Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman
Part 4
Ze troostte zich spoedig. Als Clara eens mevrouw Van Breeveld kon worden, zou dat toch ook zeer in haar smaak vallen. Toen dus Van Breeveld zijn eerste bezoek bij haar bracht en dat herhaalde, toonde zij zich de beminnelijkheid zelve en wist zij hem spoedig duidelijk te maken, dat er bij haar niet de minste bedenking zou bestaan, als hij met een huwelijksaanzoek voor Clara voor den dag kwam. Dat hij op zijn betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd eruit zag, alsof hij over de vijftig was, en zijn geheele persoon voor een aandachtig beschouwer den ouden losbol verried, besefte iemand als Mevrouw Van Merenstein zeer goed. Hij kon tegenover onbekenden zelfs best voor Clara's vader doorgaan; maar zulke overwegingen konden bij haar maar weinig gewicht in de schaal leggen. Fortuin en goede positie waren hoofdzaak.
Nauw was het haar duidelijk geworden, dat de heer Van Breeveld ernstige trouwplannen ten opzichte van Clara had, of zij wilde van haar kant alles in 't werk stellen, om dat gewenschte doel zoo mogelijk te helpen bereiken. Daartoe diende zij in de eerste plaats zich op de hoogte te stellen van Clara's gezindheid. Ze moest weten, of haar hart nog niet te zeer ingenomen was door een andere genegenheid, of ze misschien niet reeds te veel dacht aan dien Willem Victor. Al ware dat ook zoo, hoe eerder zij daartegen al haar invloed aanwendde, des te beter.
Toen dan ook moeder en dochter op een avond thuiskwamen van een partijtje, waar ook de heer Van Breeveld geweest was en bij welke gelegenheid hij zeer opvallend zich den ganschen avond met Clara had beziggehouden, bracht Mevrouw Van Merenstein, thuis gekomen, dadelijk het gesprek op de groote zaak.
Clara wilde juist naar bed gaan, want ze voelde zich moe, toen haar moeder haar tegenhield en zeide:
"Kindlief, ik moet eens ernstig met je spreken."
Clara keek verwonderd.
"Ja, een heel ernstige zaak is 't," vervolgde zij. "Ik wou je eens wat vragen: Hoe denk je over trouwen?"
Dat was wel met de deur in huis vallen. Clara was een en al verbazing.
"Trouwen? Wel, Ma, ik denk er niet aan."
"Waarom niet? Zou je 't zoo onaardig vinden, eens een goed huwelijk te doen?"
"Dat weet ik heusch niet, Ma. Ik zou ook niet weten met wie."
"Met wie? Nu kind, dan zal ik je 's wat zeggen. Heb je niet opgemerkt dat die Mijnheer Van Breeveld erg vriendelijk tegen je is?"
"O jawel, Ma, maar wat zou dat?"
"Hoe vin' je 'm?"
"Och, niet onaardig."
"Als die nu 's om je hand kwam vragen, hoe zou je dat vinden?"
"Ik zou zeggen, dat ik nog veel te jong ben..."
"Och, onzin. Je bent er oud genoeg voor."
"Ik kan u heusch niets anders zeggen, Ma."
"Wees nu niet dwaas. Zou je zijn aanzoek afslaan?"
"Zeker. Ik wil nog niet trouwen en dan.... die Mijnheer van Breeveld kan mijn vader wel wezen."
"Weet je, hoe oud hij is: in de dertig. Dat is volstrekt niet te oud. Je vader was ook veel ouder dan ik.... Je zou dus niet willen?" Mevrouw Van Merenstein begon kregelig te worden.
"Nee, heusch niet, Ma. Ik denk er niet aan."
"Maar waarom dan toch niet!? En als nu 's een ander om je kwam?"
"Evenmin, Ma. Ik zeg u nog eens, dat ik nog veel te jong ben om te trouwen en dan..... als ik trouw, moet 't met iemand zijn van wie ik houd."
"Och, gekheid. Dat houden komt later wel als je getrouwd bent. Je denkt zeker aan een ander?"
Clara kleurde. Ze dacht aan Willem Victor. Ze antwoordde niet, maar keek voor zich.
