Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman

Part 3

Chapter 33,884 wordsPublic domain

Onder zijn vriendinnen was Clara van Merenstein de oudst bekende. Hij had indertijd--tien jaar geleden--de reis naar 't vaderland met haar gedaan, en van dien tijd reeds dateerde hun vriendschap. Mevrouw Victor had eerst eenige jaren in Den Haag gewoond. Zoo had Willem gelegenheid gehad, den omgang met het jonge meisje voort te zetten. De wederzijdsche moeders hadden weinig sympathie voor elkaar, en ook Willem voelde zich zeer weinig tot Mevrouw van Merenstein aangetrokken. Dat kon ook moeilijk anders. Maar dat nam niet weg, dat hij evenals zijn moeder bijzonder ingenomen was met Clara, en ook deze mocht den ernstigen jongen man bijzonder gaarne, terwijl zij voor de waardige oude Mevrouw Victor haast een kinderlijken eerbied voelde. In den tijd, dat de beide familiën in Den Haag woonden, was de omgang nooit bijzonder vlot gegaan, doordat de wederzijdsche moeders elkaar alles behalve zochten; alleen om der wille van de kinderen had Mevrouw Victor een vormelijken omgang onderhouden. 't Was haar zwaar gevallen, want haar degelijke natuur strookte heel weinig met de wufte luchthartigheid van Clara's moeder. Maar ze wilde haar eenig lief kind niet dwarsboomen in zijn neigingen, toen ze zag, dat deze zulk een aanvallig goed kind golden als de kleine Clara. Zij beklaagde het meisje diep, dat zij in zulk een omgeving groot gebracht werd, en ze was zeker, dat de omgang met haar verstandigen, braven jongen een goeden invloed zou uitoefenen, en een tegenbeeld zou kunnen wezen voor 't verderfelijke van haar moeders voorbeeld. Zoo had ze later, toen ze met Willem te Delft was gaan wonen, dien omgang zelfs bevorderd door Clara nu en dan te logeeren te vragen, in de vacantie zelfs weken achtereen. Mevrouw van Merenstein was daar nooit tegen geweest. Met een onverschilligheid die voor goedigheid moest doorgaan, had zij altijd gezegd: "Och, waarom toch niet? Als Clara maar pret heeft, ja." Zij miste haar kinderen nooit, wat kon 't haar dan schelen, of éen ervan voor eenige weken achtereen uit huis ging? "En wie weet, waar 't nog goed voor zou kunnen wezen," redeneerde ze wel eens: misschien kwam Clara op die manier nog wel aan een goeden man, want er kwamen nogal eens jongelui daar aan huis. Hoe eerder dat resultaat bereikt was, des te beter; dat was steeds haar leus geweest.

Die vacantie-daagjes te Delft waren voor Clara ware feestdagen; schoon er van feestelijkheden ten huize harer gastvrouw maar zelden sprake kon wezen. Clara verlangde daar ook niet naar. Haar aanhankelijk, liefdezoekend zieltje vond daar wat ze thuis niet vond: huiselijkheid en ware beschaving. Ze hield ervan bij Mevrouw Victor "oudste dochter in huis" te spelen, iets, dat haar moederlijke vriendin allerliefst vond. De goede vrouw liet zich zoo in de illusie brengen, dat ze een lieve dochter had, een moedervoorrecht dat ze nooit gekend had. Als ze dat bevallige poppetje zag op en neer dribbelen, bedrijvig als een huismoedertje, vol attenties en goede zorgen, altijd opgeruimd en blijkbaar ingenomen met haar nieuwe leven zoo anders dan thuis, dan genoot de oude vrouw. En als Clara 's avonds met haar klankvolle, innig sympathieke stem wat voorlas of een eenvoudig liedje bij de piano zong, kon men moeilijk gelukkiger, tevredener drietal vinden dan Mevrouw Victor, haar zoon en Clara. Menig keer was bij de oude dame het denkbeeld opgekomen, dat Clara mettertijd een uitnemend huisvrouwtje zou kunnen worden, een schat, welks bezit de beste onder de mannen als zijn hoogste geluk zou mogen beschouwen, waardig zelfs Willems levensgezellin te worden. Met weemoed had zij vaak gedacht aan het tegenwoordige lot en de toekomst van het jonge meisje, zoo verstoken van moederlijke leiding. Een huwelijk met haar zoon zou Clara wellicht onttrekken aan veel leed, dat anders haar deel zou kunnen worden. En--als haar Willem maar gelukkig was--kon 't haar heel weinig schelen, of iemand als Mevrouw Van Merenstein zijn schoonmoeder werd.

