Cleopatra: historische roman van George Ebers
Part 1
Produced by The Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. | | Variaties in spelling (met/zonder trema, ae/æ, met/zonder | | afbreekstreepje, variatie aanhalingstekens) zijn behouden. | | | | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | | Vette tekst is weergegeven als $vet$. In het origineel | | uitgespatiëerde tekst is weergeven als ~uitgespatiëerd~. | | | | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+
CLEOPATRA
CLEOPATRA
HISTORISCHE ROMAN
VAN GEORGE EBERS
~UIT HET HOOGDUITSCH VERTAALD~
DOOR
LOUISE STUART
TWEEDE DRUK
AMSTERDAM VAN HOLKEMA & WARENDORF
VOORREDE.
Wanneer men somtijds wilde beweren dat de sentimenteele liefde van onzen tijd aan de Heidensche oudheid vreemd is geweest, dan wees de schrijver van dit boek in de eerste plaats op het minnend paar Antonius en Cleopatra, en op het testament van dien krachtigen Romeinschen veldheer. Hij had daarin den wensch geuit om, waar hij ook zou sterven, begraven te worden naast de vrouw, die hem tot het einde toe zoo dierbaar was. Aan dat verlangen werd voldaan, en het innig verbonden leven dezer twee zeer buitengewone menschen, dat aan de geschiedenis behoort, heeft reeds meer dan eens een welkome stof geleverd aan kunst en poëzie.
Vooral ten opzichte van Cleopatra, is hun beider bestaan gehuld in een weefsel van romantiek, die zeer nabij komt aan de sprookjeswereld. Zelfs haar ergste vijanden bewonderen hare schoonheid, en de zeldzame geestesgaven die zij heeft bezeten. Daarentegen behoort haar karakter tot de moeilijkste raadsels der zielkunde. De slaafsche geest der Romeinsche dichters en schrijvers, die niet openlijk konden of wilden erkennen welk een schitterend licht er uitging van de vijandin van hun Staat en Keizer, hebben dat vraagstuk verklaard ten haren nadeele. Alles wat Aegyptisch heette was bij de Romeinen gehaat of verdacht, en zij konden aan deze vrouw, die te huis behoorde aan den Nijl, moeilijk vergeven, dat zij eenmaal een Julius Caesar aan hare voeten had gezien, en Marcus Antonius aan zich had onderworpen. Andere geschiedschrijvers, met Plutarchus aan hun hoofd, hebben het raadsel eerlijker opgelost, meermalen zelfs ten gunste van Cleopatra.
Het was voor den schrijver een aangename taak de persoon dier ongelukkige Koningin nader te leeren kennen, en uit het groote aantal der bestaande oorkonden allereerst voor zich zelven een menschelijk beeld te scheppen, waarin hij zelf gelooven kon. Jaren zijn voorbijgegaan eer hij daarmede gereed was; doch nu, terwijl hij zijn voltooide schilderij beziet, vreest hij dat misschien menigeen bezwaar zal hebben tegen de helderheid zijner kleuren. Toch zou het den maker geen moeite kosten, iedere tint die hij gebruikt heeft, te rechtvaardigen. Wanneer hij, onder het werken, zijn heldin leerde liefhebben, dan was dat, omdat hoe duidelijker deze merkwaardige vrouwen-figuur vóór hem stond, hoe levendiger hij gevoelde en helderder inzag, dat zij niet alleen medelijden en bewondering verdiende maar ook, met al hare zwakheden en gebreken, die toewijding en liefde, die zij bij zoovelen heeft gewekt.
Niemand minder dan Horatius heeft Cleopatra dan ook genoemd: "non humilis mulier",--een vrouw, die tot geen laagheid in staat was. Dit woord verkrijgt echter zijn grootste beteekenis, wanneer men weet dat het prijkt in de hymne, die de dichter heeft gewijd aan Octavianus en zijne overwinning over Antonius en Cleopatra. Het was stoutmoedig van hem, in zulk een lied de vijandin van den overwinnaar met zooveel lof te vermelden. Toch heeft hij dat gewaagd, en zijn woord, dat men een daad mag noemen, behoort tot de schoonste eeretitels der veel miskende vrouw.
