Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman

Part 9

Chapter 93,731 wordsPublic domain

"Maar," liet Clara volgen, "je weet wel, als je in mijn gezelschap wijn drinkt, dan houd je maat."

Van Breeveld wilde protesteeren.

"Jawel, jawel, zooals je altijd doet, als je met mij in gezelschap bent," riep ze vroolijk, maar met een ernstige bijgedachte. Dat zich te buiten gaan zou zij wel weten te keeren. Hij zag tegen haar op. Ze moest zien dat prestige te bewaren en er gebruik van te maken. Die avond was wellicht de gelukkigste, die Clara in het laatste jaar gekend had.

Toen ze ontwaakte uit een droomloozen slaap, voelde ze zich zoo verkwikt en opgewekt, dat ze lust had om te zingen. Met blijde verrassing ontwaarde zij dien drang in zich, en ze deed zich geen dwang aan, om dien lust te onderdrukken.

Aan 't ontbijt was Van Breeveld de voorkomendheid zelve. Hij was zelden zoo goed gemutst geweest, en Clara merkt op, hoe aardig en vriendelijk hij wezen kon, als hij wilde. Ze verdreef alle gedachten aan zijn vroegere fouten: ze zouden nooit meer terugkomen, verdwijnen, en dat zou haar, haar werk zijn.

Opgeruimd verliet hij zijn woning, om zich naar zijn gewone werk op 't bureau te begeven, en om elf uur reeds kon hij zijn trek niet weerstaan, om naar de sociëteit te gaan. 't Was, of hij behoefte gevoelde zich in zijn nieuw geluk te vertoonen, en lucht te geven aan zijn vroolijke stemming in een opgewekt gesprek.

't Witte gebouwtje op de "aloen-aloen" tegenover de assistent-residentswoning lag te blakeren in de zon. Onder het zinken dak was het vóor bijna niet uit te houden. Er zat daar dan ook niemand. De morgenbezoekers, een groepje heeren, of wat daarvoor doorging, want in Java's binnenlanden heet ieder blanke een heer, dat vóor de rijsttafel daar kwam bitteren, was geschaard om de ronde tafel in de achtergalerij, de zoogenaamde "kletstafel". Daar, onder het overhangende loover der hooge tamarinde-boomen van den breeden weg, die langs het gebouwtje liep, zat men betrekkelijk koel. Ook was 't er vroolijk door de drukte van allerlei voorbijgangers, meest kooplieden, die van en naar de naburige "pasar" kwamen en gingen, en nu en dan een buggy of bendy door een Europeaan gemend, den een of anderen planter of opzichter eener onderneming, die ter hoofdplaats kwam. Telkens, wanneer zoo iets gebeurde, klonk er een luide begroeting uit den kring der bitterdrinkers, dadelijk beantwoord door een tegengroet of kwinkslag uit het voorbij ijlende voertuig. Het gezelschap, dat dien dag daar bijeenzat, was vrij groot. Er behoorden ook toe de administrateur van Soember-Satoes met zijn rood gezicht, stralend van goedige tevredenheid en lachlust, en een paar officieren, een kapitein en de hartenveroverende Lindhorst. In bijzonder gemakkelijke houdingen, sommigen met beide beenen over de balustrade der achtergalerij, zaten ze daar op hunne stoelen te wippen, en waren druk bezig met het "opzetten van een gezelligen boom", zooals men in Indië een familiaar gesprek over koetjes en kalfjes noemt. Die eigenaardige naam schijnt zijn ontstaan daaraan te danken te hebben, dat zulk een conversatie, evenals een boom in éen richting opschiet, om zich dan in takken te verdeelen. Inderdaad had het gesprek zulk een karakter, want men sprong van den hak op den tak: ieder onderwerp was goed, mits niet ernstig en niet vervelend. Zoo kwam men, na veel andere takken en twijgen, aan een deel van den "boom", die weldra bleek zich hoog in de lucht te zullen verheffen, en de top te zullen worden. Allen toch spraken er een woord in mee. Men had het over de patronesse der sociëteit, de bekoorlijke gade van den nieuwen burgervader. Lindhorst zeide weinig. Dit scheen de aandacht te trekken. Meerlink wilde hem eens plagen en zeide:

"Wel, Lindhorst, wat zeg jij weinig! Ik geloof waarlijk, dat jij onze opinie in 't geheel niet deelt. Ik geloof, dat jij dat aardige logeetje van me maar zóo zóo vindt, niet?"

