine had bij deze woorden weder de gewaarwording alsof een doorn haar stak. Met hoeveel kracht echter de bitterheid van straks weder bij haar opwelde, toch dwong zij zich de gepaste kalmte te bewaren en spande zich in om een geschikt wederwoord te vinden. Maar zij vond het rechte niet, en zweeg.
Wat zij gezegd had, was de waarheid. Van jongsaf had zij, zonder naar het oordeel der menschen te vragen, zooals de Stoïcijnsche leer haar voorschreef, haar eigen aard gevolgd, en dat had zij gerust kunnen doen omdat deze aard zuiver was, waar, op het schoone gericht, en daarbij vrij van die onbedwingbare, vulkanische driften, die de Koningin bedoelde. Die opgeruimde gemoedsgesteldheid was tevreden geweest in het beoefenen van haar kunst en den gezelligen omgang met mannen, die haar vergunden deel te nemen aan hun opgewekt geestelijk leven. Eerst op dezen dag had zij ondervonden, dat de eerste groote liefde van haar hart beantwoord werd. Thans was zij aan haar geliefde vast verbonden, en zij wist, rein en vrij van schuld als zij zich gevoelde, dat zij meer gerechtigd was achting te vorderen, ook van de strengste zederechters, dan de Koningin die haar vonniste, en die andere boosaardige vrouw die niet opgehouden had bij Dion met hare liefde aan te komen.
Het smartelijke gevoel van misverstaan en onrechtvaardig veroordeeld te worden, paarde zich nu aan de vrees voor het schrikkelijk lot, dat de alvermogende vrouw, wier heldere geest nu door lage jaloezie en den wrok van een gekwetst moederhart beneveld werd, over haar kon doen komen, en deed haar geheel verstommen. Bovendien bracht haar het vijandige gevoel dat het gezicht van Iras bij haar opwekte, in verwarring. Twee- driemaal raapte zij haar geestkracht bijeen om een verklaring, een verdediging te beproeven, doch haar tong weigerde haar geheel en al den dienst. Toen Charmion eindelijk naar haar toekwam om haar toe te spreken, was het reeds te laat, want de vertoornde Koningin had haar den rug toegekeerd en Iras toegeroepen: »Zij moet op de Lochias blijven. Haar schuld is bewezen;--doch het komt de beleedigde partij, de aanklaagster, niet toe haar vonnis uit te spreken. Dat blijft overgelaten aan den rechter, in wiens handen wij haar stelden."
Nu kreeg Barine haar spraakvermogen terug. Hoe kon Cleopatra beweren dat zij overtuigd was van een misslag, zonder hare verdediging aan te hooren? Zoo zeker als zij zich onschuldig voelde, moest zij ook kunnen bewijzen dat zij dat was, en in deze overtuiging riep zij de Koningin op roerend smeekenden toon achterna: »O, mocht Uwe Majesteit niet heengaan zonder mij gehoord te hebben! Zoo waar ik geloof aan uwe rechtvaardigheid, mag ik van u vragen mij nog éénmaal het oor te leenen. Geef mij niet over aan de willekeur van deze vrouw die mij haat, omdat ik de uitverkorene ben van den man, dien zij...."
