Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 10
»Arsinoë had meer gekregen dan zij had durven hopen, en toch voelde zij zich ook nu weder het meest beleedigd. Toen Cæsar in het paleis zijn intrek had genomen had zij hem als Koningin ontvangen, en al haar hoop op hem gevestigd. Daar was haar gehate zuster gekomen en als altijd geraakte zij door Cleopatra op den achtergrond. Dat was te veel, en met haar vertrouweling Ganymedes, die een geducht krijgsman was, verliet zij het paleis, en ging tot de vijanden van den dictator over.
»Nu volgden hevige gevechten te water en te land. In de stad zelve streed men om de drinkwaterleiding te bemachtigen die door den vijand was afgedamd, om haar te gebruiken bij den brand die in een deel van het Bruchium woedde, en de bibliotheek van het Museum al verwoest had. Maar ofschoon hij half versmachtte van dorst, en nauwelijks aan het gevaar van verdrinken ontkomen was; ofschoon hij aan alle zijden werd bedreigd door den grimmigsten haat, toch stond de overwinnaar pal, en bleef zegepralen, evenals later in een veldslag, waarvoor de jonge Koning een leger verzameld en zich aan het hoofd daarvan gesteld had.
»Zooals gij weet, is de jongeling op zijn vlucht verdronken.
»Onder dergelijken strijd en doodsgevaren verliep een half jaar, eer het Cæsar en Cleopatra vergund was de vruchten te plukken van hun gemeenschappelijken arbeid. De dictator verhief haar tot Koningin van Aegypte, en benoemde haar jongsten broeder, nauwelijks half zoo oud als zij, tot haar mederegent. Aan Arsinoë schonk hij het leven, dat zij eigenlijk had verbeurd, maar zond haar naar Italië.
»Op de overwinning volgde de vrede. Nu hadden werkelijk ernstige plichten den Staatsman naar Rome moeten terugroepen doch hij bleef nog volle drie maanden hier. Wie het leven van den eerzuchtigen Cæsar kent, en weet wat dit verzuim hem had kunnen kosten, die slaat zich met de hand tegen het hoofd en vraagt: kan dat waar zijn, dat hij dezen kostbaren tijd gebruikte om met zijne geliefde een tochtje op den Nijl te doen, tot aan het eiland van Isis toe, aan de uiterste zuidgrens van het land? Toch is dat zoo geschied, en ik was zelfs in het tweede schip met haar gevolg. Niet alleen zag ik hen meermalen bijeen, maar ik deelde ook nu en dan hunnen maaltijd en hunne gesprekken. Dat was dan een geven en nemen, een terugtrekken en zich verheffen, kortom een opeenvolging van dissonanten, die men gaarne aanhoorde, omdat men wist, dat zij zich in de schoonste harmonie moesten oplossen. Dat waren dagen van genot voor alle zintuigen te gelijk."
»Deze geheele Nijlreis," viel Barine hem in de rede, »stel ik mij evenzoo voor als die fabelachtige tocht, toen het zeil van purperkleurige zijde Cleopatra op den Kydnos Antonius tegemoet voerde."
»Neen, neen!" riep Archibius uit. »Van Antonius heeft zij eerst geleerd het aardsche leven door aardsche genietingen te veraangenamen; Julius Cæsar verlangde meer dan dat. Haar geest verschafte hem een veel grooter genot."
Een oogenblik later ging hij voort:
»Het is waar, al datgene waarmede zij Antonius in later jaren altijd nieuw vermaak verschafte, kwam niet altijd uit haar zelve."
»En dat," riep de jonge vrouw uit, »was nu hetzelfde wezen, dat in de rust der ziel eenmaal het hoogste goed had erkend!"
»Hetzelfde," antwoordde Archibius nadenkend. »Maar dat moest alles zoo wezen. Het levensgenot was voor het aankomende meisje het voornaamste geweest. Vóórdat de hartstocht bij haar ontwaakte, was zielsrust het hoogste wat zij kende. Toen de tijd kwam dat deze onbereikbaar voor haar bleek te zijn, bleef toch nog het vastgewortelde verlangen naar geluk in haar gemoed den boventoon voeren. Mijn vader had haar, als de toekomstige Koningin, moeten inprenten dat het goede de grondwet van haar bestaan was. Dat deed hij niet, omdat hij zelf in zijne afzondering dat geluk gevonden had, dat de meester aan zijn jongeren voorspiegelt. Van Athene naar Cyrene, van Epicurus naar Aristippus is slechts één enkele schrede. Zij deed die, toen zij vergat dat de meester geenszins in het najagen van genoegens alléén het hoogste goed zocht. De gelukzaligheid, zooals Epicurus die bedoelde, moest niet minder zijn dan die van Zeus, zelfs al had men enkel gerstebrood en water, om zijn honger en dorst mede te stillen.
