Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman

Part 8

Chapter 84,018 wordsPublic domain

Weinig vermoedde de vroolijke gastheer, toen hij, weer binnen gekomen, vertelde wie die ruiter was, en dat hij dien avond zou komen eten, hoe weinig welkom het bericht voor zijn logée was. 't Was of met een tooverslag Clara's opgewekte stemming verdwenen was. Het angstige gevoel, dat zij waande overwonnen te hebben, bekroop haar weer met nieuwe hevigheid. De avond, waarvan ze zich zooveel onschuldige vreugd voorgesteld had, zou dus voor haar bedorven zijn! En toch--heel diep in haar diepste wezen, als bevreesd zijn stem te doen hooren, rees een vaag verlangen naar dien man, wiens tegenwoordigheid zij duchtte!

Wat zij verwacht had, gebeurde. Den ganschen avond, in weerwil van de uitbundige vroolijkheid van den heer Meerlink, het goede maal, en de vriendelijkheid van gastvrouw en dochters, ten spijt van de attenties en 't innemende gesprek van den onderhoudenden Lindhorst, en van de piano-muziek, die men maakte, en de komische liederen van den gastheer, bleef Clara gedrukt en afgetrokken. De wijn en het maal verhitten haar, en deden haar zenuwachtigheid stijgen, terwijl de muziek haar een schreeuwende wanklank was bij de onrust van haar gemoed. De gastvrouw scheen bemerkt te hebben, dat er iets aan haperde; want reeds vroeg wist zij aan 't samenzijn op tactvolle wijze een einde te maken. Lindhorst vertrok te paard, zooals hij gekomen was. 't Was nog geen half twaalf, toen Mevrouw Meerlink Clara naar haar kamer in de bijgebouwen vergezelde. Daar bleef zij nog even staan, vóor de geopende deur, en vroeg hartelijk:

"Wat scheelt eraan, Mevrouwtjelief? De wijn schijnt u niet goed gedaan te hebben. Of was 't wat anders?"

"O, Mevrouw, heel vriendelijk van u, maar 't beteekent niets. Ik heb meer last van hoofdpijn. Ik zal me vandaag wat vermoeid hebben."

"Zeker, dat zal 't zijn. Slaap u maar 's stevig uit, hoor. Goeden nacht, Mevrouwtje."

Clara kuste het goede mensch, en zij scheidden.

Het was een prachtige maannacht. Het zilveren licht viel in een breeden stroom door het geopende venster van Clara's kamer. Buiten was niets te hooren dan het eentonig gegons der myriaden van insecten. Een zwak koeltje bewoog de vederachtige kronen der kokospalmen, die ver boven het omringende geboomte teekenachtig tegen den donkerblauwen hemel uitkwamen. Clara voelde niet den minsten lust tot slapen. Tegen het venster stond een sofa. Daar knielde zij op, en, het hoofd op de beide armen leunend, keek ze naar 't vredige landschap buiten. Het venster zag achter op een plek open gronds uit, waar alles door 't schijnsel der maan overgoten was. Een smal pad liep daar langs, om zich op een kleinen afstand in 't bosch te verliezen. Daar, kort bij, was een plaats onder hoog geboomte, waar de familie Meerlink dikwijls gezamenlijk naar toe ging. Men zat daar dan in fijn zacht gras naast een murmelend beekje en "picnicte". De gastvrouw had Clara reeds over een plannetje van dien aard gesproken, dat spoedig uitgevoerd zou worden.

Het vredige licht daarbuiten en het koeltje, dat de lucht bewoog, doen Clara goed. Een poos blijft zij onbewegelijk turen naar de donkere plek rechts, het bosch. De geheimzinnigheid van 't oord op dit uur boeit haar machtig. Ze voelt een onweerstaanbaar verlangen, nog even een eenzaam wandelingetje te doen. Waarom zou ze niet? Een oogenblik aarzelt ze. Ze is in nachtgewaad: saroeng en kabaja, maar wat zou dat? Er was immers niemand, die haar daar buiten, achter 't huis, bespieden kon. 't Was een verlaten boschpad, geen weg, zooals vóor, waar wel eens een nachtelijk voorbijganger kon wezen, of in allen geval het werkvolk in de "gardoe," het wachthuisje, haar zou kunnen zien. Ze bedenkt zich niet lang.