Hier viel de Koningin haar weder in de rede. De vorstelijke waardigheid verbood haar te luisteren naar de jaloersche beschuldigingen van vrouwen onderling, doch met het fijne gevoel, waarmede de eene vrouw de gezindheid der andere doorziet, hoorde zij duidelijk in den klagenden uitroep van Barine, dat deze oprecht geloofde, dat zij te streng beoordeeld werd. Zij had misschien ook reden om aan den haat van Iras te gelooven, en Cleopatra wist hoe haar jonge vertrouweling allen die haar mishaagden, zonder mededoogen vervolgde. Haar raad, om de zangeres uit den weg te ruimen, had zij ook reeds moeten van de hand wijzen, en daarvoor beefde zij ook nog altijd terug, want alles wat in haar was, waarschuwde haar, om hare ziel niet juist nu met een nieuwe misdaad te belasten, die haar rust verstoren kon. Daarbij was er in dit eigenaardig, bevallig schepsel veel wat haar in den aanvang had aangetrokken; maar de grievende gedachte, dat Antonius haar en de dochter van den schilder, één en hetzelfde geschenk gegeven had, beheerschte haar nog in zulk een mate, dat zij de uiterste grens van genade en zelfbeheersching meende bereikt te hebben, toen zij, zonder zich tot een bepaalde persoon te wenden, nog eens in de zaal uitriep: »Op dit verhoor zal nog een ander volgen. Als de tijd daarvoor gekomen is, moet de beschuldigde ter beschikking van den rechter zijn, en daarom blijft zij op de Lochias in verzekerde bewaring. Ik wil, dat haar geen leed worde gedaan. Gij zijt haar genegen, Charmion. Voorloopig vertrouw ik haar aan u. Alleen," voegde zij er met verheffing van stem bij, »vrees mijne ongenade, wanneer haar de mogelijkheid wordt gegeven het paleis, al is het maar voor één oogenblik te verlaten, en omgang te hebben met een ander, wie dat ook zij."
Hierop verliet zij de zaal, en begaf zich naar hare eigen vertrekken. Zij had den nacht tot dag gemaakt, niet alleen om spoedig af te doen wat in hare oogen geen uitstel duldde, maar nog meer omdat zij sedert gruwde van de rustelooze uren op hare eenzame legerstede. Die wilden nooit een eind nemen, en zoo zij zich vroeger gaarne al de pracht en weelde te binnen riep waarmede zij haar leven met Antonius had omringd, zoo verweet zij zich nu, dat zij het geluk van haar volk roekeloos had verspeeld. Het tegenwoordige scheen haar ondragelijk toe, en uit de toekomst zag zij een heirleger droeve zorgen op haar aanstormen.
De volgende dagen brachten allerlei bezigheden meê, en de Koningin sleet halve nachten op de sterrenwacht. Naar Barine had zij nog niet weder gevraagd. Op den vijfden avond liet zij zich door Alexas naar de kleine sterrenwacht brengen, die haar vader op de Lochias had doen oprichten. De gunsteling van Antonius wist haar daar te bewijzen dat een ster, die de hare sinds lang bedreigd had, de planeet was der vrouw, die zij nu even zorgeloos scheen vergeten te hebben, als vroeger zijne waarschuwing voor dezelfde vijandin.
De Koningin gaf dit niet toe, maar hij ging vol ijver voort:
»In den nacht na uwe terugkomst, beweest gij weder uwe goedheid in hare onuitputtelijke, voor ons, die niet zoo edel zijn als gij, onbegrijpelijke volheid. Met diepe ontroering woonden wij toen onder dat belangwekkend verhoor, het treffend schouwspel bij, hoe het grootste van alle harten zich van zijn eigen maatstaf bediende om het kleine en nietige te meten. Doch vóór gij tot een tweede verhoor overgaat, gebieden mij de toekomst-voorspellende zwervelingen daar boven, u nog éénmaal te waarschuwen. Iedere gelaatstrek van die vrouw was vooruit berekend, ieder woord had zijn bedoeling, iedere klank harer stem moest iets uitwerken. Wat zij ook gezegd heeft, en nog zeggen zal, het kan niets anders bedoelen dan mijne verhevene gebiedster te bedriegen. Nog is het tot geen eigenlijk verhoor gekomen. Doch als gij daartoe zult overgaan, dan.... Wat zal zij niet maken van de geschiedenis van Marcus Antonius, Barine, en de beide armbanden? Dat zal een meesterstuk worden!"
»Weet gij hoe het zich werkelijk toegedragen heeft?" vroeg Cleopatra, en hare vingers sloten zich vaster om de stift, die zij in de hand hield.
