Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman

Part 11

Chapter 113,984 wordsPublic domain

Onder de velen, die weggesleept waren geworden door het schoone lied, behoorde ook een man van krachtigen lichaamsbouw, gezeten in een der loges tegenover het tooneel. Zijn gebruind gelaat, met den donkeren vollen baard, en 't eenigszins ongewone in den snit zijner kleederen, deden in hem den buitenlander vermoeden, onlangs uit verre gewesten in Europa teruggekeerd; schoon hij niets had van het eigenaardig winderig en blufferig "rastaquouère"-type. Integendeel had hij iets ernstigs en beschaafds in zijn energieke gelaatstrekken. Inderdaad had hij pas eenige dagen weer Europa's bodem onder zijn voeten gezien, en was hij op zijn doorreis slechts te Milaan overgebleven, om de beroemde zangeres te hooren, wier naam hij reeds bij zijn aankomst in Italië in de couranten vermeld had gezien. Hij kwam van Zuid-Afrika, en had door bijzondere omstandigheden de reis oostwaarts om, door de Roode Zee, gemaakt: zoo kwam het, dat hij ook Italië op zijn weg passeerde. Zijn verwachting was verre overtroffen door de werkelijkheid, hij was verrukt. Onder de veelsoortige indrukken van dien avond was er echter éen, die telkens boven dreef, ondanks het machtige der andere. Hij had namelijk, kort nadat hij zijn blik op de wonderverschijning gevestigd had, iets in haar gelaat meenen op te merken, dat hem bekend was, en in die stem, hoe kunstig geschoold ook, had evenzeer iets zijn aandacht getrokken, dat oude herinneringen bij hem wakker riep. Te vergeefs drong hij zichzelven de overtuiging op, dat hij zich vergiste, dat hier louter toeval in 't spel was: hoe toch ware het mogelijk, dat dat gelaat en die stem ooit vroeger binnen zijn waarneming hadden gelegen? En gesteld al, dat hij zich niet vergiste, waar en wanneer had hij dan dat gezicht gezien, die stem gehoord, en aan wie behoorden ze? Een poos, tot na de pauze zelfs, vroeg de jonge man tevergeefs zichzelven af, zonder een bevredigend antwoord te kunnen vinden. Eén ding was zeker, meende hij: die persoon moest hij vroeger in Europa, in Holland gekend hebben, te Delft of in Den Haag.... of wellicht vroeger, in Indië, toen hij nog een kleine jongen was? Weer was hij in de duisternis. Daar klinken de eerste tonen van Tizia's lievelingslied. Gretig luistert hij toe, starend naar de liefelijke gestalte. Plotseling gaat hem een licht op. In dat lied is de zangeres het meest zichzelve geweest. In de uitdrukking van haar gelaat is iets gekomen, dat haar meer deed gelijken op het beeld, dat vaag vóor den geest van den vreemdeling gezweefd heeft. Geen twijfel meer! 't Is Clara van Merenstein, Mevrouw Van Breeveld! mompelt hij halfluid. Zijn buurman kijkt hem gramstorig aan. Hij had alles om zich heen vergeten: die toovenares met tonen was voor hem de oude geliefde, het eenvoudige jonge meisje uit zijn jongelingsjaren, zij, om wier onverklaarbaar verlies hij zoo diep bedroefd was geweest, dezelfde ook, om wie hij, ten einde vergetelheid te zoeken, naar Zuid-Afrika was gegaan. Hij had haar nooit vergeten, maar hoe kon hij denken, haar hier in zulk een gedaanteverwisseling terug te zien! Ze was veranderd bovendien, veel schooner geworden, en hij wist niet beter, of de Clara, die hij verloren had, was in Indië. Hij had van zijn moeder in Holland iets gehoord van haar wedervaren, den plotselingen dood van Van Breeveld, het schandaal, waar al de couranten vol van hadden gestaan, en hij had haar in zijn hart diep beklaagd. Geen verwijt was in zijn edele ziel tegen haar gerezen: voor hem was zij steeds 't slachtoffer geweest van de intriges harer moeder, van af 't oogenblik, dat zij door haar tusschenkomst in aanraking was gebracht met dien Van Breeveld. God, dat ze thans dezelfde zou zijn als de gevierde Tizia Beatincanti! Met de scherpzinnigheid der liefde bevroedde hij dra, wat haar tot zulk een stap moest gebracht hebben: de zucht om zich los te maken van 't verleden en de wereld, waarin zij tot dusver geleefd had, en zielsrust te vinden in een edele roeping. Hij kende haar liefde voor de muziek, en hij kon dat denkbeeld niet afkeuren. Toch twijfelde hij zeer, of die vrouw ooit op die wijze zou vinden wat zij zocht. Naar zijn vaste overtuiging kon een vrouw slechts bevrediging voor haar hart vinden als liefhebbende gade en moeder, haar eenige ware roeping op aarde. Zijn oude genegenheid, nooit gestorven in die jaren van scheiding, herleefde met nieuwe kracht. Zou ze dat geluk nog met hem kunnen vinden? Waarin ze ook mocht gefeild hebben--die lieve innemende persoonlijkheid kòn waarlijk niets slechts op haar geweten hebben--hij telde het niet. Ze had hem vroeger op raadselachtige manier plotseling niet meer willen kennen. Er moest een misverstand geweest zijn, daar was hij zeker van. Wellicht was nu de dag gekomen, om dat op te helderen. Maar zou zij, de gevierde diva, levende als een koningin, haar lot nog willen deelen met het zijne, alles verzaken wat haar nu omgaf: roem, eer, een weelderig bestaan en een schoone kunstroeping? Wat, 't was niets bij huiselijk geluk! Ze had gewanhoopt, dat ooit meer deelachtig te worden, ze zou met liefde de gelegenheid aangrijpen, die zich door hem aanbood.... O, hoe hoopte hij dat; maar hij twijfelde nog. Als hij Clara goed kende, en ze nu nog was zooals hij haar jaren geleden gekend had, o, dan zou alles terechtkomen, maar drie jaren levens zijn zoo vaak voldoende, om een karakter te vervormen. En hier hadden zulke factoren gewerkt! Hoevelen had niet reeds roemzucht van 't ware spoor gedreven! Aan dien twijfel moest een einde komen, zoo spoedig mogelijk.

