Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 13
»Ik zal aan uw raad denken," antwoordde Gorgias, »doch daar zie ik reeds weder zes oogen, die om inlichtingen vragen. Er is zooveel gewichtigs te doen, en men besteedt zijn tijd aan het bouwen van triomfbogen voor verslagenen, en tropeeën voor een nederlaag! Toch heeft uw oom bevolen het werk zoo prachtig mogelijk uit te voeren. De wegen van het lot en van de grooten der aarde zijn duister; dat de uwe door een helder zonlicht bestraald worde! Wij hooren natuurlijk nog wanneer gij bruiloft viert, en als ik kan, dan kom ik ook een lied voor Hymen zingen. Gelukkige, die gij zijt! Daar word ik alweder geroepen. Mogen Castor en Pollux en alle goden die de reizigers beschermen, Aphrodite en alle Eroten uw tocht naar het land aan het meer en naar het rijk van Eros en Hymen begunstigen!"
Hierop drukte de hartelijke man zijn vriend voor het eerst aan zijn borst en Dion liet dit gaarne toe, en met den uitroep: »Tot weerziens in Irenia op mijn trouwdag, mijn beste, trouwe vriend!" drukte hij hem de vereelte rechterhand.
Dion vertrok in den wagen die voor hem gereed stond, terwijl Gorgias hem met zorg nazag.
Nog was de purperen mantel, dien Dion ook heden droeg, niet uit zijne oogen verdwenen, of hij hoorde vlak achter zich een luid gekraak, geraas en gedreun. Een vluchtig opgeslagen steiger, die de katrollen droeg waar mede het beeld moest worden opgeheschen, was ingestort. De schade kon gemakkelijk worden hersteld, maar dit voorval maakte op den bouwmeester toch een pijnlijken indruk. Hij was een kind van zijn tijd, en het was dus zijn plicht als bedachtzaam man om op voorteekenen acht te geven. Bovendien had de ondervinding hem ook geleerd, dat als hem bij zijn werkzaamheden iets dergelijks overkwam, daarop gewoonlijk iets droevigs voor een zijner vrienden volgde. Wat nu misschien het jonge paar dat hem zoo dierbaar was, te wachten stond, was onder den sluier der toekomst verborgen, maar hij besloot voor Dion goed uit de oogen te blijven zien, en Archibius te verzoeken hetzelfde te doen.
Onder den arbeid werd dit onaangename gevoel echter weldra tot zwijgen gebracht. De schade was spoedig hersteld, en daarna deelde Gorgias zijne bevelen weer uit, nu eens met de eene, dan weder met een andere tafel of rol in de hand.
De avond begon te vallen, en vóór den nacht, waarin storm en regen kon komen, reed hij op zijn muildier nog eens naar het Bruchium, om te zien hoe het werk daar vorderde en nieuwe beschikkingen te maken, want het moest den geheelen nacht daar voortgezet worden. Het begon uit het Noorden zoo hevig te waaien dat het moeite kostte de fakkels en lampen aan te houden. De wind dreef hem den regen in het gelaat, en hij zag tegenover de haven en den vuurtoren nog zware wolken hangen. Alles voorspelde een kwaden nacht, en weder overviel hem dat sombere gevoel alsof er een onheil te wachten stond. Toch was hij met ijver en zorgvuldigheid bij het werk, en hielp zelfs mede waar dit noodig bleek. Het was nu geheel donker geworden, en geen enkele ster stond aan den hemel. Zelfs werd het zoo koel, dat Gorgias eindelijk zijn lijfslaaf veroorloofde hem zijn mantel om te slaan. Terwijl hij de kap over zijn hoofd trok, zag hij een stoet menschen en draagstoelen naar de Lochias trekken.
Misschien waren het de koningskinderen, die van een uitstapje terugkeerden. Toch schenen het eerder gewone burgers te zijn, die zich tot een feest der overwinning opmaakten, want op dit oogenblik geloofden alle menschen aan een zegepraal en den goeden afloop van den oorlog. Dit bewees het gejubel en de vreugdekreten dergenen die zich, in weerwil van het slechte weder, nog altijd in den omtrek van de haven bevonden.