»Als dat zoo was," antwoordde Alexas met een veelbeteekenenden glimlach, »dan zou de stilzwijgende heler den steler niet mogen verraden."
»Ook niet wanneer de bestolene, uwe Koningin, u beveelt het onrechtmatig verkregen goed terug te geven?"
»Tot mijn spijt moet ik zelfs in dat geval gehoorzaamheid weigeren; want zie, edele vorstin! er zijn slechts twee heldere hemellichamen, waarom mijn donker leven zich draait. Zou ik de maan verraden, als ik er zeker van ben dat ik daardoor niets uitwerk dan de warme lichtkracht der zon te verduisteren?"
»Wil dat zeggen dat uwe mededeeling mij, de zon, krenken zou?"
»Ja, wanneer uwe groote ziel ten minste niet te hoog staat om bereikt te worden door de schaduwen, die vrouwen van veel geringere soort dan gij, met onbegrijpelijke zucht tot zelfkwelling op zich neer doen dalen."
»Denkt gij dat uwe woorden aangenamer worden door de sluiers die gij er over heen hangt? Trouwens, zij zijn doorschijnend, en hinderen het oog maar weinig. Gij gelooft dat mijne ziel vrij van jaloerschheid en van andere zwakheden van mijn geslacht zou zijn? Daarin vergist gij u. Ik ben een vrouw, en wil dat zijn en blijven. Zooals de Chremes van Terentius zegt, dat hij een mensch is, en niets wat menschelijk is hem vreemd, zoo aarzel ik niet mijn aandeel te bekennen in alles wat vrouwelijk is. Anubis heeft mij verteld van een Koningin uit den ouden tijd, van wie de opschriften niet mochten zeggen: »Zij," maar »hij kwam," of: »hij, de heerscheres, overwon!" Die dwaze! Wat mij betreft, mijne vrouwelijkheid staat in mijn schatting niet minder hoog dan de kroon. Ik was vrouw, eer ik Koningin werd. De menschen knielen nu zelfs voor mijn ledigen draagstoel neer, maar toen ik in jonger jaren met Antonius in dollen overmoed, verkleed door de straten liep om een feestterrein uit te zoeken, toen keken de jongelingen hunne oogen naar mij uit, en telkens hoorde ik achter mij: »Een schoon paar menschen!" Ja, dan mocht ik met fieren moed naar huis gaan. Maar er was nog iets grooters voor de vrouw te ondervinden. Wanneer het hart der Koningin troon en scepter vergat; wanneer in de heerlijke uren die door Eros waren gewijd, van mijn eigen ik niets overbleef dan de vrouw, dan was er een zaligheid te genieten, zooals de man die niet kent, daar hij enkel gelukkig wil zijn, terwijl wij.... Doch wat kunt gij mannen, die slechts vraagt en begeert, van de zaligheid van het geven en de toewijding weten?.... Ik ben een vrouw, en boven geen enkele aandoening van het vrouwengemoed verheven, want ik zou het niet willen zijn. En daarom, wat ik nu vraag, dat vraag ik u niet als Koningin, maar als vrouw."
»Als dat het geval is," viel Alexas in, met de hand op het hart, »dan legt gij mij geheel en al het stilzwijgen op; want indien ik aan de vrouw Cleopatra bekennen wilde wat in mijn ziel omgaat, dan zou ik mij aan een dubbele misdaad schuldig maken. Ik zou mijn belofte van geheimhouding verbreken, en den vriend verraden, die zijn verheven gemalin mede aan mijne bescherming heeft toevertrouwd."
»Nu wordt de duisternis mij al te groot," antwoordde Cleopatra en hief daarbij trotsch het hoofd op. »Of, indien het mij behaagde den sluier op te lichten, dan moest ik u wijzen op de grenzen...."