Blootshoofds en op sloffen wandelt ze door de opening in de haag achter het erf, en gaat langzaam het pad op. Welk een vreemd tegenbeeld vormt haar ziel met het nachtelijk landschap: hier vredige rust, daar het tumult van strijdige machten! hier lieflijke koelte, daar kwellende gloed! hier overal wegwijzend licht, daar verwarrende duisternis. O, die lijdende vrouwenziel voelt het scherpe contrast, en juist daarom trekt die heerlijke natuur haar met toovermacht aan: zij wil rustig, verkwikt en helder worden als zij.... Ongemerkt wandelt ze voort. Reeds is ze op een honderdtal schreden afstands van haar kamer en vlak bij 't bosch, welks donker verschiet haar aanlokt en bekoort. Nog gaat ze voort. Daar hoort ze geritsel vlak bij haar. Ze denkt aan een wild dier, een slang; maar herinnert zich de verzekering van den heer Meerlink, dat er in den ganschen omtrek sinds de ontginning der streek geen tijger of ander gevaarlijk wild dier meer voorkomt. 't Gedruisch der machinerieën, de drukte van werkvolk op de onderneming, en wellicht ook de nabijheid der rumoerige "bèntèng" hebben ze verdreven, reeds lang. Slangen waren zelfs vóor dien tijd zeldzaam, en worden thans nergens meer aangetroffen. Niettemin kijkt ze ongerust om, en gaat haastig terug. Doch plotseling, vóordat ze 't weet, staat een rijzige mannengestalte naast haar. 't Is Lindhorst. Hij was vóor 't heenrijden op de gedachte gekomen, even Clara te bespieden, om als ze in haar kamer was, te trachten daar binnen te dringen. Haar zenuwachtigheid was hem niet ontgaan, en hij wenschte zijn geluk te beproeven, als de gelegenheid gunstig was. Hij was daartoe het huis omgereden. Zijn paard vastgebonden hebbende, was hij bij een boom blijven staan, wachtende totdat hij licht in de kamer der jonge vrouw zou ontwaren. Juist was hij op 't punt geweest zich daarheen te begeven, toen hij opeens bemerkte, dat zij het pad opging, in welks nabijheid hij op den uitkijk stond. Eerst toen zij, terugkeerende, vlak bij hem was, verraadde hij zijne aanwezigheid door haar snel achterna te loopen.

Hel schijnt het maanlicht op zijn mannelijke gestalte. Zij ziet hem ontsteld aan, en 't is, of hij haar blik drinkt.

"Mijnheer Lindhorst!" roept ze ontzet en vreemd te moede. Hij antwoordt niet, maar blijft haar aanzien met van hartstocht gloeiende oogen. Zij is als machteloos. Haar gedachten worden als weggevaagd door den alles meeslependen lava-stroom dier oogen. Een duizeling overvalt haar, als hij driest zijn arm om haar heen slaat en haar met zich tracht mee te voeren naar haar kamer, slechts eenige schreden verder. "Mijn liefste, mijn liefste!" brandt haar in 't oor, als hij zich fluisterend naar haar toebuigt. Nog éen oogenblik en ze is verloren.... Doch met een plotselinge opwelling van verontwaardiging rukt ze zich los. De vlucht is haar eenig redmiddel. Zij vliegt naar haar kamer, en doet de deur op slot.

Goddank, ze is veilig!

Lindhorst blijft een oogenblik overbluft staan. Hij begrijpt er niets van. Hij, de onweerstaanbare, moet hier afdruipen! Dat is hem zelden overkomen: zoo na aan 't doel en dan zoo afgescheept te worden.