Lindhorst glimlachte geheimzinnig. De oude kapitein, een leelijk mager en lang individu, die den altijd gelukkigen Lindhorst in stilte benijdde om zijn bekend succes bij de vrouwen, vond de gelegenheid schoon, om eens een pijltje van zijn nijd op den luitenant af te zenden:

"Kijk 'm eens lachen!" roept hij, "hij denkt bij zich zelf: nu ja, wat jelui mooi en interessant vinden, is dat nog niet zoo dadelijk voor mij. Ik geloof waarachtig, dat hij er meer aan denkt, hoe zij hem vindt--knap, mooi of onweerstaanbaar--dan welk idee hij zelf wel over haar zou hebben."

"Nu," zegt een ander, een der velen onder 't gezelschap, die ook op de partij ten assistent-residentshuize waren geweest, "je hadt 'm eens moeten zien op dien eersten avond bij Van Breeveld!" Dan tot zijn buurman: "Heb je hem met zijn gastvrouwtje zien dansen? Innig, hoor. Lieve hemel, zoo iets heb ik nog nooit gezien. Als ik zeg, dat hij haar gewoon met de oogen opat, zeg ik nog maar de helft van de waarheid."

"Nu ja," valt Meerlink lachend in, "Lindhorst en hofmaken, dat hoort nu eenmaal bijeen. En de manier waarop, wel, ieder vogeltje zingt zooals hij gebekt is, wat zeg jij, Lindhorst? Dat jij een lieve jonge vrouw 't hof maakt, is even natuurlijk als dat ik met belangstelling naar een mooie' koffietuin kijk."

"Juist," zegt Lindhorst met komischen ernst met de eene hand zijn knevel opstrijkend, "'t is niet alleen natuurlijk, maar ik vind het voor iemand als ik niet meer dan plicht, om een aardig jong ding het hof te maken. Vooral.... als ze zoo'n half uitgebrande kaars als die Van Breeveld als haar êga moet dulden."

"St!" wilde zijn buurman juist roepen, toen de gestalte van den laatstgenoemde in de deur zichtbaar werd, die uit de middenzaal toegang gaf tot de galerij. In 't drukke gepraat had niemand zijn komst eerder bemerkt. Hij had alles gehoord. Bleek van toorn komt hij op den onvoorzichtigen don Juan af. Deze verlaat zijn overgemakkelijke ligging, en, zich oprichtend, kijkt hij den binnentredende driest aan.

"Wil u eens herhalen, wat u daar 't laatst gezegd heeft, Mijnheer Lindhorst?" vraagt Van Breeveld verre van kalm. Al zijn antipathie, zijn nauw verdrongen argwaan, vlammen in hem op.

"En als ik eens niet verkoos?" antwoordt Lindhorst doodkalm, maar toch geërgerd door den onstuimigen toon van den ander.

"Kom, kom," valt de goedige Meerlink in, die 'n broertje dood heeft aan al dat ruziemaken, zooals hij dat zegt, en die een onweer voorziet, "'t is zoo erg niet, en 't is niet in uw bijzijn gezegd, Mijnheer Van Breeveld." Maar de storm blijkt niet te keeren.

"Dat moest er nog bijkomen," roept hij bevend van woede, "dat zou de onhebbelijkheid zelf wezen."

"Hoe zegt u, Mijnheer Van Breeveld?" vraagt Lindhorst tartend.

"Onhebbelijk, heb ik gezegd, ja meer, als u dat liever hoort, geen taal voor een fatsoenlijk man!"

Merkwaardig is de tegenstelling tusschen den ongebonden hartstocht van den eene en de irriteerende koelbloedigheid van den ander. Lindhorst is niet alleen bekend als een verstokte hofmaker, maar ook als een onverschrokken verdediger van wat hij zijn "eer" noemt; brutaal als de beul, en kalm als deze in zijn brutaliteit. Langzaam staat hij van zijn stoel op, en, vlak tegenover Van Breeveld staande, kijkt hij hem strak in de oogen, en zegt, ieder woord accentueerend:

"U zal wel zoo beleefd zijn, mij daarvan satisfactie te geven?"

"Natuurlijk, onmiddellijk, als u wil."

