Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 14
»Zie oude," zeide zij, »ik weet wel dat er weder dikke, zwarte wolken boven ons huis hangen, al weet ik het rechte er niet van. Ik voel alleen dat een zware slag ons dreigt. En toch, wat kunnen de menschen ons aandoen, als wij beiden maar bij elkander mogen blijven, wij beiden oudjes, en dan de kinderen der kinderen die Hades ons heeft geroofd. Als men zoo samen oud wordt, leert men dat het leven een hoofd heeft met vele aangezichten. Het kwade van het heden kan evenmin lang duren als die diepe rimpels in uw voorhoofd. Gij behoeft u voor mij geen geweld aan te doen, beste man. Laat het maar zoo. Ik behoef mijn oogen maar toe te doen, om te zien hoe glad en schoon het eens was in uw jeugd, en hoe vriendelijk gij er weder uit zult zien, zoodra de betere dagen zeggen: daar zijn wij weer!"
Hij kuste haar met een weemoedigen glimlach op het grijze haar, en riep haar toe aan het linker oor, dat beter hooren kon: »Hoe jong blijft gij nog altijd, oudje!"
TIENDE HOOFDSTUK.
Een storm uit het Noorden woei over het eiland Pharus en de ondiepten van Diabathra heen, in de haven van Alexandrië. Op het anders zoo stille water waren nu golven te zien, en de lantaarn op den lichttoren van Sostratus scheen zijne heen en weer gaande vlammen met vijandige woede naar de stad te jagen. De vuren in de pekpannen en de fakkels aan de kust schenen het eene oogenblik uit te gaan, maar in het volgende flikkerden zij door den walm heen dubbel helder op.
De koninklijke haven, een uitgestrekt bekken dat het zuidelijk gedeelte van de Lochias en een deel van het noordelijke strand van het Bruchium in een halven kring omgaf, was iederen nacht sterk verlicht, doch heden schenen de lichten aan de westzijde, bij de ligplaats der koningsvloot, bijzonder bewegelijk. Kwam dat door den storm? Doch neen! Hoe had die de eene fakkel op de plaats van de andere kunnen zetten, en lichten of lantaarns tegen de richting van zijn onstuimige pogingen in, in beweging kunnen brengen? Het waren echter slechts weinigen, die dit opmerkten, want hoevelen ook vervuld waren van bange vrees, wie zou zich in zulk een stormnacht naar buiten op de kade wagen? Bovendien zou niemand toegang gekregen hebben tot de koningshaven, want zij was aan alle zijden afgesloten. Ook de havendam, die de koorde was van den boog dien het land ten westen vormde had slechts ééne opening, en die was, zooals ieder wist, ook met een keten bespannen, evenals de groote havenmond tusschen den Pharus en Alveus Steganus.
Twee uren vóór middernacht kwamen de lichten die zoo wonderlijk bewogen werden, tot rust, hoewel de storm eer toegenomen dan verminderd was. Maar het hart der menschen voor wie zij brandden, had zelden zoo onrustig geklopt als nu. Het waren de regeeringspersonen en hofbeambten die tot de naaste omgeving der Koningin behoorden: ongeveer twintig mannen, en Iras was onder hen de eenige vrouw. Zij en de Regent Mardion hadden deze allen hier bijeengeroepen, daar de brief van Cleopatra haar toeliet deze gevolmachtigden in het geheim te ontvangen. Na lange beraadslagingen waren zij overeengekomen de bevelhebbers der kleine achtergebleven Romeinsche bezetting niet mede uit te noodigen. Het was immers nog de vraag, of de verwachte personen reeds in dezen nacht zouden terugkomen, en de Romeinsche krijgslieden, die in het oog van Marcus Antonius iets beteekenden, waren met hem mede in den oorlog.
De overdekte doorgang in het midden der afgesloten aanlegplaats van de koninklijke haven, waar zij verzameld waren, was met vorstelijke praal ingericht, want de Koningin gebruikte die gaarne. Het ontbrak in de groote ruimte niet aan gemakkelijke zetels, en menigeen had zich uitgestrekt op een rustbank, terwijl anderen, door een inwendige onrust gedreven, op en neer liepen.