Natuurlijk dachten de beide jongelieden zelven niet zoover. In beider hart was nog geen plaats voor andere gevoelens voor elkaar dan die van innige vriendschap.

En zoo was 't ook op den dag, toen Clara van de familie afscheid nam, om naar Duitschland te vertrekken. Zij had toen gedacht, minstens voor een jaar haar lieve vrienden te zullen verlaten, en ze was dubbel hartelijk, zorgzaam en attent geweest--als dat mogelijk was--in de drie korte dagen, die ze in de laatste week bij hen had doorgebracht. Toen ze te Mühlenwald, reeds na een klein jaar, het bevel kreeg om naar huis te komen--Mama van Merenstein vond de kostschool te duur--had Clara dadelijk haar Delftsche vrienden op de hoogte gesteld.

Zoo kwam 't dan, dat Willem Victor op bewusten Vrijdag, na afloop der colleges, het besluit nam, zijn vriendin in Den Haag te gaan begroeten.

Hij vertelde thuis even, dat hij naar Den Haag moest en misschien laat zou thuiskomen, want Clara en hij zouden elkaar wel veel te vertellen hebben. Zijn moeder wist reeds van 't plannetje af en gunde hem het genoegen van harte. Waarom ook niet? Ze vond de omgeving en de manier van leven bij Mevrouw Van Merenstein niet bijster stichtelijk, verre van dien, maar wat zou dat hèm deren? Ze vertrouwde hem immers ten volle...

Willem stapte dus welgemoed naar 't station, en een uurtje later belde hij aan bij Clara's moeder.

"Mevrouw en de Juffrouw thuis?" vroeg hij beneden aan de trap, toen de meid hem opendeed, 't Antwoord was eigenlijk onnoodig, want luid gelach en een gerucht van vroolijke stemmen bevestigde reeds dadelijk zijn vraag. En--nog voordat Dientje gesproken had, klonk een welbekende, schrille stem van over de trapleuning:

"Daar heb je Willem! Kom boven, Willem. Wel, kom jij weer 's kijken!? Jij bent 'n mooie, hoor! Ik dacht, dat je dood was!"

Daarop volgde een schaterlachje, zooals gewoonlijk.

Willem was volstrekt niet verrast over die ontvangst. Hij glimlachte even en dacht bij zichzelf: "Altijd dezelfde, een type, die moeder Van Merenstein!" Schoon hij weinig met haar op had, ergerden hem haar manieren niet: hij vond ze eenvoudig komisch onbeschaafd. 't Heele menschje vond hij belachelijk. Om haar antipathiek te vinden, had hij 't leven beter moeten kennen.

Hij excuseerde zich met een paar woorden, lachend: drukke studies, zeide hij. Hij was in twee maanden niet op bezoek geweest; 't was wel lang, ook al was hij nooit gewoon geweest veel bij Mevrouw Van Merenstein te komen. De omgang met Clara was meestal buiten haar huis geweest.

"Ja, ja," antwoordde de gastvrouw. "Ik weet 't wel: jij komt om 't jonge goedje: ja? Zoo'n oudje als ik...." Weer het stuiplachje.

Willem vond 't noodig te protesteeren tegen die zelfbetichting:

"U oud, Mevrouw? Ik ben oud, veel ouder dan u."

