Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 12
In de oogen van het meisje schitterde bij deze verklaring zulk een boosaardige gloed, dat Archibius een rechtmatigen vrees begon te koesteren voor de dochter van zijn overleden vriend. Ofschoon nu nog geen eigenlijk gevaar Barine dreigde, zijn nicht kon haar dat op den hals halen. Dion had hem verzocht te zwijgen, maar ook indien hij had mogen spreken, toch zou hij het nu niet gedaan hebben. Zooals hij Iras kende, wist hij dat zij geen middel schuwen zou om den vriend harer jeugd en Barine ten val te brengen, zoodra zij hooren zou, dat deze zich tusschen hem en haar had geplaatst. Hij dacht aan de edele Macedonische jonkvrouw, die de Koningin in het begin voorgetrokken had boven haar, en wier dood zij door allerlei listige kuiperijen veroorzaakt had. Wel waren weinig vrouwen verstandiger, en als zij eenmaal liefhad, trouwer en volgzamer, in goede oogenblikken zelfs aantrekkelijker dan zij, maar reeds als kind had zij liever kromme dan rechte wegen bewandeld. Het was altijd geweest alsof haar scherpzinnigheid het beneden zich rekende hare wenschen door voor de hand liggende middelen te bereiken. Zijn moeder en zijn tweede zuster Charmion hadden er altijd een genoegen in gevonden voor de slaven te zorgen, en hen, als zij ziek waren, te verplegen. Charmion's Nubische kamervrouw Anukis was zelfs zulk een trouwe vriendin van haar geworden, dat zij voor haar in den dood zou zijn gegaan. Ook Cleopatra had als kind gaarne aan de ziekelijke grijze huisbezorgster van haar ouders bloemen gebracht, en aan haar bed gezeten, om haar met haar vroolijk gebabbel den tijd te verkorten. Dit had zij geheel uit zich zelve gedaan, zonder dat iemand het haar zeide, doch bij Iras was alles anders. Zij was dikwijls gestraft, als zij in haar ouderlijk huis, waar ook vele slaven gehouden werden, het leven dezer ongelukkigen onnoodig zuur maakte. Dat had haar oom reeds vroeg reden tot bezorgdheid gegeven en ook later had hij haar om haar trotschen omgang met hare minderen, onmogelijk onder de goede vrouwen kunnen rekenen.
De trouwe, onbaatzuchtige liefde, waarmede zij zich tot nu toe aan den dienst der Koningin had gewijd, was hem echter meegevallen. Cleopatra had, op den wensch zijner zuster Charmion, Iras haar tot helpster gegeven, en het meisje, dat voor hare eigen moeder geene liefdevolle dochter was geweest, had zich nu met innige hartelijkheid aan hare gebiedster gehecht. Dat waardeerde Archibius zeer in haar, maar hij wist wat andere menschen van haar te wachten hadden, zoo zij hen haatte. Bij de vrees dat zij Barine in wezenlijk gevaar zou brengen, kwam nu nog de grootere angst voor Cleopatra. In de droevige overtuiging dat hij machteloos stond tegenover de kwade bedoelingen zijner nicht, wilde hij afscheid nemen, toen de gedachte dat iedere tijding het eerst in het Sebasteum en tot haar zou komen, hem nog terughield. Het kon toch licht eene zijn die hij met zijn kalm doorzicht beter begrijpen kon dan zij. Haar geest geleek op dit oogenblik in zijne oogen op een stilstaand water, dat door daarin geworpen steenen troebel was geworden.
De vertrekken van zijn zuster Charmion, die door een gang met de hare verbonden waren, stonden ledig. Zij verzocht hem daar een weinig rust te nemen. Zij zelve dreigde te sterven van angst en onrust; het zou een weldaad voor haar zijn, indien zij hem in hare nabijheid wist.
Eerst aarzelde Archibius, want het was zijn plicht Cæsarion, op wien hij wel eenigen invloed had, op het hart te drukken dat hij uit liefde voor zijn moeder van zijn dwaze wenschen moest afstand doen. Iras verzekerde hem echter, dat hij hem nu niet vinden zou, want hij was met Antyllus en eenige vrienden op de jacht; zij had dat plan goedgekeurd, omdat het hem van de stad en het noodlottige huis van Barine verwijderd hield.
