Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 16

Chapter 164,068 wordsPublic domain

»Alles wat in mij was drong mij dit te doen, doch ik raapte al mijn geestkracht bijeen en vroeg eerst den nauarch, die vóór mij op de brug stond: »Is het voordeel aan onze zijde?" Hij antwoordde met overtuiging: »Ja!" Nu dacht ik dat de tijd gekomen was, en riep hem toe dat hij het schip moest omwenden en naar het Zuiden sturen. Maar de man scheen mij niet te verstaan. Het rumoer van den slag was dan ook steeds grooter geworden. Ik zond dus, in weerwil van Charmion, die mij smeekte niet op eigen gezag bevelen te geven, Alexas naar den bevelhebber op de brug. Terwijl hij met den grijzen zeeman sprak, die hem, ik weet niet wat toeschreeuwde, zag ik naar de omliggende schepen; ik kon niet meer onderscheiden of het vriend of vijand was, en terwijl al die rijen rustelooze roeiers vlak onder mijn oogen zich op en neder bewogen, was het alsof ieder schip een verbazend groote spin geworden was, en de lange houten roeiriemen haar pooten waren. Ieder van die ondieren scheen mij in zijn vreeselijk net te willen vangen, en toen de nauarch bij mij kwam om mij te bezweren dat ik blijven zou, gaf ik hem gebiedend te kennen dat hij mij te gehoorzamen had.

»De ongelukkige man boog, en deed wat zijne Koningin bevolen had. Het reuzenschip wendde den boeg, en baande zich een weg door al die verschillende vaartuigen heen. Ik haalde vrijer adem. De dreigende spinnenpooten werden weder roeiriemen. Alexas bracht mij onder een afdak, waar geen werptuig mij bereiken kon. Mijn wensch werd vervuld. Ik was onttrokken aan den blik van Antonius, en nu voeren wij naar Alexandrië en de kinderen terug. Toen ik eindelijk waagde nog eens om te zien, bespeurde ik dat ook mijne overige schepen mij volgden. Dat was niet mijn bedoeling, en ik schrikte niet weinig daarvan. Alexas was verdwenen. De centurio dien ik beval den nauarch te gebieden signalen te geven om de andere schepen te doen terugkeeren naar het tooneel van den strijd, antwoordde mij, dat men zoo even het lijk van den kapitein had weggedragen; doch mijn bevel moest daarom toch gehoorzaamd worden. Hoe men dat deed, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval werkte het niets uit, en mijn angstig wuiven kon men op dien afstand niet meer zien.

»Wij hadden het admiraalschip van Antonius, die altijd nog op de kommandobrug stond, achter ons gelaten. Terwijl wij dicht langs hem heen voeren, had ik hem gegroet. Op dat oogenblik kwam hij naar beneden, om mij, over de verschansing leunende, iets toe te roepen. Ik zie nog hoe hij zijn handen, tegen elkaar gelegd om een spreekbuis te vormen, aan zijn gebaarden mond bracht. Maar wat hij zeide, kon ik niet verstaan, en ik wees alleen naar het Zuiden, dezen kant uit, als het doel van mijn tocht. In gedachte wenschte ik hem de overwinning toe, en dat deze scheiding tot heil van onze liefde mocht dienen. Hij schudde het hoofd, drukte de hand tegen zijn voorhoofd als een wanhopige, en zwaaide met zijn armen, alsof hij mij een teeken wilde geven; doch de Antonius liet zijn schip steeds verder achter zich en hield recht op het Zuiden aan.

»In het heerlijk gevoel van een tweevoudig gevaar ontkomen te zijn, ademde ik vrijer. Indien Antonius mij lang voor oogen had gehad zooals ik toenmaals was, hij zou.... Maar welk een jammerlijke dwaling van een beklagenswaardige vrouw! zeg ik nu.... Op dat tijdstip kon ik nog niet vermoeden, welk een vreeselijk lot ik in dat uur over ons, onze kinderen, misschien over de geheele wereld had gebracht, en zoo bleef ik verdiept in zorgen en gedachten betreffende mijn eigen kleine wereld, totdat ik vele gewonden mij voorbij zag dragen. Dat gezicht deed mij pijn; gij weet immers hoe gevoelig ik ben, en hoe slecht ik de smart kan verdragen en mede aanzien.