Juist was de laatste fakkel van den stoet Gorgias voorbij gedragen, en had hij bij zichzelven overlegd dat de draagstoelen die tot het koninklijk huis behoorden, niet zoo slecht verlicht moesten worden, of een man met een lantaarn in de hand kwam snel van de andere zijde aanloopen. Het flikkerende licht viel op een gerimpeld gelaat, en toonde hem den ouden Phryx, den huisslaaf van Didymus, die hij had leeren kennen in den tijd toen het opschrift voor het pas gebouwde Odeum door den oude geleerde was vervaardigd. De grijze dienaar had hem toen menigmaal veranderingen in het eerste ontwerp van zijn heer moeten overbrengen, en Gorgias daaraan nog gisteren herinnerd.
De arbeiders hadden middelerwijl het standbeeld bij helder fakkellicht en onder eentonig gezang, op het voetstuk gezet, en zij waren nu bezig de touwen, katrollen en hefboomen op te bergen, toen de bouwmeester den slaaf herkende.
Wat kwam die oude man daar zoo laat nog doen? Op eens kwam hem de ingestorte steiger weder in de gedachte. Zocht de slaaf hulp voor iemand van het gezin? Had Helene hem misschien noodig?
Hij hield den ouden man staande, en deze beantwoordde zijne vraag met een diepen zucht en het spreekwoord: »een ongeluk komt nooit alleen." Daarop ging hij voort: »Gisteren was er rede tot groote vrees, en toen er heden zooveel blijdschap bij ons was om Barine, dacht ik dadelijk: »na vreugde leed!" de tweede ramp zal ons niet gespaard worden. En zoo is het dan ook!"
Gorgias vermaande hem alles wat er gebeurd was nauwkeurig te verhalen, en nu kwam de oude naderbij en fluisterde hem toe dat de jonge Philotas uit Amphissa, die een leerling en helper van Didymus was, en een wellevend jonkman van goede familie, naar een gastmaal was gegaan, waarop Antyllus, Antonius' zoon, eenige van zijn medestudenten genoodigd had. Dat was wel meer gebeurd, en daarom had hij, de oude Phryx, hem gewaarschuwd, want als de kleinen met de grooten omgaan, komen de eerste er zelden zonder kleerscheuren af. De jonge man, die overigens niet slechter was dan de andere epheben, was van zulke feesten altijd teruggekomen met een rood gezicht en onvasten gang, maar heden had hij zelfs zijn kamertje op de bovenverdieping niet kunnen wedervinden. Alsof hij door vervolgers achterna gezeten werd, was hij het huis binnengedrongen, en toen hij de trap wilde opvliegen--of eigenlijk was het maar een vaststaande ladder--had hij een misstap gedaan en was gevallen. Hij voor zich geloofde niet dat hij zich had bezeerd, want geen enkel lid deed hem pijn als men het aanraakte of het uitrekte, en de beschonkenen stonden immers in de hoede van Dionysos; maar het scheen wel of er een booze geest in hem gevaren was, want hij deed niets dan kreunen en weenen, en bleef op alle vragen het antwoord schuldig. Nu wist hij wel van de Dionysosfeesten, dat deze jonge man als hij te veel gedronken had altijd jammerde, maar ditmaal moest er toch iets bijzonders met hem zijn gebeurd, want vooreerst was zijn gezicht zwart gemaakt, en zag het er afschuwelijk uit nu de tranen het roet op vele plaatsen hadden afgewischt, maar daarbij sprak hij enkel wartaal. Het was iets verschrikkelijks!
Toen men hem naar zijn kamer had willen brengen, had hij zich met handen en voeten verweerd. Daarom geloofde Didymus zelf, dat demonen zich van hem hadden meester gemaakt, zooals niet zelden gebeurde wanneer iemand van de trap was gevallen en op zijn hoofd neergekomen, en daardoor bij de aardgeesten aangeklopt en hen gewekt had. Wel zeker, demonen zouden het wel zijn, maar zooals hij dacht, geen andere dan die van den wijn. De student had zich zeker daaraan te buiten gegaan. Maar de oude philosoof hield bijzonder veel van dezen leerling, en had hem bevolen Olympus te gaan halen, die zoo lang hij zich herinneren kon, de arts van het huis was.
"De oude lijfarts van de Koningin?" vroeg Gorgias afkeurend, en toen de slaaf dit bevestigde, zeide hij: »Dat is in mijn oogen niet goed, dien eerwaardigen grijsaard met zulk een fellen Noordenwind ter wille van zoo iets te laten uitgaan. De ouderdom is tegenover den ouderdom nooit bijzonder barmhartig. Ik kan, nu dat ding daar eindelijk op zijn plaats staat, wel voor een half uurtje mijn post verlaten, en ik ga met u mede. Ik zou denken dat om deze demonen te bezweren, geen lijfarts noodig is."