De andere voelde zich zeer gevleid en lachte luid voor de zooveelste maal.

In de voorkamer vond de nieuwe gast een klein gezelschap bijeen, blijkbaar in de beste stemming. Hij werd voorgesteld aan Mevrouw Rijkezak en aan een jongmensch, zekeren Vliegman, verren neef van Clara. Beiden waren dien middag blijven eten. De laatste, een sinjo van 't zuiverste water, was een opgeschoten lummel van ongeveer Willems leeftijd, mager, geel, met verbaasde oogen en opgetrokken wenkbrauwen en zwart blauwglanzig haar. Hij was in den namiddag aangekomen, had tot zijn verrassing Clara aangetroffen, daarin aanleiding gevonden, om zichzelven ten eten te vragen. Mevrouw van Merenstein had daar natuurlijk niets tegen gehad. Zij vond hem alleraardigst, en hij was sedert zijn overkomst uit Indië, nu ruim een maand geleden, bijna dagelijksch bezoeker geweest. De man was door zijn vader, een schatrijk landbezitter in West-Java, naar Europa gezonden, "om Holland te zien", en verteerde er een duizend 's maands "voor zijn opvoeding." Hij was bovendien bijzonder spraakzaam en grappig op zijn manier--dat was juist ook de manier van Mevrouw Van Merenstein--hij had, evenals deze, een hekel aan "totoks" (d.w.z. welopgevoede Europeanen) en gooide met zijn geld. Was 't wonder, dat nicht en neef met elkaar opschoten?

Als vierde in 't gezelschap fungeerde Clara; want Loetjoe zat bij de meid in de keuken. De komst van haar vriend verheugde Clara uitermate. Ze had den ganschen avond zich doodelijk verveeld. 't Neefschap naast haar had zich uitgeput in flauwe, soms gewaagde geestigheden en te vergeefs getracht haar vroolijk te maken. 't Lachsucces, dat hij bij de beide andere dames had ingeoogst, had hem echter ruim schadeloosgesteld, en hun geschater had hem telkens aangemoedigd om door te gaan. Bij geen van drieën kwam 't natuurlijk op, dat het jonge meisje zich daaronder bijzonder onaangenaam te moede voelde.

Er kwam dan ook een uitdrukking van innige verlichting in haar oogen, toen zij 't vriendelijke, mannelijke gelaat van Willem Victor zag. Zij wees hem dadelijk een plaats naast zich aan.

't Beenige neefschap keek den nieuw aangekomene met een grijns aan, en dacht bij zichzelf: "Wat doet die "totok" hier?"

Dadelijk was Clara in een druk gesprek met Willem. O, wat had ze hem veel te vertellen en wat deed ze 't van harte gaarne! Ze voelde zich thans voor 't eerst weer aangenaam gestemd. De hartelijke, beschaafde, belangstellende woorden van haar ouden speelkameraad deden haar goed, als een frissche teug den dorstige. Wat was ze dien dag ellendig geweest! Wat een aaneenschakeling van neerdrukkende gedachten had ze op dien dag harer thuiskomst moeten doorworstelen!

Willem Victor vond haar veranderd. 't Kind dat hij te voren gekend had, dat blind was geweest voor de holheid en zielloosheid van haar huiselijke omgeving, had plaats gemaakt voor de gevoelvolle jonge vrouw. Hij kreeg een indruk van ontzag voor haar, bij al de warme vriendschap, die hij haar reeds toedroeg. Maar voor 't eerst besefte hij thans ten volle hoe misplaatst zij zich gevoelen moest in haar ouden kring, die thans zoo nieuw, zoo akelig nieuw en vreemd voor haar geworden was.