»Charmion bracht mij in de kajuit. Daar werd het mij eerst recht helder wat ik had gedaan. Ik had gehoopt den gehaten vijand te helpen vernietigen, en nu was ik het misschien geweest die de brug gelegd had die hem leidde tot overwinning, heerschappij en tot vernietiging van ons zelven. Zulke gedachten vervolgden mij als de Erinnyen[18], terwijl ik in de groote kajuitzaal op en neder liep.

[18] Wraakgodinnen.

»Plotseling kwam er leven op het dek. Een stoot, gepaard met een dreunend gekraak, scheen het kolossale schip te doen wankelen. Men vervolgt ons! Een Romeinsch schip entert het mijne! dacht ik, en greep reeds naar den dolk, dien Antonius mij ten geschenke gegeven had.

»Maar daar kwam Charmion met een bericht, dat nauwelijks beter was dan onnoodige vrees. Ik had haar toornig gelast mij te verlaten omdat zij mij al te oneerbiedig had willen overhalen mijn bevel tot den terugtocht in te trekken. Nu kwam zij mij doodsbleek mededeelen dat Antonius het admiraalsschip had verlaten, ons op een klein vijf-roeiersvaartuig gevolgd was, en zooeven bij ons aan boord was gekomen.

»Van schrik voelde ik mijn bloed verstijven. Daar komt hij, dacht ik, om mij te dwingen tot terugkeer naar den slag! Doch toen haalde ik diep adem, en een trotsch gevoel van eigenwaarde drong mij hem te toonen dat ik Koningin was, en alleen gehoorzaamde aan mijn eigen wil. Tegelijk echter voelde ik in mijn hart een neiging om aan zijn voeten te vallen en hem te smeeken geen acht te slaan op mij, doch alleen bevelen te geven, die tot de overwinning konden leiden.

»Hij kwam echter niet, en ik zond Charmion weder naar boven. Hij was niet in staat geweest van mij gescheiden den strijd door te zetten. Daar zat hij nu aan den ingang der kajuit met zijn hoofd in de handen, als een zinnelooze naar de planken van het dek te staren. Hij.... Marcus Antonius! De dapperste van alle ruiters, de schrik zijner vijanden--als een herdersknaap, wien door een wolf zijn schapen zijn ontroofd, liet hij nu zijn armen vallen. Marcus Antonius, de held die duizend gevaren had getrotseerd, had nu het zwaard weggeworpen! En dat waarom? Omdat een vrouw had toegegeven aan ijdele vrees, omdat zij naar het verlangen van haar moederhart geluisterd had en heengegaan was! De man, dien zijne vermetelheid dikwijls tot roekeloosheid had gebracht, was van alle menschelijke zwakheden het minst van lafhartigheid te beschuldigen... En nu?... Maar neen, duizendmaal neen! Eerder laten zich water en vuur vereenigen, dan Marcus Antonius en lafhartigheid. Hij stond onder de macht van een boozen geest, een geheimzinnige kracht dwong hem...."

»Ja, de sterkste van allen, de liefde," viel Iras de spreekster hier vol vuur in de rede. »Een liefde, grooter en machtiger dan ooit de ziel van een man bedwongen heeft."

»Zoo is het," antwoordde Cleopatra met zachte stem.