»Dat is goed, heer," riep de slaaf, »maar Olympus is een vriend van ons. Hij bezoekt nog maar weinig zieken, maar bij ons komt hij door alle weer en wind. Hij bezit ook draagstoelen, wagens en prachtige muildieren. De Koningin geeft hem alles wat het beste en gemakkelijkste is. Hij is wijs en kan misschien spoedig helpen. Wat men krijgen kan, daar moet men gebruik van maken."
»Alleen als het noodig is," hernam de bouwmeester. »Daar staan mijn beide rijdieren, volg gij mij op het tweede, en als ik met de booze geesten niet klaar kom, dan is het nog altijd tijd genoeg om den lijfarts te halen."
Deze voorslag behaagde den ouden man, en korten tijd daarna trad Gorgias het tablinum van den philosoof binnen.
Helena heette hem welkom alsof hij een oud vriend was. Zoodra hij maar verscheen, dacht zij, was het gevaar reeds half voorbij. Ook Didymus was blijde hem te zien, en leidde hem het kleine vertrek binnen, waar de jongeling op een divan lag.
Hij steunde en jammerde nog steeds. De tranen liepen hem over de wangen, en zoodra een lid van het gezin hem naderde, stootte hij hem weenend van zich af. Toen Gorgias echter zijne beide handen vasthield en hem streng beval te bekennen wat hij zich te verwijten had, toen zeide hij snikkend dat hij de ondankbaarste booswicht op aarde was. Zijn slechtheid had zijn goede ouders, hem zelven en zijn vrienden te gronde gericht. Daarop beschuldigde hij zich, dat door zijn toedoen Didymus' kleindochter in her verderf werd gestort. Hij zou zeker niet weder naar Antyllus zijn gegaan, als deze hem niet kort geleden door zijne grootmoedigheid opnieuw tot zich getrokken had.
Maar nu moest hij er voor boeten, ja boeten.... en hij stamelde dit woord »boeten" zoo onophoudelijk, dat er vooreerst niets anders uit hem te krijgen was.
Intusschen bezat Didymus den sleutel op dit raadsel. Enkele weken geleden was Philotas met andere leerlingen van den rhetor wiens lessen in het Museum hij volgde, door Antyllus op een ochtendmaaltijd uitgenoodigd. Toen de student de fraaie gouden en zilveren bekers waaruit gedronken werd, zoo luide bewonderde, had de overmoedige jonge gastheer gezegd: »Welnu, zij zijn voor u, neem ze maar mede!" Philotas had dit eerst niet voor ernst opgenomen, maar bij het heengaan had de schenker hem aangemoedigd het geschenk aan te nemen. Antyllus had hem immers de bokalen vereerd? Maar hij raadde den jongen man aan, zich de waarde in geld te laten betalen, want er waren eenige oude kunstig bewerkte stukken onder, die Antyllus' vader, Antonius, misschien ongaarne zou missen.
Daarop had hij den verbaasden jongeling verscheidene rolletjes goudstukken in de hand gegeven. Doch dit geld had hem niet veel goeds gebracht, want daardoor was het hem mogelijk geworden met rijke, aanzienlijke mede studenten om te gaan en deel te nemen aan hunne uitspattingen. Toch had hij bij Didymus altijd trouw zijn plicht gedaan.
Al had hij dikwijls den nacht tot dag gemaakt, tot nu toe had zijn gedrag geen ernstige reden tot klagen gegeven. Kleine zonden zag men hem gaarne over het hoofd, omdat hij een aardige, vroolijke jonkman was, die de kunst verstond zich bij ieder lid van het huisgezin, ook bij de vrouwen, aangenaam te maken.
Maar wat was den beklagenswaardigen jongeling nu toch overkomen? Didymus had het grootste medelijden met hem, en hoewel hij Gorgias dankbaar was voor zijn komst gaf hij hem toch te verstaan, dat het wegblijven van den arts hem verdroot.
De bouwmeester was echter in zijn veeljarig jonggezellen leven in het Dionysos-vereerende Alexandrië vertrouwd geraakt met ziekten als die van Philotas, en wist hoe men dergelijke lijders behandelen moest. En nadat men Gorgias verscheidene kannen water gebracht en eenigen tijd met den lijder alleen gelaten had, verheugde de philosoof zich in stilte toch ook dat hij den lijfarts niet door het stormachtige weer had laten komen. Spoedig bracht Gorgias zijn leerling met natte haren, maar overigens in een toestand van snel vorderend herstel weder bij hem.
