Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 18
In het halfdonkere atrium van het huis naast het Paneum had zij alleen opgemerkt dat Barine iets wits droeg. Was dit haar nachtgewaad, des te beter! Doch zóóals zij daar nu stond en heen en weer liep, had zij zich zelfs op het Isisfeest kunnen vertoonen. Met alle overleg had men onmogelijk een passender en smaakvoller gewaad kunnen vinden. Ging deze ijdele vrouw dan met hare gouden sieraden ter ruste? Of hoe kwam anders die band aan haar bovenarm? Al de bekoorlijkheden van Cleopatra waren voor Iras, die ze zoo goed kende, als het ware haar eigendom. Het verdroot haar ook maar de geringste daarvan door een ander overtroffen te zien, en dat zij nu bij die vrouw vormen ontdekte die zij niet minder schoon kon vinden, vertoornde haar, ja, sneed haar door de ziel.
Zij had Barine gehaat, van het oogenblik af dat zij wist hoe zij om harentwil niets meer te hopen had van den man, op wiens liefde zij van kind af recht meende te hebben. En tot alles wat hare vijandige gezindheid nog deed toenemen, behoorde ook het onaangename gevoel, dat zij zich in de laatste uren onwaardig tegenover haar gedragen had. Had zij maar eerder gezien wat hare vijandin onder haar mantel verborgen had gehouden, dan zou zij wel wegen en middelen gevonden hebben om er haar anders te doen uitzien. Intusschen, zooals zij nu was moest zij blijven, want daar kwam Charmion reeds binnen. Maar op dit uur zou een ander volgen, en wanneer dit niet over het lot der gehate vrouw besliste, dan zouden lateren dat toch doen.
Charmion, de zuster van haar oom Archibius, die tot nu toe zulk een lieve gezellin en moederlijke vriendin voor haar was geweest, had zij daarbij niet noodig. Doch wat had deze toch? Het scheen Iras toe, alsof op haar vriendelijk gelaat iets afwerends lag, dat zij daar nog nooit had gezien. Had de zangeres ook dááraan schuld? En wat zou het zijn? Dit gedrag van haar oudere gezellin besliste de vraag, of zij de pas teruggekeerde tante nog met dezelfde dankbare hartelijkheid tegemoet zou gaan als vroeger. Neen! dat zou zij nu niet meer van zich kunnen verkrijgen, Charmion moest voelen dat zij, Iras, dat voortrekken van haar vijandin, als een persoonlijke beleediging opnam. Het lag niet in haar aard, achter haar rug iets tegen haar te doen. Zij had moed genoeg om haar afkeer aan haar tegenpartij duidelijk te laten merken, en zij had voor Charmion niet zooveel ontzag, dat zij met haar anders zou handelen. Zij wist dat de schilder Leonax, Barine's vader, in het hart van haar gezellin een bijzondere plaats had gehad, maar daarom behoefde zij toch niet partij te trekken voor de vrouw die haar, haar eigen nicht, den man ontfutseld had, dien zij--haar tante wist daarvan--van haar kindsheid af had liefgehad.
Wat Charmion betrof, zij had zooeven een lang gesprek met haar broeder gehad en in het paleis gehoord dat Barine midden in den nacht bij de Koningin was geroepen. Vast overtuigd, dat de jonge vrouw, die heden al zoo velerlei geluk en ongeluk ondervonden had, niets goeds te wachten stond, was zij ook in de wachtzaal gekomen. Haar goedig, niet meer jeugdig gelaat, dat door het grijze haar zoo eenvoudig en aardig werd omlijst, was op dat oogenblik voor Barine, wat het toewenkende land voor den schipper in nood is.
Al de stormen harer ziel, alle gevoel van bitterheid en leed kwam tot rust, en als een beangst kind dat op haar moeder toeloopt, ging zij de zuster van haar vriend tegemoet. En Charmion zag haar dadelijk aan wat er leefde in hare ziel. Haar in dit paleis en in deze omgeving te kussen, ging niet aan; maar om Iras te toonen dat zij bereid was hare beschermende hand te houden boven deze vervolgde vrouw, drukte zij de dochter van haar vriend tegen zich aan. Barine zag met een smeekenden om redding vragenden blik naar haar op, en fluisterde met tranen in de oogen: »Help mij, Charmion. Met woorden en blikken heeft zij mij gekweld, beleedigd, vernederd--zoo wreed, zoo boosaardig! Help gij mij, ik kan het niet langer uithouden!"