"Zeg 't maar ronduit, je houdt van Willem Victor?"
"Och, Ma, ik vind 'm een aardige jongen, maar aan trouwen denk ik niet, heusch."
"Je moet die gekheid uit je hoofd zetten, hoor. Die Willem heeft geen cent fortuin en kan in de eerste jaren nog niet aan trouwen denken. Nu kan je een goed huwelijk doen, en dat zou je afslaan.... Wil je je moeder zoo 'n groot verdriet doen?"
"Zou ik u dan genoegen doen door met iemand te trouwen, van wie ik niet houd?"
"Je zegt, dat je 'm niet onaardig vindt? En dat zal nog wel meevallen. Je zult later wel van hem houden, dat komt wel."
"Maar dat kan evengoed tegenvallen, en dan ben ik voor mijn heele leven ongelukkig."
"Ongelukkig, omdat je niet van je man houdt?! Maar, kind, ben je dwaas? Als je van 'm houdt, is het heel aardig, maar als dat niet zoo is, wat zou 't dan nog? Heb je dan niet je positie als assistent-residentsvrouw en een goed leven? Dat 's allemaal dwaasheid, zotteklap, die liefde. Dacht je dat ik die voor je Papa gehad had?"
"Niet?!" roept Clara een en al verbazing en verontwaardiging.
"Nou ja, ik mòcht hem wel, dat wil ik niet zeggen. Maar wat de menschen liefde noemen, dat is maar verbeelding, heel mooi in een boek, maar niet in 't praktische leven, niet voor verstandige menschen."
Clara heeft daarop geen antwoord. Huwelijk zonder liefde? Was dat haar moeder, die haar leerde dat zoo iets verstandig en goed was, in plaats van verachtelijk en onzedelijk, zooals zij innig geloofde?
"Kom, kind, bedenk je nog maar. Je zult wel tot betere inzichten komen", gaat de moeder voort. "Ik zal maar aan Mijnheer Van Breeveld zeggen, dat je 't met je zelve nog niet eens bent, als hij weer hier komt?"
"En hem dus hoop geven? O nee', Ma, als 't u belieft niet! Ik wil nog niet trouwen, zeg ik u nog eens."
Mevrouw Van Merenstein begrijpt, dat overreding hier niet helpt. Ze heeft nog éen wapen, ze wordt pathetisch. Op huilerigen toon vervolgt ze:
"Je wilt dus je oude moeder dat verdriet doen? Zoo ondankbaar zijn voor alles wat ik voor je gedaan heb? Mij op mijn ouden dag het geluk niet gunnen, mijn kinderen goed bezorgd te zien?" Ze brengt haar zakdoek voor den dag en begint zeer natuurlijk te schreien.
Clara kent haar moeder niet genoeg, om aan de oprechtheid harer tranen te twijfelen, en voelt zich zeer onaangenaam te moede.
"Maar, Ma, hoe kan u toch zoo zijn? Waarom zou ik later niet u die voldoening kunnen geven? Ik heb immers nog zooveel tijd vóor me?" Ze slaat een arm om haar moeder heen.
't Helpt niet, de bui wordt hoe langer hoe erger.
"Och, wat, je bent een ondankbaar kind! Dacht je, dat zulk een kans zoo gauw weer terugkwam? Wel zeker, een arm meisje als jij, zonder een cent, kan zeker maar altijd een goeden man vinden; denk je dat?... Ik weet 't wel, 't is alleen maar dat je aan dien vervelenden Victor denkt. Als hij om je kwam, zou je wel anders praten... Och, je bent een naar kind, je gunt je moeder geen geluk... Ga maar weg, laat maar. Laat maar! Ik heb al zooveel verdriet gehad en nu nog dat erbij... Ga weg, laat je ongelukkige moeder maar alleen."
Clara begrijpt, dat protest hier niet helpt. Haar moeder zit hartstochtelijk te snikken op haar stoel. 't Komt bij 't jonge meisje niet op, dat haar "verdriet" in haar gansche leven waarlijk niet groot geweest is, dat echte smart haar steeds onbekend is geweest en wel steeds blijven zal. Zwijgend verwijdert het meisje zich uit de kamer en gaat naar bed.
