Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 15

Chapter 153,988 wordsPublic domain

Vervolgens wendde zij zich tot Archibius, die bij den draagstoel stond, en legde haar hand op zijn arm. De sluier verhinderde hem den glans harer oogen te zien, maar toch was het hem op dit oogenblik alsof die hem wonderbaar toeblonken, terwijl zij hem met die welluidende stem, die reeds zoo menigmaal zijn ziel had gevangen, toeriep: »Laat ons voor een gunstig voorteeken houden, dat _gij_ het weder zijt, die mij in dezen moeilijken tijd naar het paleis brengt."

Hij antwoordde met warmte: »In welken tijd ook, altijd, altijd behooren deze arm en dit leven u toe." »Dat wist ik", liet de Koningin op een toon van vaste overtuiging daarop volgen.

Zij liet hare hand nog op zijn arm rusten terwijl zij verder ging, en hij vroeg haar of er werkelijk aanleiding was om van moeilijke dagen te spreken; maar zij viel hem in de rede en zeide: »Nu niet. Laat ons daarover zwijgen. Het is erger dan erg--zoo slecht als het kan. Maar neen, dat is niet waar, want het is maar weinigen vergund te steunen op een zóó trouwen arm als de uwe."

Hij voelde daarbij hoe haar kleine hand zacht zijn arm drukte, en op dat oogenblik was het of zijn hart weder geheel jong werd. Spreken mocht hij niet, want haar wensch was bevel, en zoo liepen zij zwijgend verder, eerst langs den zeekant, toen door de havenpoort, en eindelijk over de marmeren steenen, die naar het koninklijk paleis leidden. Het was Archibius te moede alsof hij, in plaats van naar het gesluierde hoofd der Koningin, opzag naar het met blonde krullen omgeven kopje van een gelukkig kind. Hij zag in den geest weder de kleine meesteres van den Epicuristentuin. Hij zag den blik uit hare groote blauwe oogen, die niet ophield te vragen, en die toch reeds het geheim dezer wereld scheen te verstaan. Hij geloofde weder den zilverhelderen klank harer stem en den betooverenden kinderlach te hooren, en hij moest zich geweld aandoen om niet te vergeten wat er nu van haar geworden was.

Door dit alles aan het tegenwoordige ontrukt, en toch met het besef dat hij in dezen moeilijken tijd de gunst van het lot genoot, ging hij naast haar voort, en geleidde haar door het hoofdportaal tot in het binnenhof van het paleis. Op den achtergrond opende zich de hooge poort, die toegang gaf tot de woonkamers en feestzalen der Koningin, en waar reeds de Regent, Iras, en hare begeleiders gereed stonden om haar te ontvangen. Links was nog een kleinere deur, waardoor men in het verblijf der kinderen kwam.

Archibius was van plan Cleopatra te vergezellen over het verlichte binnenplein, maar zij wees op de poort van den vleugel der prinsen, en hij begreep haar.

Op den drempel liet zij zijn arm los, en toen hij met een diepe buiging heen wilde gaan, zeide zij vriendelijk: »Daar staat Charmion reeds. U beiden komt het toe mij dáárheen te geleiden waar de jeugd droomt, en zielsrust zonder smart gevonden wordt. Ik geloof dat gij uit eerbied voor de Koningin elkander nog niet als broeder en zuster hebt verwelkomd, na zulk een lange scheiding. Doet dat dan nu, en komt daarna met mij mede."

Met jeugdig-vluggen tred ging zij het atrium binnen en daarna de trap op, naar de slaapkamer der prinsen en prinsessen.

Archibius en Charmion deden wat zij gezegd hadden. Zij omarmden elkander hartelijk, en zij deelde hem in enkele woorden en met de oogen vol tranen mede, dat alles verloren scheen te zijn. Antonius had gehandeld op een manier, waarvoor zij geen woorden en geen afkeuring genoeg had. Waarschijnlijk zou hij Cleopatra wel spoedig volgen;--de vloot, en misschien ook het leger waren geheel vernietigd. Haar lot berustte in de handen van Octavianus.

Nu ging zij hem vooruit de trap op. Daar stond Iras, en naast haar een Syriër van lange gestalte, die in het oogvallend geleek op Philostratus, den voormaligen echtgenoot van Barine. Het was diens broeder Alexas, de vertrouwde gunsteling van Marcus Antonius, bij wien nu ook zijn plaats moest geweest zijn, en Archibius vroeg met een snellen blik aan zijn zuster, hoe deze man bij de Koningin kwam?