»Toch geloofde zij nog altijd zijn leerling te zijn en toen later Antonius ten strijde trok tegen de Parthen, waardoor zij langen tijd alleen bleef, begon zij weder te wenschen naar afwezigheid van smart en rust der ziel. Doch de staat, haar kinderen, de echtverbintenis van Antonius met Octavia, haar eigen hartewenschen, de magische kunst en de Aegyptischen leer van het leven na den dood; meer dan dit alles nog de brandende eerzucht, de nooit sluimerende behoefte bemind te worden door hen, die zij zélve beminde, en de eerste te zijn onder de eersten...."
Op dit oogenblik kwam de bode binnen, die hem aankondigde, dat het schip in gereedheid was.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Archibius had zich zoo geheel in het verleden verdiept, dat hij eenigen tijd noodig had om tot het tegenwoordige terug te keeren. Hij sprak nu met de vrouwen af wanneer zij gereed moesten zijn tot het vertrek.
Het viel vrouw Berenice zeer moeilijk haar overreden broeder in de stad achter te laten, en Barine had gaarne vóór het afscheid Dion nog eens gezien. Ook vonden beiden het hard Alexandrië te verlaten, eer de beslissende tijding van leger en vloot aangekomen was. Zij verzochten daarom nog eenige dagen uitstel, maar met een vastheid, die den beminnelijken vriend veranderde in een strengen gebieder, wees Archibius dat af, en verklaarde dat zij den volgenden dag vóór zonsondergang tot het vertrek gereed moesten zijn. Zijn Nijlboot zou in de Agathodemonhaven voor haar klaar liggen, en dan zouden zij in zijn reiswagen, met zooveel slavinnen en kisten als zij wilden meenemen, verder gebracht worden. Vervolgens herinnerde hij haar op zachten toon aan de onaangenaamheden die een langer verblijf in de stad haar op den hals kon halen, verontschuldigde zijn gestrengheid met den haast dien hij had, drukte moeder en dochter de hand, en ging heen. Barine riep hem nog eens terug, maar hij deed alsof hij dat niet hoorde. Zijn wagen bracht hem spoedig aan de groote haven.
De wassende maan weerspiegelde als een zilveren zuil trillend in het golvend water, en verlichtte den zoelen herfstnacht. Verderop stond de zee zeker hol; dat zag men aan de beweging der schepen, die voor anker lagen in den hoek, gevormd door den prachtigen Poseidontempel en den Choma. Dat was een landtong, die zich als een vinger in de zee uitstrekte, en aan welker punt een klein paleis stond. Cleopatra had dit voor Antonius laten bouwen om hem te verrassen, nadat hij zich een enkel woord daarover had laten ontvallen. Een ander paleis van wit marmer op het eiland Antirrhodus blonk in den maneschijn tegenover de plaats van afvaart, en op grooter afstand nog zag men een helder vuur branden. Op den beroemden, hoogen vuurtoren op het eiland Pharus, aan den ingang van de haven, flikkerden de vlammen, door den wind bewogen, op en neer. Daardoor werd de gezichteinder en het kalme havenwater tot aan den uitersten rand met beweegelijke lichtmassa's overstroomd, die nu eens sterker dan weer flauwer de duisternis verhelderden.