"Wonderlijk, wonderlijk, een ellendige boel!" mompelt hij, als hij zijn paard opzoekt en wegrijdt. "'t Beroerdste is nog," denkt hij, "dat er misschien nog een "perkara" met dien ouwen Van Breeveld van komt. A la bonne heure! Als hij dan absoluut wil, zal ik hem wel een kogel in zijn lijf jagen. Een eenig geval...."

Wat inderdaad voor 't jonge mensch 't onaangenaamst van zijn mislukt avontuur was, was zijn gekwetste eigenliefde. En dan--zijn kameraden zouden hem uitlachen, als de zaak ruchtbaar werd. Hij zou zwijgen, dat nam hij zich stellig voor; maar dat Clara het doen zou, scheen hem haast ondenkbaar.

X.

TE LAAT.

De bedwelming is geweken. Het ontzettend gevaar, waaraan zij ontkomen is, staat op eens in zijn afschuwelijke naaktheid voor Clara's geest. Onzeggelijke schaamte doet haar ineenkrimpen.

Ze werpt zich op haar bed, en blijft er opgericht zitten. Met wijd geopende oogen staart ze naar de deur, als wezenloos. 't Is, of ze haar eigen geweten in spookgestalte vóor zich ziet staan, met honenden lach haar toeroepend:

"Bijna gevallen! Waar is nu die fierheid van voorheen, die uzelve in uw waan zoo hoog verhief boven anderen, boven hem ook, dien gij zoo diep verachttet? Ge zijt niet veel meer dan hij...."

O, had ze ooit te voren geleden? Wat was al wat ze geleden had in vergelijking bij 't vlijmend zelfverwijt, de schaamte van dit oogenblik? Welk een dwaze zelfmisleiding had haar te voren doen wanen, dat zij de smart kende! 't Was alles niets, niets, ze voelde zich een koningin in 't besef van hare ontastbare reinheid. Haar zelfachting was haar plechtanker in storm en nood geweest, nu scheelde het weinig, of ze was reddeloos verloren geweest, een schipbreukelinge op den oceaan des levens! Als haar deugd dan zoo broos was, hoe onrechtvaardig had ze dan haar man beoordeeld, aan welk een plichtverzuim had ze zich jegens hem schuldig gemaakt! Ze had hem afgestooten en niets gedaan, om hem beter te maken, die heerlijke roeping verzaakt, omdat ze hem minachtte! En waarom? Omdat hij zijn hartstochten niet beteugelen kon, en dat, terwijl zij zelve bleek, daar nauwelijks tegen bestand te wezen. O, zoodra mogelijk moest ze een anderen weg inslaan, hem aan zich trachten te binden, hem veredelen door haar goeden invloed. Hoe kon ze zoo verblind zijn, dat niet eerder in te zien? In den dommel, waarin haar oververmoeid brein langzamerhand geraakt, voelt ze zich allengs wegzinken, in een peillooze diepte. Ze valt, daalt steeds dieper en dieper, maar steeds bereikt ze den bodem niet, aldoor zwevend, zwijmelend en duizelend. Dan voelt ze zich bij de hand vatten, met zachten, teederen druk, en ze hoort een lokkende stem, zoo zoet, zoo zoet, zoo vol hemelsch medelijden haar toesprekend, dat ze, als een kind schreiend, zich het hoofd verbergt aan de borst dier lieve gestalte. De stem spreekt door, steeds zacht en wonderlijk troostend. 't Is de stem van Willem Victor.... neen, 't is een vrouw, aan wier boezem ze rust. In een zalig besef van veiligheid en vrede laat ze haar gedachten zoetjes-aan vervloeien.

Clara slaapt. De natuur heeft haar recht doen gelden, rechtvaardiger jegens haar dan haar arm gehoorzaam kind jegens zichzelve! Hoe klein was inderdaad haar schuld bij de frissche bloeiende gezondheid van haar jong lichaam, en de onnatuurlijke verhouding tot haar echtgenoot! Zij had zich gelijkgesteld met Van Breeveld! waar zij, ondanks zichzelve, bijna bezweken was, en hij telkens in koelen bloede slechts vermaak zocht in een daad, die haar, eens bedreven, voor goed rampzalig zou gemaakt hebben!

