Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman

Part 7

Chapter 73,970 wordsPublic domain

Clara had zich eveneens in haar lot geschikt schoon zij alleen in zelfvoldoening over de vervulling harer plichten vergoeding zocht voor 't gemis aan ander geluk. Zij liet zich te veel door haar antipathie tegen Van Breeveld beheerschen, schoon ze die voor hem verborgen wist te houden, om er ook maar een oogenblik aan te denken, dat het wellicht mogelijk zou zijn, hem door haar goeden invloed tot een ander mensch te maken. De stalende moed der martelares, die zich opoffert om haar naaste te verheffen, miste zij geheel. Zij meende reeds veel van zichzelve te vergen, wanneer zij haar man vriendelijk bejegende en goed voor haar huishouden zorgde. De overtuiging, dat ze op die wijze alles deed, wat redelijkerwijze van haar geëischt kon worden, gaf haar voldoening genoeg, om zelfs tevreden en welgemoed te zijn. Zij bezat iets van het Indische fatalisme harer moeder, en opwellingen van spijt of droefenis bij de gedachte "hoe 't had kunnen wezen," onderdrukte zij spoedig met de overweging, dat het ongetwijfeld zóo en niet anders moest wezen: 't was haar lot, en zij zou 't dapper dragen.

Hoe Van Breeveld zich gedroeg, baarde haar geen zorg, zoolang hij tegenover de wereld maar een schijn van fatsoen wist op te houden, en die "wereld" was in Indië niet veeleischend. De man kon ook in haar oog moeilijk verachtelijker worden; want zijn zonden bleven zich eenvoudig op het oude terrein bewegen. Haar eigen vlekkelooze reinheid was haar als een sterke burcht, van welker hoogte zij met heimelijken trots op al die gemeenheid neerzag. Gelijk de lotusbloem--de "in 't slijk geborene"--zooals de Indiërs haar noemen--onbesmet blijft van 't haar omringende moeras, en haar kelkje opheft naar 't hemellicht, als besefte zij juist in die omgeving haar eigen waarde meer dan anders, zoo was Clara's ziel in 't bewustzijn harer meerderheid. Het groote zelfvertrouwen, daardoor allengs gekweekt, zou weldra blijken haar noodlottig te wezen.

Op bewusten avond zou niemand onder de gasten mogen vermoeden, hoe de ware verhouding tusschen haar en Van Breeveld was en waarlijk, toen om zeven uur het eerste rijtuig de breede grintlaan opreed en Clara in luchtig feestgewaad met een glimlach op de lippen haar eerste gasten ontving, maakte zij den indruk der gelukkige jonge gade, die opgetogen is haar rol als huisvrouw ook tegenover "de wereld" te mogen aanvaarden.

De rijtuigen volgden elkaar geruimen tijd onophoudelijk, totdat in de ruime wit marmeren voorgalerij en de belendende middengalerij haast geen stoel of "bank" onbezet bleef. Een zee van licht stroomde van de prachtige kroonen neer op den bonten drom van gasten en deed de kleurige toiletjes der dames en de schitterende uniformen der officieren aardig uitkomen tegen de witte omlijsting der vloersteenen, muren en pilaren.