Charmion schudde het vriendelijke hoofd en vermaande haar met zachte stem zich te beheerschen. Zij moest bedenken, dat zij Iras ook haar geliefde ontnomen had. Wat het haar ook kosten moest, zij mocht geen enkelen traan meer storten. De Koningin was genadig. Zij, Charmion zou haar bijstaan. Het voornaamste waar het op aan kwam was zich aan Cleopatra te toonen zooals zij was, niet zooals de laster haar afgeschilderd had. Zij moest haar maar antwoorden, alsof zij of Archibius haar ondervroeg.
Zij streek haar daarbij met moederlijke teederheid over voorhoofd en oogen, en het was de jonge vrouw alsof de goedheid zelve den storm in hare ziel had doen bedaren. Alsof zij uit een boozen droom ontwaakte, zag zij rond, en eerst nu bemerkte zij in welk een rijk versierd vertrek zij zich bevond, welke goedkeurende blikken de jongelingen van de Macedonische lijfwacht op haar wierpen, en hoe gezellig het vuur brandde in den schoorsteen. Het gehuil van den storm versterkte nog het welbehagelijk gevoel van onder een veilig dak te zijn, en Iras die den »binnenleider" aan de deur iets toefluisterde, scheen haar nu niet meer een stekende doorn, of een booze kwelgeest, maar een schoone vrouw, die haar weliswaar afstootte, maar die zij dan ook zelve het grootste kwaad had aangedaan dat men een vrouwenhart aan doen kan. Ook dacht zij nu weder aan haar gewonden minnaar tehuis, en hoe zijn hart, wat er ook gebeuren zou, aan haar alleen, en niet aan die andere toebehoorde. En eindelijk viel haar nog in, hoe Archibius het kind Cleopatra beschreven had, en deze herinnering wekte de overtuiging dat de alvermogende vrouw haar noch wreed noch onrechtvaardig bejegenen zou, en dat het voor een deel in haar eigen macht stond, haar voor zich in te nemen. Charmion was immers ook een vertrouweling der Koningin, en zoo de handelwijze van Iras en Alexas haar vrees had moeten aanjagen, dan mocht de hare haar met vertrouwen vervullen.
Dat alles vloog met bliksemsnelheid door haar brein. Zij had dan ook niet veel tijd tot nadenken meer, want reeds toen zij haar hoofd aan de borst van haar beschermster neergevlijd had, was de »binnenleider" in de kamer gekomen, met de aankondiging: »Binnen weinige minuten zal hare doorluchtige Majesteit de opgeroepenen verwachten!"
Spoedig daarop verscheen een kamerdienaar, en wenkte met een pluim van struisvederen. Nu gingen zij onder geleide der hofbeambten, door eenige helder verlichte, prachtig getooide zalen.
Barine liep weder recht op en met verruimde borst voort. Daar gingen de hooge, breede vleugeldeuren van ebbenhout open, tegen welker dofzwart het ivoor der ingelegde tritonen, zeemeerminnen, schelpen, visschen en zeemonsters zoo fraai uitkwam. Een schitterende aanblik verraste haar: de zaal, die Cleopatra tot hare ontvangst had uitgekozen, was geheel en al bedekt met de meest verschillende soorten van zeegewassen, van de schelp af tot de koraal en de zeester toe.
Op den achtergrond van de zaal bevond zich een diepe grot, gevormd door een hoog en breed gebouw in druipsteenvorm, van natuurlijke rotsblokken opgetrokken. Daaruit kwam het reusachtig groote hoofd van een monster te voorschijn en zijn wijd geopende muil vormde den haard in den schoorsteen. Daar brandde een vroolijk vuur van welriekend Arabisch hout; uit de robijnglasoogen van den draak straalde een roodachtige gloed, en smolt in de zaal samen met het licht der witte en rooskleurige lampen, in den vorm van lotosbloemen, die tusschen gouden en zilveren ranken en bosjes riet aan den muur en de zoldering bevestigd waren. Zij vulden de groote ruimte met dat zachte licht, welks rozenroode weerschijn de zachte gelaatstint van Cleopatra bijzonder voordeelig deed uitkomen.