De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen Clara ontwaakte. De slaap had haar goed gedaan, en, zooals meer gebeurt, had het nieuwe licht, nieuw licht in haar benevelden geest ontstoken. Haar levenstaak ligt duidelijk vóor haar. Ze moet thans trachten tegenover Van Breeveld minder hard in haar oordeel te wezen, trachten een heilzamen invloed uit te oefenen op zijn karakter en gedrag. Ze zal haar afkeer overwinnen, en hem tegemoet treden met vriendelijke teederheid, al komt die ook niet uit haar hart voort. Het zal haar inspanning kosten, o zeker, ze al er onder lijden, goed, maar ze zoekt dat leed thans als een boete voor haar schuldig verzuim en voor haar zwakheid. Zoo zal ze wellicht leniging vinden voor haar zelfverwijt, en de herleving van 't goede in den man, met wiens lot zij nu eenmaal verbonden is, zal háar werk zijn. O, als ze dien zegepraal mag behalen over eigen neigingen en begeerten, dan zal ze vrede hebben met zichzelve, dan eerst zal ze zichzelve vergeven.

Ze zal zwijgen over 't gebeurde. Hij mag er niets van weten, waartoe zou 't dienen?

Bij die overwegingen vond ze een weinig troost, en de toekomst leek haar niet meer zoo zwart als te voren. Doch plotseling rees een schrikbeeld vóor haar geest. Alles was dan toch nog verloren.... Die zaak zou wel eens een noodlottig gevolg kunnen hebben. Barmhartige God, welke een vooruitzicht! Een duel tusschen Van Breeveld en dien Lindhorst.... O, ze zou niets kunnen ondernemen op den weg eener toenadering tot Van Breeveld voordat ze zekerheid had, dat haar vrees ongegrond was. Ze zou dus wachten, in bange spanning wachten tot de beslissing van haar lot onherroepelijk zou gekomen zijn, of.... totdat ze als zeker zou mogen aan nemen, dat de zaak niet ruchtbaar geworden was. Ze wist het, een vreeselijke toekomst wachtte haar, als 't den Almachtige mocht behagen haar te straffen voor dat oogenblik van zwakheid en haar lang plichtverzuim, dat haar daardoor eerst duidelijk geworden was. 't Eenige wat haar nog met het leven zou kunnen verzoenen, zou er niet meer zijn, om haar staande te te houden, geen edele roeping meer te vervullen, als het ongeluk wilde, dat er een duel plaats had. Hoe 't ook mocht afloopen, niets dan schande kon er voor haar uit voortkomen.

In zulk een angstige onzekerheid verkeerend, vond zij het beter maar zoo spoedig mogelijk naar huis terug te keeren. Hoe kon ze nu nog een oogenblik langer deelen in 't vroolijke, onbezorgde leven bij de familie Meerlink? Bovendien vreesde zij de nabijheid van Lindhorst. Wellicht zou hij dien dag terugkomen. En ze wilde hem niet meer zien, voor al de schatten der wereld niet.

't Viel Clara niet moeilijk een voorwendsel te vinden, om voor de verdere gastvrijheid in in Soember Satoes te bedanken, en reeds om vier uur in den namiddag aanvaardde zij de terugreis. Te Poerwanegara aangekomen, was het haar een ware verlichting haar man nog niet thuis te vinden. Een dag was reeds veel, om haar de gelegenheid te geven zich wat van den geleden schokte herstellen, zoover als dat mogelijk was. Ze zou waarlijk wel al haar zelfbeheersching moeten herwonnen hebben, om tegenover Van Breeveld zich voor te doen alsof er niets gebeurd was.

Den avond van den tweeden dag verscheen Lindhorst op bezoek. Nauw had ze hem in de verte bespeurd, of ze stond, tot groote verbazing van haar man, op. Met groote zenuwachtigheid zei ze:

"Ontvang jij hem maar, Breeveld, ik vind die' man vreeselijk vervelend en verwaand. Verzin maar een excuus voor mij."