Clara en Van Breeveld bewogen zich voortdurend tusschen de gasten, hij hoffelijk en deftig, zij vriendelijk en minzaam jegens een ieder. Menig jaloersch oog eener leelijke dochter Eva's volgde de ranke gestalte der gastvrouw, als zij zich verwijderde, menige bewonderende blik viel op haar, als zij voorbij een groepje heeren ging. "Een kapitale vrouw," zei een jeugdig planter met overtuiging, waarop zijn buurman, een luitenant, niet nalaten kon op te merken, dat "die Breeveld toch een kraan van een kerel was, om zoo'n vrouw in de wacht te sleepen." Een ander officier, groot en forsch gebouwd, met een prachtigen blonden knevel en een houding als Mars en Apollo vereenigd, van wellicht dertigjarigen leeftijd, had reeds bij de begroeting--hij was alleen gekomen, want hij was ongetrouwd en had geen dames meegebracht--zijn blik bijna niet van de jonge gastvrouw kunnen afwenden. Hij behoorde tot dat soort jonge mannen, dat bij den eersten aanblik reeds beslissen, of zij een vrouw al of niet interessant vinden, en dan dadelijk hun gedragslijn naar dien indruk regelen. Hij was onder zijn kameraden bekend als een warm vereerder van 't vrouwelijk schoon en, door velen benijd om zijn succes bij de dames, wanneer hij ze zijn aandacht waardig keurde. Aan 't huwelijk dacht hij niet, omdat dat hem te zeer zijn vrijheid te dien opzichte zou benemen. Er gingen allerlei verhalen van hem; dat niets hem heilig was, als hij eenmaal zijn zinnen op een vrouwelijk wezen gezet had: nu eens was 't een jong meisje, dat in zijn netten gevallen was, dan weer een getrouwde vrouw. Nooit echter was er tegen "den schijn" gezondigd. Zijn lijfspreuk was die der Franschen: "sauvez les apparences", en die in toepassing te brengen, ging hem wonderwel af. In de reeks van jaren, dat Lindhorst zijn rol van "don Juan" speelde, was dan ook nog nooit een schandaal door zijn toedoen ontstaan. Alles was behoorlijk "getoetoept"--in de doofpot gedaan--en wel fluisterde men van zijn geheime zegepralen, zijn donjuannerie was algemeen bekend, maar niemand beweerde openlijk eraan te gelooven, of dacht er in de verte aan ze aan de kaak te stellen. De zaak was een "publiek geheim", een echt Indisch verschijnsel.

Nauwelijks had hij Clara gezien, of omtrent drie punten was hij 't onmiddellijk met zich zelven eens: dat die vrouw de mooiste en begeerlijkste was, welke hij ooit gezien had, dat hij werk van haar zou maken, en dat hij niet rusten zou, voordat hij zijn doel had bereikt. Toen hij die bloeiende, frissche gestalte met die prachtige oogen vóor zich zag, bracht die aanblik hem plotseling in een roes--niet van verliefdheid, maar van begeerte, zooals hij die in zulk een mate nog nooit voor een vrouw gevoeld had. Hij kon dan ook niet nalaten, haar langer en sterker aan te kijken dan de beleefdheid eischte, en haar hand langer in de zijne te houden dan voor een eerste ontmoeting wel noodig was. Er lag iets in zijn oogen, dat voor de meeste vrouwen onweerstaanbaar was, iets als een magnetische kracht, die aantrok maar tevens verbijsterend werkte, wanneer hij dat wilde, iets als het gebod van den hypnotiseur, dat eigen wil doodt. "Ge zult naar mij verlangen en naar niets en niemand dan mij," beval zijn blik reeds zoo menigmaal en telkens was er blindelings aan gehoorzaamd.

Zou ook op de jonge gastvrouw dat "booze oog" zijn uitwerking niet gemist hebben? Was de blos, die haar konen overtoog, toen zij die blik op haar voelde branden reeds het eerste symptoom dier noodlottige betoovering, of was het haar eerbaarheidsgevoel, dat zich gekwetst voelde door die al te duidelijke oogentaal? Zeker is 't, dat Clara zich zonderling te moede voelde, toen de jonge man zich na een kort gesprek verwijderde. De kleur, die zij gekregen had, was haar een raadsel, en zij was zeer ontevreden over zichzelve. Ze was toch geen schoolmeisje meer, dat voor 't eerst een mooien jongen man ziet! Wat had ze zich verlegen en onhandig gevoeld, toen die man vóor haar stond! Ze had niet gedacht, dat zóo iets bij haar nog mogelijk was, bij haar, die meende reeds zooveel geleefd te hebben. En nu had ze nauwelijks uit haar woorden kunnen komen! Hoe dwaas en hoe onaangenaam! Wat zou die man wel van haar denken? Zou hij zich verbeelden, een diepen indruk op haar gemaakt te hebben? Hij is er misschien verwaand genoeg voor. Hoe kwam ze toch op eens aan die zotte bedremmeldheid, zij die anders zooveel zelfbeheersching meende te bezitten? 't Was ellendig, akelig. Dat alles hield Clara's gedachten bezig, toen zij lachend en pratend zich met haar andere gasten bezig hield. 't Gaf haar eenige voldoening te bemerken, hoe gemakkelijk het haar viel, zich weer de onbevangen, kalme vrouw van vroeger te toonen. 't Duurde geen half uur, of de onaangename indruk harer verlegenheid was uitgewischt. Zij was overtuigd, dat zoo iets haar niet meer overkomen zou, en verlangde er zelfs naar, den man, die ze veroorzaakt had, evenzeer die overtuiging te geven.