Mevrouw Van Merenstein vond de groote vriendelijkheid van Clara voor het jonge mensch niet bijzonder naar haar zin. Ze had te voren die beiden altijd als echte kinderen beschouwd; geen oogenblik was 't bij haar opgekomen, dat die twee ooit iets anders dan speelkameraadjes voor elkaar konden wezen. Clara was ook nog zoo jong, zoo door en door een "blaag van een meid" en Willem had haar immers altijd als zoodanig behandeld. Ze zag nu met klimmend ongenoegen, dat zijn houding geheel veranderd was. Als dat maar niet op verliefdheid uitliep! Ze besefte ten volle, dat de jonge man alles had, om een eenvoudig meisje als Clara te boeien, en het kind zag er zoo lief uit en was innemend .... Om Mevrouw Van Merenstein te boeien, miste hij echter het voornaamste, geld. Van een huwelijk zou om die reden binnen de eerste tien jaar geen sprake kunnen zijn, meende zij. Als er ooit een ernstige genegenheid tusschen die beiden mocht ontstaan, zou Clara wellicht veel kansen, om een "goed" huwelijk te doen, misloopen. Neen, dat mocht niet gebeuren. Zij zou wel maken, dat daar niets van kwam, 't kostte wat het wilde. Zij zou dien kalen sinjeur wel uit Clara's omgeving weten te weren.

Om al dadelijk een einde te maken aan het naar haar idee al te aangename gesprek der jongelieden, zeî ze op haar liefsten toon:

"Kom, Clara zou je nu niet 's wat zingen? Je bent dat toch niet verleerd op kostschool?"

Onmiddellijk viel Mevrouw Rijkezak in en de gele neef met haar:

"Hè, ja, Toetie!"

Clara keek even haar buurman vragend aan, en, toen ook deze instemde en haar met een vriendelijk "Toe!" aanmoedigde, stond zij op en begaf zich naar de piano.

Even weifelend stond ze naast de piano-kruk, naar 't overige gezelschap gekeerd. Allen sloegen haar zóo een oogenblik gade, en op allen ging een machtige bekoring van haar uit. Hoe edel kwam die slanke gestalte uit in dat eenvoudige blauwe kostuumpje, hoe onweerstaanbaar lieflijk dat jonge gelaat met dat lachende mondje en die groote zachte oogen!

Willem Victor bewonderde haar, het neefschap verslond haar met zijn gemeene oogen, Mevrouw Van Merenstein taxeerde haar als huwelijkskoopwaar en vond, als dat mogelijk was, den jongen Victor nog ongeschikter pretendent dan te voren; terwijl de goede Mevrouw Rijkezak de schaarsche gedachten, die anders haar hoofd bewoonden, voor een oogenblik gansch en al verloor.

"Wat zal ik zingen", vroeg Clara, "een oude bekende maar?"

Ze bladerde even in een muziekboek en vond het lied "Beau Nuage", dat ze indertijd van Mevrouw Victor had gekregen. Ze had het menigmaal bij die lieve vrouw moeten zingen, en telkens waren er tranen gekomen in de oogen der toehoorster; want het lied deed haar altijd denken aan oude gelukkige tijden, toen zij 't zelf als jonge vrouw placht te zingen. Het was een lied vol weemoed, en in Clara's zielsstemming schenen ook de woorden uitdrukking aan haar eigen gevoelens te geven. Ze was dien dag zoo droef te moede geweest, zoo vol heimweeachtige aandoeningen. Ze had weinig "school", maar haar stem was zuiver en sprak tot het gemoed. Een kenner zou er groote verwachtingen op gebouwd hebben, maar zij had tot nu toe geen gelegenheid gehad er zoo een te ontmoeten. Ze zong dien avond heerlijk. Het melancholische slot van 't lied:

"Porte-moi sur la plage que je pleure souvent!"

klonk als een innige bede: zij voelde bij 't zingen dier woorden al de smart van den eenzamen banneling, die terugsmacht naar 't lieve vaderland. Zij zelve was immers eenzaam..

Toen de laatste toon wegstierf, was er stilte.