Het had helaas een minder krachtige uitwerking dan het oordeel van Dio, die meermalen de mededeelingen van Plutarchus verminkt, en zich dan ook voornamelijk aansluit bij de comedie of de volksverhalen, die niet durfden wagen te Rome de Aegyptische Vorstin in een gunstig daglicht te plaatsen.
Billijker dan de meeste Romeinsche berichtgevers toont zich de Griek Plutarchus, die, ook ten opzichte van den tijd, onze heldin naderbij kwam dan Dio. Zijn grootvader had zelfs nog allerlei dingen omtrent Antonius en Cleopatra gehoord van zijn landgenoot Philotas, die gedurende de glansperiode van het beroemde paar te Alexandrië, in die stad als student verblijf had gehouden. Van alle schrijvers die van de Koningin melding maken, is hij de vertrouwbaarste, doch ook van zijne verzekeringen moet met omzichtigheid gebruik worden gemaakt. Wij hebben ons, ook in de bijzonderheden, gehouden aan de aanschouwelijke en duidelijke beschrijving die Plutarchus geeft van de laatste levensdagen onzer heldin. Zij draagt geheel den stempel der waarheid, en het zou willekeur geweest zijn daarvan af te wijken.
De Aegyptische bronnen bevatten helaas niets, wat van eenig belang is voor de ware schatting van Cleopatra's karakter, ofschoon wij afbeeldingen bezitten van de Koningin alleen, of met haar zoon Caesarion. Eerst in den allerlaatsten tijd (1892) werd te Alexandrië een fragment gevonden van een kolossaal standbeeld van twee personen, dat zeer waarschijnlijk Cleopatra voorstelt hand aan hand met Antonius. Het bovenste gedeelte der vrouwen-figuur is tamelijk goed bewaard gebleven, en vertoont een bevallig gevormd, jeugdig vrouwen gelaat. De mannen-figuur is zeker vernietigd, toen op bevel van Octavianus, alle standbeelden van Antonius vernield moesten worden. Aan Dr. Walther te Alexandrië zijn wij een goede photographische afbeelding van dit merkwaardig beeld verschuldigd. Behalve dat, zijn er betrekkelijk weinig werken der beeldende kunst overig, de munten medegerekend, waaruit wij het uiterlijk onzer heldin konden leeren kennen.
Hoewel het den dichter vóór alles moet te doen zijn om zijn werk tot een kunstwerk te maken, zoo gevoelt hij daarbij toch den plicht om te streven naar getrouwheid. Evenals het beeld der Koningin moet overeenkomen met hare persoonlijkheid, zoo moet ook het leven, dat in dit boek wordt weergegeven, in iederen trek beantwoorden aan de beschaving van het tijdperk dat geschilderd wordt. Om dit doel te bereiken hebben we onze heldin geplaatst in het midden van een wijden kring van menschen, op wie zij invloed heeft, waardoor het mogelijk werd hare persoonlijkheid voor te stellen in de meest verschillende verhoudingen met anderen.
Mocht het den schrijver gelukt zijn het beeld der merkwaardige vrouw, die zoo verschillend beoordeeld is geworden, niet minder "levend" en geloofwaardig voor de oogen zijner lezers te stellen dan het zich heeft afgedrukt in zijn eigen geest, dan zou hij met voldoening mogen terug zien op de uren, die hij aan dit boek heeft gewijd.
GEORGE EBERS.
EERSTE HOOFDSTUK.
Sinds lang had de bouwmeester Gorgias van Alexandrië geleerd de hitte der Aegyptische middagzon te weerstaan. Ofschoon hij nog geen dertig jaren telde, was hij het geweest die, eerst als medehelper van zijn vader, en na diens dood als zijn opvolger, de groote gebouwen opgericht had, waarmede Cleopatra de stad had verrijkt. Ook nu had zij hem weder een nieuwe taak opgedragen, en toch had hij zich, nog vóór het rustuur hierheen begeven, om aan den wensch te voldoen van een jongeling, die nog nauwelijks den knapenleeftijd ontwassen was.