»Daar de Koningin hem nog onkundig laten wil van het verschrikkelijke nieuws," zeide zij, »zou zijne aanwezigheid ons maar in moeilijkheden gebracht hebben. Blijf gij alzoo hier, en zoodra het donker wordt, rijdt gij mede naar de Lochias. Mij dunkt, de ongelukkigen zullen bij het aan wal stappen gaarne uw welbekend gelaat zien, dat hen aan vroeger, beter dagen herinnert. Bewijs mij die weldaad, en blijf!"
Zij strekte hare beide handen naar hem uit, en hij drukte die en beloofde het haar.
De maaltijd was gereed, en beiden zetten zich aan tafel; doch hoe uitgezocht de spijzen ook mochten zijn, Iras roerde die in het geheel niet aan, en hij at slechts zeer weinig. Zonder het nagerecht af te wachten, stond hij op, om zich naar de vertrekken zijner zuster te begeven. Iras verzocht hem echter op den divan in het zijvertrek te blijven rusten, en hij willigde dit gaarne in. Maar ofschoon de kussens zacht waren en hij zeer naar slaap verlangde, hij kon die maar niet vatten. De onrust in zijn ziel hield hem wakker, en door het voorhangsel, dat Iras kamer van de zijne scheidde, heen, hoorde hij nu eens den lichten tred van het rusteloos heen en weer loopende meisje, dan weder het komen en gaan van boden, die kwamen hooren of er al tijdingen waren.
Zijn geheele leven trok nog eens aan zijn ziel voorbij. Cleopatra was de zon daarvan geweest, en nu kwam de zwarte wolk, die dit licht misschien voor altijd verduisteren zou. Hij, de leerling van Epicurus, die zich eerst in later jaren ook in de leerstellingen van anderen had verdiept, beschouwde de goden met hetzelfde oog als zijn meester. Evenals hij, zag hij in hen zalige, onsterfelijke wezens, zonder zorgen en zich zelven genoeg, tot wie men moest opzien enkel om hunne volmaaktheid, doch die zich evenmin bekommerden om het bestuur der wereld dat van eeuwige wetten afhankelijk was, als om het lot der enkele menschen. Ware hij van het tegendeel overtuigd geweest, gaarne zou hij al het zijne geven om de hemelsche machten door middel van offers gunstig te stemmen voor haar, aan wie hij zijn leven had gewijd.
Hij bleef den geheelen nacht even onrustig als Iras was, en toen zij ook zijne voetstappen hoorde, riep zij hem toe, waarom hij niet sliep en zijne schade inhaalde? Want men kon met weten wat in de volgende nachten van hem geëischt zou worden. Hij antwoordde bedaard: »Men zal mij wakker vinden."
Nu trad hij aan het venster dat tegenover de pylonen voor het Sebasteum lag, en uitzag op het Bruchium en de zee. Het wemelde op dit oogenblik in de haven van schepen van allerlei grootte, die met kransen, vlaggen en wimpels waren versierd. Allen geloofden aan het gerucht van den goeden afloop van den eersten zeeslag, en velen verlangden er naar de vloot te begroeten en de Koningin bij hare aankomt toe te juichen.
Aan land, tusschen de alleenstaande hooge pylonen en de groote poort, die toegang verleende tot het Sebasteum, waren ook vele menschen, draagstoelen en voertuigen bijeen. De meeste hunner behoorden tot de aanzienlijke kringen der stad, en werden door rijk gekleede slaven gevolgd. Sommigen waren bekranst, en menige wagen was met gouden en zilveren sieraden, edelgesteenten en geslepen glas getooid. Vóór het paleis was een voortdurend heen-en-weder-geloop, en Iras, die naast haar oom was gaan staan, wees hem daarop en zeide: »Zie, wat het gerucht reeds uitwerkt! Gisteren kwam slechts een enkele, heden verdringen zich hier allen, die tot den kring der »onnavolgbare kunstenaars van het leven" behooren om iets van een bericht op te vangen. De overwinning is afgekondigd op de markt, in het theater, in de gymnasiën en in het kamp. Alles wat nu kransen of wapens draagt, heeft van een gewonnen slag gehoord. Gisteren was er onder duizenden niet één, die daaraan twijfelde, maar heden--hoe komt dat toch? Zelfs onder de »onnavolgbaren" die alle vermaken, genietingen en vertooningen van ons edel paar gedeeld hebben, is het geloof aan het wankelen gebracht. Als zij vast overtuigd waren van die »glansrijke overwinning" die hen verkondigd werd, dan zouden zij niet zelve gekomen zijn, om te vragen, te bespieden, te luisteren. Zie eens daar ginds! Dat is de draagstoel van Diogenes--die dáár van Lysander. Gindsche wagen behoort aan Alexander; die slaven in roodzijden rokken zijn in dienst van Hermias. Die allen maken deel uit van de »onnavolgbaren" en deden aan al onze feesten mede. Diezelfde Apollonius, die nu al een half uur lang bezig is de dienaren van het paleis uit te hooren, liet eergisteren nog voor Ares, Nike en de groote Isis, als de godin der Koningin, ieder vijftig ossen slachten. Toen ik hem in den tempel aantrof, riep hij mij toe, dat dit de grootste verkwisting was, waaraan hij zich ooit had schuldig gemaakt, want ook zonder al dat rundvee waren Cleopatra en Antonius van hunne overwinning zeker. Maar nu blaast ook bij hem de wind van het gerucht zijn goed vertrouwen weg.