Het overige gezelschap, dat dit tooneel zwijgend en in spanning heeft gadegeslagen, begint er zich nu in te mengen. "Zijn ze gek?" roept er een. "Willen ze hier duelleeren?" een ander. Meerlink is geheel van streek. Hij staat op en legt zijn hand op Van Breeveld's schouder:

"U wil toch niet nu dadelijk met Mijnheer Lindhorst gaan vechten? Zoo maar als wilde tegen beesten elkaar invliegen?" roept hij ontdaan.

"Nu goed, nu of straks, 't is me om 't even," antwoordt Van Breeveld. "Wil u mijn eene secondant zijn?"

Meerlink aarzelt. Zou er aan de zaak niets meer te verhelpen zijn? denkt hij.

"Zeg, Mijnheer Lindhorst, ik vind, dat u hier eenige schuld heeft. Leg 't zaakje bij."

"Ik denk er niet aan," antwoordt de toegesprokene, en zijn toon is zóo vastberaden, dat den ander alle hoop ontzinkt. Niemand waagt nog verder iets in 't midden te brengen.

Van Breeveld herhaalt zijn verzoek aan Meerlink, en deze stemt schoorvoetend toe. Aan weerszijden zijn weldra de secondanten gevonden. Men zal nog denzelfden dag, om zes uur, op 't pistool duelleeren, en wel op een eenzame plaats in een ravijn, op tien minuten afstands van de hoofdplaats verwijderd. Een enkele stem verheft zich tegen 't ongewone uur, en stelt den volgenden ochtend vroeg voor, maar beide partijen willen van geen verder uitstel hooren. Allen, die getuigen waren geweest van het voorgevallene, beloven op verzoek der geïnteresseerden, de zaak niet ruchtbaar te zullen maken, voordat het duel had plaats gehad. Een der partijen was de assistent-resident, een omstandigheid, die in de binnenlanden van Java niet uit het oog verloren mag worden: 't ontzag voor diens hooge positie en groote macht was genoeg om velen te doen zwijgen, waar zij anders gesproken zouden hebben.

't Is half zeven in den avond. De duisternis is nog niet geheel gevallen, en om de sombere gevaarten der waringin-boomen fladderen de z.g. vliegende honden reeds rond in rustelooze vlucht, de vele insecten nazettend, die door de lucht beginnen te gonzen. Op 't anders zoo vredige Poerwanegara heerscht een buitengewone opschudding. Een groote menigte volks is op de wegen samengestroomd, en vooral aan éen hoek van de "aloen-aloen" is de volksoploop sterk. Daar is de assistent-residentswoning. Een verward gemompel gaat van mond tot mond. Nu en dan loopt een inlander haastig het erf op, of een ander, even gejaagd, verlaat het, en wordt dadelijk bestormd door talrijke, nieuwsgierige vragers. Geen van allen weet eigenlijk recht wat er gebeurd is, alleen weet men, dat de "Toewan Asisten" dood is, plotseling, en wel doodgeschoten. Sommigen beweren 't schot gehoord te hebben; sommigen vertellen ongeloofelijke bijzonderheden, door anderen even stellig en heftig bestreden. Toch spreken allen zacht. Het onhebbelijke in de houding van 't volk bij oploopen in Europa is hier niet op te merken. Uit hun aard zijn de Javanen bedaard, en, nu 't hier zulk een buitengewoon geval geldt als de plotselinge dood van den machtigen bestuurder, is hun houding zoo mogelijk nog kalmer.

Een groepje nieuwsgierigen heeft eindelijk de gelegenheid iets meer te vernemen van 't vreeselijke voorval. De oude "kokki" van de "Mevrouw" is naar buiten gekomen, zooals ze zeide, omdat ze 't niet langer kon aanzien, maar inderdaad om eens interessant te wezen, en beschouwd te worden als een "intima" der kleine hofhouding ten assistent-residentshuize.

"O, Heere God," begint ze te vertellen, als men van alle kanten bij haar aandringt om toch te spreken, "'t was toch zoo akelig." Ze kijkt even rond, en ziet met voldoening, dat men met open mond staat te luisteren.

"Mijnheer werd een kwartier geleden binnengebracht. Hij werd uit een rijtuig gedragen. Zijn eene oog was verbonden. Ik heb 't gezien, toen de doek eraf was. Och, lieve God, 't was door en door geschoten. Hij leefde nog. Nu ligt hij te zieltogen. Je hadt die goede, lieve Mevrouw eens moeten zien! Ze lag voorover bij zijn bed, met haar hoofd op zijn borst."