Toen vloog er een spottende glimlach over hare lippen en een bittere twijfel klonk uit hare stem, terwijl zij voortging: »Ware het slechts die liefde geweest, die twee zielen tot één versmelt, die het hart van den een verplaatst in dat van den ander, en mijn zielsangst wellicht overgoot in zijne heldenziel!... doch neen! Vóór den slag waren er hevige stormen geweest, en dan is het niet altijd mogelijk ons zóó te toonen als wij zouden wenschen dat onze geliefde ons zag. En zelfs nu, nadat uwe vaardige hand het hare aan mij heeft gedaan..... dáár in den spiegel.... dat beeld--het schijnt mij nu slechts als goed onderhouden overblijfselen...."

»Maar gebiedster!" riep Iras uit, en hief daarbij hare handen smeekend op, »moet ik u nogmaals zweren, dat noch de grijze haren, die al lang weder bruin zijn, noch de enkele rimpels, die Olympus spoedig weder onzichtbaar zal maken, noch iets anders dat u misschien beangst, aan uwe schoonheid ook maar de minste afbreuk doet? Ik verzeker u dat de betoovering van uwe goddelijke schoonheid, van hare overwinning zeker...."

»Houd op!" riep Cleopatra. »Ik weet wat ik weet. Geen sterveling kan ontkomen aan de groote, eeuwige wetten. Even zeker als de geboorte de aanvang van het leven is, gaat alles wat leeft en bloeit, de verwelking tegemoet."

»Maar," zeide Iras, »de goden geven aan al hunne werken een verschillenden levensduur. Gij kent de waterlelie, die slechts één dag bloeit. Daarentegen staat de duizendjarige sycomore in den tuin van het Paneum nog altijd frisch en krachtig. Tot nu toe is geen blaadje van uw bloesem afgevallen, en zoudt gij dan gelooven dat de liefde van den man die alles voor u heeft opgeofferd, en die u geen week, geen dag meer missen kan, ook maar het minste verkoelen kan?"

»Had hij mij maar kunnen missen!" zeide Cleopatra smartelijk. »Maar weet gij zoo zeker dat het liefde was, die hem mij volgen deed? Ik ben van een ander gevoelen. De echte liefde verlamt niet, maar verdubbelt al wat groot is aan een man. Dat ondervond ik toen Caesar in dit paleis door een overweldigende overmacht ingesloten werd gehouden, zijn schepen verbrand werden, en het water afgeleid werd. Ook bij hem, bij Antonius mocht ik twintig--wat zeg ik? honderdmaal van dat heerlijke schouwspel genieten, zoo lang hij mij nog beminde met al de kracht van zijn vurige ziel. Doch wat bij Actium gebeurde? Die schandelijke vlucht van den doffer om de duif te achtervolgen, waarop het nageslacht nog na eeuwen met den vinger wijzen zal.... dat onzalige vergeten van plicht, eer, roem, het tegenwoordige en de toekomst,--wie niet dieper ziet, zal dat wel aan den waanzin der liefde toeschrijven, maar ik, Iras--en dat is het, wat al het haar op mijn hoofd zal doen wit worden, en het overschot der vroegere schoonheid van uwe meesteres in slapelooze nachten spoedig verwoesten zal--ik weet het beter! Het was geen liefde, wat Antonius drong mij te volgen; niet zij was het, die zijn schitterende, trotsche persoonlijkheid in het stof vertrad; niet zij dwong den halfgod het onbeduidende spoor te volgen van een voortvluchtige vrouw."