Het fraaie gelaat van den jongeling was nu ontdaan van het roetzwart, doch hij zag beschaamd naar den grond, en sloeg zich nu en dan voor het hoofd. De philosoof had al zijn redeneerkunst noodig om hem aan het spreken te brengen, en Philotas verzocht vóór hij begon, dat Helena hem met de mannen alleen zou laten.
Hij was van plan zich stipt aan de waarheid te houden, doch vreesde dat de onzinnige streek, waartoe hij zich had laten overhalen, noodlottige gevolgen kon hebben voor zijn geheele leven. Hij hoopte echter op goeden raad, vooral van den bouwmeester, die hem nu zoo goed geholpen had, en wiens vriendelijke persoonlijkheid hem vertrouwen inboezemde. Den grijsaard was hij zooveel verplicht, dat hij hem nu ook oprechtheid schuldig was,--en toch durfde hij hem één der beweegredenen zijner dwaze handelwijze niet bekennen.
De aanslag, waarin hij zich had laten meeslepen, was op Barine gemunt geweest. Hij had reeds lang gedacht dat hij haar beminde met al den gloed van zijn twintigjarig hart. Kort vóór hij naar dat noodlottige gastmaal ging, had hij evenwel gehoord, dat zij hare hand aan Dion had beloofd. Dat had hem diep gegriefd, want in menig stil uur had hij het voor mogelijk gehouden haar voor zich te winnen, en haar als echtgenoot binnen te leiden in zijn ouderlijk huis te Amphissa. Hij was immers maar weinig jonger dan zij, en als zijne ouders haar maar eerst hadden gezien, zouden zij zijn keus zeker billijken. En de andere menschen te Amphissa hadden Barine voor een godin moeten houden!
Doch nu was de voorname heer gekomen, die zijn hoop den bodem ingeslagen had. Zeker, er was nooit van liefde tusschen hem en Barine sprake geweest, maar hoe vriendelijk had zij hem altijd aangezien, en hoe gaarne zijne kleine diensten aangenomen! Nu was zij voor altijd voor hem verloren.
In het eerst had hij dit alleen bedroevend gevonden, maar toen hij veel wijn had gedronken en Antyllus bij den maaltijd, waarvan Cæsarion symposiarch[14] was, Barine beschuldigd had de harten door magische kunsten te betooveren, toen was hij op eenmaal tot de overtuiging gekomen, dat zij die ook op hem had toegepast.
[14] Leider van het gastmaal.
Hij had zichzelven wijs gemaakt dat hij haar òf als speelgoed had gediend, òf dat zij van hem had gehouden en alleen de voorkeur gegeven had aan Dion om zijn rijkdom. In ieder geval geloofde hij reden genoeg te hebben om op haar vertoornd te zijn, en bij iederen beker dien hij ledigde, nam zijn wrok toe.
Juist toen had men hem verzocht mee te doen aan de dwaze streek, die nu zoo zwaar op zijn geweten drukte, en hij had gretig daarin toegestemd, om haar te straffen voor het onrecht, dat hem in zijn verhitte verbeelding door haar was aangedaan.
Dit alles verzweeg hij echter voor de oude lieden, en verhaalde alleen in het kort van het prachtige gastmaal, dat Cæsarion zoo bleek en onverschillig als altijd, geleid had, en dat vooral door den dollen overmoed van Antyllus opgevroolijkt was.
De »Koning der koningen" en de zoon van Antonius hadden, onder voorwendsel van op de jacht te gaan, zich van hunne gouverneurs bevrijd. Zij hadden gezegd dat de opperjachtmeester hun dit genoegen wilde verschaffen en dat zij hem beloofd hadden 's morgens vroeg gereed te zullen zijn voor een tocht in de woestijn. Toen na den maaltijd de mengvaten neergezet en de bekers nog sneller gevuld werden, had Antyllus met Cæsarion allerlei dingen in stilte besproken en het gesprek gebracht op Barine, de schoonste der schoonen, die door de goden bestemd was voor den grootste en hoogstgeplaatste van allen. Dat was immers »de Koning der koningen" Cæsarion, en daarom mocht hij rekenen op de gunst der hemelsche machten. Maar men wist ook dat Aphrodite zichzelve voor nog grooter hield dan den hoogsten koning, en daarom waagde Barine het, voor den symposiarch hare deur te sluiten, op een wijze die niet alleen voor hem, maar voor de geheele jeugd van Alexandrië krenkend zijn moest. Alles wat zich »ephebe" noemde moest de vuist ballen van verontwaardiging, als hij hoorde dat de overmoedige jonge vrouw de jeugd op een afstand hield, omdat zij alleen oudere mannen hare aandacht waardig keurde.