»Zij mogen mij niet zien. De poortwachters zeggen dat ik uit de stad ben. En ik zou het besterven als ik mij moest vertoonen met een verblijd gezicht.--Daar komt Apollonius aan. Wat ziet hij er stralend uit! Hij gelooft het goede nieuws, en zoodra de zon ondergaat, zal geen enkele van die allen meer te zien zijn, want daar geeft hij reeds zijn slaven bevelen. Hij noodigt zijn vrienden tot een gastmaal uit, en zal daarbij den kostelijken wijn niet sparen. Goed zoo! Dan kan ten minste geen van hen ons hinderen! Dion is zijn neef, en ook hij zal tot de gasten behooren. Wat zullen deze liefhebbers van feestvieren wel zeggen als zij de schrikkelijke waarheid moeten hooren?"
»Ik denk," antwoordde Archibius, »dat zij aan de wereld dit merkwaardig schouwspel te zien zullen geven: vrienden, die men in dagen van voorspoed heeft opgedaan, en die in tegenspoed getrouw blijven."
»Zoudt gij dat denken?" vroeg Iras met fonkelende oogen. »Als dat waar is, dan zou ik hen roemen en prijzen, al waren zij zoo arm als bedelaars! Maar zie eens dáár! Is dat niet Dion, met dien witten mantel, naast den obelisk? De menigte stuwt hem voort.... ik geloof zeker, dat hij het was."
Toch vergiste zij zich; de man, dien zij meende te zien, omdat haar hart zoo vurig naar hem verlangde, bevond zich niet zoo dicht bij het Sebasteum, en zijne gedachten waren nog verder van haar af.
Eerst was hij naar Gorgias gegaan om hem den bewusten brief te brengen. Hij had gedacht hem te vinden bij de eerepoort die aan het strand in het Bruchium opgericht was, doch hij vernam al spoedig dat hij naar het huis van Didymus gegaan was om het beeld van Cleopatra en Antonius, dat daar nog altijd stond, weg te halen en voor het Dionysostheater te doen opzetten. Dat geschiedde op bevel van Mardion, en Gorgias had gezorgd dat het voetstuk er reeds stond. Hij had de groote steenblokken die hij daarvoor noodig had, genomen van den tempel van Nemesis, die onder zijne leiding in aanbouw was, en de eerste opzichter had gezegd dat hij beschikken kon over zoovele staatsslaven als hij maar hebben wilde. Met trots voegde hij hierbij, dat de bouwmeester, nog eer de zon onderging, aan de Alexandrijnen het wonder zou doen zien, hoe men in één dag het standbeeld van twee personen van de eene plek naar de andere vervoeren kon, en zóó zorgvuldig nederzetten, dat het zoo vast stond als de duizendjarige kolos van Thebe.
Vóór den tuin van Didymus vond Dion het beeld ter overbrenging gereed, doch de bouwmeester liet de slaven, die de rollen al vóór de slede hadden gelegd, nog een geruimen tijd wachten.