Mevrouw Rijkezak was bepaald aangedaan. Ze had geen woord van 't lied begrepen, maar toch had ze er iets van gevoeld en ze zeide vol overtuiging:

"Wah, Toetie, wat een lief lied! Net als die oude baboe van mij, ja San", voegde ze eraan toe tot Mevrouw Van Merenstein gewend, "Neisa, je weet wel, als die zong, was ik ook altijd zoo verdrietig...."

Mevrouw Van Merenstein was niets "verdrietig". Ze vond het lied veel te ernstig. Ook de neef scheen weinig voldaan. Hij grinnekte even en zeide:

"Ken je niet een aardige mop, Toetie? Dit is zoo 'n chagrijnig ding, vind je niet?"

Clara glimlachte.

Willem Victor had niets te zeggen. Hij had Clara nog nooit zoo schoon hooren zingen. Was dat dezelfde Clara, die hij vroeger zoo dikwijls vrij onverschillig had aangehoord, vroeg hij zichzelven af. Wat was die stem veranderd, hoe vrouwelijk klonk zij nu bij vroeger! Hij was verrukt. Clara zocht zijn blik en las er innige bewondering en aandoening in. Dat deed haar goed: dat vriendenhart had haar volkomen begrepen.

Om de anderen genoegen te doen, zong Clara nog een stukje van minder droevigen aard, "Röslein auf der Heiden" van Schubert. Een echte "mop" te zingen was haar thans een onmogelijkheid. Ze had vroeger wel eens Engelsche "comic songs" gezongen, en ze deed dat heel aardig. Wanneer zou ze weer vroolijk en onbezorgd genoeg wezen, om daar weer pleizier in te hebben? Die tijd scheen haar oneindig ver.

Op aandringen der gastvrouw gaf het gele neefschap een grappig lied ten beste, een der nieuwste die hij in de cafés-chantants in Parijs gehoord had. Hij had veel succes bij Mevrouw Van Merenstein, die hem op de piano accompagneerde, en ook bij haar vette vriendin, schoon zij beiden van den inhoud maar weinig begrepen hadden. De zanger zelf scheen ook maar weinig ervan verstaan te hebben, anders had hij 't wel niet gewaagd, ermee voor den dag te komen. In weerwil van de slechte uitspraak, begreep Willem er voldoende van, om inwendig verontwaardigd te zijn. "Hoe durft zoo'n vlegel dat voor te dragen in 't bijzijn van Clara!" dacht hij. Maar 't kwam bij hem op, dat hier wel onnoozelheid eerder dan brutaliteit in 't spel zou geweest zijn. Clara's kennis van 't Fransch ging gelukkig zoo ver niet. Ze vond 't lied eenvoudig zot en haar neef Vliegman aapachtiger dan ooit.

De avond was vroeg geëindigd. Willem had gemerkt, dat Clara naar rust verlangde, en hij was reeds kort na tienen opgestaan. Neef Vliegman had toen ook maar besloten heen te gaan--hij verveelde zich toch, nadat die "beroerde totok" gekomen was--terwijl Mevrouw Rijkezak gaarne het geleide had aangenomen, dat de altijd hoffelijke Willem haar aanbood. Ditmaal had diens hoffelijkheid echter de bijbedoeling gehad, het praatzieke mensch weg te krijgen. Zij had zich zoo gevleid gevoeld, dat ze dadelijk was opgestapt; Willem had een hartelijke groet met Clara gewisseld, haar inniger dan ooit een goeden nacht gewenscht.

Dien avond dachten een uur later drie menschen aan dezelfde zaak. Willem Victor had in 't mooie weer--maneschijn en een bijzonder zachte lucht--aanleiding gevonden, om naar Delft te wandelen in plaats van te sporen. Hij deed dat meer, en thans voelde hij zich bijzonder daartoe getrokken, om eens den vrijen teugel te kunnen geven aan zijn gedachten. Hij was vol van Clara. 't Was hem duidelijk, daghelder, dat hij 't meisje liefhad. 't Leven scheen hem schoon, de toekomst veel belovend. O, hij zou hard werken, en hij moest haar eenmaal winnen!....

