Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman
Part 10
Ze herinnert zich ook dien avond bij haar moeder thuis, toen haar zieltje evenzoo gesmacht had naar een onbekend gewest, zich gevoeld had als een eenzame banneling. Thans ook smacht ze, maar naar den dood. Zou die haar de rust schenken, waarnaar zij snakt? De muziek houdt aan. Blijkbaar is 't een meesterhand, die de toetsen doet leven. Telkens vlecht zich het oude thema in een weelderigen tonenovervloed, nu eens juichend en jubelend in oplevende hoop, dan allenks overvloeiend in moedeloos gemijmer, eindelijk in bittere klachten en een smeekbede der wanhoop, wild opklinkend om plotseling op te houden. Clara's liefde voor de muziek ontwaakt. Ze moet gaan zien, wie die sympathieke musicus is. Waarom zou ze niet? Ze mag op de laatsten avond haars levens nog wel zich laven aan de bron der heilige kunst, die zij altijd zoo vereerd had. Ze veegt de tranen van haar wangen, en gaat de trap af naar de long-room. Daar ziet ze, omringd door eenige dames en heeren, een man van middelbaren leeftijd aan 't klavier zitten. Hij bladert in een opengeslagen muziekboek. Een der dames, zenuwachtig van aandoening en bewondering voor zijn spel, vraagt hem dringend, om nog wat te laten hooren. Hij is op 't punt, aan 't verzoek te voldoen, als hij Clara gewaar wordt. Ze hadden reeds kennis gemaakt; maar dit is de eerste keer, dat zij zijn talent opmerkt. 't Is een klein mannetje met schitterende, donkere oogen en lang, zwart haar. Hij was te Singapore aan boord gekomen, waar hij een paar dagen vertoefd had; komende van eene reis naar China en Japan. Men hield hem aan boord voor een rijken zonderling, die voor zijn pleizier reisde, een echten "globe-trotter." Opeens openbaart hij zich als een groot kunstenaar, die slechts reist om nieuwe indrukken op te doen.
Monsieur Duvernier, die, als iedere Franschman, en als kunstenaar in 't bijzonder, zeer gevoelig is voor al wat schoon is, heeft de jonge weduwe van den beginne af in stille bewondering gadegeslagen. In zijn scheppend brein heeft de droeve uitdrukking van dat innemende gelaat hem reeds geïnspireerd voor een elegie, waarvan hij reeds dagen droomt. Nauw ziet hij haar thans, of, om een gesprek te beginnen, vraagt hij haar hoffelijk:
"Doet u ook aan muziek, Mevrouw?"
Clara antwoordt, dat ze slechts dilettante is, een beetje speelt en ook een beetje zingt.
"U zingt? O, dat is heerlijk Mevrouw. Kom, zingt u wat. Ik zal u begeleiden. 't Zal een genot voor mij zijn. Ik hoorde in lang geen lieve vrouwestem in dit barbaarsche Oosten."
De omstanders lachen, en dringen op hun beurt bij Clara aan, om een lied ten beste te geven. Ze aarzelt, maar stemt toe. Ze houdt er niet van zich te laten bidden. 't Eerste lied, dat zich als onwillekeurig aan haar geest voordoet, iets dat ze van buiten kent, is het bekende:
Von meinen grossen Schmerzen Mach' ich die kleinen Lieder....
een lied vol zielesmart. Eenvoudig en vol gevoel draagt ze 't voor. Duvernier begeleidt haar uit 't hoofd. Alles is stil, doodstil, als de laatste toon wegsterft. Plotseling springt de pianist op, en roept opgewonden, met stralende oogen:
"Mais Madame, c'est unique! Vous avez des millions dans le gosier!"
Clara kleurt hevig op dat onstuimig compliment. De omstanders staren haar aan, en er barst een daverend handgeklap los.
Duvernier wil haar nog eens hooren.