Nog voordat Van Breeveld een antwoord kon uitbrengen, was Clara haastig naar de achtergalerij geloopen. Nadat de bezoeker weer heen was gegaan, kon Van Breeveld niet nalaten ten hoogste verwonderd te vragen, waarom ze zoo opeens een afkeer van dien man getoond had.

"Met hem schijnt het anders te wezen," vervolgde hij, "hij was bepaald erg teleurgesteld je niet te ontmoeten. Ik begrijp er niets van. Den avond van onze partij scheen je heel anders over hem te denken."

"Men kan zich wel in iemand vergissen. Ik heb hem.... bij Meerlink een heelen avond kunnen nagaan.... Ik vind hem akelig vervelend."

Van Breeveld zweeg. De agitatie, waarmee zijn vrouw vóor en na het bezoek gesproken had, kwam hem zonderling voor. Op eens dacht hij aan haar opwinding en overspanning op dien partijavond, en hij begon zich af te vragen, of er wellicht verband bestond tusschen beide verschijnselen. Voor 't eerst kwam er argwaan tegen zijne vrouw in zijn gedachten. Hoezeer hij ook haar houding tegenover hem ergerlijk en dwaas vond, toch had hij altijd een grooten eerbied voor haar karakter en een onbeperkt vertrouwen in haar gehad. En hoe hij haar ook onverschillig mocht wezen, 't zou hem onuitsprekelijk grieven, als hij wist, dat ze voor een ander iets voelde, dat er maar naar liefde zweemde. De gedachte eraan deed zijn bloed koken, en hij vatte dadelijk een hevige antipathie tegen Lindhorst op, ofschoon hij zeer goed wist, geen enkel deugdelijk bewijs voor zijn achterdocht te bezitten. De daarop volgende dagen werd hij in zijn wantrouwen versterkt door de onverklaarbare houding zijner vrouw, telkens wanneer hij toevalligerwijze den naam van Lindhorst noemde. Hij kon dan duidelijk opmerken, dat ze op eens niet op haar gemak was en een andere wending aan 't gesprek trachtte te geven. 't Viel Clara zoo zwaar haar aandoening te verbergen, zij was er zoo weinig aan gewend!

De toebereidselen voor een feest, dat bij het einde der groote inlandsche vasten in de sociëteit zou gegeven worden, en waarin Lindhorst als secretaris van het gezelschap natuurlijkerwijze veel bemoeienis had, maakten zijn herhaalde overkomst ter plaatse noodzakelijk. Geen wonder, dat Van Breeveld, als president van de sociëteit, nog al eens in aanraking kwam met den jongen officier, en dus ook meer dan eens met Clara over hem sprak. Clara's verlegenheid was voor hem zelfs een reden, om dat meer dan wel volstrekt noodig was te doen, alsof hij er behagen in schiep, meer en meer toe te geven aan zijn verontrustende vermoedens. Zuiver omlijnd waren die vermoedens geenszins: hij stelde zich iets voor van een liefdesbetrekking "in statu nascendi", het denkbeeld eener reeds beklonken verstandhouding wierp hij verre van zich.

Zoo gingen er eenige dagen voorbij. Lindhorst trachtte nog eens een bezoek te brengen, op een avond, dat hij wist Van Breeveld niet thuis te vinden, en 't verwonderde hem zeer, dat Clara ook thans niet verkoos hem te ontvangen, schoon hij zeker was, dat zij haar man niet vergezeld had. 't Viel hem vreeselijk tegen, want hij had er stellig op gerekend, met die bekoorlijke jonge vrouw een blijvende "liaison" te zullen aanknoopen. In zijn kamer terug, bij menschen, waar hij ter plaatse logeerde, en zich opknappende voor 't avondeten, stond hij voor den spiegel aan zijn onvergelijkelijke knevels te draaien, en dacht aan de zonderlinge grilligheid dier schijnbaar zoo eenvoudige en naïeve schoonheid, 't laatste, nog onuitgewerkte nummer in 't register zijner amoureuse heldenfeiten. Meer en meer kwam hij tot de slotsom, dat hier coquetterie in 't spel was, van de echte, hoe onwaarschijnlijk hem dat in den beginne ook voorkwam. Een bekend gezegde wijzigend merkte hij diepzinnig op: "Plus que ça diffère, plus c'est la même chose. Ja, ja, l'éternel féminin". 't Was zaak zijn geduld niet te verliezen, en de aanhouder wint, vooral een aanhouder als hij. Een laatste blik in den spiegel, voordat hij zijn kamer verliet, om naar tafel te gaan, bevestigde ten volle die opinie.