Aan de haven was het, in weerwil van het late uur, nog levendig, en de wind was zoo hevig, dat de mantels der mannen dikwijls over hun hoofd waaiden, en de vrouwen hare kleederen moesten vasthouden. Het handelsverkeer was wel is waar afgeloopen, maar velen waren hier gekomen om nieuwstijdingen op te doen, of het eerst terugkomende schip van de zegepralende vloot te begroetten. Niemand twijfelde er immers aan of Antonius had in den slag tegen Octavianus de overwinning behaald. De haven werd goed bewaakt, en juist was een afdeeling Syrische ruiters uit de kazerne ten zuiden van den Lochias naar den kant van den Poseidontempel getrokken. Hier, en niet in de Eunostushaven, die van de andere was gescheiden door den breeden op een brug gelijkenden dam van het Heptastadium, die op zijne beurt weder het vasteland met het eiland Pharus verbond, moesten de koninklijke schepen het anker uitwerpen. In deze buurt stonden de paleizen en tuighuizen en daarom moesten alle berichten hier het eerst gebracht worden. De andere haven was alleen ten gebruike voor den handel bestemd, en het was verboden dat pas aankomende schepen hier binnenliepen, omdat het verspreiden van valsche geruchten voorkomen moest worden.
Trouwens, men kon moeilijk verwachten zelfs in de groote haven eenig nieuws te vernemen, want de geheele opening was versperd door een keten, die van de punt van het eiland Pharus af, tot een tegenoverliggende klip aan den Alveus Steganus liep. Maar als er een schip van den staat met gewichtige tijdingen aan mocht komen, dan kon die afsluiting weggenomen worden, en daarop hoopten de talrijke zwervers aan den oever.
Velen van hen kwamen van feestmalen, uit gaarkeukens, herbergen of van nachtelijke bijeenkomsten van godsdienstige secten, maar aller opgewekte stemming werd gedempt onder den druk van een bange verwachting. Waar Archibius zijn blikken wendde, overal zag hij gespannen en angstige gelaatstrekken. Ook moesten velen om den wind zich voorover buigen, en al de wapperende vlaggen, en opstijgende stofwolken vermeerderden nog de onrust van het geheele tooneel.
Op het oogenblik dat het schip van wal stak en de roeiers de riemen grepen voelde de eigenaar daarvan zich zóó gedrukt, dat hij bijna niet meer durfde hopen een goede tijding te zullen hooren.
Zijn verhaal had lang verleden dagen als het ware weer uit het graf doen verrijzen, en terwijl hij van zijn bank op het achterdek opzag naar den hemel, waar de sterren telkens verduisterd werden door voorbij vliegende wolken, trok menig tooneel van vroegeren tijd aan zijn geestesoog voorbij.
»Wat kan men veel onder zijn woorden verbergen, zonder zich nog schuldig te maken aan een leugen," dacht hij, toen hij alles nog eens naging, wat hij aan de vrouwen had verhaald.
Ja zeker, hij was al vroeg Cleopatra's vertrouweling geweest, maar hoe had hij haar bemind, hoe was hij met hart en ziel haar toegedaan geweest! Zij moest dit niet alleen vermoeden: hij had het haar duidelijk genoeg getoond en bekend. En zij.... zij had dat aangenomen, als een recht dat haar toekwam. Toen hij slechts éénmaal had beproefd, in een overvloeiend gevoel van teederheid, haar in de armen te sluiten, had zij hem met ontevreden hooghartigheid afgeweerd. Maar een betuiging van liefde is een misdaad, die de hoogstgeplaatste den geringste toch altijd weer vergeven kan, en reeds enkele uren later was Cleopatra hem met de oude, hartelijke vertrouwelijkheid tegemoet gekomen.
Nu dacht hij ook weder aan al de kwellingen die hij had doorgestaan, in den tijd toen hij moest aanzien hoe zij door Antonius werd geboeid. Die Romein was toenmaals nog maar als een even snel verschenen als verdwenen meteoor door haar leven heengegleden, maar allerlei dingen hadden verraden dat zij hem niet vergeten kon. Hare liefde voor den grooten Caesar had Archibius zonder smart bij haar zien ontkiemen en opgroeien, doch toen zij zich te Tarsus aan den Kydnos met Antonius verbonden had, was er in zijn hart een pijnlijk gevoel van afgunst ontwaakt. Thans waren zijne haren vergrijsd, en al had niets zijn vriendschap voor de Koningin verzwakt, al was hij ten allen tijde bereid haar te dienen, toch had dit dwaze gevoel zich nog niet voor goed laten onderdrukken, en telkens weder maakte het zich van zijn gansche ziel meester. Hij ontkende geenszins de goede eigenschappen van Antonius, maar hij zag ook dat de zwakke zijden van zijn karakter veel meer in 't oog loopend waren. Telkens wanneer zijne gedachten zich bezig hielden met dit hooge paar, ging het hem als een kunstkenner, die het edelste kleinood uit zijn verzameling moet afstaan aan een rijkaard die de waarde ervan niet kent, en het eene verkeerde plaats geeft.