Eenige oppervoorsnijders, schenkers, jachtmeesters, ceremoniemeesters, kamerdienaars, vrouwen die tot den dienst in het paleis behoorden, eunuchen en andere hofbeambten wachtten hier de Koningin op, en de pages van het Macedonische kadettencorps der »Koninklijke knapen" stonden slaapdronken en met gebogen hoofd om den kleinen troon van goud, koralen en barnsteen, tegenover den schoorsteen, waarop de Koningin zou plaats nemen.
Barine had deze prachtige zaal en andere in het Sebasteum die nog schitterender waren, vroeger reeds gezien; vandaar dat zij door al deze praal geenszins van haar stuk werd gebracht. Alleen zou zij gewenscht hebben, dat er niet zooveel hovelingen om haar heen waren. Zou Cleopatra van plan zijn, haar ten aanzien van al die mannen, vrouwen en jongelingen in het verhoor te nemen?
Zij was nu niet bang meer, maar toch klopte haar hart sneller dan anders. Het was hetzelfde gevoel dat zij als aankomend meisje gehad had, wanneer men haar vroeg om voor vreemden te zingen.
Eindelijk hoorde zij deuren opengaan, en door een onzichtbare hand werd rechts van haar het zwarte voorhangsel ter zijde geschoven. Zij verwachtte den Regent, den zegelbewaarder en de geheele rijk uitgedoste legerschaar te zien, in wier gezelschap de Koningin zich bij plechtige gelegenheden altijd in deze staatsiezaal vertoonde. Waarom zou zij die anders tot het tooneel van dit nachtelijk verhoor gekozen hebben?
Maar wat was dat? Terwijl zij nog terugdacht aan haar optreden bij het Adonisfeest, ging het voorhangsel reeds weder dicht. De hovelingen, die om den troon stonden, richtten zich op; de pages vergaten hunne vermoeidheid, en alle tegelijk riepen luide den Griekschen welkomstgroet uit, waarmede de Aegyptenaars gewoon waren hun beheerschers in te halen: »Leven, heil, gezondheid!"
Die vrouw van middelbare grootte, die zij vóór het voorhangsel zag, en die haar nu, terwijl zij alleen en los van hare omgeving de ruime zaal doorschreed, kleiner voorkwam dan vroeger in het bonte gewemel bij het Adonisfeest, moest wel de Koningin zijn!
Ja, zij was het! Iras stond reeds naast haar, en Charmion ging haar met den »binnenleider« tegemoet. De vrouwen beijverden zich om haar te bedienen. Iras nam haar den purperen mantel met den zwarten rand waarop de gouden draken geborduurd waren, van de schouders. Welk een kostbaar meesterstuk van weefkunst moest dat zijn! In Barine's geest verdrong zich nu achtereenvolgens alles, waartegen zij zich zou moeten verdedigen; en toch voelde zij onder dat alles ook even den dwazen, echt vrouwelijken wensch bij zich opkomen, om één oogenblik dien prachtigen mantel van nabij te mogen zien en betasten. Maar Iras legde hem reeds over den arm van eene der vrouwen, en nu zag Cleopatra om, en ging met jeugdigen, veerkrachtigen tred naar den troon toe. Daar kreeg Barine weder dat gevoel van angst, dat zij zich nog uit vroegere jaren herinnerde, maar tegelijkertijd viel haar ook weder in wat Archibius had verhaald van den Epicuristen-tuin, evenals zijne verzekering, dat ook zij stellig warme geestdrift voor de Koningin zou voelen indien er niets storends tusschen beide gekomen ware. Bestond er dan werkelijk zoo iets storends?
Neen! niet anders dan in de jaloersche phantasie van Cleopatra. Zoo zij haar wilde vergunnen zich uit te spreken, dan zou zij hooren dat Antonius even weinig naar haar had gevraagd, als zij naar den jongen Cæsarion. Waarom zou zij haar niet bekennen dat haar hart een ander toebehoorde? Zij behoefde immers ook zijn naam niet te verzwijgen. Het was Iras' eigen schuld, wanneer zij dien nu zonder mededoogen in haar bijzijn uit moest spreken.
Thans richtte Cleopatra zich tot den »binnenleider," en wees op den troon en allen die daar om heen stonden. Ja, wel was zij schoon! Hoe helder en rustig was de blik uit haar groote, glanzende oogen, in weerwil van de droeve dagen die zij pas had doorleefd, en den doorwaakten stormnacht.