Den volgenden dag komt Van Breeveld weer op bezoek. Hij is vast besloten, nu eens zekerheid te hebben omtrent zijn kansen bij Clara.
Als dus Mevrouw Van Merenstein, die alleen met hem zit, hem schertsend zegt:
"En Mijnheer Van Breeveld, heeft u nu al eens rondgekeken naar een lief vrouwtje voor u? 't Jonggezellenleven zal u nu toch wel langzamerhand beginnen te vervelen, en bovendien iemand van uw positie moet getrouwd zijn..."
"Volkomen waar, Mevrouw," antwoordt Van Breeveld, verheugd, dat hij hier een geschikte aanleiding vindt, om 't onderwerp aan te roeren. "Om te kunnen trouwen is meer noodig dan goede wil."
"Nu, wat dan?" vraagt de gastvrouw onnoozel.
"Een goede vrouw."
"Natuurlijk.... ha, ha," lacht Mevrouw Van Merenstein. "Zou u die dan niet kunnen vinden?"
"O jawel, maar dan moet ze nog mij willen hebben?"
"U willen hebben? Nu, ik geloof niet, dat er veel jonge meisjes zullen zijn, die niet vereerd zouden wezen door een aanzoek van u."
"Och kom, Mevrouw."
"U schijnt uw hart al verloren te hebben, en te twijfelen aan uw succes bij de jonge dame?"
"Juist, Mevrouw. Ik zal 't maar zeggen."
"En wie is de gelukkige?"
"Gelukkige? Ik geloof niet, dat ze bijzonder gelukkig is door mijn voorkeur."
"U noemt geen naam."
"Kom, Mevrouw, heeft u dat dan nog niet gemerkt?"
"Och, Mijnheer Van Breeveld, schijn bedriegt zoo dikwijls. Wie kan zeggen, of 't u ernst is, als u aan 't "flirten" is?"
"Nu, dezen keer dan wel, Mevrouw. 't Is mij hooge ernst.... Maar wat geeft 't me? Ik vorder niets."
"Ik geloof, dat ik weet wie u bedoelt.... 't Kind is nog erg jong en kent haar hart niet. U moet maar hopen...."
"Zou u denken, dat ik nog eenige kans heb?" vraagt Van Breeveld dringend.
"Zeker, geloof me gerust. Een questie van geduld, anders niet. Let op mijn woorden, mijn waarde heer: over een maand of drie komt alles in orde."
"En mag ik op uw steun rekenen?"
"Ik zal doen wat ik kan. 't Kind zal wel anders worden. Ik heb haar niet over de zaak gesproken... wist niets bepaalds... en zal 't nog niet doen. Maar, behalve dat, kan ik toch wel meewerken, om u uw doel te helpen bereiken."
Van Breeveld vindt geen woorden genoeg, om zijn erkentelijkheid te betuigen, en, zich warm aanbevelend, neemt hij afscheid. Schoon niet voldaan, is hij toch niet geheel ontmoedigd.
"U moet maar dikwijls aankomen, Mijnheer Van Breeveld", roept Mevrouw Van Merenstein hem nog toe, als hij halverwege de trap is.
"Zeer gaarne, Mevrouw."
V.
EEN MEEVALLERTJE VOOR "MOEDER MERENSTEIN".
Clara is door het stormachtig onderhoud met haar moeder natuurlijk nog meer aan Willem Victor gaan denken dan ooit te voren. Ze is dagen achtereen weinig spraakzaam en soms opvallend afgetrokken. Haar moeder slaat haar opmerkzaam gade, en beseft tot haar innige ergernis, wat er de reden van wezen moet. Onophoudelijk zint zij op middelen, om Clara van gedachten te doen veranderen. Maar wat kan ze doen? Voor laster schrikt zij niet terug... Maar Clara iets kwaads van Victor te doen gelooven, zal erg moeilijk zijn, dat ziet ze duidelijk in.
Op een dag, dat ze vóor twaalven weer bezig is met het bijschrijven van haar boek van inkomsten en uitgaven, en Dientje de meid toevallig in de kamer is, schiet het haar te binnen, dat ze nog niet haar anders gewone informatie heeft gedaan naar de fooien, die de dienstbode van haar gasten gekregen heeft. Bij vergissing vraagt ze ook, of die "Mijnheer Victor" haar wat gegeven heeft, er niet aan denkende, dat die niet bij haar heeft gegeten.