Met dat al wenschte hij den Romein van harte een schitterende overwinning toe, want zijne nederlaag zou ook die van Cleopatra zijn, en zou zij de gevolgen daarvan kunnen dragen?
Het schip naderde nu den lichtkring aan den voet van den Pharus, en juist wilde Archibius het sein geven om de keten te doen wegnemen, toen hij in den stilte van den nacht zijn naam hoorde roepen.
Het was Dion, die hem riep. Hij zat in een der booten, die aan den ingang van de haven op de golven dobberden, en had den snelzeiler van Archibius herkend aan den kop van Epicurus aan den voorsteven, die door het licht der lantaarns beschenen werd. Cleopatra had dit schip voor haar vriend laten bouwen en het met dit kopstuk doen versieren. Dion wenschte nu bij hem te komen, en weldra stonden beiden op het dek.
Hij was op het eiland Pharus geland en in een herberg voor matrozen binnengegaan, om daar te vragen, of iemand ook iets wist; maar niemand had iets zekers durven vertellen. De wind kwam nog altijd van de landzijde, en daardoor konden de grootere vaartuigen alleen met de hulp van roeiers de Aegyptische kust bereiken. Eerst sinds kort was de wind van het Zuiden naar het Zuidoosten omgeloopen, en een ervaren Rhodisch stuurman had verzekerd dat hij »nooit weder een beker wijn aan zijn mond zou zetten," als hij nu morgen of overmorgen niet uit het Noorden kwam. Was dat het geval, dan konden er schepen en tijdingen bij dozijnen te gelijk naar Alexandrië komen; dat was te zeggen, had de grijskop met een uittartenden blik op den fijnen heer uit de stad er bij gevoegd, indien men die voorbij den Pharus of door het Poseidon-bekken in den Eunostus liet binnenloopen. Met zonsondergang had hij aan den horizont reeds zeilen meenen te zien, maar de vlugste watervogel werd een egel, als de wind hem tegen was, en zelfs zijn zwempooten vasthield. Anderen verzekerden hetzelfde, en gaarne zou Dion daarom uitgezeild zijn in de open zee om ze op te zoeken. Hij was echter geheel alleen in een gebrekkig huurbootje geweest, en dit had de haven niet mogen verlaten.
Zijn vermoeden dat voor Archibius iedere weg openstond, had hem niet bedrogen, en spoedig werd de ketting voor den »Epicurus" weggenomen. Nu kliefde het schip, door den Zuidoosten wind gedreven, met volle zeilen den vloed.
In het Noorden werd een flauw licht zichtbaar, dat zich heen en weer bewoog. Dat kon niet anders zijn dan een schip. Nu had wel de stuurman in de herberg op Pharus, die er zelf had uitgezien alsof hij niet enkel koopvaardijschepen had bevaren, gesproken van vaartuigen die aan bezoekers aan boord niets ten geschenke gaven, maar toch vreesden de mannen op den goed uitgerusten, stevigen »Epicurus" niet voor zeeroovers, te meer daar de dag weldra aanbreken zou, en hij juist twee zware oorlogsschepen, die de Regent had uitgezonden, voorbijgestevend was.
De sterke wind blies in de zeilen, roeien zou vergeefs zijn geweest en het licht in de verte scheen naar hen toe te komen. Reeds was in het Oosten een bleeke lichtstreep te zien, toen de Epicurus het vaartuig met het licht naderde. Dit scheen echter voor het Alexandrijnsche schip te willen uitwijken, en wendde zich plotseling naar het Noordoosten. Nu overlegde Archibius met Dion of het de moeite waard kon zijn den vluchteling te achtervolgen. Het was een klein vaartuig, dat in de flauwe schemering een Cilicisch zeerooversschip van de kleinste soort scheen te zijn.
Welke de bemanning ook mocht zijn, het beproefde en talrijke scheepsvolk van den veel grooteren Epicurus behoefde die niet te vreezen. Bovendien had de kapitein op de vloot van Sextus Pompejus gediend en reeds menig zeerooversschip geënterd.
Toch vond Archibius het dwaasheid zonder noodzaak een strijd aan te gaan, doch Dion was in een stemming om ieder gevaar, wat het ook ware, te trotseeren. Ging het op leven en dood--welnu des te beter!