De goede ontvangst die haar plan tot redding bij de raadslieden gevonden had, hield de Koningin nog steeds in opgewekte stemming en met zachtmoedige gevoelens en bedoelingen kwam zij Barine tegemoet. Ook had zij, in plaats van de zaal, die Iras voor deze bijeenkomst had bestemd, een vriendelijker vertrek gekozen, want zij had voor iedere stemming een bepaalde omgeving noodig. Zoodra zij bemerkte hoe vele hovelingen zich om den troon hadden geschaard, gaf zij bevel die te laten gaan. De »binnenleider" had hen uit eigen beweging, en om te voldoen aan de gewone vormen, naar de gehoorzaal doen komen; maar hunne aanwezigheid gaf aan deze samenkomst iets vormelijks, dat de Koningin op dit oogenblik hinderde. Zij wilde slechts een onderzoek instellen, nog geen vonnis spreken.
In zulke goede uren gevoelde zij behoefte genadig te zijn. Misschien had zij zich toch zonder reden ten opzichte van deze vrouw verontrust. Dit hield zij nu zelfs voor waarschijnlijk, want wie haar zóó liefhad als Antonius, kon niet naar de gunst van een ander dingen. Een kort onderhoud met een waardigen grijsaard, den opperste der wichelaars, had haar daarin opnieuw bevestigd; want toen deze gehoord had hoe Antonius haar bij Actium achterna gesneld was, had hij in geestvervoering gelaat en handen naar boven gericht, en haar toegeroepen: »Ongelukkige Koningin! Gelukkigste van alle vrouwen! Zóó vurig werd nog geene bemind. Zoolang men verhalen zal van het edele Troje, dat om een vrouw zooveel moest lijden en dat gewillig verdroeg, zoolang zal ook het late nageslacht met lof gedenken aan de vrouw, wier onweerstaanbare betoovering den grootsten man van zijn tijd, den held der helden, dwong om overwinning en roem en de hoop op de wereldheerschappij als nietige beuzelarij te versmaden."
De oude, wijze waarzegger had gelijk: het nageslacht, voor welks oordeel zij eenmaal had gebeefd, zou haar prijzen als de vurigst beminde, de begeerenswaardigste van alle vrouwen.
En Marcus Antonius? Al was het de tooverkracht van den beker van Nektanebus geweest, die hem had gedwongen haar te volgen en den slag te verlaten, dan bleef toch zijn testament bestaan, waarvan Zeno, de zegelbewaarder, haar een afschrift had laten zien, dat hem uit Rome was toegezonden. »Waar hij ook sterven mocht," heette het daarin, »wenschte hij naast Cleopatra te worden begraven." Octavianus had dit ontnomen aan de Vestaalsche maagden, die het in bewaring hadden, omdat hij de harten der Romeinen en hunner echtgenooten daardoor met verontwaardiging tegen hunnen vijand vervullen wilde. Dat was hem ook gelukt; maar haar herinnerde nu dit geschrift, dat haar hart zijn eerste bloesems aan dezen man geschonken had; dat de liefde tot hem de zonneschijn van haar leven was geweest.
Zoo had zij dan met opgeheven hoofd den drempel overschreden van de zaal, waarin zij de vrouw ontmoeten wilde, die zich vermeten had onkruid te zaaien in haar tuin. Zij wilde aan dit onderhoud slechts weinig tijd wijden, doch zij zag het tegemoet met het welbehagen van een sterke, die zeker is van zijne overwinning. Zoodra zij bij den troon gekomen was, verliet het gevolg de zaal, en niemand bleef achter dan Charmion en Iras, de zegelbewaarder Zeno en de »binnenleider."
Cleopatra wierp een vluchtigen blik op den zetel, en een onderdanig handgebaar van den hoveling noodigde haar uit, daarop plaats te nemen; doch zij bleef staan en zag Barine aan.
Was het de gekleurde glans uit de robijnglas-oogen van den draak aan den schoorsteen, die nu dien rooden gloed over Cleopatra's wangen wierp? Zeker is het, dat het de schoonheid verhoogde van haar gelaat, dat thans maar al te vaak, wanneer het blanketsel niet te hulp kwam, vaal en kleurloos was; en Barine begreep op eens de gloeiende geestdrift van Archibius voor deze buitengewone vrouw, toen Cleopatra haar verzocht naderbij te komen.
Men kan zich onmogelijk iets innemenders voorstellen dan de ongekunstelde, van trotsche neerbuigendheid hemelsbreed verwijderde vriendelijkheid dezer machtige vorstin.