Dat mocht zoo niet blijven! Veeleer moesten de jongelingen van Alexandrië haar hunne macht doen gevoelen. En dit werd des te dringender bevolen, daar Cæsarion hierdoor het doel zijner wenschen bereiken zou.
Barine zou dien avond de stad verlaten. De beleedigde Eros zelf wees hen daardoor den weg. Hij gebood hun haar wagen aan te houden en haar te brengen bij den jongeling, die in naam der geheele jeugd op zich nam haar te bewijzen dat de hartstocht der epheben, die zij van zich verwijderde, vuriger was dan die der oudere mannen die zij om zich heen duldde.
Hier viel Gorgias den verhaler in de rede met een luiden uitroep van misnoegen, en de oogen van den ouden Didymus schenen uit hunne kassen te willen komen, toen hij zijn leerling met barsche stem een ongeduldig »ga voort!" toeriep.
En Philotas, die nu weder geheel ontnuchterd was, schilderde met levendige kleuren hoe wonderbaar de stille Cæsarion veranderd was. Hij scheen werkelijk betooverd te zijn, want nauwelijks hadden Antyllus' makkers hem toegejuicht en zich bereid verklaard de jeugd van Alexandrië aan Barine te wreken, toen »de Koning der koningen" eensklaps opstond van de rustbank, waarop hij tot zoolang bijna onverschillig gelegen had, om met fonkelende oogen uit te roepen dat, wie zich zijn vriend noemde, hem bij dezen aanval helpen moest.
Hier werd hij door een tweede ongeduldig »ga voort!" tot grooter spoed gedrongen, en nu verhaalde hij minder uitvoerig hoe zij hunne aangezichten zwart gemaakt en zich met zwaarden en lansen gewapend hadden. Tegen zonsondergang waren zij in een overdekte boot door het Agathodemonkanaal naar het Mareotische meer gevaren. Het bleek dat alles goed van te voren beschikt was, want zij waren precies op het aangegeven uur aangeland.
Daar zij zich op het water steeds met krachtigen wijn hadden versterkt, had hij al moeite gehad om aan wal te stappen en had zich door de anderen laten voortsleepen. Verder wist hij niets meer, dan dat hij zich te gelijk met hen had geworpen op een groote harmamaxa[15], en daarbij gevallen was. Toen hij opstond was alles voorbij.
[15] Gesloten Aziatische reiswagen op vier wielen.
Als in een droom had hij gezien hoe Scythen en andere bewakers der veiligheid Antyllus hadden aangegrepen, en hoe Cæsarion op den grond met een ander lag te worstelen. Als hij zich niet vergiste, den was dat Barine's verloofde, Dion geweest! Al deze mededeelingen waren door menigen uitroep van ongeduld en verontwaardiging afgebroken, en nu stootte Didymus, buiten zich zelven van angst, de vraag uit: »En het kind--en Barine?"
Doch Philotas kon geen antwoord geven dan een sprakelooze hoofdbuiging, en de toorn overmande daardoor zoo zeer den ouden philosoof, dat hij zijn leerling bij den chiton greep, hem schudde, en toornig toeriep:
»Weet gij het niet, booswicht? In plaats van haar te beschermen zooals het uw plicht was tegenover een kind van mijn huis, hebt gij medegedaan met lichtzinnige verkrachters van zeden en recht, als een handlanger van deze schaamtelooze aanranders in het koninklijk purper gekleed?"
De bouwmeester bracht den vertoornden grijsaard in eerbiedige bewoordingen onder het oog, dat op het oogenblik alles moest achterstaan bij de noodzakelijkheid om Barine en Dion te laten opsporen. Zijn hoofd liep om van al zijn werk, maar toch wilde hij spoedig met zijn opzichter alles bespreken en daarna zelf beproeven zijn vriend weder te vinden.
»En ik," riep de oude man, »moet aanstonds naar mijn ongelukkig kind. Breng mijn mantel Phryx, en mijn sandalen!"