Haar stem daalde; zij greep met vastheid de hand van het meisje, trok haar naar zich toe, en fluisterde haar in: »de beker van Nektanebus is er bij in het spel. Ja, schrik maar! De krachten, die van dit wonder-voorwerp uitgaan, zijn inderdaad even vreeselijk als onnatuurlijk. De magische toovermacht van de bokaal veranderde, zoo dikwijls ik hem daarin den blik liet slaan, den heldhaftigen afstammeling van Herakles, den bovenaardschen mensch, in een jammerenden bloodaard, in dien ineengezonken, gebroken man, dien ik terugvond op het dek. Gij zwijgt? Uw vlugge tong vindt nu geen enkel gepast antwoord. Gij zult ook nog niet vergeten zijn hoe gij mij de weddenschap hielpt winnen, die Antonius noodzaakte in den beker te zien, eer ik dien voor hem vulde. Hoe dankbaar was ik, toen Anubis eindelijk toe stond dat ik het wonderwerk uit den tempelschat een tijdlang houden mocht, toen de eerste proef gelukte, en Antonius op mijn bevel, den schoonen krans dien hij droeg, op het hoofd van den ouden, norschen leerling van Aristoteles, Dimodes zette, van wien hij in zijn ziel een afkeer had. Dat is nog geen jaar geleden, en gij weet hoe zelden ik in het begin de kracht van het vreeselijke voorwerp te hulp riep. Bovendien gehoorzaamde mijn geliefde toch ook wel den wenk mijner oogen. Doch later, vóór den slag.... dat was een verschrikkelijke tijd. Ik voelde dat hij mij, die alles bederven kon, gaarne naar huis teruggezonden zou hebben. Ik wist ook, zooals ik reeds zeide, dat er iets tusschen ons gekomen was. Doch hoewel hij dikwijls op het punt was mij aan de voortdringende Romeinen op te offeren--ik behoefde hem maar in den beker te laten zien, en toe te roepen: »Zend mij niet weg; wij behooren bij elkander. Waar een van ons heengaat, daar gaat de ander mede!" of hij smeekte mij, dat ik hem niet zou verlaten. Nog op den morgen vóór den slag, gaf ik hem den beker aan, en drukte hem op het hart, dat hij, wat er ook gebeuren mocht bij mij blijven moest. En hij heeft mij gehoorzaamd, al was zij, aan wie hij door tooverkracht gebonden was, een vluchtende vrouw. Het is ontzettend! Maar heb ik daarom het recht de toovermacht van den beker te vloeken? Neen! Want zonder dat blinkende voorwerp van den magiër--dat heb ik wel duizendmaal in slapelooze nachten mij zelve voorgehouden--zou hij in mijne plaats een andere mede op het schip genomen hebben. Ik geloof ook dat ik die andere wel ken. Ik bedoel de vrouw wier gezang, vóór ons vertrek, bij het Adonisfeest ook mijn hart heeft bekoord. Ik merkte bij die gelegenheid reeds op, hoe hij haar blik zocht. En nu weet ik zeker, dat het niet alleen mijn oude bedriegelijke vijandin de jaloerschheid was, die mij waarschuwde. Ook heeft Alexas, de trouwste van zijn getrouwen, mij alles bevestigd wat ik vreesde. Ach, hij deelde mij nog meer mede, dat hij uit de sterren gelezen had! Hij kende de sirene ook wel, want zij is de vrouw van zijn eigen broeder geweest. Om zijne eer te redden heeft hij de behaagzieke Circe verstooten."

»Barine," klonk het beslist van Iras' lippen.

»Wist gij het reeds?" vroeg Cleopatra in spanning.

Het meisje hief nog eens hare handen smeekend naar de Koningin op, en riep uit:

»Ik weet van deze vrouw maar al te veel, en mijn hart krimpt ineen, o gebiedster, als ik bedenk dat ook ik moet medewerken om dit uur zoo bedroevend voor u te doen zijn. Maar toch moet ik u alles bekennen. De geheele stad weet dat Antonius die zangeres heeft bezocht, en ook tot tweemaal toe zijn zoon bij haar heeft gebracht. Toch is dat nog niets, want een Barine mededingster van u! dat zou al te belachelijk zijn. Maar wat kan paal en perk stellen aan de begeerlijkheid van deze vrouw? Geen rang, geen leeftijd is haar heilig. Het was haar te stil in de afwezigheid van het hof en het leger. Er waren geen mannen genoeg die haar de moeite waard schenen, om tot zich te trekken en daarom lokte zij jongelingen naar zich toe, en geen liet zich sterker door haar boeien dan de Koning Cæsarion."