't Duurde niet lang, of de gelegenheid daartoe bood zich aan. Na wat praten onder een kop thee werden de oudere, "ernstigere" gasten aan de verschillende speeltafeltjes ingedeeld, terwijl het jongere deel zich opmaakte tot een dansje in de voorgalerij, waar tot dat doel inmiddels de meeste meubels verwijderd waren. 't Lot wilde, dat Lindhorst éen der spelers aan het tafeltje der gastvrouw werd; zoodat hij als partner tegenover haar kwam te zitten. Nauwelijks was men met kaarten begonnen, of Clara gevoelde weer dezelfde onaangename gewaarwording van te voren. Wederom was diezelfde doordringende blik op haar gevestigd, en nogmaals maakte zich een ontroering van haar meester, die haar op onverklaarbare wijze geheel van haar zelfbedwang beroofde. Hoe ze ook haar best deed er onverschillig onder te zijn, 't was alles te vergeefs. Ze kon haar aandacht niet op haar spel houden, en beging de eene onhandigheid na de andere. "'t Is van avond mijn speelavond niet," zeide ze eindelijk lachend, "ik maak fout op fout." En 't werd er niet beter op, integendeel; want, nu ze de gevolgen harer afgetrokkenheid zelf duidelijk waarnam, maakten de ergernis daarover en haar inspanning, om er verandering in te brengen, haar zenuwachtigheid hoe langer zoo erger. Eindelijk hield ze 't niet meer uit.

"Ik geloof, dat ik beter doe met van avond niet meer kaart te spelen," zeide zij, toen een rubber uitgespeeld was. Haar partner en de beide andere medespelers--een controleur met zijn vrouw--waren geen van drieën groote liefhebbers van 't kaartspel. Toen dus Clara voorstelde, eens een kijkje naar de dansende "jeugd" te gaan nemen, vond dat denkbeeld dadelijk instemming. Lindhorst bood haar zijn arm, en het viertal begaf zich naar de rumoerige voorgalerij.