Dit offer gold dan ook niemand minder dan Caesarion, den zoon van koningin Cleopatra en den grooten Julius Caesar. Antonius had hem met den trotschen naam van »Koning der koningen" vereerd--maar daarom was het hem toch in geenen deele vergund te bevelen of heerschappij te voeren; integendeel, zijne moeder hield hem geheel van de regeering buitengesloten, en hij zelf verlangde evenmin daarnaar. Zoo had dus Gorgias, indien hij gewild had, aan zijn verzoek geen gehoor behoeven te geven, en dit te meer, daar het hem duidelijk bleek, dat Caesarion hem in het geheim wilde spreken. De bouwmeester kon in de verte niet vermoeden wat hij hem wilde mededeelen, in ieder geval zou het onderhoud niet lang kunnen duren, want de vloot, waarmede de koningin en Marcus Antonius naar Griekenland overgestoken waren, moest nu reeds die van Octavianus hebben ontmoet, en zoo was waarschijnlijk de slag geleverd, die het lot der wereld beslissen zou. Gorgias geloofde dat Antonius en de koningin overwinnaars zouden zijn, en hij wenschte dit het doorluchtig paar van harte toe. Zelfs moest hij handelen alsof de uitslag van den strijd reeds verzekerd was, want hij moest de toebereidselen tot de plechtige ontvangst der overwinnaars leiden, voor zoover die tot zijn vak behoorden, en nog heden bepalen waar het kolossale beeld moest opgericht worden, dat Antonius voorstelde met zijne koninklijke geliefde aan de hand.
Mardion, een eunuch, dien Cleopatra in hare afwezigheid als Regent had aangesteld, en de groot-zegelbewaarder Zeno, die zelden in gevoelen met hem verschilde, wenschten het op een andere plaats te zien. Dit had echter tegen, dat dan een stuk grond, dat privaat eigendom was, daarvoor gebruikt moest worden, en hieruit konden moeilijkheden ontstaan, die Gorgias afschrikten. Maar ook als kunstenaar kon hij met het plan van Mardion niet ingenomen zijn, want op den grond van Didymus zou het beeld wel aan de zee staan, zooals de Regent en de zegelbewaarder vooral wenschten, maar het zou daar geen achtergrond hebben. In ieder geval kon de bouwmeester zich nu het verzoek van Caesarion ten nutte maken om van de plaats der bijeenkomst, de hooge trappen van den Isistempel, het Bruchium te overzien, en een geschikte plek voor zijn beeld uit te zoeken. Er was hem veel aan gelegen die te vinden, want de meester die dit kunstwerk had vervaardigd, was zijn vriend geweest en had kort na de voltooiing er van de oogen gesloten.
Het heiligdom, van waaruit Gorgias zijn onderzoekenden blik in het rond liet gaan, lag op een der schoonste gedeelten van het Bruchium. In deze wijk van Alexandrië stonden de koninklijke paleizen met alles wat daarbij behoorde, de prachtigste tempels (het Serapeum, dat in een ander deel der stad lag, niet medegerekend) en de grootste schouwburgen der stad. Hier riep het Forum den raad der Macedonische burgers tot hunne vergaderingen bijeen, en bood het Museum een tehuis aan de geleerden. Het kleine plein, dat den Isistempel ten oosten begrensde, werd gewoonlijk den Muzenhoek genoemd, ter eere van de marmeren vrouwenbeelden vóór de poort van het huis, dat met zijn grooten tuin de noordzijde, naar de zee toe afsloot, en dat aan den ouden algemeen geachten geleerde Didymus behoorde, die ook lid van het Museum was.