Daar deze gang maanden lang gesloten was gebleven, hadden vledermuizen er hun nest gemaakt, en toen de lichten ontstoken werden, zag men deze boven de hoofden der vergaderden rondfladderen. Iras had den bevelhebber der Mellakes, of jongelingen die een lijfwacht vormden uit de zonen der edelste Macedonische geslachten, verzocht die lastige dieren te verjagen, en het gaf den trouwen dienaar der Koningin eenige afleiding voor zijne zwaarmoedige gedachten, dat hij met zijn zwaard daarnaar kon slaan.
Anderen keken liever naar dit onbeduidend gevecht, dan toe te geven aan de vrees die hen vervulde. De Regent zag sprakeloos naar den grond, Iras luisterde bleek en verstrooid naar de uitleggingen van den zegelbewaarder Zeno, en Archibius was naar buiten gegaan om, zonder zich om den storm te bekommeren, over het onstuimige havenwater heen, naar de verwachte schepen uit te zien.
De bedienden, van de fouriers tot de dragers der draagstoelen toe, zaten bij groepen in een houten halfverlichte schuur, welker zoldering gesteund werd door bontbeschilderde zuilen, waar de wind doorheen blies. De Grieken zaten op houten zetels, de Aegyptenaars op matten op den grond. Den grootsten kring vormden de fouriers, die voor de bagage der Koningin moesten zorg dragen, benevens de hoogere slaven van het hof, en eenige kamervrouwen.
Men had hen gezegd dat de Koningin reeds dezen nacht verwacht werd, omdat het mogelijk was dat de sterke Noordenwind haar schip ongedacht snel uit den slag naar huis drijven zou. Maar zij wisten wel beter, want in paleizen zijn reten en spleten en gordijnen, en daarin woont een echo van een bijzondere soort, die binnen de muren zelfs, het gefluister voortdraagt van oor tot oor.
De vrijgelaten lijfslaaf van den veldheer Seleukus voerde het hoogste woord. Zijn meester was enkele uren geleden uit de grensvesting Pelusium, waar hij het bevel voerde, in Alexandrië aangekomen. Een geheimzinnig bevel van Lucilius, den trouwsten vriend van Antonius, dat hem overgebracht was door een snelzeiler van Tænarum, had hem hierheen gevoerd.
De vrijgelatene Beryllus, een welbespraakt Siciliër, die als tooneelspeler beter dagen had gekend, eer de zeeroovers hem van zijn vrijheid hadden beroofd, was menige nieuwstijding te weten gekomen, en allen luisterden gaarne naar hem, want te Pelusium waren schepen uit het Noorden aangekomen en deze hadden de slechte berichten, die men in het Sebasteum had gehoord, bevestigd en aangevuld.
Als men hem gelooven kon, dan wist hij alles zoo goed alsof hij den zeeslag zelf had bijgewoond, want hij verzekerde dat hij bij een gesprek van zijn heer met vele scheepsbevelhebbers en boden uit Griekenland tegenwoordig was geweest. Ook deed hij het voorkomen alsof hij een trouw dienaar was die goed zwijgen kon, en enkel mocht bevestigen of ontkennen wat de Alexandrijnen zelve reeds hadden vernomen. Intusschen bestond zijn geheele wetenschap in een verward samenraapsel van ware en onware feiten. Terwijl de Aegyptische vloot bij Actium was verslagen en Antonius met Cleopatra eerst gevlucht waren naar Taenarum aan de zuidpunt van den Peloponnesus, beweerde hij, dat het leger te land en de vloot elkander aan de Peloponnesische kust hadden ontmoet, en dat Octavianus Antonius vervolgde in de richting van Athene; Cleopatra zou onderwijl reeds op weg naar Alexandrië zijn.
Deze »zekere berichten" had hij opgemaakt uit enkele woorden die hij gehoord had onder den maaltijd, en ook terwijl de veldheer boden afzond en ontving. In andere opzichten echter was hij geloofwaardiger. Daar de haven van Alexandrië de laatste dagen afgesloten was geweest, hadden alle schepen in die van Pelusium mogen binnenloopen, en de kapiteins waren zoodoende verplicht geweest het eerst aan te komen bij Beryllus' meester, die de kommandant dier belangrijke grensvesting was.
Eerst den vorigen nacht was hij uit Pelusium vertrokken. De sterke wind had de triëre zoo snel voortgejaagd, dat de zeemeeuwen die bijna niet hadden kunnen bijhouden. Dit wilden zijne toehoorders gaarne gelooven, want de storm loeide steeds heviger, en gierde door de open ruimte waarin de bedienden zich bevonden. De meeste fakkels en lampen waren reeds uitgegaan; uit de pekpannen steeg een dikke zwarte walm omhoog, waarin men de gele vlammen bijna niet meer kon onderscheiden, en alleen de gesloten lantaarns gaven nog een flauw licht. Het was dus in die met rook gevulde, akelige schuur somber genoeg.