Daar was het dansen in vollen gang. Op de tonen eener uitstekende muziek, uitgevoerd door Italiaansche muzikanten, die speciaal voor de gelegenheid uit Samarang waren ontboden, bewoog zich een bonte menigte over het gladde marmer. Er werd een wals van Waldteufel gespeeld, wegslepend en zinnelijk. Clara keek met waar genoegen naar de zwevende paren, die langs haar heen gleden, en haar oude danslust herleefde voor een oogenblik. Juist wilde zij, om de tegenwoordigheid van Lindhorst te ontkomen, naar een ander deel der voorgalerij gaan, toen deze haar ten dans vroeg. Ze had gaarne willen bedanken, maar vond geen verontschuldiging. Ze had bovendien te zijnen aanhoore gezegd, dat zij een dolle liefhebster van dansen was, en daar veel meer van hield dan van kaartspelen, wat in haar zenuwachtigheid en onhandigheid van zooeven als een excuus had moeten gelden. Zoo was ze dus van Scylla in Charybdis gevallen! Weer kwam die ellendige blos haar plagen, toen zij Lindhorst's arm aannam, en weer dat vreemde gevoel, waar ze zich geen rekenschap van geven kon, en van welks obsessie ze had willen wegvluchten. Toch verkoos Clara den bewegelijken dans boven het stille kaartspel; want zoo kon ze in allen geval haar zenuwachtigheid beter verbergen, meende zij. Lindhorst was een volleerd walser, en zijn dame gaf hem op dat punt niets toe. Met innig welgevallen op haar neerziende--hij was nog een hoofd grooter dan Clara--en haar als overstelpende met den vloed van hartstocht, die uit zijn oogen straalde, zwierde hij, zijn lichten last bijna dragend, door de galerij, alles om zich heen vergetend, en slechts bewust, dat hij genoot met een genot, meer en intenser dan de dans hem ooit te voren geschonken had. Clara was als in een droom: een nooit gekende zwijmeling deed haar zinnen dwalen, zij voelde zich als zwevend in een heelal van zaligheid. Het paar walste en walste door, totdat het ophouden der muziek beiden tot de werkelijkheid terugbracht. Ze zagen elkaar aan. 't Was of Clara met schrik ontwaakte. Haar gloeiende wangen verfden zich met nog een donkerder rood. Een vreemd gevoel, een mengeling van schaamte en zelfverwijt overviel haar als 't besef eener bedreven zonde. Zij wenschte zich op eens weg, ver weg uit dat gewoel om haar heen. Met moeite bedwong ze een opwelling van smart, die dreigde haar te overweldigen.

"Naar mijn plaats.... als 't u belief.... Mijnheer Lindhorst," stamelde zij.

Lindhorst voldeed dadelijk aan haar verzoek. Clara's aandoening was niet aan zijn aandacht ontsnapt. Met kennersoog zag hij, hoe onervaren zij was, op wier verovering hij zijn zinnen gezet had: dat naïeve kind zou niet lang weerstand kunnen bieden, daar was hij thans zeker van.

"Voelt u zich niet wel, Mevrouw?" vroeg hij vriendelijk, toen hij zag, hoe de jonge vrouw als neerzeeg op een canapé.

"O, 't is niets," Clara trachtte te glimlachen. "Ik ben wat moê en duizelig... wil u mij een glas ijswater brengen?" En toen Lindhorst een oogenblik later daarmee terugkwam:

"Dank u.... Wil u me nu een poosje alleen laten, Mijnheer Lindhorst? Ik moet wat op mijn verhaal komen.... U neemt me niet kwalijk?..."

Door den koelen dronk en de rust kwam Clara allengs tot meerder kalmte, schoon niet tot het besef van haar toestand. Wat was er dan toch gebeurd? Toch niets, dat ze zich te verwijten had? Vanwaar dan die zonderlinge aandoening, die haar naar eenzaamheid deed wenschen, met een onstuimig verlangen om te schreien en te snikken als een kind? Een onbegrijpelijke angst vervulde haar voor den man, die ze nog pas zoo kort kende, en die nu reeds een zielsberoering bij haar verwekt had, zooals zij die nog nooit in 't bijzijn van een man gevoeld had. Zou hij terugkomen? vroeg ze zich af. O, ze moest hem dien avond verder zien te vermijden, het koste wat het wilde. Ze zou ook in geen geval meer met hem dansen, dat nam ze zich stellig voor.

Na eenige oogenblikken gezeten te hebben, richt Clara zich op. 't Beste is, dat ze zich weer bij de kaartspelende gasten voegt. Ze gaat naar 't speeltafeltje, waar haar man zit. Deze ziet verwonderd op, als zij hem op den schouder tikt en lachend zegt:

"Kom, Breeveld, laat mij je plaats innemen, en ga jij nu 's naar de dansende luitjes in de voorgalerij kijken. Daar is immers niets tegen?" voegt zij erbij, zich tot de overige spelers, een dame en twee heeren wendende.