"En Français, cette fois en Français!" roepen een paar dames. De Duitsche woorden kon men niet volgen, van een Fransch lied zou men meer kunnen genieten.
Clara was in een andere wereld. Voor een poos was al haar leed vergeten. Haar liederenrepertorium, vooral in 't Fransch, was echter gering en ze moest zich bedenken, eer ze haar keuze kon vestigen op de "Sérénade van Gounod." Ze verontschuldigde zich, dat ze met zoo'n "oudje" voor den dag kwam, maar de enthousiaste Duvernier riep dadelijk:
"La melodie, Madame, c'est peu de chose. C'est l'expression, la voix, l'interprétation enfin. Chantez toujours!"
Clara begon. 't Lied was iets moeielijker. De meester merkte hier en daar een foutje in de techniek op, maar zijn geestdrift was er niet minder om.
"Dat is nu heel wat anders," zeide hij toen Clara ophield, "iets vroolijkers dan zooeven. Ik kan nu uw voordracht beter beoordeelen. U heeft de stemming van beiden, 't diep droevige van 't eerste lied en 't blijmoedige van 't laatste zeer goed weergegeven, Mevrouw."
Ook de luisterenden waren onder den indruk: "C'est exquis et d'une expression...." mompelde men verrukt.
Daarop moest Duvernier nog eens spelen, en, om te toonen, dat hij, ondanks chauvinistische opvattingen, goed thuis was in de Duitsche muziek, droeg hij Schumann's Carnaval voor. 't Was schitterend en overweldigend schoon.
"Ces maîtres allemands, Madame," zeide hij, toen allen hun bewondering te kennen gaven, Clara niet 't minst, "l'unique chose que j'y trouve à redire, c'est qu'ils ne sont pas Français!"
Hij lachte om zijn eigen uitval, stond op en zich tot Clara wendende, stelde hij haar voor, nog een poosje op 't dek de frissche lucht te gaan genieten. Clara stemde gewillig toe: het genie van dat zonderlinge mannetje had haar geheel in beslag genomen. Boven gekomen, zette men zich naast elkaar.
"Mevrouw," begint hij, "'t zou jammer, vreeselijk jammer zijn, als u van dat prachtige orgaan niet dat gebruik maakte, waartoe het bestemd is: u moet zangeres worden."
't Onverwachte van dit voorstel verraste Clara. Als om tijd te winnen, vraagt ze:
"Vindt u mijn stem werkelijk zoo mooi, Mijnheer Duvernier?"
"Ongetwijfeld, Mevrouw. Een stem als de uwe ja, ziet u, zoo is er misschien maar eens éen in de honderd jaar in de gansche wereld."
't Is Clara een openbaring. Ze wist, dat ze een goede stem had, maar zoo iets, daarvan had ze niet durven droomen. Zangeres worden! Zij, die vast besloten was over eenige uren deze wereld te verlaten! Het woelige leven eener kunstenares te aanvaarden, waar haar ziel naar rust verlangd had, als een versmachtende naar een teug waters! En toch was er iets wonderlijk verlokkends in het denkbeeld. Ze zocht vergetelheid, ze wilde breken met de wereld, en zou ze datzelfde doel niet kunnen bereiken door zich in de armen der kunst te werpen? Duvernier ging voort, en ze luisterde met gretige ooren.
"Er ontbreekt alleen nog maar wat school, Mevrouw. U heeft wel les gehad, dat heb ik kunnen merken, maar 't is niet genoeg. Dat is niets, niets. Laat dat aan mij over; in twee jaar is u daar overheen, en dan zal u schitteren als een eerste ster, als een weergalooze "diva"!"
"Hoe bedoelt u dat, Mijnheer?" vraagt Clara geheel aandacht.
"Wel, dat ik u opleiden zal, vrijwillig, kosteloos. En ik zal de nachtegaal niet weer loslaten, voordat haar eerste optreden voor de wereld een triomf zij, waarvan gansch de beschaafde wereld zal weerklinken."