Hij had aan zijn vriend de booze vermoedens van Iras meegedeeld. Het stond zeker niet goed met de vloot, en als de kleine Ciliciër niets voor hen te verbergen had, dan zou hij hen niet uit den weg zijn gegaan. Daarom was het stellig van belang te vernemen waarom hij, zoo dicht bij de haven was omgekeerd.
Ook de strijdlustige kapitein was vóór de vervolging, en zoo gaf Archibius dan eindelijk toe; de onzekerheid was voor hem ook het ondragelijkste van alles. Dion was ook gedrukt. Hij kon het beeld van Barine maar niet uit zijn herinnering verbannen; sedert Archibius hem had medegedeeld, dat zij van plan was haar huis voortaan voor bezoekers te sluiten, en hoe gewillig zij gehoor gegeven had aan zijn uitnoodiging om bij hem buiten te komen, had hij zich telkens weder afgevraagd, waarom hij dan ook niet haar, die toch de dochter van een beroemd schilder was, tot de zijne zou maken.
Archibius had gezegd dat Barine haar beste vrienden en natuurlijk ook hem, gaarne in haar landelijke afzondering bij zich ontvangen zou. Dat betwijfelde Dion geen oogenblik, maar evenmin of zulk een bezoek hem niet misschien voor goed van zijn vrijheid zou berooven. Maar kon eigenlijk een Alexandrijn nog op echte vrijheid bogen, wanneer de Romeinen het bewind voerden in zijn stad, evenals zij in Karthago of Korinthe deden? Indien Cleopatra verslagen was en Aegypte een Romeinsche provincie werd, dan kon het hem enkel vernederen deel te nemen aan de besluiten van den Raad, die heden nog uit »Macedonische mannen" bestond en waaraan hij zoo was gehecht; dan kon hij nooit meer voldoening van zijn werk verwachten. Dan mocht de lans van een zeeroover aan het onvrije leven onder een Romeinsch juk, en aan dit onwaardig verlangen en weifelen een einde maken! Op dezen najaarsmorgen, onder een grijzen hemel, waaruit een lichte, vochtige nevel neerdaalde, met zooveel bange vrees en twijfel in het hart, zag Dion van alle tegenwoordige en toekomstige dingen enkel de schaduwzijde. Maar op dit oogenblik had de Epicurus den vluchteling ingehaald en zich van hem meester gemaakt. De eerste zwakke tegenstand was spoedig opgegeven, zoodra de kapitein van Archibius hem toegeroepen had, dat de Epicurus niet behoorde tot de koninklijke vloot, en alleen op kondschap uitgegaan was.
Nu haalden de Ciliciërs de riemen in, Archibius en Dion gingen op hun schip over, en namen den bevelhebber in het verhoor. Het was een oude verweerde zeeman, die het zwijgen niet eerder verbrak, dan nadat hij zeker wist wat zijn vervolgers verlangden.
Hij begon met de verzekering dat hij aan de Peloponnesische kust getuige was geweest van een groote overwinning der Aegyptische vloot op die van Octavianus, maar door de strikvragen der vrienden raakte hij in zijn eigen woorden verward, en beweerde dat hij in het geheel niets wist. Hij had dat maar gezegd om den Alexandrijnschen heeren welgevallig te zijn. Dion doorzocht daarop met eenige lieden van den Epicurus het schip, en in de kleine kajuit vond hij een man, die sterk geboeid was, en door een der zeeroovers werd bewaakt. Het was een matroos uit Pontus, die alleen de taal van zijn eigen land sprak. Men kon dus niets verstaanbaars uit hem krijgen. Daarentegen stonden er belangrijke aanwijzingen in een briefrol, die zij in de kajuit in een kist vonden, onder kleederen, sieraden en andere geroofde voorwerpen.
Dion kon zijn oogen niet gelooven, toen deze brief bleek gericht te zijn aan zijn vriend, den bouwmeester Gorgias. Daar de zeeroover het schrift niet lezen kon, had hij hem niet geopend, doch Dion verbrak zonder aarzelen het zegel. De brief was geschreven door den Griekschen rhetor Aristokrates, die met Antonius in den oorlog was gegaan, uit Tænarum in het Zuiden van den Peloponnesus. Uit naam van zijn veldheer verzocht hij Gorgias daarin, het kleine paleis op het uiteinde van den Choma ten spoedigste in gereedheid te brengen, en aan de havenzijde door een hoogen muur af te sluiten. Een deur daarin was niet noodig. Alle verkeer met het huis kon over het water plaats hebben. Hij moest maar zorgen dat het werk spoedig gereed was.