Een der fouriers had voor wijn gezorgd om den tijd wat te korten; maar men durfde dien niet anders dan in het geheim drinken, en er waren geen bekers. Zoo gingen de kannen van mond tot mond, maar iedere teug werd gretig genoten, te meer daar de rook de kelen prikkelde. Beryllus moest dikwijls midden in zijn verhaal ophouden om al het gehoest, vooral van de vrouwen. Van alles wat hij zeide beweerde hij echter dat hij voor de waarheid instond, en vooral aan de voorteekenen die men te Pelusium aan zijn meester had medegedeeld, hechtte hij zelf veel waarde.
Eene der kamervrouwen van Iras vertelde hierbij ook van de zwaluwen, die op de »Antonias" het admiraalschip van Cleopatra, waren gezien. Zij dacht dat dit nog het slechtste voorteeken van allen was geweest. Maar Beryllus zag haar met zulk een medelijdenden glimlach aan, dat de verwachting der anderen nog hooger gespannen werd. De opperfourier riep dan ook op barschen toon den lastdragers een: »stilte!" toe. Nu hoorde men in de open zaal een tijdlang ook niets anders dan het langgerekte fluiten van den wind, nu en dan een commando aan de wachters vóór de koningshaven, en de stem van den vrijgelatene. Hij sprak zacht, om daardoor aan zijne geheimzinnige mededeelingen nog meer bekoring te geven.
Hij begon met hoogdravende loftuitingen op Cleopatra en Marcus Antonius, en herinnerde zijn toehoorders dat de imperator een afstammeling van Herakles was. Daarbij zouden de Alexandrijnen zeker wel weten, zeide hij, dat de Koningin »de nieuwe Isis" en Antonius »de nieuwe Dionysos" wenschten genoemd te worden. Ieder moest dan ook erkennen, dat hij in gelaat en houding veel meer op een god geleek dan op een mensch.
Voornamelijk te Athene had de imperator zich voor Dionysos uitgegeven. Daar was aan den gevel van het theater een voorstelling van den gigantenstrijd in reliëf-figuren te zien, een beroemd werk van een ouden beeldhouwer--dat hij goed kende--en uit dit aan beelden zoo rijk reliëf was door den storm een afgerukt, en welk zou dat geweest zijn? Geen ander dan dat van den god Dionysos, het afbeeldsel van Antonius, zooals hij eens, vóór de oogen der Atheners, in een priëel door wijnranken begroeid, had zitten drinken. De storm van heden was maar als de adem van een kind bij den orkaan, die het beeld van het harde marmer waarop het stond had kunnen losmaken. Maar de natuur spande dan ook al hare krachten in, als zij de kortzichtige menschen verkondigen moest welke wereldschokkende gebeurtenissen op handen waren.
Die laatste woorden sprak hij zijn heer na, die te Athene gestudeerd had, en wien zij uit de diep ontroerde ziel geweld waren, toen hij van een ander voorteeken hoorde, waarvan een schip uit Ostia de tijding medebracht. De bloeiende stad Pisaura....
Doch hier werd hij weder in de rede gevallen, want velen hadden al weken geleden gehoord, dat deze plaats in de zee verdwenen was, en zij hadden alleen de ongelukkige bewoners der stad betreurd.
Beryllus liet rustig toe dat zij zich zuiverden van de verdenking, als zou men te Alexandrië deze merkwaardige gebeurtenis minder spoedig gehoord hebben dan te Pelusium. Toen men hem vroeg wat dat met den oorlog te maken had, antwoordde hij eerst alleen met een stilzwijgend schouderophalen, maar nadat ook de opperfourier zijn nieuwsgierigheid had getoond, ging hij voort: »Dit voorteeken maakte een bijzonder diepen indruk, want wij wisten wat Pisaura was, of liever hoe het is ontstaan. De ongelukkige stad, die door den duisteren Hades verzwolgen is, behoorde op geheel bijzondere wijze aan Antonius, want in de dagen van zijn voorspoed had hij die zelf gesticht."