Welk een toekomst! Naar Parijs te gaan, daar onbekend en vergeten een paar jaar te leven onder de leiding van dat heerlijke genie en dan als herboren weer vóor de wereld te verschijnen, onder een anderen naam, om een geheel nieuw leven te beginnen! O, die verlokking is haar te machtig! Weg vliegen de sombere gedachten van een uur te voren, als morgennevelen door een lentezon verdreven. Ze wil weer leven. Dat gebied, de heilige baan der kunst, ligt nog onbetreden vóor haar: ook daar zal zij vergetelheid vinden, en wellicht vrede met zichzelve. Haar oogen worden plotseling vochtig.
"O, Mijnheer Duvernier, spreek me daar niet van," roept ze hartstochtelijk zijn hand grijpende, "uw voorstel is te verlokkend schoon!"
Het kleine mannetje draait zich met een zwaai op zijn stoel om, en ziet verwonderd den onverwachten indruk, dien zijn woorden op zijn schoone toehoorster gemaakt hebben. Ze doet hem denken aan een Magdalena op 't doek van een Italiaanschen meester. Vurig antwoordt hij: "Maar Mevrouw, làat u verlokken! Er is geen kwaad bij. Ik bied u een toekomst aan, waarin u iets heerlijks kan bereiken."
"Een toekomst, waarin ik iets heerlijks kan bereiken," herhaalt Clara bij zichzelve. Als een visioen ziet ze zich reeds een beroemde "cantatrice", de wereld in verrukking brengend door haar zang, schatten verdienend, waarmee zij weldoet als een vorstin. Haar besluit is genomen.
"Mijnheer Duvernier," zegt ze vastberaden, "ik zie, dat u 't goede met mij voor heeft. Ik neem uw voorstel aan."
XII.
DIVA.
Een smaakvolle kleine coupé houdt stil voor een zijdeur van het groote Theater "della Scala" te Milaan. Hoe weinig druk de plaats ook is in schrille tegenstelling met het gewoel vóor het reeds schitterend verlicht gebouw, toch heeft het voertuig de aandacht getrokken. Een klein groepje vormt zich aan weerszijden van den ingang, als het rijtuig ophoudt. Men fluistert elkaar toe en wijst naar 't portier, dat zich snel opent. "De diva! Tizia Beatincanti!" klinkt op bedekten toon links en rechts. De uitstappende jonge vrouw is inderdaad de beroemde, beeldschoone zangeres, wier faam haar vooruitgesneld is bij haar intrede in 't land der kunst. Ze zal dien avond zich voor 't eerst te Milaan doen hooren, om dan haar triomftocht naar 't Zuiden voort te zetten. Een triomftocht was 't. Nog zelden had een zangeres zoo opeens de harten van 't kunstlievende Europa gewonnen, ja stormenderhand genomen, als zij. Te Parijs was ze kort geleden, nauw drie maanden te voren, verrezen als een ster van de eerste grootte. Na de eerste voorstelling lag het veeleischende, op kunstgebied zoo tyrannieke, fijngevoelige en grillige Parijs aan haar voeten. Er was éen juichkreet in alle dagbladen, éen "ave victrix" onder 't publiek, op alle plaatsen, in alle gesprekken. Lang voordat die bewonderingkoorts uitgewoed zou zijn, vertrok de diva naar Engelands hoofdstad, waar men van verlangen brandde, om die stem te hooren, waarvan de couranten schier 't ongelooflijke verhaalden. Holland op haar terugweg slechts passeerende, was zij over Bazel rechtstreeks naar Milaan vertrokken, waar men haar weken te voren reeds met klimmend