»Die aan de Koningin zijn gesteld," voltooide de Syriër den volzin, terwijl hij onderdanig boog. »Daar ziet gij het al! Het behoort werkelijk tot de onmogelijkheden, de vrouw af te scheiden van de vorstin. Wat mij betreft, ik wil de eene niet in het harnas jagen tegen den al te vermetelen vereerder, en tegelijk jegens de andere de verschuldigde gehoorzaamheid in acht nemen. Daarom verzoek ik u, van den armband en al wat daar pijnlijks aan verbonden is, op iets anders over te gaan. Wellicht zal de schoone Barine zelve u dat alles nog eens bekennen, en voegt zij er dan nog bij, hoe zij den beminnelijken zoon van den grootsten aller mannen en de bewonderenswaardigste aller moeders, den jongen koning Cæsarion, in hare netten gevangen heeft."
De oogen der Koningin begonnen te fonkelen, en misnoegd riep zij uit: »Zooeven zag ik den knaap als van demonen bezeten. Hij wilde het verband van zijn wond rukken, indien men hem de vrouw, die bij beminde, niet gunde. Het ligt voor de hand aan een tooverdrank te denken, en zijn gouverneur wijt natuurlijk alles aan magische kunsten. Charmion verzekert daarentegen dat zijne bezoeken de verleidster verdroten en haar zelfs beangstigd hebben. Alleen door een streng verhoor zal daarin licht te krijgen zijn. Wij zullen eerst de terugkomst van den imperator afwachten. Denkt gij, dat hij weder de zangeres zal bezoeken, als hij terug is? Gij zijt het meest in zijn vertrouwen. Beoogt gij zijn welzijn, en is u ook aan mijne gunst iets gelegen, dan aarzelt gij nu niet langer en beantwoordt mijn vraag."
De Syriër liet het voorkomen alsof hij het na een moeielijken inwendigen strijd eindelijk met zichzelf eens geworden was, en gaf met vastheid ten antwoord: »Zeker en stellig zal hij Barine bezoeken, wanneer gij hem daarvan niet terughoudt. Alles zou zeker op de allereenvoudigste manier uitgemaakt worden, wanneer men...."
»Nu?"
»Wanneer men hem dadelijk bij zijn landing meedeelde dat zij niet meer te vinden is. Ik zelf zou bijzonder gaarne deze opdracht van mijn koninklijke Zon ontvangen."
»En denkt gij dat het een weinig het licht van uwe maan benevelen zou, indien hij haar hier te vergeefs zocht?"
»Even zeker als het tegendeel het geval zou zijn, indien hij de onvergelijkelijke heerlijkheid zijner Zon steeds zoo dankbaar besefte als zij het verdient. Zoo lang Helios aan den hemel prijkt, duldt hij geen andere sterren naast zich. Zijn glans dooft dien van alle anderen uit. Mijne Zon gebiedt, en het kleine sterretje Barine verdwijnt."
»Houd op! Nu weet ik wat gij bedoelt. Maar een menschenleven is niet zoo gering te tellen, en deze vrouw heeft een moeder. Daarom moet ik eerst overwegen en bepeinzen of er ook nog iets anders is dan dit uiterste redmiddel. Het moet met allen mogelijken spoed en met goeden wil geschieden.... Maar ik.... Nu, terwijl het lot van mijn land, van mijzelve en mijne kinderen op het spel staat, nu geen kwartieruurs mijzelve toebehoort, en er geen eind komt aan het schrijven en raadplegen, mag ik mijn tijd niet met dergelijke dingen verbeuzelen. De werkzame geest...."
»Dien moet het vergund zijn zich ongehinderd op zijn vleugelen te verheffen," riep de Syriër met vuur. »Laat de oplossing van kleinere vraagstukken gerust aan vertrouwde vrienden over."
Hier werden zij gestoord door den »binnenleider" die de komst van den Regent Mardion meldde. Hij liet zeggen, dat hij kwam voor zaken, die geen uitstel konden lijden, ofschoon het reeds zoo laat was.