Het was een warme dag geweest, en het voorhof van den Isistempel bood den bouwmeester een welkome schaduw. Dit heiligdom rustte op een hoogen onderbouw, en een trap van vele treden leidde naar het inwendige gedeelte. Van hieruit had Gorgias een ruim vergezicht. De meeste gebouwen die hij hier zag waren uit den tijd van Alexander en van zijn opvolgers uit het geslacht der Ptolemaeërs, maar enkele, en dat niet de slechtste, waren zijn eigen werk of dat van zijn vader. Die aanblik deed zijn hart kloppen, en vervulde hem met geestdrift en vreugde. Hij had Rome gezien en menige andere stad, die tot de allerschoonste en volkrijkste werden gerekend, maar nergens was zulk een tal van heerlijke kunstwerken bijeen als in zijne vaderstad. »Al wilden de goden zelve beproeven," dacht hij, »om voor de bewoners van den Olympus een woning te bouwen, die met hunne grootheid en schoonheid in overeenstemming was, toch zou die niet veel rijker kunnen zijn, noch meer aan de behoefte van het kunstenaars gemoed voldoen, dan de gebouwen aan het strand van zulk een zee." Daarbij hield hij de hand boven de oogen, en de man die anders al zijn oplettendheid wijdde aan de kleine bijzonderheden van het werk dat hem bezighield, gunde zich nu eens het genot van den indruk dien het geheel op hem maakte, en waartoe hij zelf zooveel bijgedragen had. En terwijl hij met zijn kennersoog aan iederen tempel en zuilengang de harmonie en volmaaktheid der vormen bewonderde, haalde hij diep adem en bekende bij zich zelven, dat zijne kunst toch de schoonste van allen was, en dat niets haalde bij het oprichten van koninklijke gebouwen.
Zeker hadden de vorsten, die sinds driehonderd jaren in deze omgeving al die paleizen hadden doen verrijzen, hetzelfde gedacht. Zij hadden daardoor zoowel de grootte van hunne macht en hun rijkdom, als hun eerbied voor de goden en de liefde voor het schoone en de kunst getoond. Geen enkel koningsgeslacht op aarde kon zich beroemen op een prachtiger woonplaats. Ook dit erkende de bouwmeester, terwijl het donkerblauw van de zee en den hemel zich verbond met het licht der zon, om alles wat kunst en vernuft van den mensch hier te voorschijn geroepen had, in zijn volle schoonheid te doen uitkomen. Het wachten, dat den werkzamen man dikwijls moeilijk viel, werd hier op dit uur tot een genoegen. De stralen uit de diadeem der koningin de Zon, overgoten naar alle zijden de witmarmeren zuilen met een schitterend licht, en spiegelden zich op het vlak van het gepolijst graniet der obelisken, en de niet minder gladde wanden van wit, geel en groen marmer, syeniet en bruin gevlekt porfier, aan heiligdommen en paleizen. Het was alsof zij de bonte mozaïkfiguren, die den grond bedekten, overal waar geen rijweg dien doorsneed, noch boomen groeiden, wilden doen ineensmelten, terwijl het blinkend metaal of het glazuur der tichels op de daken ze schitterend terugkaatste. Hier gleden die stralen langs de metalen sieraden, dáár schenen zij in glans te wedijveren met de vergulde koepels, en weer verder gaven zij aan het fraai groen der met platina overtrokken bronzen oppervlakte, den gloed van smaragd. De blauw en rood geverfde deelen van den marmeren tempel werden in lazuursteen en koraal, en de vergulde in topaas veranderd. De afbeeldingen op den ingelegden vloer en aan de binnenmuren der zuilengangen staken nu nog duidelijker dan anders af bij de witte marmerblokken er om heen. Daardoor boden deze in plaats van schitterende eentonigheid, nu het oog een aangename afwisseling aan.