Bij deze woorden zag hij uitvorschend in het rond, en het ontbrak in den kring zijner toehoorders ook niet aan teekenen van ontzetting; eene kamervrouw zelfs gilde het uit, want juist op dat oogenblik had de storm een fakkel uit den ijzeren ring in den muur gerukt, en die vlak naast de luisterende schaar neergeworpen. De spanning scheen nu haar hoogste punt bereikt te hebben, en toch was het Beryllus aan te zien, dat hij zijn laatsten pijl nog niet verschoten had. De kamervrouw, die ook de anderen aan het schrikken had gemaakt, werd weer kalm. Zij scheen nu nog het allermeest te verlangen naar iets nieuws en verschrikkelijks, en zij bad den vrijgelatene met een smeekenden blik, dat hij toch niets van wat hij wist zou verzwijgen.
Hij zag echter hoe het angstzweet op haar voorhoofd stond, en zeide: »Van het hooren alleen zijt gij reeds buiten u zelve. De steenen beelden zijn van een hardere stof dan gij, en toch bezitten ook zij een ziel. Zij zijn of hard of zacht van gemoed, en brengen ons rampen of heelen onze smart naar dat zij ons goed of slecht gezind zijn. Ieder die zijne handen smeekend naar hen opheft, ondervindt dat. Zulk een standbeeld staat ook te Alba. Het stelt Marcus Antonius voor, tot wiens eer de stad het heeft opgericht. En dit beeld heeft vooruit gezien wat den man, wiens steenen dubbelganger het is, te wachten stond. Ja, luistert maar goed! Een dag of vier geleden liet zich bij mijn meester een scheepskapitein aandienen, en die man heeft in mijn bijzijn, zoo bleek als een doek, verhaald wat hij zelf had gezien. Het standbeeld van Antonius te Alba had zweetdroppelen op het gelaat gekregen; de geheele burgerij was er van ontzet; mannen en vrouwen kwamen met doeken om ze af te wisschen, maar steeds waren er meer gekomen, en dat dagen en nachten achtereen. Zoo had dus het steenen beeld vóórgevoeld wat den levenden Antonius overkomen zou. Het was vreeselijk geweest om te zien, zeide die man."
Hier hield de verhaler een oogenblik op, en door den geheelen kring der toehoorders liep een koude rilling. Te gelijk hoorde men in de lucht een geluid alsof er op een metalen schijf geslagen werd, en een oogenblik later vlogen allen op hun post.
Ook in den versierden doorgang waren de wachtenden opgestaan. Hier had men enkel zacht gefluisterd of gezwegen, de aangezichten hadden sinds lang angstig en somber gestaan, doch thans werden de meesten doodsbleek, en men durfde elkander bijna niet aanzien.
Archibius had het eerst van allen den rooden schijn van het licht op den vuurtoren ontdekt, die het sein was van een naderend koninklijk schip. Zóó vroeg had niemand dat nog verwacht, en daar voer het nu reeds voorbij den toren de koninklijke haven binnen. Het kon wel het admiraalsschip Antonias zijn, hetzelfde waarop de oude zwaluwen hunne jongen doodgebeten hadden.
Hoe hoog de golven ook gingen in de wel-beschermde haven, toch brachten zij het groote gevaarte slechts weinig in beweging. Een ervaren stuurman moest het voorbij de ondiepten en klippen aan de oostzijde der reede sturen; want in plaats van, zooals anders, om het eiland Antirrhodus te varen, zette het koers tusschen dit en de Lochias in, en naderde zóó in rechte lijn den ingang van de kleine koninklijke haven. Aan weerszijden daarvan werd in de pekpannen nieuwe hars en werk aangebracht om den weg beter te verlichten, en de menschen die aan wal stonden, konden nu duidelijk het schip onderscheiden.
Het was de Antonias, en toch weder de Antonias niet. De zegelbewaarder Zeno, die naast Iras stond terwijl zij haar mantel dichter om haar heen sloeg, maakte haar daarop opmerkzaam en fluisterde haar in het oor: »Het heeft iets van een vrouw die haar ouderlijk huis in bruidstooi heeft verlaten, en nu als een arme weduwe daarin terugkomt."
Bij deze woorden richtte Iras zich in haar volle lengte op, en antwoordde scherp: »Of van de zon, die door de nevelen omsluierd is, maar binnen korten tijd weder zoo heerlijk stralen zal als ooit."