Inmiddels was Clara's tijd van onzekerheid eindelijk om. Van Breeveld was herhaalde malen met Lindhorst en anderen samen geweest, en er was niets tusschen hen voorgevallen, in weerwil van de antipathie, die ze wist, dat tusschen hen bestond. Er was dus niets van de zaak bekend. Trouwens de eenigen, die er over hadden kunnen spreken, waren de rechtstreeks betrokkenen; dat Lindhorst blijkbaar de laagheid niet gehad had erover te praten, viel haar van hem mee. Ze had het ergste van zulk een man gevreesd: het denkbeeld, dat hij wel eens een averechtsche voorstelling van het gebeurde zou kunnen geven, om aan een ploertige ijdelheid te voldoen, had haar doen ijzen. O, hoe juichte zij inwendig, toen zij het zekere bewijs meende te hebben, dat haar vrees ongegrond was geweest! Ze zou dus leven, weder een taak hebben te vervullen, in de gelegenheid zijn een edele roeping te vervullen. Dadelijk begon ze aan de aanvaarding daarvan te denken. 't Begin was moeilijk. Hoe moest zij 't aanleggen, om Van Breeveld, dien ze zoo lang afgestooten had, thans te naderen? Dat eischte takt. Ze aarzelde en stelde telkens uit. Och, waarom zou ze niet ronduit verklaren, dat ze thans haar ongelijk inzag, dat ze ernstig wenschte haar houding jegens hem te veranderen? Na den avondmaaltijd, toen Van Breeveld met een sigaar in een gemakkelijken stoel ging zitten, achtte zij 't gunstige oogenblik gekomen, om de lastige zaak aan te vatten. Ze mocht niet langer dralen. Er brandde maar éen lamp in de achtergalerij, en in dat deel, waar hij was gaan zitten, heerschte een halve duisternis. 't Zou haar dus makkelijker vallen vrij uit te spreken, wetende, dat Van Breeveld haar trekken slechts onduidelijk zou kunnen waarnemen. Ze richt zich dus naar den kant, waar hij zit, en schuift een stoel naast den zijne. Verwondert kijkt de rookende op, maar laat haar begaan, benieuwd naar wat er komen moet. Ze grijpt zijn eene hand, die op de leuning van den wipstoel ligt, en zegt zacht en vriendelijk:

"Man, zou 't je verheugen, als ik weer je vrouwtje werd, niet alleen de bestierster van je huishouden, maar je vrouwtje, dat er naar streven wil je lief te hebben en je liefde te winnen?"

Van Breeveld vertrouwt zijn ooren niet. Hoe mal rijmt zich dat met zijn argwaan, waaraan hij reeds zoozeer den vrijen teugel gelaten heeft!

"Ik begrijp je niet," antwoordt hij na een oogenblik zwijgens.

"Ik heb spijt, heusch, geloof me, dat we zoo van elkaar vervreemd zijn...." vervolgt Clara eenigszins zenuwachtig. En dan met een toon van gelatenheid: "Maar ik laat 't aan je over.... Als jij niet wil...."

"Ik niet willen?" roept Van Breeveld. "Maar kind, jij hebt 't zoo gemaakt tusschen ons."

"Dat weet ik wel," zegt Clara zacht, "maar ik heb nu zoo'n spijt, en ik zou 't zoo vreeselijk naar vinden, als jij nu niet wilde...."