Mevrouw van Merenstein lag wakend in haar bed en overwoog de middelen, die ze in 't werk moest stellen, om Clara spoedig uit Willem Victor's bereik te brengen. Ze zou 't meisje "in de wereld" brengen, zoo spoedig mogelijk, en zoo zou ze wel spoedig den "ware" voor haar gevonden hebben, en dan zou die kalverliefde wel uit zijn, als ze al mocht opgekomen wezen.

Clara lag eveneens slapeloos op haar leger. Willem's beeld was voor haar geest. In de akelige eenzaamheid van haar zieltje scheen hij haar redder. Door hem zou ze tot geluk komen, als dat ooit voor haar weggelegd was .... Ze wist niet, hoe ze aan die gedachte kwam, maar hoe meer zij erbij verwijlde, des te inniger drong zich de overtuiging aan haar op, dat zijn en haar denkbeelden op dat punt geheel eenstemmig waren.

En ze sliep in met illusiën.

IV.

EEN GOEDE PARTIJ.

Drie maanden later.

Door toedoen van haar moeder is Clara sinds haar terugkomst bijna geen dag thuis gebleven. De talrijke vriendinnen van Mevrouw Van Merenstein vroegen haar als om strijd ten eten of noodigden haar voor een "huiselijk dansje" of een buitenpartijtje, of ook nam haar moeder haar mee naar bals, concerten en opera's. Overal, waar zij maar kans zag, Clara in aanraking te brengen met mogelijke huwelijkspretendenten, liet zij de gelegenheid niet voorbijgaan. Al dat uitgaan viel weinig in den smaak van 't eenvoudige meisje. Ze verveelde zich dan ook meestal, en vond alleen troost in de gedachte aan haar vriend. Nu en dan mocht zij het geluk smaken, hem even te zien en te spreken; maar dat was altijd buitenshuis geweest: Mevrouw Van Merenstein had hem herhaaldelijk niet thuis gegeven, zoodat hij zijn bezoeken gestaakt had. Clara's zoet geheim--haar reine liefde voor den edelen jongen man--gaf haar kracht, om de vreeselijke verveling te doorstaan, die haar dreigde te overweldigen in 't gezelschap van al die wufte, onbeschaafde menschen onder haar moeders kennissen, met wie zij bijna dagelijks in contact werd gebracht.

Onder al de nieuwe kennissen, die Clara in dien roezemoezigen tijd kreeg, behoorde ook een Indisch ambtenaar met verlof. Het was een neef van een der intiemen van Clara's moeder. Zij ontmoette hem voor 't eerst op een diner, door bewuste intieme te zijner eere gegeven. Het scheen een troetelkind van zijn tante te wezen. Zelf ouderloos had hij bij haar als kind verzorging gevonden, en nu hij als assistent-resident uit Indië terugkwam, was tante niet weinig trotsch op hem. Hij van zijn kant begreep, dat het in zijn belang was de teedere tante steeds welgezind te houden; want 't goede mensch bestemde haar ontzaglijk fortuin voor haar pleegkind, als ze eenmaal deze wereld zou verlaten. Tot nu toe was dat wonderwel gelukt. 't Scheen wel, dat 't hem bepaald moeilijk zou vallen, haar slechte gedachten van hem te doen koesteren, zoolang hij haar slechts vriendschap en genegenheid bewees. Als jongen en als jongmensch had Frits van Breeveld anders weinig blijken van beminnelijkheid gegeven.

Hij was een bedorven kind in de rechte beteekenis van 't woord. Lui, zinnelijk en zelfzuchtig als hij was, had hij nooit een vriend gehad, schoon hij nooit gebrek aan gezelschap gehad had. Als student was zijn beurs steeds gevuld en zijn wijnkelder steeds goed voorzien geweest: geen wonder, dat hij schijnvrienden in overvloed had.