Van Breeveld ruimt haar gewillig zijn plaats in. Lang zitten kaartspelen is hem een gruwel en de onverwachte stoornis was hem dus zeer welkom.

Lindhorst, die gevlast had op een tweeden wals met de gastvrouw, ziet haar tot zijn teleurstelling weer onder de spelers. Een paar maal dwaalt zijn blik daarheen in de hoop, dat ze op zal staan. Maar neen, ze blijft verder den ganschen avond op haar plaats zitten, behalve een enkel oogenblik nu en dan, om een bevel aan de bedienden te geven.

Clara snakt naar 't einde van den avond, schoon ze zich betrekkelijk rustig voelt, nu ze buiten 't onmiddellijk contact van Lindhorst is. Twee eindeloos schijnende uren blijft ze doorspelen, steeds trachtend haar zenuwachtigheid door gemaakte vroolijkheid te verbergen. De ontzaglijke inspanning die haar dit kost, wreekt zich door een vreeselijke hoofdpijn. Als ten lange leste de laatste gast vertrokken is, voelt ze zich op het punt van in onmacht te vallen. Ze snelt naar haar slaapkamer en blijft geruimen tijd roerloos liggen, zonder geluid, in wezenlooze afmatting. Dan is 't, of plotseling haar zenuwen zich ontspannen, en ze barst in hartstochtelijk schreien uit, het gelaat in haar kussens gedrukt, om 't geluid van haar snikken te smoren. Van Breeveld, die in de kamer tegenover haar slaapt, mag haar voor geen geld ter wereld hooren.... Nog nooit heeft Clara zooveel behoefte gevoeld aan een sympathieke ziel, waarin zij haar smart zou kunnen uitstorten, nog nooit heeft ze zich zoo rampzalig en eenzaam gevoeld, na den dag waarop ze haar liefste droomen vaarwel zeide. En toch zou ze niet in staat zijn te zeggen, waarom ze zoo bedroefd is; ze weet niet, dat er in haar leven een nieuw tijdperk begonnen is, dat daarin een nieuw element is opgetreden, welks kracht ze niet kent, iets, dat niettemin de diepste roerselen van haar wezen op ruwe wijze heeft aangetast, zoodat de schok haar te machtig was. Trots haar huwelijk en haar omgang met Van Breeveld was Clara in geestelijken zin nog maagd; thans had de blik en de aanraking van den eersten man die reinheid verstoord!

IX.

EEN PLECHTANKER.

Op 't lage witgekalkte muurtje aan een der beide ingangen van 't erf der assistent-residentswoning te Poerwanegara zit Djåjå de politie-oppasser rustig zijn strootje te rooken. Hij kan er zijn gemak van nemen, want hij heeft niets te doen. Zijn baas, de assistent-resident, is gisteren voor dienstzaken naar de hoofdplaats van 't gewest vertrokken, en den volgenden morgen is ook Mevrouw de stad uitgegaan. 't Is er bijzonder kalm en rustig op dat middaguur: geen geloop van bedienden, boodschappers, koopvrouwen en andere rustverstoorders, die anders gedurig het erf betreden, is er thans, evenmin als den voorafgaanden morgen, te bespeuren. In de bijgebouwen luieren de vele trawanten der kleine hofhouding naar hartelust, en zelfs de eekhoorntjes in de hooge ketapan boomen vóor schijnen zich veiliger te voelen; want ze huppelen en springen levendiger dan anders. Zelfs waagt er zich éen tot onder aan den stam van een boom, kijkt dan even schichtig rond, en vliegt met een vaart vlak langs den slaperigen oppasser, die met een verschrikt "Eh!" zijn luie houding verlaat, en het dier een kiezelsteentje nazendt.