"Mij wat gegeven?" roept Dientje uit. "Waarom zou hij mij wat geven? Hij geeft liever een ander wat..."
"'t Is waar ook... hij is pas 's avonds gekomen. Maar.... je zegt zoo, geeft liever een ander wat. Wat wil je daarmee zeggen?"
Dientje heeft wel gemerkt, dat die Mijnheer Victor bij Mevrouw in geen goed blaadje staat, en gelooft dus vrij over hem te kunnen spreken. Ook zij mag hem niet, dat wil zeggen, 't hindert haar dat de knappe, jonge student haar zijn aandacht niet waardig keurt, terwijl ze toch anders "nette kennissen genoeg heeft onder de studentjes."
"Nou", zegt Dientje geheimzinnig, "aan die eene, waar hij zoo'n aardig presentje van heeft." Dientje verkneukelt zich over de klimmende nieuwsgierigheid harer meesteres, die haar uit de oogen spreekt.
"Kom meid, zeur nou niet," zegt Mevrouw Merenstein zich op haar stoel omwendend en geheel aandacht. "Wat bedoel je? Heeft Mijnheer Victor een liefje?"
"Och, weet u dat dan niet? Van die meid, die vroeger bij zijn Mama diende?"
"Neen, wat weet jij daarvan?"
"Wel, Mevrouw, die is immers weggestuurd, omdat ze..... nou ja....." Dientje lacht erg gemeen, "hoe zal ik dat zeggen? omdat ze zoo ver was .... ziet u, van die' jonge' meneer."
"Wat zeg je? Is dat waar?" roept Mevrouw van Merenstein inwendig juichend, maar ten hoogste verbaasd uit.
"'t Is zoo waar, als ik hier sta, Mevrouw. Ik kende die meid heel goed, en die heeft 't me zelf gezegd. U dacht zeker, dat zoo'n "fijne meneer" zoo 'n zaakje niet kon hebben. Nou, 't is me een fijne, hoor."
"Maar, Dientje, durf je me dat verzekeren?"
"Nou, Mevrouw, gaat u 't Mina maar zelf vragen. Ze woont in de Paulus-Potterstraat, en haar "Willem" gaat nog telkens 's avonds naar haar kijken en naar zijn schat van een zoontje. U zou 'm daar zelf kunnen zien binnengaan, als u 't erop gezet had."
"Ik zou je bedanken. Nu, ik geloof je. Maar hoe oud is dat kind?"
"Een jaar, Mevrouw."
"Waarom heb je me dat niet eerder verteld?" gaat Mevrouw voort. "Ik zou die' meneer Victor anders niet meer ontvangen hebben, dat begrijp je."
"Ja, hij kijkt erg naar de Juffrouw, geloof ik," zegt Dientje driest. "Ik kan begrijpen, dat u bang voor hem is."
"Och, zwijg, meid, dat zijn jouw zaken niet. Ga nou maar aan je werk."
Dientje verwijdert zich, hoogst voldaan over de gelegenheid, die ze gehad heeft, om eens haar landerigheid tegen "die' verwaande' meneer" te uiten.
Mevrouw van Merenstein is niet minder tevreden. Welk een heerlijk wapen heeft ze thans tegen dien dwars-in-den-weg! Clara zal 't hooren, zoo spoedig mogelijk, en als ze 't niet gelooven wil, gaat ze zich desnoods met haar zelf overtuigen. Op die wijze zal 't kind wel afzien van dien Victor, en dan is 't terrein vrij om op te ageeren, zooals Moeder Merenstein dat het beste vindt. Ten slotte zal Clara dan wel zwichten en Van Breeveld nemen.
Mevrouw Van Merenstein gelooft wat Dientje haar verteld heeft. Ze is dus volkomen oprecht, als ze thans meent een goede geldige reden te hebben om tegen Willem Victor te zijn. Verbeeld je: een jongmensch, dat al een kind heeft, en er zich zoo weinig voor schaamt, dat hij erheen gaat, en de heele wereld van de zaak weet!
