Cleopatra: historische roman van George Ebers

Part 11

Chapter 113,824 wordsPublic domain

Met dit geheele avontuur waren ettelijke uren verstreken, en nu ging de terugvaart, tegen den wind op, langzaam, want de Epicurus was, zoolang de vervolging duurde, door den sterken wind een goed eind de volle zee ingestuwd. Toen zij nu nog maar enkele mijlen van de haven van Pharus verwijderd waren, bleek het intusschen dat de stuurman uit Rhodus goed had voorspeld; het weder veranderde ongewoon snel, en de wind kwam nu uit het Noorden. De zee wemelde van schepen, die voor een deel behoorden tot de koninklijke vloot, voor een ander deel bezet waren met nieuwsgierige Alexandrijnen, uitgezeild om het groote nieuws zoo spoedig mogelijk te vernemen.

Archibius en Dion hadden den nacht, en ook den volgenden morgen en middag slapeloos doorgebracht. De lucht, nu vochtig geworden door den fijnen motregen, was koel. Zij versterkten zich eerst aan een hartig maal, en liepen daarna samen op het dek op en neder. Zij spraken slechts weinig, en trokken hunne mantels dichter om zich heen. De krachtige wijn, die ook op den Epicurus niet ontbrak, had hen reeds eenigermate goed gedaan, maar toch waren zij nog niet warm geworden. Dat had zelfs een helder houtvuur in de kajuit ook niet gedaan kunnen krijgen. De gedachten van Archibius waren bij zijne geliefde Koningin, en zijn levendige verbeeldingskracht toonde hem alles, wat haar overkomen kon zijn. Geen enkele mogelijkheid, ook de vreeselijkste niet, werd hierbij vergeten, en het bloed verstijfde in zijne aderen, als hij haar met het schip zag zinken, en naar hem, haar ouden vriend, smeekend de schoone armen uitstrekken. Of, wat nog erger was, hij zag haar als gevangene vóór den vijandigen, hardvochtigen Octavianus. Eindelijk kon hij het niet meer uithouden. Hij liet zijne vilten mantel los, drukte zijn gebalde vuist tegen de slapen, en steunde luid. Hij had met het oog zijns geestes gezien hoe zij bij den triomftocht van den overwinnaar, voor zijn zegekar uitging met gouden kettingen om de teere polsen, en bij dat schouwspel had hij het Romeinsche gepeupel hooren losbarsten in jubelkreten!

Dat zou het ergste van alles zijn! Zich zóó iets in te denken ging de kracht van den trouwen man te boven, en Dion zag geroerd naar hem om, toen hij hem hoorde snikken, en de tranen zag, die langs zijn wangen stroomden.

Ook hem was het bang om het hart, maar hij kende de gehechtheid van zijn ouderen vriend aan de Koningin, en daarom legde hij zijn arm om diens schouder, en bad hem ernstig de kalmte van geest te bewaren die hij zoo vaak in hem bewonderd had. In de moeilijkste toestanden had hij in zijn oog altijd zoo ver boven alle anderen gestaan, als de wachter op den vuurtoren boven de wild bewogen zee. Wanneer hij bedaard als altijd al het gebeurde met hem overdacht, dan zou hij moeten toegeven, dat Antonius toch zeker vrij moest zijn en nog in staat om over zijne toekomst te beschikken, daar hij immers het paleis op den Choma voor zich in orde liet brengen. Wel begreep hij niet, wat die muur moest beduiden, maar misschien kwam er wel een hooggeplaatst gevangene met hem mede, die niet vrij in en uit de stad mocht gaan. Het kon immers wel zijn, dat alles veel minder erg was dan zij nu dachten, en dat zij nog eens zouden lachen om deze bange vrees. Toch maakte hijzelf zich ook ongerust, want hij gunde de Koningin het allerbeste, vooreerst om haar zelfs wil, maar ook omdat met haar en haar gelukkigen strijd tegen Rome, de vrijheid van Alexandrië stond of viel.

»Die," zeide hij, »is voor mij tot nog toe het liefste en hoogste. Voor u is dat de beheerscheres van dit land. Mijn wereld zou verduisterd zijn, en mijn leven niet meer de moeite van het leven waard, wanneer de ijzeren voet van Rome onze zelfstandigheid en vrijheid vertreedt."