»Dat hebt gij mij uit het hart gesproken," zeide de oude hoveling met warmte, »voor zoover het de Koningin betreft. Ik bedoelde natuurlijk niet haar, maar het schip. Gij waart ziek, en kondt dus niet zien hoe rijk met bloemen gesierd het was, toen de purperen zeilen geheschen werden, en het vertrok. En nu! Zelfs bij dit onzekere flikkerlicht kan men zien welk een schade het geleden heeft. Gij behoeft mij waarlijk niet te herinneren dat onze Cleopatra-zon hare oude kracht spoedig weer herwinnen zal, maar voor het oogenblik is het hier aan het water en in dien storm recht ijzig koud, en als ik aan het eerste wederzien denk...."
»Ach, was dit maar voorbij!" mompelde Iras, en wikkelde zich nog meer in haar mantel. Op eens overviel haar een huivering, want het kletterend geluid der zware kettingen die van den havenmond werden weggenomen, klonk akelig door de nachtelijke stilte, het was alsof een nachtmerrie alle aanwezigen benauwde, want het houten gevaarte, dat nu de haven binnenliep, kwam langzaam en stil als een spookschip nader. Er scheen geen leven meer te zijn op dat reusachtige, van menschen wemelende vaartuig, alsof de geheele bemanning aan een vreeselijke pestziekte bezweken was. Nu en dan een kommando en seinfluit der roeiers was het eenige teeken van leven aan boord. Op het onafzienbaar lange dek brandden slechts enkele lantaarns, omdat de schitterende verlichting die het anders had, de blikken van alle Alexandrijnen zou getrokken hebben.
Thans was het vlak bij de aanlegplaats gekomen. De toeschouwers volgden iedere beweging in ademlooze spanning, en zoodra het eerste touw aan de slaven toegeworpen werd, drongen eenige mannen in Grieksch gewaad tusschen hen door.
Zij brachten een gewichtige tijding die geen uitstel duldde bij den Regent Mardion, die voor den zegelbewaarder en Iras stond, het somber gelaat naar den grond gericht. Hij dacht er over na in welke bewoordingen hij de Koningin zou aanspreken, en het was mogelijk dat Cleopatra reeds binnen enkele oogenblikken aan wal stappen zou. Niemand die den lichtgeraakten, grilligen man kende, zou het wagen hem hierin te storen. En toch deed dat de Macedoniër, die zoo even alle blikken tot zich getrokken had. Het was de nachtstrateeg, het welbekende hoofd der politie van de stad.
»Een enkel woord slechts, heer," fluisterde hij den Regent toe, »al komt het u op dit oogenblik ongelegen."
»Dat komt het werkelijk zéér," antwoordde Mardion streng.
»Laat ons maar zeggen even ongelegen als uwe spoedige uitspraak noodzakelijk is. De koning Cæsarion en Antyllus hebben met eenige makkers een vrouw aangevallen. Zij hadden hun gezicht zwart gemaakt, en er is gevochten. Cæsarion en de geleider der jonge vrouw, een man die zeer gezien is in den Raad, zijn licht gewond. Te rechter tijd kwamen er lictoren bij. De jonge lieden worden aangehouden. Eerst weigeren zij hunne namen op te geven...."
»Cæsarion licht gewond? Toch niet gevaarlijk?" vroeg nu de Regent ongeduldig.
»Dat niet. Zoo spoedig mogelijk wordt de arts Olympus ontboden. Hij vindt een gat in het hoofd. De aangevallene had hem in den strijd onzacht op de straatsteenen geworpen."
»Dat was Dion, de zoon van Eumenes," zeide Iras, die oplettend toegeluisterd had, »en de vrouw is: Barine, de dochter van den schilder Leonax."
»Wist gij dat reeds?" vroeg de nachtstrateeg verbaasd.
»Dat schijnt zoo," antwoordde de Regent, en zag daarbij het meisje veelbeteekenend aan. En terwijl hij zich meer tot haar dan tot den Macedoniër richtte, voegde hij er bij: »Mij dunkt, wij moesten de jonge boosdoeners in vrijheid stellen en zoo stil mogelijk naar de Lochias brengen."
»Naar het paleis?" vroeg de beambte.
»Natuurlijk," verzekerde Iras. »Ieder naar zijn eigen vertrekken. Daar moeten zij dan afwachten wat er van komt."
»Het overige eerst na de verwelkoming," voegde de Regent er bij, en de nachtstrateeg verliet hem met een zelfbewusten groet.
»Al weder een onheil!" zuchtte Mardion.