Ook Dientje is oprecht. Haar vriendin Mina heeft haar inderdaad gezegd, dat Willem Victor haar verleid had en 't kind van hem was. En hoe kon ze anders dan dat gelooven, nu ze nog onlangs vernomen had, dat de "jonge meneer" telkens naar 't verblijf van moeder en kind kwam, om naar beiden te informeeren?
Wat was echter het geval? Mina, een mooi jong meisje uit Den Haag diende indertijd bij Mevrouw Victor te Delft. Ze was een intieme vriendin van Dientje, die thans bij de Merensteins was, en natuurlijkerwijze liep beider zedelijksheidsstandaard niet wijd uiteen. Reeds zeer jong had ze connecties aangeknoopt met jongelui uit den deftigen stand, vooral studenten, en toen zij bij Mevrouw Victor in dienst trad, had ze reeds menige "campagne" achter den rug. Echter had ze iets in haar uiterlijk, dat weinig vermoeden deed, hoe haar levenswandel den verkeerden kant uitging, iets naïefs en onschuldigs, dat den meesten een goeden dunk van haar gaf. Zoo ook Mevrouw Victor. Deze wist niet beter, of Mina was een fatsoenlijk meisje. Niet lang nadat ze daar in huis was, bemerkte het behaagzieke ding met spijt, dat het haar niet mocht gelukken, den "jongen meneer" te boeien, welke kunstgreepjes zij daartoe ook aanwendde. Willem bleef onverschillig. Geen wonder, dat zij, die gewoon was met haar mooie bakkesje tal van gemakkelijke veroveringen onder jongelui van zijn slag te maken, dit erg vreemd vond, en dat haar verlangen om den jongen man in te palmen daardoor aanmerkelijk steeg. Iets wat haar te voren nog nooit overkomen was, gebeurde: ze werd smoorlijk verliefd op den onverschilligen jongeling. Ze gaf de hoop niet dadelijk op, bewust als ze was van de bekoorlijkheid van haar persoontje. Maanden achtereen probeerde ze alles. Zelfs had ze op een nacht hem in haar slaapkamertje weten te lokken door voor te geven hevige maagkrampen te hebben. Willem was, vóor 't inslapen, door een naar gekreun uit de meidekamer gestoord geworden. Goedhartig als hij was, stond hij op, ging naar Mina kijken, en gaf haar eau des Carmes uit een fleschje, dat hij in zijn kamer had. Geen haar op zijn hoofd dacht eraan, dat Mina andere bedoelingen kon gehad hebben. En hoe verleidelijk ze hem ook aangekeken had, toen zij voor zijn spoedige hulp bedankte, Willem was even onbewogen weer naar zijn kamer gegaan, alsof hij een van zijn vrienden in bed had zien liggen, in plaats van een dolverliefd, mooi meisje van achttien jaar. Sedert dien tijd had ze wraak gezworen tegen den versmader harer min, en, toen het ongeluk wilde, dat zij een half jaar later de zekerheid had, in belangwekkende omstandigheden te verkeeren, en dit moeilijk langer verzwegen kon worden, vond zij daarin een geschikt wapen tegen den onschuldigen Willem. Onder een vloed van tranen deelde zij harer meesteres weifelend en haperend mede, dat "de jonge meneer" de schuld van alles was, en haar ongelukkig gemaakt had. Geen wonder, dat de goede Mevrouw Victor hevig ontstelde, en, schoon ze geneigd was haar zoon tot zoo iets niet in staat te achten, was zij toch in haar vertrouwen geschokt. Nauwelijks echter had zij haar jongen ernaar gevraagd, zijn gul, open gezicht verbaasd en verontwaardigd naar zich zien op kijken en hem hooren uitroepen: "Maar Mama!..." of zij sloot hem in haar armen, volkomen overtuigd, dat hij niets voor haar verborgen hield. Mina genoot dus niet de gewenschte voldoening. Medelijdend als haar meesteres echter was, kreeg zij bij haar heengaan zooveel mee, dat ze zich geruimen tijd daarvan kon onderhouden, zelfs tot eenigen tijd nadat alles voorbij zou zijn.