Dit alles klonk warm en trouw, en Archibius had gretig naar hem geluisterd. Zijn diepdenkende geest moest toegeven dat er nog niets gebeurd was, waaruit men het ergste besluiten moest; en daar dikwijls niets een bedroefde beter troost dan anderen te troosten, verlichtte hij nu ook zijn eigen hart door zijn vriend voor te houden, dat, ook al bleef Octavianus overwinnaar en Aegypte in zijne macht, hij toch aan de vrije beschikking der Alexandrijnen over hunne eigen aangelegenheden geen afbreuk zou durven doen. Vervolgens hoe hij, de jonge, vastberaden, onafhankelijke man, zich dubbel nuttig kon maken, wanneer hij de bedreigde vrijheid zijner vaderstad moest bewaken, en hoeveel schoons het leven hem ook dan nog brengen kon.

De klank van zijn stem verried aan zijn jongen vriend zijn hartelijke genegenheid. Nog nooit had iemand, sedert zijns vaders dood, zóó met hem gesproken.

Nu zou de Epicurus weldra den havenmond bereiken, en zoodra zij aan land kwamen, zouden de vrienden moeten scheiden. Voor beiden was dit het beslissend uur geweest, dat ernstige geesten dikwijls vaster verbindt dan voorheen een geheele reeks van jaren had gedaan. Zij hadden voor elkander hunne harten geopend. Slechts één ding had Dion in zijn ziel opgesloten gehouden en dit vervulde hem met nieuwe onrust, zoodra hij de eerste huizen der stad in het oog kreeg. Hij was sinds lang niet meer gewend anderen om raad te vragen. Velen, die den zijnen hadden gevraagd, waren wel met veel dankbetuigingen heengegaan, maar zij hadden juist het tegendeel gedaan van wat hij had geraden, ofschoon het wezenlijk tot hun bestwil was geweest. Meer dan eens had hij zelf evenzoo gehandeld, maar nu voelde hij zich onweerstaanbaar gedrongen om Archibius zijn volle vertrouwen te schenken. Deze ook kende Barine, en wenschte hem zelf het beste toe. Misschien zou het hem helpen indien hij iemand, die het zoo goed met hem meende, eens deelgenoot maakte van wat zijn hart zoo nadrukkelijk van hem vorderde, terwijl zijn nadenkende geest het hem verbood.

Plotseling wendde hij zich nogmaals tot zijn vriend en zeide:

»Gij hebt u zoo even als een vader voor mij betoond. Stel u nu eens voor dat ik werkelijk uw zoon ben, en als zoodanig u beken dat ik een vrouw heb lief gekregen. En nu vraag ik u, of het u verheugen zou haar als uw dochter te begroeten."

Archibius antwoordde met den uitroep: »Een lichtstraal in den donkeren nacht! Haal maar zoo spoedig mogelijk in, wat gij al veel te lang hebt verzuimd. Het is de plicht eens burgers in den echt te treden. De Griek wordt pas werkelijk man, als hij echtgenoot en vader is. Dat ik zelf ongehuwd gebleven ben, heeft zijn bijzondere reden, maar ik heb dikwijls den armen schoenmaker benijd, dien ik op feestdagen met zijn kind op den arm voor zijn werkplaats zag staan, of den stuurman, wien bij zijn thuiskomst groote en kleine armen toegestoken worden. Als ik te huis kom, is niemand blij, dan mijn honden. Maar gij, die een fraai paleis bezit dat leeg staat, gij, van wien een trotsch geslacht verwachten mag dat gij voor het voortbestaan er van zult zorgen...."

»Dat is het juist," zeide Dion, "wat mij in tweestrijd brengt, ofschoon mij dat anders niet licht overkomt. Gij kent mij, en mijne positie. En ook haar, die ik bedoel, kent gij reeds lang."

»Is het Iras?" vroeg Archibius aarzelend. Zijn zuster Charmion had hem wel eens gesproken van de neiging van haar jonge mede-kamervrouw.