Hij was ten derden male naar het huis van den ouden philosoof gegaan. Den eersten keer had hij hem en de zijnen moeten meedeelen, dat hun eigendom geen gevaar meer dreigde, daarna was hij gekomen om te zeggen op welk uur hij het standbeeld zou doen weghalen en eindelijk was hij nog eens gaan melden, dat het nu dadelijk gebeuren zou. Hij had al die boodschappen zeer goed door een slaaf of onderopzichter kunnen laten brengen, doch Didymus' kleindochter Helena had hem zelf telkens weder naar dat huis getrokken. Hij zou om harentwil nog vaker gekomen zijn, want bij iedere ontmoeting had hij nieuwe bekoorlijkheden ontdekt in het schoone, stille, bedachtzame meisje, dat zoo liefderijk haar oude grootouders verzorgde. Hij geloofde dat hij haar beminde, en dat ook zij hem gaarne bij zich zag. Maar dat gaf hem nog niet het recht naar hare hand te dingen, al had zijn groot, ledig huis ook dringend een meesteres noodig. Zijn hart had reeds zoo menigmaal gegloeid; hij wilde eerst afwachten of het ditmaal zoo blijven zou. Hij kon geen echtgenoote vinden die beter voor hem paste. Was hij ook maar eenige dagen aan deze neiging getrouw, dan zou hij zichzelf daarvoor als het ware beloonen, door bij Didymus te komen met het aanzoek om haar hand.
Hij verontschuldigde zijn talrijke bezoeken voor zichzelven met de noodzakelijkheid zijn toekomstige gemalin te leeren kennen, en Helena maakte hem deze taak gemakkelijk. Hare terughoudendheid verdween hoe langer hoe meer, en het groote vertrouwen dat hij haar al dadelijk ingeboezemd had, was door zijn krachtdadige hulp nog toegenomen. Bij een vorig bezoek had zij hem zelfs hare hand toegestoken, en naar den voortgang van het werk gevraagd.
Overstelpt met bezigheden als hij was, gaf het gesprek met haar hem toch zooveel genoegen, dat hij haar langer, dan hij ooit onder dergelijke omstandigheden zichzelven veroorloofd zou hebben, te woord stond, en het een onaangename stoornis vond, toen Barine, die hij nog onlangs zoo hoog schatte, ook het tablinum binnentrad.
De jonge vrouw liet het niet bij een korte begroeting, maar nam weldra Helena geheel in beslag. Zij omarmde haar zuster zoo teeder en hartstochtelijk, als hij nog nooit van haar had gezien, en vertelde haar in levendige bewoordingen, dat zij gekomen was om van iedereen afscheid te nemen. Vrouw Berenice was met haar medegekomen, maar deze was eerst naar den ouden Didymus en zijn vrouw gegaan.
Terwijl Barine Helena alles uitlegde, maakte Gorgias in stilte zijne vergelijkingen. Hij kon wel begrijpen dat hij eenmaal gemeend had Barine te beminnen, maar zij zou toch nooit geschikt zijn geweest voor zijn echtgenoote. Het leven met haar zou een aaneenschakeling van jaloersche opwellingen en bezorgdheid voor haar man geworden zijn. Die vrouw, die met haar levendige opmerkingen en weetgierige vragen steeds al zijn oplettendheid vorderde, zou hem als hij vermoeid van zijn werk tehuis kwam, de rust niet bezorgen die hij in zulke uren noodig had. Alsof het een onderzoek naar den afstand van twee pas opgerichte zuilen gold, zoo dwaalde zijn oog van haar naar haar zuster, en toen de jonge vrouw dat opmerkte, barstte zij in een vroolijken lach uit, en vroeg of zij ook weten mocht met welk gebouw zijn geest zich bezighield, terwijl een goede vriendin hem kwam vertellen dat het met de prettige uurtjes in haar huis gedaan was.
Nu kwam hij met allerlei verontschuldigingen voor den dag, maar daaruit bleek zoo zonneklaar hoe onoplettend hij toegeluisterd had, dat Barine zich in ernst beleedigd had kunnen voelen. Maar een blik op haar zuster en daarna op hem, deed haar plotseling de waarheid vermoeden. Dat verheugde haar, want zij waardeerde Gorgias en had al eens gevreesd dat zij hem, als hij haar hand vroeg, met een afwijzend antwoord zou moeten bedroeven. Maar hij scheen als geschapen voor haar zuster. Haar binnenkomen had hen zeker gestoord, en daarom zeide zij tot Helena: »Ik ga moeder en mijn grootouders opzoeken. Houd gij ondertusschen onzen vriend bezig. Wij kennen hem goed. Hij behoort tot de enkelen die men vertrouwen kan. Dat meen ik in ernst, bouwmeester! En gij Helena, denk er aan!"