»Cæsarion!" riep Cleopatra uit, en over hare bleeke wangen vloog een donkere blos. »En zijn gouverneur Rhodon? En mijn strenge bevelen?"

»Antyllus bracht hem heimelijk bij haar," antwoordde Iras. »Doch ik hield mijne oogen open. De knaap vatte een hevigen hartstocht voor Barine op. Ik kon niet anders doen dan haar uit de stad te verwijderen, en Archibius heeft mij daarbij geholpen."

»Dan behoeven wij haar niet verder weg te zenden."

»Helaas ja! dat is toch nog noodig; want onderweg is Cæsarion met eenige makkers haar overvallen."

»En gelukte die dwaasheid?"

»Neen, gebiedster. Doch ik wilde, dat zij gelukt ware. Een andere dwaas, die haar ook bemint, verdedigde haar. Hij verhief zijne hand tegen Cæsars zoon, en wondde hem. Stel u gerust, gebiedster. Ik bid u, ik bezweer u.... de wond is niet gevaarlijk! De hartstocht van den jongeling geeft meer reden tot ernstige bezorgdheid."

De Koningin sloot hare roode lippen zoo vast op elkander, dat haar mond daardoor al de liefelijkheid die hij anders bezat, verloor, en zeide beslist en streng: »Het is de plicht der moeder, om haar zoon te beschermen voor de verleidster! Alexas heeft gelijk! Haar ster is in de baan der mijne gekomen. Dat zulk een vrouw een zwarte schaduw werpen kan op den weg eener Koningin! Daartegen moet gewaakt worden. Zij is het, die zich tusschen ons heeft geplaatst, die Antonius.... Maar neen! waartoe mij zelf een rad voor de oogen gedraaid? De tijd, en wat hij de vrouw aan bekoorlijkheid ontneemt, is machtiger dan twintig van zulke kleine verleidsters. En dan de omstandigheden, die verhinderen de schade te bedekken, die de meest verwende van alle oogen kwetste. Dat alles was in het voordeel van de zangeres. Ik zie het duidelijk! Haar stonden alle middelen ten dienste, die ons vrouwen helpen het onaantrekkelijke te verbergen, en te doen uitkomen wat het oog bekoort,--doch mij niet, terwijl ik u niet had, noch de beproefde kunst van Olympus. Het godenbeeld moest zich in den storm op het schip, aan haar aanbidder meer dan eens vertoonen zonder krans, hoofdtooi of wierook."

»Maar gebiedster!" riep Iras. »Al had zij alle kunsten van Aphrodite en Isis te zamen te baat genomen, toch zou zij zich niet kunnen meten met u, die immers onvergelijkelijk zijt? Hoe weinig is er toe noodig om een jongen man, die nog half een kind is, het hoofd op hol te brengen!"

»Arme knaap!" zuchtte de Koningin, en schudde langzaam haar hoofd. »Ware hij niet gewond, en deed het niet zooveel pijn te ontberen wanneer men bemint, dan zou ik er mij in verheugen dat hij ook in staat is wakker te zijn en te handelen. Wellicht--o Iras, indien dat eens gebeurde! komt, nu de poort eenmaal opengebroken is, in dit evenbeeld van Cæsar wat het uiterlijk betreft, ook nog eens de geest en de kracht tot handelen van dien grooten man voor den dag. Evenals de Aegyptenaars Horus den "wreker van zijn vader" noemen, groeit uit hem misschien nog eens de verdediger en wreker van zijn moeder. Hij zal dien gluiperige Octavianus, den zusterszoon, die hem, den eigen zoon, het erfdeel ontstal, dat weder afnemen, zoodra Cæsars geest geheel in hem is ontwaakt. Durft gij mij zweren dat het slechts een lichte wond is?"

»Dat hebben de artsen mij verzekerd."