Hier viel een andere vrouw in de rede:

"Och, mensch, wat zeg je? Ze zeggen, dat die mooie mevrouw niets van haar man woû weten. Ik heb dat zoo dikwijls gehoord."

"Je leutert," zei kokki streng en beslist. "Ze is gek van verdriet, zeg ik je. Dacht je, dat die Hollanders mekaar liefhebben zooals wij Javanen als man en vrouw? Dat 's heel anders, mensch." De andere zweeg en luisterde weer.

"Weet je wat ze maar al riep?: ""Te laat, te laat!"" en dan snikte ze, om er naar van te worden. Ik weet niet, wat dat zeggen wil, maar 't moet heel akelig zijn. Ik zeg je, ik ben weggeloopen, ik kon 't niet meer aanzien."

Hier kwam een boodschapper van binnen haastig naar de vertelster toeloopen, fluisterde haar iets in 't oor, en, door tal van oogen nagestaard, verdwijnt het oudje weer in de assistent-residentswoning.

Daar binnen wordt een treurig tooneel afgespeeld.

Met loshangende haren en verwilderden blik ligt een beeldschoone jonge vrouw geknield voor een ledikant, waar een bleeke mannengestalte op uitgestrekt ligt. Krampachtig omklemt ze een der slappe handen des overledenen, en eentonig, akelig weerklinkend in 't holle vertrek, waar alles overigens zwijgt, herhaalt ze twee woorden, waarin een oneindigheid van smart en wroeging ligt opgesloten: "Te laat, te laat!" De geneesheer en twee bedienden staan roerloos dit schouwspel gade te slaan. Hun hulp is niet meer noodig, en heeft ook niet veel goeds kunnen uitrichten. Reeds stervende binnengebracht, is Van Breeveld na eenige minuten de eeuwigheid ingegaan. Een kogel, die door een ongelukkig toeval hooger terecht is gekomen dan de schutter bedoeld had, is door 't linkeroog tot bij de hersenen doorgedrongen: hij was reddeloos verloren.

Doch hoe vreeselijk zijn lot mag genoemd worden, die vrouw, die daar in wanhoop over zijn lijk gebogen ligt, had gaarne dat lot met het hare geruild. Haar is met dezen slag, naar ze vast gelooft, de laatste kans op levensgeluk ontgaan. 't Was dan de wil des Almachtigen haar te straffen voor haar zwakheid! Al haar goede voornemens hadden dus niets kunnen uitwerken. Ze zag niets dan een toekomst van schande; want een ieder zou de ware rede van 't duel in haar schuld meenen te moeten zoeken, men zou 't als zeker vertellen. Maar dat was nog niet 't ergste. 't Vreeselijkste was, dat zij zich de schuld achtte van zijn dood. Voor haar had hij den noodlottigen strijd aangegaan, voor haar eer, waarin hij zoo vast geloofde, was hij opgekomen! Hij was als haar offer gevallen. Die gedachten waren zoo ontzettend, dat ze ervan duizelde. 't Was, of ze krankzinnig zou worden. En telkens kwam die verschrikkelijke overtuiging, geuit in dien kreet van waanzinnige smart: "Te laat, te laat!"

XI.

NIEUW LEVEN.

De stoomer Yang-tsé van de Messageries Maritimes vervolgt statig zijn weg over het ontzaggelijk watervlak van den Indischen Oceaan. De zon is juist ondergegaan. Nog is het gansche oosten van den hemel in purper gekleurd. De gloed neemt gestadig af, en daarmee de schitterende weerschijn op den kalmen oceaan. Straks zal het flikkerende weerlichten der tropische zeeën beginnen, als een beeld van het licht, dat nooit sterft, van de ziel, die niet vergaat; ook als de nacht gevallen is, zal daarboven een heirleger van fonkelende sterren zijn zachten glans verspreiden, en in 't zog der stoomboot zullen millioenen infusiediertjes een breede lichtstreep achter het schip teekenen. Verandering, eeuwige afwisseling, geen dood of vernietiging. Na het wegzinken der zon in haar purperen legerstede, is allengs een koeltje gerezen, dat verkwikkend zweeft over de moede golven, dampend als paarden, die van de dagtaak huiswaarts keeren.