Maar Dion hielp hem onmiddellijk uit den droom en zeide:

»Het is Barine, de dochter van uw overleden vriend Leonax. Ik bemin haar, maar ik ben trotsch en teergevoelig omtrent het oordeel over mijn toekomstige gemalin. Ik zou den man die haar met schuinsche blikken durfde aanzien, eenvoudig verachten, want ik ken hare waarde. Gij herinnert u zeker mijne moeder. Die was anders dan zij. Haar huis, haar kind, haar slaven en haar weefstoel waren haar wereld, en zij eischte ook van andere vrouwen dezelfde strenge teruggetrokkenheid, die zij bezat. Toch had zij een teeder hart, en beminde mij, haar eenigen zoon, boven alles. Zij zou Barine met open armen bij zich ontvangen hebben, zoodra zij bemerkt had dat ik haar noodig had voor mijn geluk. Maar zou het voor de jonge vrouw, die aan een opwekkenden omgang met ontwikkelde mannen gewend is, mogelijk zijn zich in dien eisch te schikken? Als ik moest denken, dat de gewoonte om omringd en gevleid te worden, haar zou bijblijven ook in haar huwelijk; als ik mij voorstel, dat de onvoorzichtigheid der aan vrijheid gewende vrouw de tongen in beweging kon brengen en een smet werpen op de reinheid van mijn naam, als ik zelfs"--en hij hief zijn gebalde vuist reeds op.

Doch Archibius viel hem in de rede:

»Wanneer Barine u warm en blijde haar geheele hart schenkt, dan is deze vrees onnoodig. Het is een zonnig, echt beminnenswaardig vrouwenhart, en daardoor vatbaar voor een groote liefde. Schenkt zij u die, zooals ik vast van haar vertrouw, breng dan een dankoffer aan de goden, want die bedoelden uw geluk, toen zij uwe keus vestigden op haar, en niet op Iras, het kind mijner zuster. Waart gij mijn zoon, dan zou ik nu uitroepen: Gij kondt mij geen liever dochter brengen, wanneer gij--dat herhaal ik--slechts zeker zijt van hare liefde."

Dion zag een oogenblik vóór zich; toen riep hij vol overtuiging uit:

»Dat ben ik!"

ACHTSTE HOOFDSTUK.

De Epicurus lag voor den Poseidontempel voor anker. Aan de bemanning was het stilzwijgen opgelegd. Zij hadden ook niets anders vernomen dan dat aan boord van het zeerooversschip een brief was gevonden, waarin Antonius beval een muur op te richten. Dat kon een gunstig teeken zijn, want aan bouwen denkt men alleen in vredestijd.

De regen had opgehouden, maar de wind blies heviger uit het Noorden en de lucht was koel geworden. Toch was er een golvende menigte op de kade van de zuidzijde van het Heptastadium tot aan de Lochias. Tusschen de spits van den Choma en het Sebasteum was het gedrang het grootst, want van hier uit zag men de zee, en in de hier gelegen woning van den Regent moesten de eerste tijdingen aankomen. Dien morgen hadden reeds honderd tegenstrijdige berichten de ronde gedaan, en zoodra de Epicurus in het derde uur van den middag aangekomen was, had men het schip omringd, om te hooren wat men daar ginds in zee had ontdekt. Met andere schepen ging het evenzoo, maar geen daarvan bracht vertrouwbare berichten mede.

Men zeide dat twee snelzeilers van de oorlogsvloot een triere[12] uit Samos hadden ontmoet, die van een groote overwinning van Antonius te land, en van Cleopatra ter zee wist te verhalen, en daar de mensch gaarne gelooft wat hij hoopt, trokken gansche scharen al jubelend langs den oever. Bij velen, die eerst bezwaard waren geweest, versterkte dit de hoop. Anderen daarentegen, die zich terecht verontrust hadden over het lang uitblijven van het eerste schip der vloot, hadden nu alleen oor voor de slechte berichten, en zagen de toekomst donker in. Doch zij durfden dit niet uitspreken, want een voornaam goudborduurder, die het volk gewaarschuwd had voor al te voorbarige vreugd, was deerlijk toegetakeld naar huis gehinkt, terwijl men twee andere ongeluksprofeten in de zee geworpen had, en hen juist op dat oogenblik weder druipnat ophaalde.

[12] Schip met drie rijen roeiers.