Daar Barine allerminst zulk een ontvangst verwacht had, was zij er zeer door getroffen; hare oogen werden vochtig van dankbare ontroering, hetgeen ze een verhoogden glans schonk. Daarbij stond de blijde verrassing haar zoo goed, dat de Koningin vond, dat de zangeres in de maanden, die sedert hare eerste ontmoeting verloopen waren, nog veel schooner was geworden.
Hoe jong was de beschuldigde dan ook nog! Cleopatra ging vluchtig na, hoeveel jaren Barine als gade van Philostratus, en daarna aan het hoofd van een veel bezocht gastvrij huis moest hebben doorleefd, en zij kon het uiterlijk van dit jeugdige, frissche schepseltje maar niet overeenbrengen met de uitkomst van deze berekening. Ook kon men niet ontkennen dat in de geheele verschijning der schildersdochter iets voornaams was, dat haar verraste. Dat zag men zelfs aan haar kleeding, en toch had Iras haar midden in den nacht in haar rust gestoord, en haar zeker geen tijd gelaten om aandacht te schenken aan haar uiterlijk.
Zij had gedacht bij deze vrouw, van wie men haar had gezegd dat zij zoo vele mannen tot zich trok, iets uittartends te vinden, iets dat niet fijn beschaafd was, maar daarvan kon haar bitterste vijand zelfs geen spoor bij haar ontdekken. Integendeel; de verlegenheid die zij nooit geheel overwonnen had, gaf haar iets jonkvrouwelijk schuchters. Alles bij elkaar genomen was Barine een bekoorlijk wezen, dat de mannen stellig aantrok door vroolijkheid, bevalligheid en haar heerlijk gezang, en niet door behaagzucht en driestheid. Dat zij ook door geestesgaven uitmuntte geloofde Cleopatra niet. Slechts één ding had Barine op haar vóór: haar jeugd. De tijd had aan deze vrouw nog niets van de betoovering daarvan ontroofd, maar aan haar zelve reeds veel; hoe veel, dat wisten alleen zij zelve en hare vertrouwde vriendinnen. Doch op dit uur miste zij dat niet.
Barine trad nader met een diepe, eerbiedige buiging voor de Koningin, en deze begon het gesprek met een vriendelijke verontschuldiging van het late uur, waarin zij haar bij zich had doen komen. »Doch," ging zij voort, »gij zijt immers een van die filomeelen, die juist in den nacht het liefst en schoonst aan anderen te hooren geven, wat er in hen omgaat."
Een oogenblik zag Barine zwijgend naar den grond, en toen zij haar blik weer opsloeg, antwoordde zij zacht en nog bedeesd: »Ik kan wel zingen edele Koningin, doch met een vogel heb ik thans niets meer gemeen. De vleugels, die mij, toen ik een kind was, brachten waarheen ik wilde, hebben hunne kracht verloren. Het is niet, dat zij mij geheel en al den dienst ontzeggen, maar tegenwoordig zijn er maar enkele uren waarin ik ze kan uitslaan."
»Dat had ik van uwe jeugd, die uw schoonste bezit is, niet verwacht," sprak de Koningin. »Doch het is goed zóó. Ook ik, al is het lang geleden, was eens een kind, en mijn verbeeldingskracht steeg in dien tijd hooger dan de vlucht eens adelaars. Dat mocht zij ook straffeloos wagen. Maar nu.... wie midden in het leven staat, doet wél de wieken te laten rusten. Een sterveling die zich iets anders onderstaat, komt licht te dicht bij de zon, en dan gaat het hem als Icarus, en het was smelt er van weg. Neem dit van mij aan: Voor een kind is de phantasie als voedzaam brood. Later moet men haar alleen als zout, kruiden, of opwekkenden wijn gebruiken. Wel wijst zij ons vele wegen aan, en waarop die uitloopen, maar van de honderd zwerftochten, waartoe zij hem roept, kan de mensch maar één tegelijk ondernemen. Geen lastiger parasiet wordt met meer volharding en stelliger afgewezen dan zij. Wie zou het die verstooteling daarom misduiden, wanneer zij met de jaren minder gaarne in onzen dienst treedt? De wijze houdt altijd een open oor voor haar, doch zelden leent hij haar de helpende hand. En toch, haar uit het leven te verbannen, zou hetzelfde zijn als aan de plant haar bloei, aan de roos haar geur, aan den hemel zijn sterren te ontnemen."