Hij leidde toen een leventje als een prins. Zijn tante versterkte hem eer in zijn kwade neigingen, dan dat ze hem daarin bemoeilijken zou. Het streelde haar ijdelheid, dat haar pleegkind zoo smijten kon met geld, en "student" kon wezen, zooals het maar weinigen mogelijk is te zijn. Frits "studeerde" zes jaar te Delft, in plaats van twee of drie, zooals de meesten, voordat hij in zijn ambtenaarsexamen slaagde. Ook dat vond tante Van Breeveld "deftig". Waartoe zou hij zoo vlug studeeren? 't Zou maar schijnen, alsof hij geen geld had, om 't lang uit te houden! In die zes jaren had 't neefje jaarlijks plus minus zes duizend gulden gekost. Toen hij op zijn vijf en twintigste jaar naar Indië vertrok, liet hij te Delft, Den Haag en Leiden een naam achter, die bijna eenig was in de annalen der studeerende jongelingschap: nog lange jaren zou daar de herinnering voortleven aan den grootsten "zwabber", die er bij menschenheugenis in studentenkringen verkeerd had. Het spreekt vanzelf, dat hem dat niet belet had, het bewijs van goed gedrag machtig te worden, dat vereischt wordt om in staatsdienst te treden. Custos en portier der Indische Instelling te Delft hadden te veel fooien van Frits genoten, om er eenig bezwaar tegen te hebben, hem thans voor een hernieuwd gunstbewijs voor een eerbaar jongmensch te verklaren. Zoo iets was trouwens hoogst zelden moeilijk: vijf gulden voor den custos en de helft dier som aan den portier verschaften grif zulk een "bewijs van goed gedrag" aan de "heeren studenten".

Tante Van Breeveld ging mee naar Indië. Ze had daar veel familie. Onze Frits vond er dadelijk hulp en voorspraak, zooveel hij maar wenschte. Dat was ook de reden geweest, waarom hij met zijn schitterende fortuinvooruitzichten, een loopbaan in Indië verkozen had boven een in Nederland. Hij was er zeker spoedig promotie te maken.

Aan trouwen had hij nog niet gedacht. 't Vrije jonggezellenleven, zoo vrij mogelijk opgevat, was hem steeds zeer goed bevallen. In Indië waren "Wijntje en Trijntje" zijn huisgoden gebleven. Toen hij na vijftien jaar met verlof kwam, was het zijn vaste plan, nog eens een goed jaar naar hartelust beiden te dienen, en dan aan de laatste vaarwel te zeggen, om in 't huwelijk zijn heil te zoeken.

Op den noodlottigen avond, dat hij kennis maakte met Clara Van Merenstein, was dat jaar nog lang niet om. Toch gaf hij zijn plan onmiddellijk op; want hij meende in haar gevonden te hebben, die hij zocht: zij moest zijn vrouw worden. Met zijn mooien rang--assistent-resident--en zijn prachtige vooruitzichten in 't ambtelijke zoowel als in 't finantiëele, was hij overtuigd, dat het hem weinig moeite zou kosten een arm meisje, als Clara Van Merenstein, "aan den haak te slaan". Bovendien was hij niet onknap, ondanks zijn ouwelijk uiterlijk en zijn veelbewogen verleden. Ook miste hij niet een zekere gemakkelijkheid van toon en wist hij zich bij dames aangenaam te maken.

Mevrouw Van Merenstein was dadelijk bekoord. Van Breeveld was dan ook bijzonder minzaam jegens haar, zóo minzaam zelfs, dat zij in den waan kwam, dat hij in allen ernst haar het hof maakte. Spoedig echter bleek haar overtuigend, dat zij alleen het voorwerp zijner hoffelijkheid geweest was in hare hoedanigheid van begeerlijke schoonmoeder.