Met het oog op de afwezigheid van haar echtgenoot, die vier dagen zal duren, heeft Clara van een plantersfamilie in 't koele bovenland een uitnoodiging gekregen, om gedurende dien tijd bij hen te logeeren. Ze kent de menschen nog pas zeer kort, maar van den beginne af heeft ze sympathie voor hen gevoeld. Het gezin bestaat uit man, vrouw en twee dochters, allen beschaafd, vroolijk en hartelijk. Bovendien zijn de vrouw des huizes en de beide dochters zeer muzikaal, een aantrekkelijkheid te meer voor Clara, voor wie zang en pianospel nog steeds een groot genot zijn. Na het feest te haren huize heeft zij zich dagen achtereen zeer droefgeestig en onaangenaam gestemd gevoeld, en heeft haar nachtrust veel te wenschen overgelaten. De herinnering aan Lindhorst, zijn blikken, zijn woorden, alles tot in de kleinste bijzonderheden van haar korte samenzijn met hem op dien avond is haar gedurig in den geest gekomen; de gedachte aan hem vervolgt haar overal: 't is, of ze aan hem denken moet, tegen wil en dank. Een paar dagen gezellig verkeer met lieve menschen in een heerlijk bergoord lokte haar dus zoozeer aan, dat ze gretig de gelegenheid aangreep, om op die wijze afleiding aan haar gedachten te geven.

Ze is nu dus "boven", d.w.z. op negen honderd voet boven de zee, op de koffieonderneming Soember-Satoes. De streek is heerlijk frisch gelegen, tusschen rotsen en koele wouden ontspringen talrijke bronnen met kristalhelder water. Op de onderneming zelf, de uitgestrektste in de gansche omgeving, zijn ze rijk vertegenwoordigd: vandaar de naam "de honderd bronnen". Daar geven de snelvlietende bergbeekjes de noodige drijfkracht voor de machinerieën op de fabriek. Alles is nieuw en belangwekkend voor Clara; zij voelt zich verkwikt in den schoot van Moeder Natuur, waar reeds zoovelen vóor haar leniging of genezing vonden voor hartewonden en nog velen die vinden zullen, zoolang de mensch dit oord der beproeving, de wereld, zijne woning zal blijven noemen.

Op den rit naar Soember-Satoes reeds was het of haar geest zich hoe langer hoe meer verlicht en opgewekt voelde en toen zij na een allerhartelijkste ontvangst in een luchtig morgenkleed aan de rijsttafel zat, nam zij vroolijk deel aan 't gesprek, en was 't haar, alsof ze nooit leed gekend had. Zij beloofde zich dan ook een paar dagen van geluk, en ze zou genezen, bevrijd van alle muizenissen naar Poerwanegara terugkeeren om haar leven van plichtsbetrachting te hervatten. Reeds lachte zij om haar doorgestane angsten, en vond zich zelve erg kinderachtig, zich zoo door een nietigheid haar zielsevenwicht te doen ontnemen. Ze had nog zelden zoo'n heerlijk middagslaapje gedaan, en het bad in de ruime badkamer, waar een stroom van 't zuiverste bergwater, bruisend als een waterval, zich van boven neerstortte, deed haar weer tintelen van jeugdige kracht. De theetafel, op 't uur waar in een Indisch huis de ongedwongenste gezelligheid heerscht, bracht na 't bad de leden van het gezin met de logée weer bijeen. De heer Meerlink--de gastheer--deelde toen lachend mede, dat hij eenige jaren achtereen niet jarig was geweest--de koffieoogst had het niet toegelaten. Nu had hij voor 't eerst weer een prachtigen oogst gemaakt en dat vergunde hem, weer eens echt jarig te wezen. Hij lachte schaterend om zijn onschuldige aardigheid, en zijn breed, ongebaard gezicht, reeds rood in gewonen toestand, werd violet van innige vergenoegdheid. Zijn lach had iets bijzonder aanstekelijks: men moest meelachen, of men wilde of niet.

"Ja, ja," riep hij, toen hij eindelijk uitgebulderd had, en de piano in de belendende middenkamer er nog van nadreunde, "van avond zullen we 's lekker eten, nietwaar vrouw?" Mevrouw Meerlink lachtte goedig.