»Iets dergelijks heb ik ook dikwijls als het leven mij bedroefde, tot mijzelve gezegd, hoewel in minder heldere en schoone bewoordingen," hernam Barine licht blozend; want zij voelde dat deze toespraak toch wel bestemd was om haar te waarschuwen, voor al te hoog vliegende wenschen. »Maar edele vrouw, ook hierin hebben de goden u, de groote Koningin, boven ons allen bevoorrecht. Ons leven zou bedroevend arm worden, zonder de phantasie, die ons denkbeeldige goederen schenkt. Gij bezit de macht uzelve duizend dingen te verschaffen die ons, kleinen, alleen door de macht der phantasie bereikbaar voorkomen."
»Gij denkt," hervatte de Koningin, »dat het met het geluk evenzoo gaat als met den rijkdom, en die mensch de gelukkigste is, die den meesten voorspoed geniet. Ik geloof echter dat ik u spoedig genoeg het tegendeel zou kunnen bewijzen. Het gezegde: »hoe meer iemand heeft, des te minder behoeft hij te wenschen" is ook onwaar, ofschoon hier op aarde slechts een bepaald aantal begeerenswaardige zaken te vinden is. Wie van de tien solidi die er te verdeelen zijn, er reeds één bezit, moest eigenlijk nog maar negen solidi's begeeren, en zou dus één wensch armer zijn dan die andere, die er geen heeft. Maar zóó gaat het in de wereld niet. Dat de goden mij met ettelijke vergankelijke gaven meer belast of bevoorrecht hebben dan u en vele anderen, valt niet te loochenen. Gij schijnt u daarvan een hoog denkbeeld te vormen. Misschien is er ook wel de eene of andere onder, die gij u alleen met de hulp der verbeeldingskracht zoudt kunnen toe eigenen. Mag ik vragen welke u het allerbegeerlijkst toeschijnt?"
»Ik verzoek u," zeide Barine verlegen, »mij van deze keus te verschoonen. Uit uwen voorraad heb ik niets noodig, en wat andere zaken aangaat.... Er ontbreekt mij nog zooveel; het is ook niet zeker hoe het edelste en hoogste uit den schat van de wondervol begaafde lieveling der goden passen zou bij het geringe en kleine, dat ik het mijne mag noemen en ik weet niet...."
»Dat is een zeer gerechte twijfel," viel de Koningin haar in de rede. »Een lamme, die een paard wenschte te bezitten, ontving dat, en bij den eersten rit brak hij zijn nek. Het eenige--het is ook het hoogste--dat zeker tot gelukzaligheid leidt, laat zich niet wegschenken, en van den een op den ander overbrengen. Wie het verworven heeft, dien wordt het mogelijk in het volgende oogenblik al weder ontroofd."
Die laatste zin had de Koningin zacht en nadenkend uitgesproken, doch Barine herinnerde zich het verhaal van Archibius en zeide op bescheiden toon: »Gij denkt aan het hoogste goed van Epicurus: de volmaakte rust der ziel."
Op eens kwam er in Cleopatra's oogen een nieuw helder licht en zij vroeg met levendige belangstelling: »Gij kleindochter van een denker, kent gij ook de leer van dien meester?"
»Slechts oppervlakkig, groote Koningin. Mijn geest is van een geringere soort dan de uwe. Het kost mij moeite mij in een geheel philosophisch leer-gebouw tot in den kelder en de verst afgelegen kamers toe, tehuis te gevoelen."
»Maar hebt gij het wel eens beproefd?"
»Veeleer hebben anderen zich moeite gegeven mij binnen te leiden in de Stoa. Het meeste ben ik vergeten, maar één ding is mij bijgebleven, en ik weet wel waarom: het behaagde mij."
»En wat is dat ééne?"
»Het is het gebod om verstandig te leven, dat is: zóó als onze eigen natuur ons voorschrijft. Het bevel, om alles te vermijden wat in tegenspraak is met de eenvoudige manier van doen, die ons oorspronkelijk eigen is, trok mij aan, en overal waar ik iets gekunstelds, gemaakts, opgesierds zag, daar voelde ik mij afgestooten. Uit al de lessen van mijn grootvader leidde ik deze wet af: dat ik voor mijzelve en alle verstandige lieden niets beters kon doen dan, voor zoover het leven toelaat, zoo te blijven als ik als kind was geweest, eer ik nog het eerste woord van philosophie gehoord en den dwang gevoeld had, dien de samenleving en hare vormen ons opleggen."