Dat belette niet, dat de jeugdige zondares haar wrok tegen den jongen Victor bleef koesteren en aan iedereen, die het weten wilde, vertelde zij, dat hij de schuldige was. De ware delinquent was echter ongelukkigerwijze een van Willem's beste vrienden, een student aan de Indische Instelling te Delft. Onder teekenen van groot berouw, vertelde deze aan Willem, hoe de zaak stond. Willem was verontwaardigd, maar toen hij bemerkte, hoe echt en waar het berouw van zijn vriend, en hoe groot zijn belangstelling voor de jonge vrouw was, die hij meende "verleid" te hebben, en later voor de onzalige vrucht zijner verstandhouding, dwong zijn edele inborst hem tot vergevensgezindheid en zelfs tot deelneming. Mina was na de groote gebeurtenis in Den Haag gaan wonen. Onwillig om weer een dienst te zoeken, schoon de jonge Van Poorten, haar beschermer, haar daartoe aanspoorde, en Mevrouw Victor zelfs bereid was een goed getuigenis van haar te geven, schaarde zij zich zonder aarzelen onder de banier der priesteressen van Venus. In weerwil daarvan bleef Van Poorten voortgaan met zijn belangstelling in haar en zijn kind te toonen. Zooveel hij kon, steunde hij haar met geld. Tegenover zijn vriend Willem verzweeg hij de omstandigheid, die haar zijn hulp onwaardig had gemaakt. 't Duurde echter niet lang, of de jonge man moest als ambtenaar naar Indië vertrekken. Dit baarde hem veel zorg; want hij had voor het ongelukkige wichtje een liefde, die wellicht vele van zijn kennissen bespottelijk zouden vinden, wanneer zij er van hoorden, maar die juist bij zijn vriend Willem Victor veel van zijn fout goed maakte. Hij had dus kort vóor zijn vertrek naar Indië Willem zijn bezwaren blootgelegd, en hem raad gevraagd. Met zijn gewone hartelijkheid had deze dadelijk gezegd:
"Maar kerel, laat dat je geen zorg zijn. Ik ben er nog, en waarom zou ik je daarin niet van dienst willen zijn? Jij stuurt eenvoudig iedere maand of iedere drie maanden wat geld over en ik belast me met het aan het adres te bezorgen, en bovendien heb ik er niet tegen, nu en dan eens naar Mina en haar kind te gaan kijken." De ander was dankbaar verwonderd over zooveel goedheid.
"Mijn beste Willem," antwoordde hij, "neem je dat heusch op je? Ben je dan niet bang, je naam in gevaar te brengen? Je weet wat Mina al van je beweerd heeft....."
"Och, ben je mal! Daar stoor ik me nogal aan! Mijn vrienden weten wel beter, en om de rest bekommer ik mij niet."
De zaak werd dus beklonken, en Van Poorten vertrok met een opgelucht gemoed naar 't land van zon en kleuren. Hij hield zich stipt aan de afspraak, en zijn vriend evenzeer.
Eens in de maand, soms nog eens tusschentijds, ging Willem na collegetijd even naar Den Haag, en richtte zijn schreden naar de Paulus-Potterstraat. 't Kostte hem in den beginne wel moeite, Mina gunstig te stemmen; want ze was nog niet bekomen van de gevoelige nederlaag, die ze geleden had. Maar al spoedig begreep zij, dat deze edelmoedige ondoordachtheid van den jongen man haar de gelegenheid gaf, om een wraakplannetje uit te voeren. 't Zou haar zóo gemakkelijk vallen, anderen te doen gelooven, dat inderdaad hij haar zoover gebracht had. Ze wachtte slechts op 't gunstige oogenblik, om op die wijze haar slag te slaan. Kwam dat spoedig, dan zou dat haar veel voldoening geven, kwam dat laat of nooit, in vredesnaam, dan had ze toch geen reden tot klagen, want op die wijze was haar onderhoud verzekerd.