"O, Mevrouw, u moet van avond eens zeggen, of onze "kokki" niet in eene goede kookschool geweest is, bij dat juweel van een huisvrouw, dat daar zit." Hij wees op zijn vrouw, met een komisch ernstig gezicht.

"Die vrouw van me kent u nog niet, Mevrouwtje," ging hij voort. "'t Is een... een.... nu, hoe zal ik 't zeggen?"

"Zeg maar een prachtperceeltje!" viel Mevrouw Meerlink glimlachend in.

"Ha, ha, ha!" bulderde haar echtvriend daarop.

"Zeg er dan bij, dat het een puike oogst heeft gegeven: die twee schatjes van dochters!" Meteen klopte hij zijn vrouw en zijn beide dochters op den schouder.

"Maar Pa!" riep de oudste der meisjes quasi boos, "wat moet Mevrouw wel van u denken? U is hoogst ongepast in uw houding tegenover dames, vooral als 't schatjes zijn."

De heer Meerlink scheen weer te zullen stikken van de pret: zijn zwaar lichaam schudde ervan.

"Van avond zullen we 't weer goed maken, hoor, engeltjes. Dan mogen jelui je eens te goed doen aan Champagne, Veuve Cliquot, de echte."

"Papa is een lekkerbek, moet u weten," zei het meisje, dat naast Clara zat, bij wijze van vertrouwelijke mededeeling. "Hij bedoelt, dat hij zich te goed zal doen. Te goed doen! wat een uitdrukking," ging ze voort, "een fatsoenlijk meisje doet zich niet te goed, wel Mevrouw?"

"Dat kan er naar wezen," antwoordde Clara vroolijk, "aan de hartelijkheid van een besten, braven papa bijvoorbeeld, daar is niets tegen, zou ik zeggen."

Met zulken en dergelijken kout ging het thee-uurtje spoedig om. Men ging zich kleeden voor den avond. Op dit oogenblik echter klonk er hoefslag op den grintweg vóor de planterswoning. Eenzaam als de onderneming lag, was het voorbijkomen van een Europeaan iets, dat niet nalaten kon, de aandacht te trekken.

"Papa, wie zou dat zijn," riep een der meisjes, toen hij op 't punt stond naar binnen te gaan. De heer Meerlink wendde zich om. Meteen zag hij, wie de ruiter was, en met een komisch:

"Wel, heb je nou ooit zoo'n rakkert!" liep hij op zijn sloffen het voorerf over, en was in een ommezien bij den ruiter. Deze hield zijn paard in en groette.

"Zoo, zoo, Lindhorst, woû jij maar "stikem" ons huis voorbij rijden, zonder eenige notitie van ons te nemen?" Lindhorst--het was de ruiter inderdaad--lachte en antwoordde:

"Zoo op 't thee-uur? Mijn waarde heer, ik dorst niet. Ik hoor bovendien, dat er een dame bij je logeert?"

"Och kom, weet je dat al? Zeker, omdat ze er zoo goed uitziet. Je bent me er een! Nu, ik zal je niet ophouden. Ik zeg je alleen dit: Je zult van avond aankomen en blijven eten, versta je? Dan zul je tot je straf de' fijnste' Champagne drinken, die je ooit van je leven geproefd hebt. Dat heb je behoorlijk begrepen, nietwaar: over een uur ben je hier."

Lindhorst sloeg aan.

"All right. Nog iets van uw orders, generaal?"

"'t Is goed, je kunt gaan."

Lindhorst gaf zijn paard de sporen, en draafde in stevigen draf verder.

"Een leuke baas," mompelde de dikke Meerlink, hem naoogende. En weer schudde zijn zwaar lijf van den hartelijksten, oprechtsten lach, die ooit uit een menschelijke borst opdaverde. Men kon hem binnen hooren, op een afstand van zeker honderd schreden.