»Jongensstreken," liet Iras er snel op volgen. »Maar nog erger rampen, als die bestaan, zouden minder dan niets zijn zoolang zij ons maar niet duidelijk voor den geest staan. Dit onaangename voorval moet voor de Koningin verzwegen blijven. Het is nu nog maar een kleinigheid, en dat moet het blijven. Het staat in onze hand den vergiftigen boom, waarvan het de vrucht is, met wortel en tak uit te roeien."
»Gij ziet er uit, alsof niemand dat beter zou doen dan gij," zeide de Regent, »en daarom draag ik het bij dezen aan u op. Het is het laatste, wat ik in de afwezigheid der Koningin te bevelen heb."
»Het zal niet ontbreken aan mijn ijver," verzekerde zij.
Nu zag zij naar de landingplaats en ontwaarde Archibius, die daar alleen en zich in zich zelven gekeerd naar den grond staarde. Een oogenblik dacht zij er aan haar oom te vertellen wat zij zoo even had gehoord; maar spoedig kwam zij van haar voornemen terug, en van de fijne lippen klonk het vastberaden: »neen!"
Haar vriend was een steen op haar weg geworden, en als het dan zoo zijn moest, zou zij wel middelen vinden om ook hem uit den weg te ruimen, in weerwil van zijn zuster Charmion en de oude banden die hem aan Cleopatra hechtten. Hij was zwak geworden met de jaren, doch Charmion was dat altijd geweest. Ware Iras' harteleed niet zoo groot geweest, dan zou zij nu tijd genoeg gehad hebben, reeds nu te bedenken hoe zij dat bewerkstelligen zou.
Toen het groote admiraalschip reeds vastgemeerd lag, duurde het nog eenige minuten eer de eersten die het verlieten, den steiger betraden. Dat waren twee pastophoren[16] van Isis, die den beker van Nektanebus, die tot de tempelschatten der godin behoorde, bewaakten en in een beschilderde kist droegen. Op deze volgde de eerste kamerdienaar van Cleopatra. Hij meldde met gedempte stem de komst der Koningin, en gaf bevel om ruimte voor haar te maken. Van de landingsplaats tot aan de poort van het Bruchium en die aan de noordzijde, tegenover de paleizen op de Lochias, werd een dubbele rij fakkeldragers opgesteld, want men wist niet waar Cleopatra aan wal stappen zou. De kamerdienaar verzekerde intusschen dat zij althans dezen nacht zou doorbrengen op de Lochias, waar hare kinderen woonden, en hij beval dat men de meeste fakkels uitblusschen zou.
[16] Aegyptische priesters.
Mardion, de zegelbewaarder, Archibius en Iras stonden vóór al de overigen bij de brug, toen er eindelijk beweging ontstond op het schip, en de Koningin verscheen, voorafgegaan door eenige lantaarndragers, en met een groot gevolg van hofbeambten, pages, kamervrouwen en slavinnen.
Met haar kleine hand op den arm van Charmion, trad zij met hoog opgericht hoofd aan land. Een dichte sluier bedekte haar hoofd en aangezicht, een donker wijd opperkleed haar tengere gestalte. Doch hoe veerkrachtig was nog altijd haar tred, hoe trotsch en bevallig haar houding en gang, terwijl zij Mardion en Zeno een groet toewuifde.
Aan Iras, die voor haar op de knieën gevallen was, stak zij hare hand toe, ten teeken dat zij op moest staan, en terwijl zij haar op het voorhoofd kuste, fluisterde zij: »Hoe is het met de kinderen?"
»Alles goed," antwoordde het meisje zacht.
Daarop begroette de aangekomene ook de anderen met een minzaam handgebaar, maar zij sprak niemand toe, alvorens de Regent naderbij trad om het woord tot haar te richten. Met een kort: »Dat later!" ging zij hem echter voorbij. En toen Zeno het portier van haar draagkoets opende, klonk het met gedempte stem: »Ik ga te voet. Na al dat dobberen op de golven, kan ik mij van geen draagstoel bedienen. Er is nog veel te overleggen, en onderweg is mij iets ingevallen. Ik moet den haven-admiraal en zijn voornaamste raadslieden, de krijgsbevelhebbers, en de bestuurders der land- en zeemacht bij mij zien; vooral ook den aristarch en Gorgias. Er is haast bij. In twee uur, neen, in anderhalf, moeten zij hier zijn. Ik moet hunne plannen en kaarten van de Oostelijke grens nazien. Vooral de vertakkingen der rivier en de kanalen van de Delta zijn van belang."