Nu zeiden zij elkander vaarwel, en Gorgias was weder met het geliefde meisje alleen. Het kostte beiden moeite het gesprek weer op gang te brengen, en daarom was de stem van den opzichter die hem weder aan het werk riep, hem ditmaal welkom. Hij beloofde nu spoedig terug te zullen komen, en legde hierop zooveel nadruk, alsof men er hem ernstig om had verzocht. Daarna verliet hij haar door de deur die naar het woonvertrek leidde.
Doch op den drempel deinsde hij reeds weder terug, en Helena, die hem gevolgd was, ook, want daar stond zijn vriend Dion, en het bevallige hoofdje van Barine leunde tegen zijn borst, terwijl zijn hand als om haar te zegenen, op het blonde haar rustte. Daarbij--neen, Gorgias vergiste zich met--zag hij het teere persoontje die door haar opgewekten levenslust hem en anderen zoo dikwijls had meegesleept, nu sidderen, alsof zij door een diepe, smartelijke ontroering werd geschokt. Hij zag hoe zij het hoofd ophief en Dion aanzag met een gelaat dat door tranen bevochtigd was, maar toch kon de bron daarvan geen leed zijn, want hare blauwe oogen blonken van gelukzaligheid. Bovendien ontdekte Gorgias in hare trekken nog iets waaraan hij geen naam kon geven. Het was de weerschijn van de warme dankbaarheid, die hare ziel op dat oogenblik geheel vervulde.
Barine had Dion ontmoet toen hij den bouwmeester zocht, en zij naar hare grootouders ging. Wat hij den vorigen dag had gevreesd, werd nu waarheid. De eerste blik uit hare oogen die hem trof, had reeds het beslissende woord op zijne lippen gebracht. Toen had hij haar in korte, ernstige woorden bekend dat hij haar liefhad, en niets vuriger begeerde dan haar, als de trots en het sieraad van zijn huis, tot de zijne te maken. In de overmaat van haar geluk waren toen de heete tranen gekomen, en alsof zij onder den indruk van een groot wonder was, had zij geen woorden gevonden om hem te antwoorden. Maar hij had hare hand gevat, die in beide de zijne gedrukt, en zóó alles bekend: hoe hij eerst met het beeld zijner strenge moeder voor oogen geweifeld had, maar hoe eindelijk de liefde oppermachtig in hem geworden was. Nu vroeg hij haar vol vertrouwen, of zij er in toestemde als de eer en het sieraad van zijn oude huis, als meesteres daarin het gebied te voeren. Hij wist wel dat haar hart hem reeds toebehoorde, maar één ding moest hij toch nog uit haar mond vernemen....
Toen riep zij uit »Dit ééne: uwe vrouw wil voor u, en voor u alléén leven, in vreugde en leed. De geheele wereld mag voor haar ondergaan, nu gij haar tot u opheft en zij de uwe is."
Bij deze verzekering, die hem als een plechtige gelofte in de ooren klonk, was het alsof hem een pak van het hart viel. Hij sloot haar met hartstochtelijke teederheid in de armen, en herhaalde: »In vreugde en leed!"
Op dat oogenblik hadden Gorgias en Helena hen gevonden, en voor het eerst van zijn leven voelde de bouwmeester, niet zonder eenige verwondering, dat er geen eigenlijk onderscheid is tusschen het geluk van ons zelven, en dat van iemand die ons lief is.
Zijne vriendin Helena scheen hetzelfde te gevoelen, toen zij zag wat deze dag haar zuster had gebracht. Het huis van den ouden philosoof, waar in den laatsten tijd zoovele zorgen en angsten binnengeslopen waren, weerklonk nu van enkel blijde, elkander geluk wenschende stemmen.
De bouwmeester voelde dat hij nu niet langer blijven mocht in dezen vertrouwelijken kring, die door ééne groote, gemeenschappelijke vreugde werd bezield, en na een korte verklaring van Dion, hoorde men hem weldra buiten bij het werk zijne bevelen geven aan de arbeiders.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Gorgias zette nu zijn werk ijverig voort. Toen het standbeeld alleen nog maar opgezet moest worden vóór het Dionysostheater, kwam Dion hem opzoeken. Eer hij met zijn verloofde de stad verliet, wenschte hij nog ééns zijn vriend te spreken. Sedert zij van elkander waren gegaan, had deze handen vol werk gehad, want het bouwen van den door Antonius verlangden muur op den Choma had een aanvang genomen, terwijl de herstelling van het kleine paleis aan de spits daarvan, en nog veel meer alles wat betrof de versiering der eerepoorten en triomfbogen, voltooid was. Zijn bekwame opzichter had moeite zijne bevelen bij te houden, terwijl hij het een na het ander op zijn schrijftafel voorschreef. Het onderhoud met zijn vriend duurde dan ook niet lang, en Dion had bovendien aan de vrouwen beloofd haar te vergezellen op haar tocht naar het landgoed van Archibius. Het vertrek moest, in weerwil van de verloving, nog heden plaats hebben, want in den loop van den dag was Cæsarion nog tot tweemaal toe bij Barine aan komen rijden. Zij had hem natuurlijk niet ontvangen, maar deze herhaalde pogingen van zijn kant deden haar zelve aandringen op een verhaast vertrek.
Om alle opzien te vermijden wilden zij liever gebruik maken van den grooten reiswagen en de Nijlboot van Archibius, hoewel Dion zelf een dergelijke bezat, die even gemakkelijk was.
Op »Vrede-oord" zou de bruiloft worden gevierd. Het eigen schip van den jongen Raadsheer, waarop het jonge paar later naar Alexandrië terug zou varen, heette Peittho, naar de godin der overreding, omdat Dion gaarne herinnerd werd aan zijn triomfen als redenaar in den Raad. Doch van nu af aan zou het »Barine" heeten en veel worden verfraaid.
Dion vertrouwde zijn vriend nu ook toe wat hij gehoord had omtrent het lot van de Koningin en de vloot, en hoe druk Gorgias het ook had, toch luisterde hij vol belangstelling, zoodra Dion sprak over de toekomst van hunne stad en hare bedreigde zelfstandigheid en vrijheid, want deze dingen lagen ook hem het naast aan het hart.
»In tijd van voorspoed," riep Dion uit, »deed ik wat mij behaagde; nu schijnt het mij de plicht van ieder rechtgeaard man, in zijn eigen huis de gezindheid aan te kweeken die hij van zijne vaderen geërfd heeft, en die niet mag uitsterven zoolang Alexandrië nog Macedonische burgers heeft. Wij moeten ons laten welgevallen dat Rome's overmacht Aegypte maakt tot een provincie der Republiek, doch wij zijn nog in staat het beste deel van de vrijheid onzer stad en van haar Raad te behouden. Wat er ook gebeuren moge, wij zijn en blijven toch de bron, waaruit Rome de wetenschappen put, die zijn geestelijk leven verrijken."
»En vergeet niet de kunst," voegde Gorgias hier bij, »die de schoonheid daaraan geeft. Als Rome ons zonder genade vernietigen wil, dan zal het hun wellicht gaan als het meisje dat reeds haar voet oplichtte om een schoone, zeldzame bloem te vertreden, maar dien terugtrok omdat het een misdaad zou zijn zulk een kostelijk werk van de goden te verwoesten."
»En wat heeft dat meisje ook niet te danken aan die bloem!" riep Dion, »en Rome aan onze schoone stad! Indien wij zijne eischen maar met waardige standvastigheid beantwoorden, dan geloof ik dat wij nog niet zulk een verschrikkelijk lot te duchten hebben."
»Laat ons dat maar hopen! Maar gij vriend, houd uwe oogen open, ook voor andere vijanden dan die uit Rome alleen. Wees op uwe hoede voor Iras, nu het een bekende zaak wordt dat gij haar versmaadt. Zij heeft iets, dat mij somtijds aan een jakhals doet denken. Haar jaloerschheid!--Ik acht haar tot alles in staat...."
»Maar," zeide Dion, »wat Iras mij zou willen aandoen, dat zal Charmion verhinderen; en mijn oom Archibius, hoewel ik niet al te zeer op hem rekenen wil, staat toch boven haar, en keurt mijn verbintenis met Barine goed."
»Als dat zoo is," riep Gorgias met een verlicht hart uit, »dan wensch ik u geluk!"
»En begint nu ook eens voor uw eigen geluk te zorgen," zeide Dion met hartelijkheid. »Laat uw hart niet langer dat zwervende nomaden leven leiden. Ik zou denken dat een bouwmeester niet op den duur genoegen nemen kan met tenten, die de wind omverblaast. Bouw nu voor u zelf eens een stevig huis, dat de stormen trotseert. Ik gun het u van harte, en heb u immers reeds gezegd: de tijden vorderen het."