De beide vrienden zagen elkander, bij het lezen van deze opdracht, vol verbazing aan. Wat kon de aanleiding zijn tot dit vreemdsoortig bevel? Hoe kwam het in bezit van den zeeroover? Dit alles moesten zij zien uit te vorschen.
Wanneer Archibius, wiens zachtaardige, vertrouwen-wekkende persoonlijkheid de menschen altijd spoedig voor zich innam, een enkel maal in hartstochtelijke drift losbarstte, dan miste deze plotselinge omkeering nooit zijne uitwerking, omdat zijne hooge, trotsche gestalte en harde trekken er dan werkelijk onheilspellend uitzagen. Ook nu zag de kapitein vol ontzag tot hem op, toen de Alexandrijn hem dreigde alle genade die hij beloofd had, weer in te zullen trekken, indien hij hem ook maar het geringste verzweeg, wat samenhing met dezen brief. De zeeroover bemerkte spoedig genoeg dat het vergeefs zou zijn leugenachtige verklaringen af te leggen; de gevangene uit Pontus sprak wel is waar geen Grieksch, maar hij verstond deze taal toch goed, en alles wat de andere zeide, bevestigde hij met levendige gebaren, of anders gaf hij op dezelfde wijze te kennen, dat het onwaar was.
Zoo kwam dus alles aan het licht. De bark van den zeeroover had met een veel grooter schip in de nabijheid van Kreta op een prooi geloerd. Nog hadden zij van de tegenover elkander liggende vloten niets gezien of gehoord, toen een sierlijke snelzeiler »de vlugste en schoonste die ooit de zee had bevaren," misschien wel »de Zwaluw" een scheepje van Antonius, dat hem als bode dienst deed, in het vizier was gekomen. Zij hadden het gemakkelijk prijsgemaakt. De beide schepen hadden den buit gedeeld, maar het leeuwenaandeel van menschen en goederen had het groote schip gekregen.
De zeeroover had een aanzienlijk man, misschien Antonius' gezant, die toen zwaar gewond en sedert gestorven en in de zee geworpen was, een tasch met brieven en eenig geld afgenomen. De eerste had hij gebruikt om het vuur mee aan te houden; doch die aan den bouwmeester was toevallig overgebleven.
De gevangen matrozen hadden verklaard dat de vloot van Octavianus die van Cleopatra verslagen had, dat de Koningin was gevlucht, doch dat de landmacht nog onaangetast was, en de overwinning daardoor ten slotte nog aan de zijde van Antonius kon blijken te zijn. Maar de zeeroover wist niet waar het leger stond--misschien bij Tænarum, vanwaar het buitgemaakte schip gekomen was. Het was vreeselijk jammer, maar zijn eigen manschappen hadden het in brand gestoken, en het was vóór zijn oogen gezonken.
Deze berichten hadden allen schijn van waarheid; maar de kust van Akarnië, waar dan de slag geleverd moest zijn, lag zoo ver van de Zuidpunt van den Peloponnesus af, dat de brief van Antonius wel gedurende zijn vlucht moest geschreven zijn. Alleen dit scheen zeker te zijn: de vloot was op den tweeden of derden September verslagen en uiteen gedreven.
Waar zou de Koningin nu zijn? Waar waren de groote, prachtige schepen gebleven, die haar in den strijd hadden gevoerd? Zelfs tegenwind had ze niet zóó lang kunnen ophouden, want zij waren immers voldoende met roeiers bemand. Zou Octavianus ze bemeesterd hebben? Waren zij verbrand of gezonken? Maar hoe zou Antonius dan naar Tænarum zijn gekomen?
Op dit alles kon de zeeroover geen antwoord geven. Waarom zou hij het verzwegen hebben, als hij iets wist?
Archibius liet eindelijk het geroofde goed uit het schip van Antonius, benevens den bevrijden matroos, op den Epicurus overbrengen, maar de zeeroover moest hem zweren nooit meer het water tusschen Kreta en Alexandrië onveilig te maken. Daarna liet hij hem ongehinderd zijn koers vervolgen.