Van Breeveld richt zich uit zijn stoel op, en gaat vóor Clara staan.

"Daar is geen sprake van, mijne lieve kind.... Ik was alleen wat overbluft van die' plotselinge' ommekeer.... Ik begrijp nog niet, hoe je zoo lang--'t is nu eenige maanden--je zoo op een afstand hebt kunnen houden, om nu op eens.... naar me toe te komen."

"Ik zeg je 't immers, dat ik spijt, innige spijt heb.... Ik was nog zoo jong en onervaren. Ik meen nu wijzer geworden te zijn. Men kan immers wel tot andere inzichten komen, en berouw voelen over een dwaling? Ik zie in, dat ik gedwaald heb.... 't Is mijn plicht je lieve vrouw te zijn in.... alles. Je wilt je vrouwtje wel vergeven, nietwaar, en haar weer trouw liefhebben zooals vroeger?"

Van Breeveld, die begonnen was zijn gewonen ijsberengang te houden, iets, waartoe hij geregeld overging, als hij zenuwachtig was, stond stil. 't Was hem te sterk. Hij voelde meer dan verrassing, ook een onaangename, verlegen gewaarwording als van iemand, die bewust was het geluk onwaardig te zijn, dat hem daar zoo gul aangeboden werd. Hij greep haar beide handen, en liet haar uit den stoel opstaan. Nog twijfelde hij, en zag haar in de oogen, in de lieve zachte oogen. Ze wilde ze neerslaan, maar 't besef van haar roeping hield haar moedig. Ze had gezien, hoe Van Breeveld door haar voorstel als in de wolken was, en dat gaf haar de hoop, dat ze op dien man zeker wat vermogen zou.

"Meen je dat alles ernstig, Clara?" vroeg hij, met kracht haar handen in de zijne drukkend, in groote spanning.

"Natuurlijk en ten volle. Ik zal je 't bewijs geven.... Morgenavond...." ze aarzelde, "zullen we de inrichting van ons huis wat veranderen.... ik zal de kamer naast de jouwe als mijn slaapkamer laten inrichten. Nu we zoolang apart geslapen hebben, zou 't wat vreemd zijn, opeens in éen slaapkamer samen te zijn, vind je ook niet?"

"O, zeker, maar...." viel Van Breeveld ongeduldig in, "waarom dat uitstel? Waarom niet vandaag al?" Zich bedenkende, vervolgde hij half lachend: "O, ik vat 't. Je vindt het vreemd tegenover de bedienden." Clara lachte verlegen. "Goed, goed; maar éen vraag dan." Hij trok haar naar zich toe en kuste haar. Clara zag hem verwonderd aan. In haar oogen blonk een heilige gloed, iets van 't vuur der vrome, die eindelijk de gelegenheid vindt voor haar overtuiging te strijden.

"Waarom kies je dan zoo'n tijd uit, om met je vredesvoorstellen voor den dag te komen? Misschien, om me een dag lang te zien verlangen, en je daarin te verkneukelen?"

"Foei, man.... 't Was alleen, omdat ik niet langer met die gedachten rond kon loopen, zonder je erover te spreken. Ik heb nu zoolang geweifeld. Ik heb eindelijk mezelf overtuigd. En," vervolgde ze vleiend, "is 't dan niet beter nu reeds verzoend te zijn dan een dag later?"

"O zeker, zeker, maar je weet hoe ik ben, en.... ik weet hoe jij bent.... een lieve schat, die ik niet aan kan zien zonder.... nu ja.... dol te worden."

Clara lachte.

"Nu, zie me dan niet aan, en laat ons nu naar binnen gaan, en eens gezellig een spelletje doen, of wat wil je? Zal ik je wat voorspelen en wat zingen? En dan drinken we samen een glas wijn op.... onze hervatte wittebroodsweken."

Van Breeveld was in den zevenden hemel. Wie had hem dat eenige uren te voren kunnen voorspellen? En dan dat onzinnige wantrouwen! 't Was een engel, die vrouw van hem....