Op het ruime achterdek der mailboot zit een eenzame vrouwengestalte bij de verschansing. De meeste passagiers zijn beneden, slechts een enkele toeft luierend op een "dekstoel", onverschillig en machinaal rookend, vegeteerend als een herkauwende koe. De blik der jonge vrouw is naar 't oosten gekeerd, naar de plek, waar zooeven de zon verdwenen is. Rustig als de oneindige waterbanen om haar is ook haar gemoed, maar tevens somber als zij. Een besluit, lang opgevat, maar telkens verschoven, is thans tot rijpheid gekomen en, zij is in vrede met zichzelve, nu ze weet, dat het onherroepelijk is. Evenals die zon na een kort leven is ondergegaan in al haar pracht, zoo zal ook zij in den vollen bloei harer jeugd haar kort bestaan eindigen. Zal ze herleven als die zon, en opstaan tot een nieuwe loopbaan? Ze weet 't niet en bekommert er zich niet om. Ook al is er een leven na dit, het zal dan toch zeker anders zijn. 't Eenige wat ze weet, is dat dit leven ondragelijk voor haar geworden is, en verandering noodzakelijk verbetering moet wezen. Morgen, vóordat nog éen enkele passagier zich aan 't dek vertoond heeft, zal ze van een oogenblik, dat niemand haar bespieden kan, gebruik maken, om achter, door een opening in de verschansing, zich in zee te laten glijden. Weldra zal haar lichaam ver wegdrijven als die schitterende schuimvlokken, die zij in 't zog der boot, zich snel achterwaarts ziet bewegen. Dat lichaam, dat reeds zooveel ellende gehuisd heeft, zal gevoelloos ronddrijven op de zilten vlakte, zichzelve en niemand tot een ergernis, alleen met de oneindigheid, totdat het naar de koele diepte zal worden gesleurd door 't een of ander zeemonster.... Clara--de peinzende in dat avonduur--rilt even bij die gedachte. Ze herstelt zich spoedig: wat is zulk een lot, zelfs al werd ze levend verslonden, bij de folteringen der wroeging, jaar in jaar uit, die ze anders onfeilbaar zou te verduren hebben? En, als er een Opperwezen bestaat, moet het goed zijn, en kan een liefhebbend vader willen, dat zijn kind zoo lijdt, zal hij haar niet vergeven, dat zij den last afschudt van schouderen, waaraan Hij de kracht niet gaf, om hem te torschen? Ze heeft immers geen plichten meer te vervullen? Jegens wie? Jegens haar moeder soms, die nauwelijks meer weet, dat ze bestaat, voortlevend haar leven van ijdelheid en oppervlakkigheid? Haar zuster in Indië? 't Onbeteekenende menschje, luchtig en beuzelachtig als haar moeder, heeft "een goed huwelijk gedaan", en dus haar ideaal bereikt. 't Verlies eener gansch niet zielsverwante zuster zal haar bitter weinig deren. Haar zusje in Holland.... 't Lieve kind. Ze zal haar Toetie niet vergeten zijn, o neen, daar is ze zeker van. Die is nog thuis, in de ongezonde atmosfeer der huiselijke omgeving harer moeder. O, ware zij, Clara, ook in de oogen der wereld, rein als haar zoete naam, hoe zou ze zich dat lieve kind aantrekken, hoe zou ze 't willen beschermen tegen dien noodlottigen invloed bij haar thuis, die haarzelve tot zooveel ellende gebracht had! Vroeg of laat zou dat kind ook wel ten offer vallen aan de gewetenlooze koppelzucht dier moeder: ze zou trouwen en ongelukkig zijn. Maar wat zal zij thans daartegen kunnen doen? Haar slechte naam zal haar vooruitgesneld zijn naar 't verre Holland en haar opwachten aan de kade. De couranten, die uitvoerbuizen van laster en ijdelen klap in Indië, hadden immers vol gestaan van haar schande. Een ieder had er over gesproken; menschen, die ze nooit gezien had, kenden haar naam, spraken met de belangstelling van armgeestige leegloopers over "die zaak van de mooie assistent-residents-vrouw". Haar moeder zou, schoon alles geloovende, haar waarschijnlijk niet hard erom vallen, zeer goed beseffende, dat zij indertijd even goed zulk een "gevalletje" zou gehad kunnen hebben. Maar wat zou dat? De menschen in Den Haag, buiten haar moeders kring, zouden er anders over denken. Haar omgang met de onschuldige Toetie zou voor deze noodlottig kunnen zijn, en als 't lieve kind, dat haar altijd zoo hoog gehouden had, eens de zaak mocht vernemen, hoe zou Clara er onder lijden! Neen, ze mocht dat zusje niet meer terugzien.... Overigens, Mevrouw Victor.... die was dood voor haar, sinds lang. Verder zou niemand zich over haar bekommeren. Ze kon gerust heengaan; 't weinige leed, dat ze daardoor bij een enkele zal veroorzaken, weegt niet op tegen haar oneindige smart.