En toen Gorgias hem vermaande aan zijn leeftijd en het stormachtige weer te denken, ging hij driftig voort:
»Ik ga, zooals ik heb gezegd. Al moest de storm mij op den grond werpen en de bliksemstraal van Zeus mij treffen, wat geef ik daarom! Op een onheil meer of minder komt het niet aan, in een leven dat ééne aaneenschakeling van rampen is. Drie zonen heb ik begraven in den bloei van het leven, en twee heb ik verloren in den oorlog. Barine was mijn oogappel, en dwaas die ik was, heb ik haar zelf geketend aan den booswicht, die haar zonnig leven voor goed verduisterd heeft, en nu ik haar gelukkig dacht, en beveiligd voor zorg en miskenning, aan de zijde van een voortreffelijk man, wordt misschien haar verloofde gewond of zelfs vermoord door die vervloekte booswichten, die door hunne hooge geboorte aan mijn wraak ontsnappen! Zij sleepen haar goeden naam en mijne grijze haren door het slijk. Mijn tuinhoed Phryx, en mijn staf!"
Sinds lang woedde de storm om het huis aan de zee, en het zeil dat gespannen was boven de opening van het impluvium, rukte met luid geraas aan de metalen ringen die het vasthielden. Nu kwam er zulk een hevige windvlaag, dat twee vlammen van de drie-armige lamp uitwoeien. Tegelijk werd de huisdeur geopend, en de Nubische portier van vrouw Berenice kwam binnen, druipend van den regen, en met de kap van zijn mantel over zijn bruine hoofd. Hij was in een deerniswaardigen toestand, en kon in het eerst niet den groet en al de vragen der mannen beantwoorden. Helena had zich bij hen gevoegd en hield den arm van haar grootmoeder vast. De bode was geheel buiten adem van het loopen, doch eindelijk kon hij zijn boodschap overbrengen. Het was niet veel. Barine liet hen enkel weten, dat, wat zij ook mochten gehoord hebben, haar moeder en zij ongedeerd waren. Dion had een wond aan den schouder gekregen, maar dat was niet erg. Zij verpleegde hem met hare moeder. Haar grootouders konden zonder zorg zijn; de aanslag die tegen haar ondernomen was, was volkomen mislukt.
Vrouw Doris die zeer doof was, had te vergeefs met de hand aan haar oor getracht iets van dit alles op te vangen, en nu zeide Didymus wat Helena hiervan aan hare grootmoeder overbrengen moest. De oude vrouw placht naar de lippen van het meisje te zien, en verstond haar beter dan een ander. Het verheugde Didymus natuurlijk dat zijn lieveling aan het gevaar ontkomen was, maar toch was hij nog niet geheel gerust. Ook Gorgias vreesde het ergste nog. Hij wilde zelfs uitgaan op nadere berichten, en verzekerde den grijsaard dat hij, zoodra hij die ingewonnen had, bij hem terugkomen zou. Daardoor alleen kon hij hem afhouden van een nachtelijken tocht door den storm.
De student Philotas vroeg smeekend met betraande oogen of men hem als bode wilde gebruiken, doch Didymus beval hem ter rust te gaan. Hij zou later wel een gelegenheid vinden om goed te maken wat hij door zijn lichtzinnigheid bedorven had.
In het stille huis van den geleerde werd dien nacht niet aan slapen gedacht. Gorgias vertrok, en Helena uitte den wensch om door den ouden portier naar hare zuster gebracht te worden, maar dien kon Didymus niet inwilligen. Hij bleef nu met zijn vrouw in het tablinum alleen. Men had haar enkel gezegd dat Barine door dieven was aangevallen, die haren verloofde licht hadden gewond; maar haar hart en het gedrag van haren man maakten het haar duidelijk dat haar iets verborgen werd. Zij zou er gaarne meer van weten, maar Didymus vond het op dit oogenblik bezwaarlijk haar met zoo luide stem nog meer mede te deelen, en daarom moest zij haar verlangen nu tot zwijgen brengen. Doch niemand ging ter ruste, omdat zij eerst de terugkomst van den bouwmeester wilden afwachten.
Didymus was in een leunstoel neergevallen, en vrouw Doris zat in een hoek aan haar spinnewiel, zonder den draad van het spinrokken af te winden. Toen zij haar echtgenoot hoorde zuchten en het hoofd in zijn handen zag verbergen, stond zij op, ging op haar stokje geleund naar hem toe, en streek hem met de hand over het bijna kale hoofd. Zij sprak hem daarbij troostend toe, en toen zij de bedroefde uitdrukking toch nog niet uit zijn gelaat verdwijnen zag, herinnerde zij hem op hare hartelijke, vriendelijke manier hoe menigmaal zij reeds de wanhoop nabij geweest waren en toch alles altijd weer goed afgeloopen was.