Wat de dienstbode bij Mevrouw Van Merenstein gezegd had omtrent Willem's herhaalde bezoeken was volkomen waar. 't Kindje harer vriendin was plotseling zeer ziek geworden, en nu achtte de jonge man het tegenover zijn vriend in Indië zijn plicht, iederen dag naar Den Haag te gaan, ten einde zich van den toestand van het ventje op de hoogte te stellen. Zoo was hij denzelfden Vrijdag, waarop hij Clara Van Merenstein weer voor 't eerst ontmoet had, nog bij den kleine zieke geweest. Natuurlijk dat hij niemand, zelfs zijn moeder niet, over deze zaak ooit sprak. Waartoe zou 't dienen, dacht hij, en zijne moeder, met haar groote bezorgdheid voor hem, zou waarschijnlijk getracht hebben, hem te weerhouden van wat hij zijn dure plicht achtte.
Mevrouw Van Merenstein kon niet lang over 't gehoorde zwijgen. Nog denzelfden dag vond zij gelegenheid Clara alleen te spreken. Zij deed het op ruwe, onkiesche wijze.
"Je hebt aan een lief heerschap je genegenheid gegeven, Toetie," begon zij.
"Wat bedoelt u, Ma?"
"Die Victor is nogal waard, dat je zooveel aan hem denkt."
Clara kleurt hevig en ziet haar vragend aan.
"Weet je, wat ik van hem gehoord heb?"
"Hoe zou ik dat weten?"
"Dat hij hier in Den Haag een liefje heeft en al vader is."
Als een modderspat op een blanke lelie, als een vloek in een gebed, zoo vallen die woorden in 't blanke heiligdom harer maagdenziel.
"Mama!" roept ze buiten zich zelve. "Hoe durft u zoo iets zeggen? Van wie heeft u dat?"
"Ik zie wel, hoe je van dien vent houdt.--Van wie ik dat heb? Dat gaat je niets aan. 't Is waar."
"Ik geloof er niets van, niets, hoort u?" 't Zachte kind is een verontwaardigde jonkvrouw geworden. "Hoe wil u hebben, dat ik dat geloof, als u me niet eens zegt van wie u 't heeft. Misschien heeft u 't wel van de meid." Al haar antipathie tegen dat schepsel uit zich opeens. "Dat gemeene mensch zie ik er net voor aan...."
"Nu ja, al was 't ook zoo.... Ik zegje, dat 't waar is."
"Ik begrijp niet, dat u zich aan meidenpraatjes stoort. Ik vind 't gemeen, laag, zeg ik u, die' goeie' jongen zoo te belasteren."
Clara kan haar tranen niet bedwingen. Ze barst in hartstochtelijk schreien uit.
Maar haar moeder is nog niet waar ze wezen moet, en gevoelig is ze nooit geweest.
Met een leelijken lach op haar gezicht, die haar iets onuitsprekelijk kattigs geeft, vervolgt ze:
"Wil je je overtuigen? Je heelemaal overtuigen? Je kunt hem zelf naar zijn liefje toe zien gaan, als je dat wilt. Hij komt er dagelijks en ik weet het adres."
Zegevierend ziet ze haar dochter aan.
"Zeker," roept deze, "voordat ik 't met mijn eigen oogen gezien heb, geloof ik 't nog niet. O, Mama, Mama, hoe weet u toch, of niet die Dientje verkeerd ingelicht is, aangenomen zelfs, dat.... ze niet.... met opzet lastert..."
"Nu, je zult 't zelf zien," antwoordde haar moeder tartend.
Clara's vertrouwen in haar braven Willem is gevoelig geschokt. En toch, ze worstelt tegen dien belager harer rust, den argwaan, met wanhopige kracht. Mag ze wel dadelijk zooveel wantrouwen toonen, dat ze hem zou gaan bespieden? 't Denkbeeld stuit haar tegen de borst, en toch, ze wil zoo spoedig mogelijk zien, haar vertrouwen te herwinnen. Ze zal met haar moeder zijn gangen nagaan, al was 't alleen maar, om haar moeder te overtuigen, hoe bijster zij zich in hem vergist heeft.
"Goed," zegt ze opeens vastberaden, haar tranen afdrogende, "ik zal hem nagaan, met u samen, zoo spoedig mogelijk, van avond als u wil."
Moeder Merenstein heeft haar zin. Ze is vast overtuigd, dat nu spoedig de zege haar zal wezen.
VI.