ongeduld verbeid had. Ook daar was haar naam op ieders tong. Doch, zonderling als 't klinken mag, al wat men zekers van haar te weten was gekomen--'t stond uitvoerig in de bladen--was wonderweinig: ze kwam van Parijs, was een leerlinge van den grooten meester Félix Duvernier en had slechts twee jaar onder zijn leiding zich voorbereid; voor 't overige liepen de berichten vreeselijk uiteen. Ieder berichtgever hield er zijn eigen verhaal op na, voor welks bijzondere authenticiteit hij ten volle instond. De eene vertelde, dat ze van koninklijken bloede was, door een tegengewerkte liefde op 't punt gestaan had den sluier aan te nemen, maar op 't laatste oogenblik door Duvernier was weerhouden, die, haar toevallig in een kerk hoorende zingen, haar eenig talent ontdekt had. Een ander zeide, zeker te weten, dat ze van Hollandsche afkomst was, en eigenlijk Batenkant heette, dat ze indertijd door Duvernier op zijn reis naar 't Oosten uit den harem van een vorst op Java heimelijk was weggevoerd, om haar te onttrekken aan de wraak van een bloeddorstigen sultan, na een liefdesavontuur met een Hollandsch officier. Weer een ander bestreed die bewering hevig: neen, ze was rein als 't morgengloren, Italiaansche van geboorte, dochter van een Italiaansch edelman en een Parijsch meisje van minderen stand, en door haar vader aan de zorgen van Duvernier toevertrouwd, nadat hij gelukkig genoeg was geweest haar groot talent te ontdekken, en zóo gemakkelijk van den last eener onechte dochter was ontslagen. Tizia Beatincanti was dus niet alleen beroemd, maar omgaf haar persoon met een waas van geheimzinnigheid, dat haar aantrekkelijkheid, zoo mogelijk, verdubbelde. En dan haar schoonheid! Ristori was knap, Jenny Lind innemend, Patti mooi, Minnie Hauk bevallig, maar Beatincanti was verrukkelijk schoon. Nooit had men hemelscher geluid, uit lieflijker mond hooren opruischen. Nauwelijks verscheen ze bij een optreden vóor 't publiek, of een siddering van heerlijke verrassing liep door de rangen, en een donderend welkomstapplaus begroette haar na een paar seconden van stomme bewondering. Dan, als die kleine mond zich opende, en de eerste fluweelen tonen hem ontvloeiden, was alles stil in eerbiedige aandacht....
Op dien avond, den drie en twintigstigen November van 't jaar achttienhonderd en zeven tachtig, is de gevierde sinds eenige uren te Milaan. Na een vrij lange siesta, wel noodig na de vermoeiende reis, is ze een half uur vóor den aanvang der uitvoering uit haar coupétje gestapt, en, in een sierlijken bonten mantel met hoogen kraag gehuld, eenvoudig maar smaakvol gekapt, vertoont ze zich even aan de nieuwsgierigen daar aan de deur, en treedt, na een vluchtig woord tot den koetsier, het gebouw binnen. Vlug als een elf snelt ze, met een vrouw die haar opgewacht heeft, de trap op, een gang door, nog een trapje op, weer een gang door, om eindelijk een lage deur binnen te gaan, die haar toegang geeft tot haar kleedloge. Daar werpt ze achteloos den kostbaren mantel op een sofa, treedt voor de psyché, glimlacht flauwtjes tegen het liefelijk beeld harer gestalte, en zet zich dan zuchtend in een gemakkelijken stoel.