Men kon het volk zijn goed vertrouwen ook niet kwalijk nemen, want er werden immers reeds overal eerepoorten opgericht, bij het Serapeum, het Dionysos-theater, de hooge pylonen van het Sebasteum, de hoofdpoort van het Museum, voor den ingang van het paleis, in het Bruchium en voor de brug op de Lochias. En die allen werden versierd met goden der overwinning, tropeeën van gips of met gips bestreken doek, opschriften die een gelukwensch of dank aan de goden behelsden, lofwerk en bloemfestoenen. Het omkransen van de Aegyptische pylonen en obelisken, de voornaamste tempels en standbeelden in de stad, was reeds in den nacht begonnen, en nu legde men de laatste hand aan dit werk. Evenals zijn vriend Dion, had ook Gorgias sedert den vorigen avond geen oog toegedaan, want hij moest zorgen voor de versiering van het Bruchium, waar het eene prachtige gebouw naast het andere stond. En ook in het Sebasteum, het koninklijk paleis waar Iras verblijf hield, zoolang de koningin afwezig was, en het tegenoverliggende Prætorium, de woning van den Regent, was de slaap der bewoners ontvlucht.

Toen Archibius bij de kamervrouw der Koningin werd binnengeleid, schrikte hij zooals zij er uitzag. Pas twee dagen geleden was zij bij hem te Kanopus geweest, maar wat was zij in dien tijd veranderd! Het was of haar lang en smal gelaat nog uitgerekt was, hare trekken geleken nog scherper, en de zevenentwintigjarige, die tot nu toe in den vollen bloei der jeugd had geprijkt, scheen eensklaps tien jaren ouder geworden. Zij had iets koortsachtigs over zich, toen zij haar oom de hand reikte en hem angstig toeriep: »Gij brengt zeker ook niets goeds?"

»Evenmin iets kwaad," antwoordde hij kalm. »Maar uw uiterlijk, mijn kind, met die donkere kringen onder uw oogen, bevalt mij niet. Hebt gij verontrustende tijding gekregen?"

»Meer dan dat," gaf zij met zachte stem ten antwoord.

»Wat dan?"

»Lees!" zeide zij, en met een zenuwachtigen trek om mond en neus gaf zij Archibius een waschtafeltje aan. Met een haast die hem anders vreemd was, nam hij het haar uit de hand en onder het lezen werd hij doodsbleek. Het was Cleopatra's schrift en bevatte het volgende:

»De zeeslag is verloren, en dat door mijne schuld. Het leger te land zou ons nog kunnen redden, maar niet zoolang het onder zijn bevel staat. Hij is bij mij, niet gewond maar als het ware doodgebloed, geheel anders dan vroeger, zonder moed, zonder kracht tot handelen, als een gebroken man. Ik zie nu het begin van het eind. Zoodra deze u bereikt, zorg dan dat dadelijk na zonsondergang, iederen avond eenige eenvoudige draagstoelen voor ons gereed staan. Het volk moet blijven gelooven dat wij hebben overwonnen, totdat het uitgemaakt is hoe Canidius en de troepen ter land zich gedragen hebben. Als gij de kinderen voor mij kust, doe dat dan met teederheid. Wie weet hoe spoedig zij weezen zullen zijn. Nu reeds hebben zij een ongelukkige moeder; zij blijven er voor gespaard aan een moedelooze te moeten denken. Neem, behalve degenen aan wie ik volmacht gaf, en Archibius, niemand in uw vertrouwen, ook niet Cæsarion en Antyllus. Zorg dat allen, wier bijstand mij van dienst kan zijn, gemakkelijk te bereiken zijn, als ik terug kom. Ik kan ditmaal niet besluiten met het gewone: verblijd u! Het »houd moed"[13] dat men immers ook op grafsteenen zet, schijnt mij gepaster. Gij, die mij niet benijd hebt in mijn geluk, zult mij nu wel willen helpen mijn ongeluk te dragen. Epicurus had gelijk, toen hij de goden uit hun zalige woonplaats werkeloos op het lot der menschen liet neerzien. Zoo het anders ware, hoe konden dan de liefde en trouw, die nog gehecht blijven aan hen die in het ongeluk zijn, met harteleed en tranen vergolden worden? Hoe het zij, houd niet op hen lief te hebben."

[13] "Verblijd u" en "houd moed" staat op vele grafsteenen te lezen.

Bleek en sprakeloos liet Archibius het tafeltje vallen. Het duurde lang eer hij met heesche stem uitstootte:

»Ik heb het alles wel vooruit gezien, maar nu het gekomen is...." Hier begaf hem zijn stem, en zijne geheele lichaam beefde van een hevig snikken zonder tranen, hij viel op een rustbank neder en verborg zijn gelaat in de kussens. Iras zag hem aan en schudde zachtjes het hoofd.