Hoe werd ook de kleurenpracht van vlaggen en wimpels, die naast de obelisken en pylonen, van triomfbogen, tempels en paleizen waaiden, door het licht der avondzon verhoogd! Doch schooner nog dan het kostbare purperblauw der vlag op het paleis, dat op het schiereiland Lochias stond, en waar nu de kinderen van Cleopatra woonden, was de kleur van de zee, die dicht bij de kust het donkerst, verderop steeds lichter blauw werd, doorspeeld met bewegelijke strepen van wit en helder groen.
Wanneer Gorgias van een schoon natuurtooneel of kunstwerk genoot, dan was hij gewoon den indruk, dien dat maakte, ongestoord op zijne ziel te laten inwerken, en daarbij alles om zich heen te vergeten. Toch had hij ditmaal het doel niet uit het oog verloren, waarvoor hij hier gekomen was. Neen, de tuin van Didymus was toch niet de rechte plaats voor het laatste werk van zijn vriend!
Terwijl hij de hooge platanen, sykomoren en mimosa's, die het oude huis van den geleerde omgaven, nog eens onderzoekend bezag, kwam er op het stille plein daar beneden op eens leven. Van alle zijden stroomde het volk voor Didymus' huis bijeen, alsof daar wat bijzonders was te zien. Wat zouden die lieden toch verlangen van den teruggetrokken man? Hij keek oplettend toe, maar keerde zich weldra weder om, daar op eens zijn eigen naam hem van beneden in de ooren klonk.
Een wonderlijke optocht naderde den tempel. Het was een troepje gewapenden, voorafgegaan door een breedgeschouderden kleinen man, wiens groot zwaargelokt hoofd door een dubbelen lauwerkrans was gesierd, en die in een levendig gesprek gewikkeld was met iemand die veel jonger scheen. Vóór de trap van den tempel was hij met zijn gevolg blijven staan om den bouwmeester te begroeten, en deze riep hem van boven af eenige vriendelijke woorden toe. Nu maakte de bekranste zich gereed om de trap op naar hem toe te gaan, maar zijn metgezel hield hem daarvan terug, en na een korte woordenwisseling gaf hij den jongen man de hand, wierp het zware hoofd in den nek, en trok, trotsch als een pauw, met zijn gevolg verder. De ander zag hem schouderophalend na, en riep Gorgias vragend toe, wat hij daarboven van de godin begeerde.
»Uw bijzijn," riep de bouwmeester vroolijk terug.
»Dan wil Isis u heden hare gunst bewijzen," luidde het wederwoord, en een oogenblik later schudden de beide jonge mannen elkander hartelijk de hand. Beiden waren welgevormd en groot; beider gelaat getuigde van hunne Grieksche afkomst, en men had hen bijna voor broeders kunnen houden, indien niet aan den bouwmeester alles krachtiger en minder schoon gevormd geweest was dan aan den ander, dien hij »Dion" en zijn vriend noemde.
Deze begon dadelijk den spot te drijven met den bekranste die hem zooeven verlaten had, en die Anaxenor heette. Hij was een beroemd citerspeler, wien Antonius de inkomsten van vier steden had geschonken en daarbij de vergunning om een lijfwacht te houden. Gorgias deed met zijne zware stem lustig mee, maar weerhield hem ook nu en dan door een verstandige opmerking om al te ver te gaan. Het bleek hieruit duidelijk hoe verschillend de beide vrienden van karakter waren, ofschoon van één leeftijd en van eenzelfde afkomst. Wel bezaten beiden een zelfvertrouwen, dat voor hunne jaren ongewoon was, doch de bouwmeester had zich dat door arbeid en verdienste verworven, terwijl Dion het aan rijke bezittingen en een onafhankelijke positie te danken had. Als men niet wist dat Dion in den raad der stad reeds meer dan eens door het gewicht van zijn weldoordachte en goed uitgesproken redevoeringen bij een besluit den doorslag gegeven had, dan zou men hem licht voor een van die zorgelooze, wereldsche rijke lieden gehouden hebben, waaraan het onder de jeugd van Alexandrië toenmaals niet ontbrak. Aan den bouwmeester echter sprak alles, van den blik zijner oogen af tot aan het grove leder der sandalen toe, van een ernstigen geest en de bescheiden degelijkheid van zijn geheele persoon.