Ze heeft dan nu bereikt, waarnaar ze zoo vurig verlangde, neen meer: men heeft haar overstelpt met eerbewijzen, haar schier aangebeden, 't goud bij bergen voor haar voeten geworpen. Ze heeft slechts éen verlangen gehad: vrede met haar gemoed in den dienst der heilige kunst. Ze heeft dien thans gevonden, o zeker, ze leeft immers voor haar roeping, niets bindt haar meer aan 't verleden, en de herinnering daaraan is nog wel droef, maar laat haar zielsrust immers ongemoeid. O, ze gelooft het, het is zoo, het is zoo, 't kan niet anders wezen! En toch betrapt ze zich op een zucht, als ze in haar weelderig kleedvertrek, in vorstelijken tooi en schitterend van schoonheid op 't punt staat, om met haar tooverzang duizenden éen, twee uur van geluk te verschaffen, nog lang nawerkend in hun gemoed. "Kom, dwaasheid," mompelt ze, haar muziek opnemend, een klein bundeltje, dat ze meegebracht heeft. Zacht neuriënd doorloopt ze een paar stukken. Ze kan ze bijna droomen, want 't is de tiende maal zeker, dat ze elk daarvan gezongen heeft. Toch gaat ze machinaal door, en de weelde der kunst doortoovert haar gemoed: ze voelt 't, ze zal straks kunnen optreden met de plechtige, goddelijk blijmoedige kalmte der ware kunstenares. Reeds hoort ze het doffe gedruisch der instroomende menschenmassa, die weldra de groote zaal zal vullen. Nog twintig minuten! Ongeduldig stapt ze op en neer in het kleine vertrek, bukt zich dan, en neemt een klein boekje, keurig gebonden, uit haar reistaschje. 't Zijn de gedichten van den jong ontslapen Italiaanschen meester Sanzio Castellamore, den fijngevoeligen, teederen hartekenner, met wiens ontboezemingen Tizia dweept. Als Clara Van Merenstein had ze nooit Italiaansch gelezen. Haar leermeester Duvernier echter heeft haar ingewijd in de geheimenissen dier zoetste aller menschelijke spraken, en nu laaft haar kunstenaarsziel zich aan de meesterwerken der Italiaansche dichters evenzeer als zij reeds zoo lang haar hart ophaalde aan die der toonkunstenaars. Een der korte gedichten van Castellamore heeft haar vooral bijzonder getroffen: ze vond er in uitgedrukt wat zij zelve ondervonden had, en op haar verzoek had Duvernier het op muziek gezet. 't Werk mocht zeer geslaagd heeten. Te Parijs en Londen vormde dat lied telkens het glanspunt van den avond. 't Was vooral daarin, dat de groote zangeres haar wondergaven liet schitteren, omdat zij er zoo geheel in meeleefde. Evenals daar, zal ze ook thans eerst na de pauze daarmee optreden. Hier is ze in 't land van den dichter, waar de menschen diens taal spreken, en belooft zij zich dus een succes, dat minstens even groot zal wezen als ginds.
Er wordt aan haar deur zacht getikt. "Entrez!" roept de diva, het boekje met haast naast zich neerwerpend. 't Is de impressario, die haar hoffelijk komt mededeelen, dat hij hoopt haar gereed te vinden, om vóor 't voetlicht te verschijnen. O, zeker, ze wachtte hem. Nog een blik in den spiegel, en met vluggen tred volgt ze hem naar 't tooneel.
Duizenden wachten haar in koortsachtige spanning, sommigen reeds sinds een half uur. Men heeft zooveel van haar gehoord, men verwacht iets eenigs.
't Geruisch van stemmen verstomt plotseling, als met zwevenden, maar waardigen gang een jonge vrouwengestalte in een nauwsluitend sneeuwwit kleed, zich voor 't voetlicht vertoont. Slechts een "Ah!" suist als een zucht door de ontzaglijke zaal, van de fauteuils achter 't orkest tot in de hoogste rangen. Aller blikken zijn op éen punt gericht, alle kijkers richten zich ernaar, als gretig om al de trekken dier weergalooze schoonheid tot zich te brengen en met de oogen te drinken. Daarop een hartstochtelijk "Evviva la diva!" uit duizend kelen, dan--als de muziek wil invallen--weer ademlooze stilte. De jeugdige zangeres, nauw meer dan débutante, is onverstoorbaar kalm gebleven: ze kent de zenuwachtigheid van dat eerste oogenblik niet meer. Die bijval gold haar schoonheid alleen: reden te meer, om er koud onder te blijven. Ze glimlacht slechts en buigt even. Met sereenen blik overziet ze die schier eindelooze rijen van dorstigen, die ze straks laven zal, van klein en groot, machtig en gering, die ze straks zal verbroederen in éen aandoening van vlijmend wee, van hemelsche vreugd of van tintelenden geestdrift, al naar 't gebod harer souvereine kunst. Reeds zijn ze onder haar macht: ze zal die gemoederen kneden als was.