Ook zij had de Koningin lief, ook hare oogen waren bij het lezen van deze tijding met tranen gevuld geweest, maar reeds terwijl zij las, waren allerlei plannen om dit onheil te herstellen in haar rusteloos brein opgekomen. Enkele minuten na het ontvangen der ongelukstijding was zij reeds in overleg getreden met den plaatsvervanger der Koningin, en had maatregelen genomen om bij het volk het geloof aan de zegepraal der vloot te bestendigen.

Wat was zij, het fijne, zelfs niet moedige meisje, vergeleken met dezen ijzersterken man, die, zooals zij wist, in den dienst der Koningin de grootste gevaren had getrotseerd. En daar lag hij nu, geheel gebroken, met het aangezicht in de kussens. Zou een vrouwenziel hare veerkracht spoediger herkrijgen onder den druk van het lijden, of was de hare buitengewoon sterk en verborg haar zwak lichaam het hart van een held?

Zij had reden om dit laatste te gelooven, toen zij bedacht hoe ook de Regent en de zegelbewaarder de treurige tijding hadden ontvangen. Zij hadden als wanhopigen de groote zaal waar de zitting gehouden werd, op en neder geloopen. Maar Mardion telde eigenlijk niet mede, en Zeno was een karakterlooze oude dichter, die daarom alleen bij de Koningin goed aangeschreven stond en zulk een hoogen post had gekregen doordien zijn levendige phantasie telkens weer nieuwe tooneelvoorstellingen, vermaken en spelen wist te verzinnen en met tooverachtigen praal te doen opvoeren.

Maar Archibius dan, de moedige bedachtzame raadsman en helper!

Daar zag zij weder hoe zijn schouders zich optrokken alsof hij een slag had gekregen, en plotseling schoot haar door het hoofd wat zij wel al lang wist, maar nog nooit zoo duidelijk had begrepen: die vergrijsde man beminde Cleopatra, beminde haar zooals zij Dion deed; en zij vroeg zich af of zij sterk genoeg geweest zou zijn kalm te blijven wanneer zij had gehoord dat dezen door een wreed lot leven, eer of vrijheid was ontroofd.

Zij had Dion reeds van uur tot uur vergeefs verwacht, en toch had hij gisteren gezien hoe ongerust zij zich maakte. Had zij hem misschien beleedigd, of werd hij vastgehouden door de schoone kleindochter van Didymus? Wel verweet zij zichzelve, dat zij bij het onbeschrijfelijk treurig lot van haar gebiedster nog altijd dacht aan haar vriend; doch evenals zijn beeld in haar eigen hart, zoo leefde dat van Cleopatra in de ziel van haar oom, en zij besefte, dat de liefde niet bij vrouwen alleen, zich noch aan leeftijd, noch aan grijze haren stoort.

Op dit oogenblik richtte Archibius zich weder op, streek met zijn hand over het voorhoofd, en zijn stem had weer den gewonen diepen rustigen klank toen hij zeide: »Wie door een pijl getroffen is, verlaat het slagveld om verbonden te worden.

Met mij heeft de wondarts nu afgedaan. Ik had u dit jammerlijke schouwspel moeten besparen, mijn kind. Maar nu ben ik ook weder gereed om den strijd voort te zetten. En wat dien brief van Cleopatra betreft, ik begrijp nu beter de tijding, die wij vroeger ontvangen hebben."

»Wij?" vroeg Iras, »Wie was er dan bij u?"

»Dion," was het antwoord, doch toen hij haar verhalen wilde, wat hij in den laatsten nacht had doorleefd, viel zij hem in de rede met de vraag, of Barine er in toegestemd had de stad te verlaten.

Hij antwoordde kortaf: »ja!" Zij deed alsof zij niet anders had verwacht, en verzocht hem verder te vertellen. Hij deed dit dan ook, en zoo wist zij spoedig alles wat er op het zeerooversschip was gebeurd. »Dion" zoo eindigde hij, »is nu op weg om de boodschap van Antonius aan zijn vriend Gorgias over te brengen."

»Dat had iedere slaaf anders evengoed kunnen doen," merkte zij schamper op. »Ik zou denken, dat hij meer reden had om hier te blijven en nieuwe berichten af te wachten. Maar zoo zijn de mannen!"

Zij hield op maar daar haar oom haar vragend aanzag, ging zij voort: »Ik geloof dat niets hen vaster verbindt, dan een gezamenlijk vermaak. Doch nu moet het daarmee uit zijn. Zij zullen nu andere verstrooiingen moeten zoeken, hetzij bij Heliodora of bij Thaïs, dat is mij om het even. Ware die vrouw maar eerder weggegaan! Toen zij den jongen Cæsarion inpakte....."

»Niet verder kind," viel haar oom bestraffende in. »Ik weet hoe vurig zij wenschte dat Antyllus den knaap nooit medegebracht had."

»Ja, nu,--omdat zijn razernij haar bang maakt."

»Neen, reeds van het eerste bezoek af. Zulke jonge knapen passen niet bij de voortreffelijke mannen die zij altijd placht te ontvangen."

»Wie zijn deur altijd openzet, krijgt ook dieven in huis."

»Zij ontving enkel vertrouwde kennissen en de vrienden die deze meebrachten. Voor anderen bleef haar huis zorgvuldig gesloten, en voor dieven was geen gevaar. Maar wie had aan een zoon der Koningin den toegang durven weigeren?"

»Tusschen een gewone verwelkoming en het aanwakkeren van een hartstocht, tot krankzinnigmakens toe, ligt nog een zeer groote afstand. Waar een houtvuur brandt, is een vonk noodig geweest om dat aan te steken. Gij mannen ziet zoo niet hoe zulke vrouwen dat aanleggen. Eén blik, een handdruk, en de vlam slaat uit, wanneer reeds zooveel droge brandstof gereed ligt."

»Laat ons de felheid van den brand liever betreuren," zeide Archibius ernstig. »Gij draagt Barine geen goed hart toe."

»Ik voel even weinig voor haar, als deze rustbank voor de Herme daar op de straat!" riep Iras hooghartig uit. »Geen mensch staat verder van een ander af dan ik van haar. Ik, en de vrouw met de open deur, hebben niets met elkander gemeen, dan ons geslacht."

»En daarbij," zeide Archibius »vele schoone gaven die de goden evenzeer aan u, als aan haar hebben verleend. Wat die open deur betreft, die werd gisteren reeds gesloten. De dieven, zooals gij ze noemt, hadden haar het genoegen der gastvrijheid bedorven. Antyllus was haar huis op vermetele wijze binnengedrongen. Dat voorspelde haar voor het vervolg nog erger dingen, en daarom is zij reeds binnen enkele uren op weg naar Irenia. Dat verheugt mij voor Cæsarion en nog meer voor zijne moeder, die wij ten onrechte zoo lang vergeten hebben, ter wille van eene andere vrouw."

»Waarom moesten wij dat ook?" riep Iras opgewonden. »En dat heden, op dit uur, terwijl iedere gedachte in mijn arm hoofd, iedere druppel bloed in mijn aderen voor haar moest zijn! Toch konden wij het niet helpen. Cleopatra keert tot ons terug met een hart dat uit honderd wonden bloedt, en de gedachte dat, zoodra zij den vaderlandschen grond weder betreedt, een nieuwe pijl haar treffen zal, is vreeselijk. Gij weet hoe zij gehecht is aan dien knaap, het evenbeeld van den man, die haar het grootste geluk deelachtig heeft doen worden. En hoort zij nu dat hij, Cæsars zoon, zijn jonge hart gezet heeft op de vrouw die verstooten is door een volksredenaar, en die nu allerlei mannen in haar huis lokt--o, ik weet, dat zal haar zijn als zout in een versche wond. En bij dat eene verdriet zal het niet blijven! Antonius heeft ook reeds zijn weg naar Barine gevonden. Hij heeft haar reeds een paar maal bezocht. Gij weet dat zoo niet, maar Charmion kan getuigen hoe gevoelig zij is, sedert de bloem van haar jeugdige schoonheid het eene blad na het andere verliest. Want zoo is het, al zult gij dat niet toegeven. De jaloerschheid zal haar nu kwellen, en--ik ken haar--misschien heeft ten slotte geen mensch aan de sirene een grooteren dienst bewezen dan ik, toen ik haar noodzaakte de stad te verlaten."