Zij hadden vriendschap gesloten toen Gorgias voor Dion een nieuw paleis had gebouwd, in de plaats van het oude, waar zijn familie had gewoond. Bij zulk een langdurigen omgang, vooral wanneer het niet enkel om voorschrift en uitvoering is te doen, komt men licht nader tot elkander. Daarenboven was in dit geval hij, die de opdracht deed, slechts de wenschende en raadplegende, de kunstenaar daarentegen de hartelijke vriend geweest, die zijn beste krachten inspant om tot werkelijkheid te maken wat den ander als het hoogste voor oogen staat. Op deze wijze hadden zij elkander leeren waardeeren, en eindelijk was de een den ander onmisbaar geworden. Evenals de bouwmeester in den jongen aanzienlijken man veel had ontdekt dat hij niet vermoed had, zoo was het ook voor dezen een verrassing geweest in den ernstigen kunstenaar een geschikten makker te vinden, dien het--en dat maakte hem zijn vriend nog dierbaarder--geenszins aan kleine fouten ontbrak.
Zoodra het paleis tot tevredenheid van Dion en als een sieraad der stad was voltooid, verkreeg de vriendschap der jonge lieden een nieuwe gedaante, en het zou moeilijk zijn te zeggen, wien van de twee zij het meeste waard was.
Zooeven was Dion door den citerspeler aangehouden, omdat deze hem naar bevestiging vroeg van het bericht dat de vereenigde strijdmacht van Antonius en Cleopatra een groote overwinning had behaald, te water en te land.
In het eethuis te Kanopus, waar hij zijn ontbijt had gebruikt, waren allen reeds vol geweest van de blijde tijding, en er was veel wijn gedronken op het welzijn der overwinnaars en den ondergang van den vijand.
»Nu is het," riep Dion, »dezer dagen niet alleen de onnoozele citerspeler die mij voor alwetend houdt, maar ook menig verstandig mensch. En dat waarom? Omdat ik de neef ben van den zegelbewaarder Zeno, die zelf wanhopig is, omdat hij niets weet, zelfs het allergeringste niet."
»Maar hij staat ook het dichtst bij den Regent," merkte Gorgias op, »en zoo iemand, dan moet hij toch hooren wat er met de vloot is gebeurd."
»Zegt gij dat ook al!" klaagde de ander. »Als ik zoo vaak op een steiger of muur, hoog boven den grond moest staan als gij, architect--wel, bij den Hond, dan zou het mij niet zijn ontgaan uit welken hoek de wind waait. Nu reeds sinds veertien dagen blaast hij uit het zuiden en houd de schepen tegen, die van het noorden komen. De Regent weet niets, in het geheel niets, en mijn oom natuurlijk even weinig. En wanneer zij al iets wisten, zouden zij wel zoo wijs zijn om niet ook mijne kennis daarmede te verrijken."
»Er zijn toch ook andere geruchten," zeide de bouwmeester bedenkelijk. »Als ik in Mardions plaats was..."
»Zeg de goden dank, dat gij het niet zijt," lachte de ander. »Hij zit in de zorgen, als een visch in zijn schubben. En die eene, de grootste van allen... daaraan brandde zich gisteren de jonge onnoozele Antyllus, toen hij bij Barine was. Arme knaap! Te huis kreeg hij zeker nog heel wat daarover te hooren van zijn gouverneur."
»Gij meent zijne aanmerking op de tegenwoordigheid der koningin bij de vloot?"
»Stil!" viel Dion hem in de rede, en legde den vinger op zijn mond; want vele mannen en vrouwen kwamen de trap van den tempel op. Verscheidene droegen bloemen en koeken in de hand, en op het gelaat van de meesten lag blijde ontroering. De tijding van een overwinning was ook hen ter oore gekomen, en nu wenschten zij een offer te brengen aan de godin, die Cleopatra, »de nieuwe Isis", boven alle andere begunstigde.