Weer dwalen Clara's gedachten terug naar haar zusje thuis. Acht jaar geleden was zij hetzelfde onschuldige, dartele kind. Ze denkt aan den eersten keer, toen zij dienzelfden oceaan overvoer. Hoe onbezorgd was toen haar leven, hoe weinig vatbaar voor verdriet. En toch had ze toen kort geleden haar vader verloren. Och, ze besefte niet, hoe met diens dood ontzaglijk veel voor haar verloren was gegaan.... De tweede maal, dat ze deze watervlakte overging, had ze reeds een groot deel levens achter zich, groot, ondanks haar achttien jaren: ze had de zoete aandoeningen der eerste liefde gekend, de smart van 't scheiden der heerlijke illusiën, de wreede onttooveringen harer eerste huwelijksdagen, dan de gelatenheid, de saaie ernst van 't leven, dat ze alleen als plichtsbetrachting beschouwde. Hoe kleurloos en eentonig haar bestaan ook toen was, het leven was haar nog dierbaar: zij had plichten te vervullen, en de overtuiging, die na te komen, bevredigde haar. Zij had zich vergist. Eindelijk werden haar de oogen geopend. Een korte weifelperiode werd gevolgd door een heroïek voornemen, een heilig geloof, dat ze nog een roeping had te vervullen. Toen kwam opeens de slag, de instorting van al haar hoop. Ze doorleeft die vreeselijke uren nog eens in den geest: zij ziet het akelig verwrongen gelaat van den man, die voor haar gevallen was, en dan als een ledige plek in haar leven, de weken van zinnelooze smart, waarvan de herinnering slechts flauw is, de overkomst van haar zuster uit Soerakarta, een drukte van vreemde onverschillige menschen in haar huis, waartusschen ze als een wezenlooze rondwaart, de begrafenis, haar overhaast vertrek op raad van haar zuster, haar gedweeheid als een kind, dat met zich sollen laat.... haar aankomst aan boord. O, alles was als een droom geweest, een akelige nachtmerrie, waaruit ze sinds kort ontwaakt is. Toen kwam de gedachte des doods, eerst als een woest wanhopig besluit van den radelooze, die plotseling geen uitweg ziet, als ware opeens een nevel opgetrokken, die den afgrond voor haar voeten bedekte; dan het plan, de berusting. Thans, de derde maal dat haar blik gleed over die reuzenplas, schijnt haar heenreis een feit in 't grauw verleden, en toch ligt er nog geen half jaar tusschen nu en toen! Was toen haar leven somber als deze tropische nacht, er was hoop op een spoedigen dag, op de herrijzing harer levenszon, terwijl thans haar leven gelijk was aan den vreeselijken poolnacht, onduldbaar lang, alleen nu en dan doorflikkerd door de spookachtige stralen van 't noorderlicht, dra weer wegzinkend, als de zoete herinneringen, die nog haar ziel een oogenblik in beroering brachten. Na dien nacht, hoe lang ook, zou een lange dag aanbreken, zou een bleeke zon verrijzen boven een dood landschap, evenals wellicht haar ziel in een ander leven op zou gaan, na den dood.

Verzonken in die gepeinzen, wordt Clara verrast door de tonen van een welbekende melodie. Beneden in de long-room wordt piano gespeeld. Hoe heerlijk en lieflijk klinkt dat lied! 't Is een phantasie op een thema, dat ze lang kende. Dikke tranen ontrollen Clara's oogen. Smachtend teeder vleien de tonen. Ze herinnert zich de woorden:

Par pitié, beau nuage, sur les ailes du vent Porte-moi sur la plage, que je pleure souvent!