Den verderen avond was de jonge vreemdeling te zeer met zijn eigen gedachten vervuld, om op den zang te letten. Wel zag en hoorde hij, maar 't was Clara; de diva was vergeten, bestond niet meer voor hem. Steeds zon hij op een middel, om haar te spreken te krijgen. Eindelijk, iets vóor het eindigen der laatste voordracht, besloot hij eens een poging te doen, om de zangeres in haar loge te ontmoeten. Daar zou ze zeker even vertoeven, tusschen beide stukken in, wel kort, maar toch voldoende, om hem de gelegenheid te verschaffen, een nadere afspraak te treffen. Ze moest hem opgeven, waar ze logeerde, dan zou hij den volgenden dag haar daar opzoeken. Met eenige moeite vond hij den weg naar de loge. Een vrouwelijke bediende zat bij de deur. Met kloppend hart en verlegen met zijn Fransch, dat door zijn verblijf in Zuid-Afrika er lang niet beter op geworden was, beduidde hij de vrouw, dat hij gaarne de diva even spreken wilde. Na eenig misverstand begreep zij hem. Hij gaf zijn kaartje, waarmee de vrouw binnen ging. Een oogenblik later kwam ze terug, en deelde hem mede, dat "Madame" niet te spreken was, voor niemand. Daar stond hij. Verder aandringen dorst hij niet. Blijkbaar wilde ze hem niet zien, ten minste op dat oogenblik niet. Zou hij zich ook vergist hebben?... Een oogenblik dook dat denkbeeld in zijn geest op. Neen, onmogelijk! Ze zou hem nu niet willen zien, omdat ze meende geen tijd te hebben voor een gesprek, en vreesde opgehouden te zullen worden. "Niet een enkel oogenblik?" vroeg Willem Victor, aarzelend. "Neen, voor niemand. Ze heeft 't uitdrukkelijk gezegd. Ze zou boos worden, als ik haar nog eens stoorde." "Waar logeert Mevrouw dan?" De oude vrouw schudt het hoofd: "Sais pas, sais pas!" mompelt zij, en toont zekeren gemelijken onwil, om verder te spreken. De ander ziet van verder pogen hier af. 't Eenige wat hem rest, is buiten op de diva te wachten, een rijtuig te nemen, en 't hare te volgen.

Een half uur van brandend ongeduld volgt. De jonge man loopt rookende in de koffiekamer van 't theater op en neer. Dan, als hij duidelijk bemerkt, dat de uitvoering afgeloopen is, gaat hij haastig naar buiten, en vraagt aan een bediende, waar de ingang voor de artisten is. Daar, naast het gebouw. Hij huurt een rijtuig, en laat het vóor wachten, met uitdrukkelijken last, dadelijk het rijtuig van de zangeres te volgen, zoodra deze het gebouw verlaat. Weer gaan een tiental minuten vol zenuwachtigheid voorbij. Daar houdt een rijtuig stil vóor bewusten ingang, weinige minuten later stapt een elegante, warm ingepakte gestalte het portier in. Hij snelt voort naar zijn eigen vehikel, laat het andere even voorbijgaan, en volgt het dan op korten afstand. De rit duurt niet lang. Daar houdt het voorste rijtuig stil. Het zijne laat hij nog een korte poos doorgaan, om de aandacht niet te trekken, dan gelast hij op te houden, springt eruit, en vraagt den koetsier naar den naam van het hotel, waar de diva zooeven afgestapt is. "Non so," herhaalt de koetsier op Victor's ongeduldige vraag. Hij weet 't, maar heeft geen zin te antwoorden, op echte schobberachtige manier onwillig. Victor betaalt, en loopt terug naar 't hotel. O, hij kan den naam gelukkig goed zien. Daar staat hij op de groote lantaarn boven den ingang. "Ziezoo!" zegt hij halfluid. Maar dan, plotseling zich te binnen brengend, dat hij dien ingang meer gezien heeft, roept hij: "Ezel, die ik ben: "Albergo Centrale" is 't zelfde als "Hotel Central"!" Ja, daar staat ook de Fransche naam nauw zichtbaar op den voormuur. "Ze logeert dus in 't zelfde hotel als ik! Had ik maar de vreemdelingenlijst nagegaan! Dat treft heerlijk."

In zijn agitatie had hij er niet op gelet, dat zijn rijtuig zooeven denzelfden weg gevolgd was als hij zelf, toen hij van 't hotel naar den schouwburg ging. Hij was kort vóor 't avondeten verschenen, en de diva was niet aan tafel geweest.

Willem Victor, de bedaarde man van ijzer en staal, de koele denker, bracht een nacht door van spanning en ongeduld, zooals hij in jaren niet beleefd had.

Den volgenden ochtend vrij laat met schrik ontwakende uit een korten, zwaren slaap, waarin hij eindelijk wat rust gevonden had, kleedde hij zich haastig aan, ging naar beneden, en klampte dadelijk den reusachtigen Germaan met den prachtigen baard aan, die in 't hotel portier en tolk beiden was. Hij vraagt naar de zangeres.

"Jawohl, hat hier die Nacht zugebracht."

"Ja, bitte, sagen Sie mir die Nummer ihrer Gemächer."

"Wird Ihnen wenig nützen: 53 und 54. Ist eben abgereist."

"Wohin?"

"Unbekannt."

XIII.

LIEFDE OF KUNSTROEPING.

Die flegmatieke talen-automaat ergert den jongen ingenieur onuitsprekelijk. Hij wendt zich kregelig van hem af, en gaat de groote eetzaal binnen. Wellicht hoort hij aan 't ontbijt iets, dat hem voldoende inlicht. Hij komt toevallig naast een jongen Franschman te zitten, een miniatuur-baronnetje met klein kneveltje en sikje, een lorgnet op, en een onbeschrijfelijke uitdrukking van vroegrijpheid en brutaliteit op 't jeugdig gezichtje. Victor brengt spoedig het gesprek op de zangeres.

"O, jawel, jawel, gisteravond gehoord, prachtig, onbetaalbaar, appétissante vrouw, énivrante, ma foi!"

Victor onderdrukt een opwelling van nieuwe ergernis.

"Ja, ze is vertrokken, nietwaar? Zeker om haar kunstreis voort te zetten?" vraagt hij quasi-onverschillig.

"Kunstreis, ja, dat is te zeggen, ze zou drie avonden zingen. Kleine oneenigheid met theaterdirectie, denk ik. Gevlogen. Och, 't zijn luchtige, lichte vogeltjes, die diva's, wat zegt u?"

"Maar," vraagt Victor verder, op zijn snor kauwende, "waar zou ze van hier heen gegaan zijn?"

"Laat me 's zien," zegt 't ventje: "Ik.... och, neem u even de courant. Garçon! Le Secolo!" Het Italiaansch blad wordt aangereikt, en het baronnetje geeft het aan zijn buurman.

"'t Staat daar in, meen ik," legt hij uit. Victor glimlacht verlegen: hij leest geen Italiaansch. De ander slaat een vluchtige blik in het blad, en zegt dan:

"Naar Rome, juist, 't is waar ook. Misschien is ze nu wel direct daarheen gegaan. Best mogelijk."

Victor luistert met zooveel naïeve aandacht, dat het spotzieke ventje hem lachend aanziet.

"Ook al onder de betoovering?" vraagt hij. "Nareizen? Gevaarlijk spelletje, die actrices. Kan u wel van raad dienen." 't Kleine gezichtje kijkt bijzonder wijs.

"Dank u," bromt Victor, en de toornige blik, dien hij zijn nietig buurmannetje toewerpt, brengt al diens praatlust op eens tot 't doode punt.

Zoo, Rome dus? Zal hij dien weg gaan, en kans loopen, dat ze er niet is? Als ze hier haar contract gebroken heeft, wie waarborgt dan, dat ze te Rome haar beloften zal nakomen? En dan, hij komt pas zelf van dien kant. Maar dat is niet 't ergste. Met genoegen offert hij ook zijn doorkaartje naar Holland op, als hij maar zekerheid had, haar te zullen vinden. In Godsnaam, 't moet dan maar. Spreken zàl hij haar, al moest hij haar tot in Petersburg nareizen. Als hij een poos later de vestibule doorgaat, om zich naar 't station te begeven, spreekt de tolk-portier hem met een ironisch lachje aan.

"Soms een portret koopen van de artiste? Is hier te krijgen. Daar hangen ze, Mijnheer."

Victor ziet om, en ontwaart eenige goed-geslaagde photographieën in een glazen kastje aan den muur. Dadelijk koopt hij er een. 't Is hem een troost, hoe gering ook, dat lieve gelaat in de eenzaamheid te kunnen beschouwen, zooveel hem lust.

Een half uur later is hij op weg naar de Eeuwige Stad.

Wie had hem twee dagen te voren kunnen voorspellen, dat hij zoo spoedig dat traject terug zou afleggen! Hoe geheel anders was zijn gemoedstemming, toen en nu: toen vreugde, dat hij Europa weer terugzag, blijde verwachting van een hartelijke ontvangst, thuis in 't lieve Holland, kalme, berustende tevredenheid voor 't tegenwoordige en in 't vooruitzicht, thans slechts éen verlangen--Clara--en zijn gansche ziel in onrust en beroering.

't Landschap, waar de trein doorsnorde, somber en eentonig, vooral nu het winter was, kon hem weinig afleiding geven, ook al had hij vatbaarheid daarvoor gehad. 't Was een lange, vervelende rit.

Eindelijk, den volgenden ochtend vroeg, stapte hij aan 't station af. Hij had een goeden nacht gehad. Zijn gezond gestel had zijn rechten hernomen, en hij voelde zich bijzonder opgewekt. Dadelijk reed hij naar een hotel, en informeerde daar naar 't groote theater. Nog in den voormiddag vervoegde hij zich daar, en reeds spoedig vernam hij, dat de verwachte diva een telegram gezonden had, meldende, dat ze om dringende redenen verandering in haar reisplan gemaakt had.

"Waar kwam dat telegram vandaan?" vroeg Victor teleurgesteld.

"Van Venetië, 't is juist ontvangen."

"Dank u."

Mistroostig ging de jonge man de treden van de trap af. Hij had dus die ellendige reis voor niets gedaan! 't Telegram was uit Venetië.... Zou ze daar gezongen hebben? Ja, misschien net eens, en dan daarna? Goede God, wat een dolmakende onzekerheid!

Dan naar Venetië, denzelfden dag nog. De avondtrein vertrok om zes uur. Goed. Te Venetië zou men wel iets van haar afweten. Of anders kon hij tegen dien tijd wellicht iets over haar in een courant vinden. 't Hinderde hem geweldig, dat hij geen jota Italiaansch verstond: hij zou 't zich moeten laten voorvertalen.

De stad der oudheden, der kunstenaars, van den Paus, het Vaticaan, het Quirinaal, had niets aantrekkelijks voor den onspoedigen reiziger. Hij zou er anders zijn hart hebben opgehaald aan al 't schoons--hij had er smaak genoeg voor--maar zijn haast en opwinding gedoogden thans geen oogenblik aandacht daarvoor. Den ganschen dag bleef hij in zijn hotel, nu en dan het portret zijner aangebedene voor den dag halend, om er in stille verrukking naar te zitten staren. Een half uur vóor den tijd wandelde hij reeds op en neer op het perron van het station, de eene sigaar na de ander rookend. Hij constateerde tot zijn verbazing, dat hij een sterk rooker was. 't Scheen, dat hij zich verbeeldde afleiding te vinden door de wolkjes van zijn manila droomerig te volgen.

Weer in den trein, weer een nacht in het nauwe bedje van den slaapwagen, en een halven dag eentonig voorthotsen door een winterlandschap. Daar was hij te Venetië. De dichterlijke stad der kanalen en gondels was hem alleen interessant als mogelijke plaats van oponthoud voor Clara. In 't hotel gunde hij zich nauwelijks den tijd, om zich wat op te frisschen, vroeg naar het theater, en snelde daarheen. 't Was namiddag, en hij kon gelukkig aan het bureel terecht. Men wist daar echter niets van de zangeres af. Zij had er niet gezongen en zou er niet zingen! Nieuwe verlegenheid. Wat nu? Terug naar 't hotel, en daar de couranten ingezien. Een gedienstig kellner hielp hem zoeken. Hij vond niets nieuws, niets: alleen het plotselinge vertrek der diva uit Milaan, waarheen wist men niet. Hij had zich die reis naar Rome waarlijk wel kunnen besparen, dacht hij nu: 't Was toch duidelijk, dat zij, als ze hem ontgaan wilde--en dat moest wel--niet naar de plaatsen zou gaan, welke in de courant reeds genoemd waren als haar aanstaande reisbestemming. Neen, zij moest een nieuw reisplan gemaakt hebben. Hij dacht aan Weenen, Buda-Pesth, Berlijn, Petersburg; want te Parijs was zij nog niet lang geleden geweest. Hij zou zien, voorloopig afwachten. Ongetwijfeld zou het doen en laten van zulk een beroemdheid als Tizia Beatincanti niet onopgemerkt blijven. Ware ze naar Weenen, dan zou er wel iets van in de dagbladen vermeld staan. Hij had dus een paar dagen vóor zich. Haar optreden te Weenen of op éen dier andere plaatsen zou dan wel blijken. Met een zucht besloot hij in Godsnaam maar een paar dagen werkeloos te blijven.

Zijn geduld werd niet lang op de proef gesteld. Reeds den volgenden ochtend vernam hij aan 't ontbijt uit een morgenblad, dat de beroemde diva Tizia Beatincanti de hoofdstad der Magyaren met haar bezoek vereerd had. Een ontzaglijke ovatie wachtte haar daar; want de naijverige Hongaren waren verrukt, dat zij eerst hunne hoofdstad bezocht, voordat zij zich nog te Weenen had doen hooren.

Naar Buda-Pesth dus. Hemel, hij werd een reiziger van professie op die manier! Onwillekeurig lachte hij bij al zijn tegenspoed. Zou zijn moeder hem niet wachten in Holland? Waarschijnlijk niet, want ze wist niet wanneer precies hij in Holland zou aankomen. Hij had haar willen verrassen. Dat kwam dan gelukkig goed uit. Als nu maar dat onzinnige krijgertje spelen spoedig een einde nam. Verbeeld je, dat hij gansch Europa zóo door moest vliegen, om haar eindelijk in Lissabon of Stockholm te vinden!

Weer snorde de trein met hem voort, uit de lage delta-landen van Venetië naar de schoone bergstreken. Doch niets boeide hem. Zijn gedachten vlogen vooruit. Kruipend schakelde uur zich aan uur. Buda-Pesth. 't Was avond, de voorstelling in den schouwburg--als die gegeven werd--zou wel spoedig aanvangen. Hij spoedde zich naar een hotel, en was dadelijk op weg naar 't theater. Daar waren de aanplakbiljetten nog, reusachtig groot: met ontzaglijke letters las hij er: Tizia Beatincanti. Jawel, zij hàd gezongen. De schouwburg was open, en er werd een opera-voorstelling gegeven, maar zonder haar! Doch op 't zelfde biljet ziet hij aangekondigd, waarheen de diva zich na Buda-Pesth begeven zal: Weenen. Daar zal ze zeker een paar avonden optreden. Regelrecht van den schouwburg rijdt hij Victor naar 't station, om naar den Weener sneltrein te informeeren. Hij is te laat, den volgenden ochtend is er weer een.

De nacht van oponthoud schenkt hem heilzame rust, hoognoodig in zijn opgewonden toestand. Weenen bereikt hij in den avond. Hij geeft zich geen tijd, om naar een hotel te gaan. Onmiddellijk richt hij zich naar 't Hoftheater. Daar zal hij de voorstelling bijwonen--Goddank, men speelt dien avond, en Tizia zingt--dan zal hij zijn spionage van Milaan herhalen, en in 't zelfde hotel gaan logeeren als de zangeres.

Den ganschen avond is éen extase voor hem, schoon hij niets ziet of hoort dan de diva alleen. Het overige laat hem volmaakt onverschillig. Hij had gehoopt een plaats te zullen krijgen, waar hij voor de zangeres duidelijk zichtbaar was, maar ongelukkig maakte zijn late komst dat onmogelijk. Zijn onbekendheid met den inhoud der opera, die men geeft,--hij heeft niet eens een tekstboekje--is oorzaak, dat hij in de laatste tooneelen van het laatste bedrijf haar weder-opkomen verwacht, terwijl haar rol reeds uitgespeeld is. Als hij dus bij 't einde van 't stuk tot zijn schrik ontwaart, hoe hij zich vergist heeft, en haastig naar den ingang voor de artisten gaat, ziet hij daar wel achtereenvolgens de andere spelers van dien avond heengaan, maar Tizia niet. Blijkbaar is ze reeds eenige minuten te voren heengegaan. Had hij nu maar dadelijk naar haar adres geïnformeerd! "Onvergeeflijke zorgeloosheid!" denkt hij. 't Is te laat, om nog den schouwburg in te gaan, 't personeel is al naar huis; want hij heeft zeker een kwartier buiten staan wachten. 't Is dicht bij middernacht. Wat zal hij beginnen? Een rijtuig nemen en aan de verschillende hotels informeeren, dat is wel 't rationeelste. Daarmee wachten tot den volgenden ochtend is gewaagd: ze mocht eens weer vertrokken zijn. De koetsier van zijn rijtuig kijkt vreemd op, als hij zijn opdracht krijgt: al de groote hotels, er zijn er zoo enkele in 't groote Weenen!

De tocht begint, en duurt een paar uur. Nergens weet men iets van de diva af! Dan nog eens de hotels tweede rang? Lieve hemel, dat loopt in de dozijnen! De koetsier wil er niet aan. Victor moet een ander rijtuig zoeken.

Voort gaat 't weer door de stille straten. 't Wordt twee uur, drie uur, nergens een spoor. Eindelijk geeft hij 't op. Aan 't hoeveelste hotel hij 't laatst geïnformeerd heeft, weet hij niet meer: hij duizelt ervan.

Wat daaruit af te leiden? Dat Tizia niet in een hotel logeert? Zeer waarschijnlijk. Maar in dat geval logeert ze hier of daar bij vrienden; want 't is niet waarschijnlijk, dat ze voor den korten tijd van haar optreden te Weenen kamers gehuurd zal hebben. Aan 't postkantoor, of anders aan 't theater zelf, zal men hem morgen wel kunnen inlichten. Met dat hoopvolle denkbeeld laat hij zich ten slotte doodmoê aan de deur van 't laatste der langsgereden hotels afzetten.

Den volgenden ochtend vroeg is hij weer op 't pad. Eerst naar 't groote postkantoor. Daar weet men van niets: hij zal aan éen der bijkantoren moeten wezen. Maar welk? Dan maar eerst naar den schouwburg. Aan 't bureel kan men hem niet op de hoogte stellen! Dat is afgesproken werk, denkt de jonge man bijna wanhopig. Nog éen kans heeft hij: aan éen der verschillende kleine postkantoren moet men 't weten. Weer dus een rit door de stad. Aan 't derde kantoor verneemt hij, dat de diva al haar brieven daar "poste-restante" laat aanhouden, en ze laat afhalen. Haar adres kent men er niet. "Ze moet daar een bedoeling mee hebben!" denkt Victor, "ongetwijfeld vreest ze, dat ik haar vinden zal." Schier radeloos verlaat hij het postkantoor. 't Eenige, dat hij nu weet, is, dat ze niet ver van dat laatste kantoor moet wonen. Maar wie zal hem inlichten!

't Loopt inmiddels naar den middag. Dien avond speelt de groote opera niet. Welk een zee van tijd tot morgenavond. Hemelsche goedheid, hoe zal hij die doorkomen? Morgenavond kan hij weer de zangeres aan den uitgang van den schouwburg opwachten. Dan zàl hij uitvinden waar ze woont, al moest hij den ganschen nacht haar rijtuig achterna rijden!

Voorloopig dus geduld hebben. Hij gaat naar een restaurant, gebruikt haastig wat, en koopt daarna een boek. Hij zal zien wat te lezen in een café. 't Prado ligt met zijn kale boomen vóor hem. Hij zit vlak vóor aan 't raam, en kan de voorbijgangers zien. Rookende, lezende en uitkijkende, en onderwijl aan een glas bier nippend, zal hij zijn tijd trachten te dooden tot het diner.

Reeds een uur zit hij zoo zich te vervelen, als plotseling een voorbijsnellend rijtuig zijn aandacht trekt. De dame, die er in zit, is de zoo lang gezochte! Hij springt op. Goddank, dat loopt mee. 't Geluk dient hem dan toch. Hij betaalt haastig, en vliegt de straat op. Er staan huurrijtuigen in de buurt. Hij neemt er een, en rijdt het sierlijke coupétje na. 't Is het Prado opgegaan, een breeden langen weg op, dat treft bijzonder goed; in de stad zou 't spoedig uit 't oog zijn. Een klein kwartier later houdt het voorste rijtuig stil bij een elegante, kleine villa.