»Welaan, dan mogen wij hopen! Dan mag hij in de wereld optreden. Wij moeten hem ruim baan maken om zijn eigen weg te gaan. Geen dwaze hartstocht mag hem, als hij hersteld is, verhinderen om zijn vader te volgen naar de hoogte van roem en eer. Maar laat de vrouw die hem met hare netten omstrikt, de overmoedige, wier wenschen zich durven verheffen tot hen die mij het dierbaarst zijn, eens hier komen! Dan zullen wij eens zien welk een figuur zij maakt nevens mij!"

»Het zijn zware tijden," klaagde Iras, verbaasd dat zij de groote oogen der Koningin eensklaps zag stralen, in het bewustzijn van haar zegepraal. »Gun aan uw voeten wat ze toekomt: doe ze haar vertreden! Er zijn op uwen weg reeds genoeg monsters, die gij met uwe schoenzool niet bereiken kunt. Als zich iets, in zulke dagen van strijd niet op zijde laat duwen, dan maar in den Hades er mede!"

»Bedoelt gij moord?" vroeg Cleopatra, terwijl haar edel voorhoofd zich fronste.

»Als het zoo zijn moet, ja!" antwoordde Iras met vastheid. »Zoo mogelijk verbanning op een eiland of naar een oase, maar zoo noodig, dan den arbeid in de groeve voor de sirene!"

»Zoo noodig?" herhaalde de Koningin. »Dat moet dus beteekenen: als het blijkt dat zij de allerzwaarste straf verdient."

»Die heeft zij reeds op zich geladen, op het oogenblik toen zij mijne Koningin bedroefde. In de groeven vergaat iemand de lust om strikken te spannen voor mannen en jongelingen."

»En daar kwijnt men onder vreeselijke pijnen weg, totdat de dood een einde maakt aan de ellende," voegde Cleopatra er bij, op een toon van verwijt. »Neen meisje, deze overwinning is mij te gemakkelijk. Tot nu toe was het voordeel aan hare zijde, nu komt de beurt aan mij. Maar zelfs mijn vijand zou ik niet ter dood veroordeelen zonder hem te hooren, allerminst in dezen tijd, nu ik uit alles leer, wat het zeggen wil het oordeel af te wachten van een die machtiger is dan wij. Nu deze vrouw mij, als het ware zelve tot den strijd heeft uitgelokt, zal zij haar zin hebben. Ik verlang er al naar de zangeres weerom te zien, en de middelen te leeren kennen, waardoor het haar gelukte zoovelen, zoowel jongelingen als bezadigde mannen, aan haar zegekar te hechten."

»Gebiedster!" riep Iras vol ontzetting, »gij wilt toch niet..."

»Ja, ik wil," viel Cleopatra haar gebiedend in de rede, »ik wil de dochter van Leonax, de kleindochter van Didymus, die ik beiden hoogschatte, spreken, eer ik over haar lot beslis. Ik wil een blik slaan in het hart en de gezindheid van mijn tegenstandster, en dan overwegen en rechtspreken, eer ik veroordeel. Ik wil den strijd met haar wagen, waartoe zij immers zelve de minnende vrouw en de moeder uitdaagde! Maar, het is mijn recht en ik zal er haar toe dwingen, dat zij mij zich zóó vertoont, zooals Antonius mij in deze laatste weken zoo dikwijls heeft gezien, niet schooner of jonger gemaakt door de kunst, waarover wij beiden beschikken."

Zonder verder acht te geven op Iras, trad zij aan het venster, en ging met een snellen blik op den hemel, kalmer voort: »Het eerste uur na middernacht spoedt ten einde. Al dadelijk zal de beraadslaging een aanvang nemen. Zij betreft een poging, die nog veel zou kunnen redden. De zitting zal twee uur duren, misschien ook maar één. De zangeres kan nog wachten. Waar woont zij?"

»In het huis van haar vader, den schilder Leonax, naast den tuin van het Paneum," antwoordde Iras met heesche stem. »Indien gij nog eenige waarde hecht aan mijn gevoelen, gebiedster....."

»Op dit oogenblik raadpleeg ik niemand, doch eisch alleen dat mijne bevelen worden ten uitvoer gebracht!" riep de Koningin met vastheid uit. »Zoodra de verwachtte personen er zijn....."

Juist kwam een kamerdienaar binnen, en meldde de aankomst dergenen, die zij bij zich geroepen had. Cleopatra liet hen zeggen, dat zij terstond bij hen verschijnen zou. Daarop wendde zij zich weer tot Iras, en gelastte haar, met een waren woordenvloed, onverwijld in gezelschap van een vertrouwd man in een gesloten wagen naar Barine te gaan. Iras zou wel begrijpen, dat zij onmiddellijk bij haar moest gaan, desnoods haar uit den slaap wekken. »Alsof de storm haar gedwongen had op het dek van het schip te gaan," besloot zij, »zóó wil ik haar zien!"

Zij greep een tafeltje dat op de toilettafel lag, en kraste in vliegende haast in het was: »Koningin Cleopatra wenscht Barine, Leonax' dochter, onverwijld te spreken. Geen oogenblik talmens wordt haar gegund. Zij moet iedere opdracht van Iras, Cleopatra's afgevaardigde, en van haar geleider, stipt gehoorzamen."

Daarna sloeg zij het tafeltje toe, gaf het aan het meisje over en vroeg: »Wien neemt gij mede?"

Zonder zich een oogenblik te bedenken, antwoordde Iras: »Alexas."

»Goed," zeide Cleopatra. »Geef haar geen oogenblik tot voorbereidende maatregelen, welke ook. Maar ik beveel u: vergeet niet, dat zij een vrouw is."

Nu keerde zij zich tot den kamerdienaar, om dien te volgen, doch Iras snelde haar achterna, om de diadeem op haar hoofd terecht te zetten en nog eenige plooien van haar gewaad te verschikken.

Cleopatra liet dat toe, en zeide vriendelijk: »Ik zie dat gij nog iets op het hart hebt."

»Ach, gebiedster!" riep het meisje uit. »Na al deze schokken, al deze maanden vol aandoeningen, maakt gij nu nog den nacht tot dag, en neemt nieuwe inspannende zaken op uwe schouders. Als Olympus, de arts....."

»Dat kan niet anders," viel Cleopatra haar met zachtheid in de rede. »De beide laatste weken waren één lange, donkere nacht. Slechts enkele uren verliet ik mijn legerstede. Wie iets dat hem het liefst is uit den stroom moet halen, vraagt niet hoe het koude bad hem bekomen zal. Gaan wij ten gronde, dan komt het er niet op aan of wij gezond of ziek zijn; gelukt het daarentegen een nieuwe strijdmacht te verzamelen, en Aegypte te redden, dan moge het ons gezondheid en het leven kosten. De minuten die ik van plan ben aan de vrouw toe te staan, tellen mede in dien koop. Wat er ook gebeure, ik ben bereid het tegemoet te gaan. Ik sta voor een gewichtig keerpunt in mijn leven. In zulk een tijd rekent men af met alle verplichtingen die men nog heeft, de groote zoowel als de kleine."

Enkele minuten later nam Cleopatra plaats op haar troonzetel en verwelkomde de mannen, die door hare oproeping in hunne nachtrust waren gestoord, omdat zij hen een grootsch, verheven denkbeeld ter beoordeeling wilde voorleggen. Want midden in den grootsten tegenspoed was dit plan in haar rusteloozen geest ontstaan, door den wensch om den zegevierenden vijand nieuwen tegenstand te bieden.

Vele jaren geleden, toen zij volgens den wil van haar vader, den troon deelde met een knaap, en deze met zijn voogd Pothinus, haar gedwongen hadden uit Alexandrië te vluchten, had zij aan de oostzijde van de Delta, op de landengte die Aegypte met Azië verbond, de overblijfselen van een kanaal gevonden, dat ondernemende Pharao's in den ouden tijd gegraven hadden, om de Middellandsche Zee te verbinden met de Roode Zee.