»Zijn kunst om in de sterren te lezen," was het antwoord, »en zijn vleiende tong. Hij is een indringer van de ergste soort, maar hij bewijst haar veel dienst en geeft haar afleiding; vandaar dat zij hem bij zich houdt."

Zoodra Iras had gezien waarheen Cleopatra hare schreden richtte, was zij haar nageijld om met haar mede naar de kinderen te gaan. De Syriër Alexas had haar slaande gehouden, om haar te verzekeren van zijn blijdschap dat hij haar wederzag. Reeds vóór de oorlog begon, had hij haar duidelijk zijne liefde doen blijken, en gedurende de lange scheiding was hij te haren opzichte niet bekoeld. Evenals bij zijn broeder, was ook bij hem het hoofd te klein in verhouding tot het lichaam, doch in het welbesneden gelaat blonken een paar oogen, waaruit groote scherpzinnigheid sprak.

Ook Iras zelve scheen verheugd bij het wederzien van den gunsteling, doch vóór Archibius en zijn zuster de trap op waren, liet zij hem staan om Charmion, hare tante, met de teederheid van een dochter te omarmen.

In de voorzaal van de woning der prinsen vonden zij de Koningin. De gouverneur van de kinderen, Euphronion, wachtte haar daar reeds op, en deed spoedig en in de meest vleiende bewoordingen allerlei verrassende mededeelingen omtrent de kinderen en de verwonderlijke gaven, waarmede zij bedeeld waren. Steeds duidelijker toonden zich die bij ieder afzonderlijk, nu eens als erfenis hunner moeder, dan weder als die van hun vader.

Cleopatra viel hem te midden van dien woordenstroom dikwijls in de rede, en trachtte daarbij den sluier dien zij om haar hoofd droeg los te maken, maar dat wilde aan de kleine handen, die aan zulk werk niet gewoon waren, maar niet gelukken. Zoodra Iras dat bemerkte, was zij zoo vlug als zij kon de trap opgegaan en bevrijdde haar nu met hare fijne handige vingers van het lange kanten weefsel.

De Koningin dankte haar met een genadigen hoofdknik, doch toen de opper-eunuch de deur van de slaapkamer der kinderen opendeed, riep zij alleen Archibius en Charmion vriendelijk toe: »Komt mede!" De gouverneur, die de slaapkamer toch steeds aan de eunuchen en de vrouwen moest overlaten, trok zich terug, en Iras gevoelde zich zeer beleedigd dat zij van dit bezoek uitgesloten werd. Zij verschoot van kleur, en hare dunne lippen klemden zich vaster op elkander. Zij tuurde daarbij zoo strak naar den mozaïeken vruchtkorf aan hare voeten, alsof zij de kersen daarin tellen moest. Plotseling streek zij het krullende haar van haar hoog voorhoofd weg, liep snel de trap af, en riep den pas aangekomen Alexas aan, die juist het atrium verlaten wilde.

De Syriër kwam dadelijk bij haar, en prees zich gelukkig dat in dezen nacht voor de tweede maal zijn zon voor hem opging. Doch zij viel ongeduldig in: »Geen dwaze vleierijen op dit oogenblik! Het zou voor ons beiden beter zijn in vollen bitteren ernst bondgenooten te zijn en te blijven. Ik voor mij ben daartoe bereid."

»En ik dan!" riep de Syriër in verrukking uit, en drukte de hand op zijn hart.

Intusschen was Cleopatra in het vertrek gekomen waar de kinderen sliepen. Het was een hooge zaal met veelkleurige tapijten behangen, terwijl drie lampen van lichtrood glas er een zacht licht verspreidden. Er heerschte een diepe stilte. Door een boog, die op zuilen rustte van bont Libysch marmer, werd het ruime vertrek in tweeën gedeeld. In het eene stonden dicht bij het hooge, door gordijnen afgesloten venster, twee bedden van ivoor, rustende op den rug van gouden kinderfiguren. Aan het hoofdeinde prijkten kronen van goud en zilver bezet met paarlen en turkooizen, en in den geheelen rand van elpenbeen had een kunstvaardige hand dartele kleine geniën gesneden, dansende bij het gezang der vroolijke vogels in de bloeiende struiken.

Een zwaar gordijn hing tusschen de beide bedden, doch de eunuchen hadden dat bij de komst der Koningen opgetrokken. Nu kon zij beide met één blik overzien, en het was een liefelijk beeld van zeldzame bekoorlijkheid, want op die fraaie legersteden sluimerden de tienjarige tweelingen die Cleopatra Antonius geschonken had: Antonius Helios en Cleopatra Selene. Het meisje blank en rood, blond en van groote bevalligheid, de knaap niet minder schoon, doch met gitzwart haar, evenals zijn vader. Beide gekrulde hoofdjes lagen op zijde en rustten op de hand, die in het zijden kussen was gedrukt.

Op een derde bed, aan de andere zijde van den boog, sliep Alexander, de jongste prins, een aardige zesjarige knaap, de lieveling der Koningin.

Nadat zij een geruime poos van den aanblik der tweelingen had genoten, en ieder een zachten kus had gedrukt op de wangen die gloeiden van den slaap, keerde zij zich naar haar jongste, en zonk bij zijn bedje neer alsof een visioen, dat de hemel haar op dit oogenblik te zien gaf, haar drong de knieën te buigen. De tranen stroomden uit hare oogen, terwijl zij het kind behoedzaam naar zich toe trok, het kuste op mond, oogen en wangen, en het toen weder zachtjes op de kussens legde. Maar de knaap kon niet weder dadelijk in slaap komen; hij sloeg de ronde armpjes om den hals zijner moeder, en mompelde daarbij eenige onverstaanbare woorden. Met genot liet zij dit toe, totdat de slaap hem weder overmande en zijne handjes terugvielen op het bed.

Nu drukte zij haar voorhoofd een oogenblik op het elpenbeen van het ledikant. Zij bad voor dit kind en zijne broeder en zuster. Toen zij weder opstond, waren hare wangen nat van tranen, en zij drukte de hand op haar borst. Daarop wenkte zij Charmion en haar broeder om naderbij te komen, wees hen eerst op den kleinen Alexander, toen op de tweelingen, en zeide, daar zij beider oogen vochtig zag: »Ik weet het wel, gij beiden ontbeert dit geluk om mijnentwil. Voor een van deze kinderen zou een groot rijk mij niet te duur zijn, voor hen allen.... wat is er in de wereld, dat ik voor hen niet zou willen opofferen? Maar wat is er nog, dat ik het mijne kan noemen?"

Bij deze vraag werd haar lachend gelaat plotseling verduisterd. Zij dacht weder aan den verloren slag. Haar eigen macht was verspeeld, verloren, en de vrijheid van het vaderland dat zij liefhad, verbeurd. Reeds strekte Rome de hand er naar uit, om het als een nieuwe provincie bij de overigen te voegen. Doch dat mocht niet zoo zijn! Het tweelingpaar dat daar rustte onder de kronen, moest die eenmaal mogen dragen. En die knaap daar op het kussen? Antonius had reeds zoovele rijken weggeschonken; wat bleef haar thans nog te geven over?

Nog eens boog zij zich over het kind. Er moest een schoone droom op hem nedergedaald zijn, want hij glimlachte in zijn slaap. Een warme stroom van moederliefde welde eensklaps op in haar ontroerd gemoed, en toen zij zag hoe ook de speelmakkers harer jeugd met aandoening en teederheid neerzagen op den kleinen slaper, dacht zij aan haar eigen kindsheid en aan het stille geluk dat zij gesmaakt had in haar Epicuristen-tuin.

Macht en grootheid waren voor haar eerst begonnen toen zij dien had verlaten; maar naar mate die hooger geklommen waren, scheen het gevoel der zaligheid, die zij eenmaal genoten, en waarnaar zij altijd terugverlangd had, des te verder verwijderd en des te moeilijker terug te bekomen. Terwijl zij op dit oogenblik het slapende kind, dat nog geen smart of onrust kende, in het vredig glimlachende gelaat zag, was het alsof al de liefde van haar hart in vollen stroom hem tegengolfde, en de vraag kwam bij haar op, of niet misschien juist deze knaap, voor wien zij geen kroon meer had, bestemd was de eenige gelukkige van allen te worden,--gelukkig, in den zin zooals de meester had bedoeld.

Onder den diepen indruk dezer gedachten wendde zij zich tot Archibius en Charmion en zeide, om de slapenden niet te wekken, op zachten toon: »Wat er ook over ons beschikt moge worden, dit kind beveel ik aan uwe bijzondere liefde en zorg. Wanneer het lot hem den glans der kroon en het trotsche gevoel van macht ontzegt, leert gij hem dan dat hoogere geluk kennen, dat--hoe lang is het reeds geleden!--uw vader aan zijne moeder ontvouwde."

Tot antwoord drukte Archibius een kus op haar gewaad en Charmion op hare handen, maar Cleopatra haalde diep adem, en zeide: »Reeds te lang liet de Koningin de moeder aan het woord. Ik had verboden dat men Cæsarion van mijne aankomst verwittigen zou. Dat was ook goed. Vóór dat ik hem wederzie, moeten de gewichtigste zaken afgehandeld zijn. Binnen een uur moet ik geheel en al den Staat toebehooren. Maar eerst.... behalve moeder en Koningin, ben ik ook nog iets anders. Ook de vrouw heeft hare rechten. Tot morgen mijn vriend, als ik tijd voor u vind! Eerst naar mijn slaapkamer, Charmion. Doch gij hebt de rust meer noodig dan ik. Ga met uw broeder mede, en zend mij Iras. Zij zal blijde zijn als zij voor hare meesteres weder eens haar vaardige handen gebruiken mag!"

ELFDE HOOFDSTUK.

De Koningin had het bad verlaten, en Iras had haar altijd nog zwaar, golvend donkerbruin haar in orde gebracht, en hielp haar nu met het prachtgewaad, waarin zij de beambten ontvangen wilde, die zij nog in dit nachtelijk uur wachtende was.

Zij had zich verwonderlijk goed gehouden. De tijd scheen het niet te hebben gewaagd de hand te slaan aan dit volmaakte toonbeeld van vrouwelijke gratie. Maar het scherpe oog der Grieksche ontdekte toch hier en daar een spoor van het verdwijnen der betooverende jeugd. Zij had hare gebiedster hartelijk lief, en toch kwam er een heimelijk gevoel van blijdschap in hare ziel op, zoo menigmaal zij bij haar denzelfden achteruitgang opmerkte, die zich ook reeds bij haar zelve eenigszins vertoonde, ofschoon zij eerst zeven en twintig jaren oud was. Zij zou in staat zijn aan Cleopatra alles af te staan wat zij bezat, maar het was alsof zij de natuur moest prijzen voor hare rechtvaardigheid, zoo dikwijls zij bespeurde dat zij de algemeene wet niet geheel ophief ten gunste van haar koninklijke lieveling.

»Nu geen vleierij," verzocht Cleopatra met een weemoedigen glimlach. »De menschen zeggen dat de werken der Pharao's hier aan den Nijl spotten met den tijd. Maar dat laat die onverbiddelijke zich niet welgevallen van de Koninginnen van Aegypte. Dit zijn grijze haren, en die zijn afkomstig van mijn hoofd, hoe ijverig gij dat ook moogt tegenspreken. En dan die rimpels aan de ooghoeken op mijn voorhoofd, van wie zijn die anders dan van mij? En dan die tand, dien de lip toch niet zoo vriendelijk bedekt als gij beweert? Het was op den avond vóór den ongelukkigen slag dat hij die schade leed. Mijn lieve, trouwe, bekwame Olympus, de arts der artsen, is de eenige die iets dergelijks onzichtbaar weet te maken. Maar ik kon dien grijsaard toch niet mede in den oorlog nemen, en Glaucus is veel minder handig dan hij. Hoe miste ik den ouden man in die noodlottige uren! Ik leek in mijn eigen oogen een monster, en hij.... Antonius' oogen zien dergelijke dingen maar al te goed. Wat is de liefde van mannen? Een slechte tand kan daar afbreuk aan doen. Eén kleinigheid die hun kritischen blik mishaagt, giet water op het heetste vuur. Toen had ik moeilijke uren te doorworstelen, Iras! Menige blik van hem was als een beleediging voor mij, en dan daarbij nog die martelende onzekerheid. Ik voelde dat er iets tusschen ons gekomen was, daar was geen twijfel aan!

»Het begon al spoedig, nadat hij Alexandrië verlaten had. Het knaagde als een worm aan mijn ziel, en nu ik weder hier ben, moet ik weten wat het is. Ik weet, dat hij mij binnen weinige dagen volgen zal. In Parætonium waarheen hij zich begeven heeft, is Pinarius Scarpus nog met versche troepen gelegerd. Te Tænarum had hij zich voorgenomen de wereld die hem zooveel geschonken heeft vaarwel te zeggen, want hij haat haar, omdat hij haar reden gegeven heeft het hoofd over hem te schudden.... Maar de oude geest begint al weder te ontwaken, en als de Fortuin hem weder even gunstig wordt als van ouds, dan voegt zich weldra een groot leger bij het nieuwe uit Afrika. De Aziatische vorsten.... maar het is waar, de beheerscheres van den Staat moet zwijgen. Ik ben in dit vertrek gekomen met het voornemen om aan de vrouw te geven wat haar toekomt, en dat zal zij ook hebben! Hij zal spoedig hier zijn, want hij kan zonder mij niet leven. Het is niet enkel de beker van Nektanebus, die hem tot mij aantrekt!"

»Toen de grootste onder de grooten, toen Julius Cæsar te Alexandrië naar uwe liefde dong en Antonius aan den Kydnos," merkte Iras op, »toen hadt gij nog niets van die bokaal gehoord. Eerst twee jaren geleden veroorloofde Anubis u om het wonderbare voorwerp uit de schatten van den tempel te leenen, en binnen weinige dagen zijt gij gehouden die terug te geven. Dat van den beker een geheime invloed uitgaat, is zeker, maar gij zelve bezit in uw persoon een nog veel grooter toovermacht."

"Indien die dan heden nog eens toonde wat zij vermag!" riep de Koningin uit. »In ieder geval heeft Antonius zich door de kracht van den beker tot allerlei dingen laten overhalen. Ik ben ook niet ijdel genoeg om te denken, dat het alleen liefde, de tooverkracht mijner persoonlijkheid was, die hem in dat ongelukkig uur tot mij trok. Ach, die slag, die onbegrijpelijke, schandelijke nederlaag! Gij waart ziek in dien tijd, en kondet onze vloot bij het uitzeilen dus niet zien: maar alle kenners zeiden, dat er nooit fraaier en grooter schepen geweest waren. Ik was in mijn recht toen ik vast geloofde dat aan haar de beslissing zou blijven. Ik mocht haar immers de mijne noemen. Indien wij gezegevierd hadden, met welk een trots zou ik dan tot mijzelve gezegd hebben: uwe wapenen hebben den geliefden man de heerschappij over de wereld verschaft! In de sterren had ik bovendien gelezen dat op de zee het geluk ons was weggelegd. Aan Anubis die hier, en Alexas, die op het schip van Antonius was, hadden zij hetzelfde verkondigd. En ook vertrouwde ik op de macht van den beker, die Antonius reeds zoo dikwijls genoopt had tot iets waarvan hij vroeger afkeerig was. Om al die redenen zette ik het plan, om de vloot over ons lot te laten beslissen, door. Maar het was verkeerd! _Hoe_ verkeerd, zou spoedig genoeg blijken!

»Had men mij maar vroeger, toen het nog tijd was, medegedeeld, wat ik later vernam! Na de nederlaag sprak ieder zich meer uit. Dat ééne woord van een veteraan onder de bevelhebbers van het voetvolk, zou al genoeg zijn geweest mij de oogen te openen. Hij vroeg Marcus Antonius, waarom hij toch al zijn hoop vestigde op het zwakke hout, en riep daarbij uit: »Laat Pheniciers en Aegyptenaars te water strijden, maar laat _ons_ het land, waarop wij gewoon zijn te overwinnen of te sterven!" Dat alleen, durf ik zeggen, zou mij te rechter tijd van gevoelen hebben doen veranderen. Doch het werd mij verzwegen.

»De slag begon toen de onzen hun geduld reeds verloren hadden. De linkerlinie van de vloot kwam het eerst op. In het begin zag ik den strijd aan met spanning en een kloppend hart. De groote schepen bewogen zich trotsch vooruit. Alles ging voortreffelijk. Antonius hield een toespraak, en verzekerde de strijders dat onze vaartuigen, zelfs zonder hun toedoen, door hun grootte en hoogte alleen, noodlottig voor den vijand moesten worden. Waar vind men een redenaar die zóó zijne toehoorders medesleept? Ik was dan ook geheel zonder vrees. Hoe zou men zich kunnen verontrusten, wanneer men zoo zeker de overwinning verwacht? Toen hij een oogenblik te voren op zijn admiraalsschip gegaan was, en mij minder hartelijk dan anders vaarwel gezegd had, was het mij veel angstiger te moede geweest, want ik dacht toen duidelijk te merken dat zijn liefde verkoelde. Wat was er ook niet van mij geworden, sinds wij uit Alexandrië gingen, en Olympus niet meer voor mij zorgde! Zóó kon het niet duren. Ik wilde het oorlogvoeren aan hem alleen overlaten, en hem zelve niet onder de oogen komen. Het is waar, nog altijd, als hij in den beker van Nektenebus keek, deed hij wat ik wenschte, maar niet zelden geschiedde dat met tegenzin. Die duidelijk zichtbare, door niets te verwijderen rimpels en de jaren, die wreede jaren!"

»Wat zijn dat voor gedachten!" riep Iras uit. »Laat mij u zweren, gebiedster, dat gij, zooals gij daar vóór mij staat...."

»Dat ben ik aan deze toilettafel en de nieuwe middelen van Olympus in deze doozen verschuldigd! In dien tijd, zeg ik u, kon ik schrikken van mijzelve. Het verdriet maakt iemand ook niet schooner, en hoe hadden de Romeinen zich niet uitgelaten over de vrouw die zich mengde in den oorlog, die het werk der mannen moet zijn! Ik antwoordde in denzelfden geest, doch ik wilde het niet langer dulden. Ik had al lang van te voren besloten niet bij den slag te land te zijn, maar, hoewel de kans toen goed scheen te staan; reeds bij het begin van het gevecht, werd ik er toe gedreven, Antonius te verlaten en naar mijne kinderen terug te keeren. Die vragen niet naar de kleur van het haar en de rimpels in het voorhoofd hunner moeder. En hij--zoodra hij te vergeefs naar mij zou uitzien zou hij eerst voelen wat hij in mij bezat. Hij zou mij missen en de oude liefde zou, tegelijk met het vurig verlangen naar mij, weder in zijn hart ontwaken. Zoodra de vloot de overwinning had behaald, wilde ik heengaan, het schip doen koers zetten naar het zuiden, en zonder afscheid naar Aegypte trekken, hem enkel toeroepend: »Tot wederziens in Alexandrië!"

»Ik riep Alexas, die bij mij gebleven was, en beval hem mij een teeken te geven, zoodra de strijd in ons voordeel beslist zou zijn. Ik zelf bleef op het dek. Ik zag hoe de schepen van den vijand een grooten boog beschreven. De nauarch[17] zeide dat dit Agrippa was, die ons wilde omsingelen. Dat wekte reeds een vreeselijk voorgevoel bij mij op, en het begon mij al te spijten dat ik mij had ingelaten met dat mannenwerk.

[17] Scheepskapitein.

»Antonius stond op het admiraalsschip en zag naar mij uit. Ik gaf hem een teeken om hem opmerkzaam te maken op het gevaar, doch in plaats van mij zooals vroeger, levendig en hartelijk terug te groeten, keerde hij mij den rug toe. Kort daarna hoorde ik een verschrikkelijk verward rumoer om mij heen. Het eene schip kwam in aanraking met het andere. Planken en ijzeren stangen braken met ijselijk gekraak. Het geschreeuw, gejammer en gesteun der vechtenden en gewonden vermengde zich met het gedreun der steenen die uit de catapulten vlogen, en den schellen toon der signalen die als noodkreten klonken. Vlak naast mij vielen twee krijgslieden door pijlen getroffen, op den grond. Het was ontzettend. Maar ik verloor niet den moed, zelfs niet toen een eskader--onder Aruntis--op onze vloot afkwam. Ik zag nog een geheele reeks andere schepen naderen, en ook hoe een Romeinsch vaartuig door een der mijne, dat ik Selene had genoemd, werd aangevallen, ter zijde overhelde en zonk. Dat verheugde mij, en scheen een voorteeken van de overwinning. Ik beval Alexas nog eens dat hij het schip moest doen wenden, zoodra aan den afloop niet meer te twijfelen viel. Terwijl ik dit zeide verscheen mijn dienaar Jason, dien gij wel kent, met eenige ververschingen. Ik nam een beker, doch ik had dien nog niet aan mijn mond gezet, toen de man met verpletterden schedel naast mij nederviel, en het vruchtennat zich vermengde met zijn bloed. Toen voelde ik dat mijn hart ophield te kloppen, en Alexas vroeg doodsbleek en met een bevende stem: »Beveelt gij, dat wij ons buiten het gevecht begeven?"