Alexas geleidde de Koningin in het tablinum, waar zij den eunuch reeds vonden. Een slaaf droeg hem een zak vol briefrollen na, die hem zooeven gebracht waren door twee boden uit Syrië. Daar waren eenige onder, die onmiddellijk moesten beantwoord worden. Met hem wachtten ook de zegelbewaarder en de Exegeet. Deze waren zoo laat gekomen om te overleggen, welke maatregelen er moesten genomen worden tegenover de opgewonden burgerij. Den vorigen dag hadden allen die op de vloot waren overgebleven, op versierde schepen alsof er een overwinning was behaald, hun intocht in de haven gedaan. Eerst waren de terugkeerenden luide toegejuicht, maar met de snelheid van den wind had zich de tijding van de nederlaag bij Actium verspreid. Thans waren er samenrottingen onder de menigte; vóór het Sebasteum waren al allerlei bedreigingen geuit; op het Serapeumplein had men de hulp der troepen moeten inroepen, en er was reeds bloed gevloeid.
Daar lagen de briefrollen. De zegelbewaarder maakte de opmerking dat ook voor het kanaal nieuwe volmachten noodig waren, en de Exegeet verzocht dringend om een beslist antwoord.
»Het is wel veel!" mompelde Cleopatra bij zich zelve. Maar daarna richtte zij zich hooger op, en riep: »Welaan dan, aan het werk!"
Doch Alexas liet het daartoe nog zoo spoedig niet komen, want hij naderde ootmoedig, en terwijl zij zich aan de groote schrijftafel zette, fluisterde hij: »En kan mijn hooge gebiedster onder al die gewichtige zaken nog tijd en denkkracht verspillen aan die rustverstoorster? Uwe goddelijke Majesteit lastig te vallen met deze beuzeling, is misdaad, maar zij moet worden gepleegd, want als deze zaak onafgedaan blijft, dan kan uit het sijpelende beekje een bergstroom worden...."
Cleopatra, wier blik juist op een noodlottigen brief van Koning Herodes gevallen was, keerde haar gelaat ten halve naar den gunsteling van haar gemaal, en riep met gloeiende wangen hem enkel toe: »aanstonds."
Vervolgens liep zij den brief vluchtig door, schoof dien driftig ter zijde, en liet den wachtenden Alexas gaan, met den ongeduldigen uitroep: »Zorg gij dan maar voor het verhoor, en wat daarbij behoort. Geen onrechtvaardigheid, maar ook geen ongepaste goedertierenheid. Ik zal zelf nog een blik slaan in deze onaangename zaak, eer de imperator terugkeert."
»En de volmacht?" vroeg de Syriër weder met een diepe buiging.
»Die hebt gij. Hebt gij iets op schrift noodig, wend u dan tot Zeno. In een rustiger uur spreek ik u weder."
De Syriër trok zich terug, doch Cleopatra keerde zich tot den eunuch en riep gloeiend van opgewondenheid, terwijl zij op den brief van den Koning der Joden wees: »Hebt gij ooit schandelijker ondankbaarheid gezien? De ratten denken dat het schip zinkt, en dat het voor hen tijd wordt het te verlaten. Als wij er in slagen het boven water te houden, dan komen zij bij troepen terug, en dat moet, moet, moet geschieden, ter wille der zelfstandigheid van dit dierbare land... En de kinderen, de kinderen!--Alle krachten moeten worden ingespannen, alle middelen uitgedacht en gebruikt. Op ieder wankelend vertrouwen zullen wij zoolang hameren, totdat het aan het harde staal der zekerheid gelijk wordt. Wij zullen de nachten veranderen in dagen. Het kanaal zal onze vloot behouden, in Afrika zal Marcus Antonius zeker Pinarius Scarpus vinden met nog versche, trouwe legioenen. De zwaardvechters zijn ook op onze hand. Die zullen wij gemakkelijk voor ons winnen, en nog allerlei andere gedachten dwarrelen in mijn hoofd. Maar eerst naar de Alexandrijnen. Geen geweld!"
Nu volgde nog het ééne bevel op het andere, en zij beloofde, als het noodig was zich aan het volk te zullen vertoonen.
De Exegeet aanvaardde vol bewondering hare heldere en verstandige opdrachten. Nadat hij zich met zijn metgezellen verwijderd had, richtte de Koningin zich weder tot den Regent, en zeide: »Het was toch goed, dat wij hen eerst verblijdden met dit bericht van de overwinning. De onverwachte ongelukstijding zou hen, ik weet niet tot welke waanzinnige daad hebben gebracht. Ontgoocheling is een meer alledaagsche pijn, waartegen minder sterke middelen reeds helpen. Buitendien was hier veel te regelen, vóór zij wisten dat ik er reeds was. Wat hebben wij niet al ten uitvoer gebracht, Mardion! Maar ik heb mij dan ook nog niet eens recht het genot van mijn kinderen gegund! Mijn oudste vrienden, zelfs Archibius, moest ik afschepen met de belofte van later met hem te zullen spreken. Als hij terugkomt, moet hij bij mij worden toegelaten. Ik heb reeds last daartoe gegeven. Hij kent Rome. Ik moet hem hooren over de zaken, die ik behandeld wil hebben."
Plotseling overviel haar een huivering; zij drukte de hand tegen het voorhoofd en riep: »Octavianus de overwinnaar, Cleopatra de overwonnene! Ik, die voor Cæsar alles was, genade afbedelend van zijn erfgenaam! Ik, ik een smeekeling voor den broeder van Octavia! Doch neen, neen!.... Er zijn nog honderd manieren mogelijk om zoo iets vreeselijks te voorkomen. Wie het veld wil dwingen vruchten voort te brengen, moet echter vlijtig graven, water scheppen, ploegen en zaaien. Aan het werk dus, aan het werk!.... Als Antonius terugkomt, moet hij alles gereed vinden. Bij den eersten goeden uitslag krijgt hij zijn verloren kracht tot handelen terug. Ik heb dien brief dààr reeds doorgevlogen terwijl ik met den magistraat der stad sprak.... nu zal ik het antwoord dicteeren."
En zoo zaten zij te lezen en te schrijven, liet zelve schrijven, luisterde, gaf antwoord en deelde bevelen uit, totdat het licht werd in het Oosten, de morgenster verbleekte, en de afgematte Regent haar dringend verzocht te denken aan haar eigen kracht en zijn jaren, en hem eenige uren rust toe te staan.
Toen liet zij zich eindelijk naar haar slaapvertrek leiden, waar het zoo donker mogelijk gemaakt was. Ditmaal sloot een zoete, droomlooze slaap spoedig haar oververmoeide oogen, en hield die gesloten, totdat zij gewekt werd door het luide geschreeuw der menigte, die gehoord had dat de Koningin teruggekeerd was, en daarom naar de Lochias was geijld.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Gedurende dezen rusttijd waren Iras en Charmion bij afwisseling in de nabijheid der Koningin gebleven. Toen zij opstond bood de jongste van de twee haar de behulpzame hand. Tot den avond toe mocht zij zich weiden aan hare meesteres, want de gezellin, die haar de laatste dagen zoo in den weg stond, zou eerst dan terugkeeren. Vóór dat Charmion heenging, had zij intusschen gezorgd dat hare vertrekken, waarin Barine, op aanwijzing der Koningin behandeld werd als een welkome gast, goed werden bewaakt.
De bevelhebber der Macedonische jongelings-lijfwacht, die vele jaren geleden vergeefs naar hare hand had gedongen, en eindelijk haar trouwste, welmeenendste vriend geworden was, had de taak op zich genomen Barine zorgvuldig te bewaken.