Het orkest--een keurbende--zet in. Vleiend klagen de violen. Twee, drie, tien maten. Daar vaart een huivering door de zaal. Van waar dat geluid, dat daar opruischt als een gebed uit engelenmond? De tonen weven zich in 't decrescendo der violen, zwellen aan, en weldra vervult hun toovergalm de gansche zaal. 't Is of de instrumenten schuchter fluisteren, hun begeleiding klinkt nog slechts als 't zacht gemurmel van een beek bij 't nachtegaalkweelen...
Het lied heeft nauw tien minuten geduurd. In die korte spanne tijds heeft men een wereld van aandoeningen doorleefd. Dat éene lied, zoo gezongen, neen zoo geschapen, zou Tizia's roem als kunstenares voor goed gevestigd hebben.
Het regent, stroomt bloemen van alle kanten. Men roept haar terug, als ze eindelijk na eenige kleine buigingen heengaat, men krijt naar haar als dolzinnigen, maar ze blijft weg, en 't rumoer bedaart allengs, als hier en daar een enkele, die de zangeres uit Parijs gevolgd is, vertelt, dat ze nooit dan alleen bij hooge uitzondering iets meer geeft dan 't programma vermeldt. Heden, den eersten avond van haar optreden in Italië, na een lange reis en veel vermoeienis vóor zich, wenscht zij haar krachten te sparen.
Driemaal trad de diva vóor de pauze op. Toen kwam 't lied, waar reeds een ieder te voren van gesproken had, 't wonderlied van kalme gelatenheid na bangen strijd, waarmee zij te Parijs en Londen vooral haar lauweren gewonnen had. Men wist niet, waarom juist dat lied al haar gaven zoo schitterend deed uitkomen, men kende niet de droeve toespeling op haar eigen verleden, dat daarin voor haar opleefde, bevroedde niet dat de woorden en ook de heerlijke melodie zoo zuiver haar zieletoestand weergaven.
't Oogenblik is daar. Onzeggelijk aangrijpend klinken die woorden, als oprijzend uit den eindelijken vrede van een zwaar beproefde ziel, gedragen door een tonenspel, daarmee in heerlijke samenstemming:
"Io vi saluto, spettri del passato, Vi convocai nel dolce fin' del dì enz.
Zie dat ranke rijzige lichaam zich voorover buigen met rustig opgeheven handen, als wachtte zij de scharen van dierbare "schimmen uit 't verleden", om ze liefdevol te ontvangen. Haar oogen stralen, haar lippen trillen en plooien zich tot een lach van hemelsche gelatenheid, van vrede na zwaren strijd. Hoor dat lied in al zijn innigheid, waarvan het koude woord in levenlooze letters slechts een flauw denkbeeld kan geven. In benaderende vertaling luidt het:
"Gegroet, gegroet, gij schimmen van 't verleden! "Ik riep u op 't in 't vredig avonduur, "Gij komt om mij bij 't ruischen van mijn bede, "Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur.
"Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare, "En 't harte kromp bij 't breken van dien band, "Maar in den storm van 't leed bedwong de baren "Der levenszee een wondre feeënhand.
"En 't leed is heen, mijn hart is vrij van smarten "Muziek vervult de leegte van 't gemoed, "Herinnering zal nimmermeer mij tarten, "Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet."