Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl
Part 6
De aloude St. Antonius-broederschap, hoewel in vorm en inkomsten zeer gewijzigd, blijft steeds bloeiend voortleven onder de benaming van de _alde schutterij_. Bij het jaarlijksch vogelschieten, alsmede op eersten kermis-Maandag heeft een statige optocht plaats. Nauwelijks is het dag of de tambour kondigt door trommelslag de feestelijkheid aan. De schutters vergaderen op bepaald uur voor het huis des schutters-koning of van den kastelein, bij wien de gewone bijeenkomsten plaats hebben. Voor ettelijke jaren waren ze met jachtgeweren en roeren, thans ook met lanssen gewapend. Het korps bestaat uit een’ tambour-majoor die den stoet vooraf gaat, uit grenadiers en de gewone schutters. Alles, ook het commando, herinnert aan den tijd, dat Tegelen onder het keurvorstelijk gezag stond; de majoor kommandeert te paard en draagt tot teeken zijner waardigheid eenen chapeau-claque, dikke épauletten, een lijfgordel en ruitersabel. De grenadiers dragen colbakken, en op een vroeger blauwen thans zwarten jas, roode épauletten; de uniform is mettertijd herhaaldelijk gewijzigd. De schutterkoning, omringd door eene eerewacht draagt den zilveren vogel en is overladen van zilveren gedenkplaten. Deze platen, gehecht aan een zilveren keten aan welks uiteinde de vogel hangt, zijn geschenken deels van bloedverwanten en vrienden des konings, deels van den koning zelven. Bedoelde vogel zegt men een geschenk te zijn van den keurvorst van Beijeren. Het is een kunstig gegraveerd havikje van zwaar zilver. Boven den vogel hangen drie zilveren bellen in den vorm van eikels, op elk dezer leest men afzonderlijk POV † LES † W † N † T † A † F † en W † M † S † I † A † H †. De rij van platen bestaat uit: 1^{o} Een hart met het opschrift: _Jonkheer Godart van Stockheim_. 2^{o} Een dito met opschrift: _Jost op gen Steijl_. 3^{o} Een dito met _Peter aen gen Cruts_, en 4^{o} met _Meichell Rivers_ tot opschrift. 5^{o} Volgt een zilveren hart, tamelijk zwaar en dienende tot klamp; op den voorkant ziet men het beeld van _St. Martinus_ benevens het jaartal 1614; op de keerzijde staat _Michiel Kremers_. 6^{o} Een hart met het afbeeldsel van een vaandrig met vaandel, opschrift _Gerardus Peeters_. 1733. 7^{o} Eene zilveren ster waarop staat afgemaald een man zittende aan tafel terwijl de waardin hem een glas aanbiedt, daaronder leest men: _Wilhelm Rivers_ 1737. 8^{o} Eene plaat waarop St. Martinus te paard is afgebeeld; opschrift: _Jacobus Krusbergen_ 1744. 9^{o} Een groote plaat met het borstbeeld van Koning Willem I, daaronder het ronde opschrift: »Wilm I souvereine vorst van Nederland heeft Tegelen aangetreden 1811”. 10^{o} Eene plaat waarop een zadelaar zit aan de werktafel; opschrift: _G. Wellens_. »Das Satler hantwerk ist, das macht viel leichter reiden, Mein Schatz, drom liebe mich, ich mach euch mange Freude 1818”.
11^{o} Een idem, waarop verbeeld zijn een’ slager met zijne huisvrouw benevens een os. Daaronder de namen H. Peuten, C. Joosten. Vervolgens:
Lustig und dapper Zijn die vleischhakker, Bringen 1000 thaler bei Und kauffen vette oksen ein. 1819.
12^{o} Een idem, voorstellende eene tapperij waaronder men leest:
David König ehmals Hirt, Ich nun König bleib’ doch Wirt. A. Peeters 1820.
13^{o} Een idem, waarop:
Ik schoot den vogel voor den eersten keer, Om te krijgen des konings eer. P. Faessen 1821.
14^{o} Een idem, opschrift:
Ik schoot den vogel voor den tweeden keer, Om te krijgen des konings eer. P. Faessen 1822.
15^{o} Een idem, beeld van een pannebakker met eene vorm en zetplank in de hand, volgt:
Ich hab das vögelein geschossen und genommen, Das sehet ihr alle freude ein, die königs ehr bekommen. Jacobus Denissen 1823.
16^{o} Een idem met het vers:
Als König bin ich auserkoren, Doch nur in bauernstand geboren, Den der vogel war an mein, So kan ein Bauer auch König sein. H. Vervoort 1824.
17^{o} Een idem:
Gelijk Duitslands grootste slagt, Was mijnen naam Ik heb ’t nu zoo ver gebracht, Dat ik hier als koning staan. P. van Leipsig 1825.
18^{o} Een idem:
Toen ik nog was een jongezel Schoot ik den vogel snel, En nu ik ben in echten staat Zie ik, dat ’t ook nog gaat. A. Peeters. P. Joosten 1826.
19^{o} Een idem, met het afbeeldsel van een’ molen, rechts een molenaar met meelzak en links een koning met kroon, volgt:
Vandaag in konings gewaad, Morgen in mulderspak, Zoo goed mij nu het zilver staat, Past mij ook den meelzak. H. Aarts 1827.
20^{o} Een idem met het beeld van eene schijf, waar men potten op vormt en het volgende opschrift:
Ik zit hier op mijn troon Met luister hoog verheven De scepter dien ik toon Doet mij als koning leven. P. Rulkes 1829.
21^o Een idem met opschrift:
Ik schoot den vogel neer Voor den eersten keer, Ook had ik daarbij de eer Schoot den vitsvogel neer. L. Timmermans 1830.
21^o Een idem, waarop staat: In 1834 logeerde _P. van Leipsig_ koning van Tegelen, in het wapen van Leopold I koning van België.
22^o Een idem met de woorden: _Godfried Krambrucher_, Prins van Bracht, en Koning van Tegelen. Vandaag op den troon, en morgen op de schijf, heb ik nu het zilver op het lijf; het zegt gelukkig niemand aan ’t kleivat. 1835.
23^o Een idem, met opschrift:
In 1820 als koning voor den eersten keer, In 1826 wederom die eer, In 1836 in ’t zelfde gewaat, Staan wij in den Engel paraat. A. Peeters.
24^{o} Een idem, op deze staat:
Lees hier wie lezen wil Dat ik in 1837 den 30 April Timmermans Andreas Koning der schutten was.
25^{o} Een idem van Wilm Faessen uit 1838 met het volgend politiek versje:
Ziet hoe wonder het gaat, Eenen Wilm poetst de plaat, Een anderen Wilm komt terug En heeft de plaat op zijnen rug.
26^{o} Een zilveren ster met het opschrift: Ter herinnering der 50jarige echtvereeniging van den Weledel geboren Heer G. J. de Rijk en Mevrouw G. J. de Rijk geb. Th. H. M. de Koning. Steijl 24/9 1822-1872.
Wat deze St. Antonius-broederschap voornamelijk doet bloeien, is het daaraan toegevoegde ondersteuningsfonds, strekkende tot tegemoetkoming voor zieke en afgestorvene leden. Dit fonds, doorgaans de schuttersbus genoemd, werd in 1835 opgericht en telde alstoen 27 thans 150 deelnemers. Als eerste _stichters_ staan ingeboekt: H. Kappus, Laur. Hermans, Pet. van Leipsig, Godf. Krambrüchers, Jan Wellens, Math. Rijvers, Ant. Peeters, Jac. Koopmans, Jan Hovens, And. Timmermans. Aan deze tien, en bij ontstentenis aan hunne opvolgers, blijft onder den naam van _stichters_, het beheer der bus opgedragen. Twee hunner houden elken Zondag na de Hoogmis een uur zitting in een vrije kamer, door den koning of bij stemming, tot vergaderplaats der leden aangewezen. Van drie tot drie maanden worden deze _busmeesters_ of _zittende stichters_ door twee andere vervangen, en wordt in tegenwoordigheid van alle leden de rekening afgelegd. Van deze schuttersbus kunnen lid worden alle ingezetenen der parochie beneden de dertig jaren oud, mits van een onbesproken gedrag en een gezond ligchaamsgestel[53]. Zij betalen, behalve het inschrijvingsgeld, elken Zondag _vijf centen_. Na twee jaren lidmaat te zijn geweest heeft men, bij geval van ziekte, ”aanspraak op dagelijks 33 cents, gedurende een half jaar; daarna bij voortduring der ziekte nog een half jaar op iets minder; duurt echter de ziekelijkheid nog langer, dan verkrijgt men geene toelage meer uit de bus, doch blijft des niet te min nog lid der Broederschap. Bij sterfgeval betaalt de vereeniging den lijkdienst, doodkist enz. Alle leden zijn op straf van 15 cents gehouden den lijkdienst bij te wonen. Op gelijke boete moet elk lid tegenwoordig zijn bij de twee voornaamste processiën en bij die, welke alle eerste Zondagen der maand in de kerk of over het kerkhof gehouden worden. Dezelfde bepaling geldt ook betrekkelijk de hoogmis, die jaarlijks voor de afgestorvene leden wordt opgedragen. Voor de gelden van inschrijving en boete bestaat een afzonderlijke kas, daaruit alsmede uit eene bijdrage der busgelden wordt jaarlijks eene som ter beschikking gesteld aan de leden, die daarmede zich op St. Antonius en St. Martinusdag recht hartelijk vermaken. De bus der St. Antonius-schutterij heeft thans eenige gelden op intrest uitgezet.
Met eenzelfde doel, en bijna op denzelfden voet ontstond in 1846 de Broederschap van _St. Martinus_. Ter onderscheiding van de St. Antonius-broederschap of de _alde schutterij_, noemt deze zich de _St. Martinus-_ of de _jonge schutterij_. Ook deze vereeniging werd in christelijken zin opgericht. Den 11 November 1846 vormde zich eene commissie samengesteld uit Joannes Franssen, Gerard Roggen en Hendrik Driessen, en meerdere belanghebbende; deze wendde zich tot den toenmaligen pastoor van Tegelen met verzoek om goedkeuring der ontworpene Broederschap, en verlof tevens om in de processiën op H. Sakramentsfeest en op Maria-Hemelvaart te mogen tegenwoordig zijn; terwijl zij zich harerzijds verplichten:
_a_. Die plaats in de processie te zullen innemen, welke de pastoor zal goedvinden. _b_. Op St. Martinusdag eene hoogmis te laten doen, en dien dag zonder dans-muziek te zullen vieren. _c_. De processie te vergezellen met of zonder muziek volgens verlangen des pastoors. _d_. De leden straffen, die zich te dier gelegenheid door dronkenschap of andere baldadigheid zouden te buiten gaan. _e_. Zich op kermis-Zondag en Maandag stiptelijk op het teeken der klok ter kerke te zullen begeven. Ook dit gezelschap houdt jaarlijks vogelschieten, en heeft een zoogenaamde _Bus_, waardoor in de behoefte van zieken, enz. wordt voorzien.
Ten slotte zij nog melding gemaakt van het zoo gunstig bekende _fanfare-gezelschap_ alhier. Deze Vereeniging, ontstaan in 1853, is talrijk, en heeft zich door vlijt en kunstgevoel tot zekere hoogte weten te verheffen. Zij vond zelfs in eenige steden, waar zij zich deed hooren, onbeperkten bijval.
Meer dan eens heeft zij een gewaardeerden dienst bewezen aan onze ingezetenen, door der godsdienstige en burgerlijke feestvieringen nieuwen luister bij te zetten.
§ XII. Feesten.
Het is bekend, dat de kermissen haren oorsprong en naam ontleenen aan het feest, waarop men den verjaardag vierde van de inwijding der parochiale-kerk. Men noemde dit in de middeleeuwen _kerkwijding--kerkenfeest_. Dien dag werd alle arbeid gestaakt; de ingezetenen hulden zich in hunne paaschbeste kleeding en togen ter kerke; want zoo sprak men: _Vandaag is het Kerkmis of kermis_. De eigenlijke kerkmis-dag voor deze parochie valt op den 11 November, feest van den H. Martinus, doch sedert jaren is het dan geen kermis meer.
Uit eene aanteekening van het jaar 1681 vernemen wij het volgende betreffende onze feesten[54]. »Jaarlijks wordt op Zondag na St. Bartholomeus of laatsten Zondag van Augustus het feest van _Kerkwijding_ gevierd[55]. Alsdan men de mis _Terribilis_, waarna processie over het kerkhof, terwijl _Te Deum_ wordt gezongen: de plechtigheid wordt gesloten met den zegen des Allerheiligste.” Op dezen dag viert men nog heden de zoogenaamde _Herfstkermis_ of groote kermis.
»De _Theopheria_ of H. Sakramentsprocessie wordt gehouden op Zondag onder de octaaf van het H. Sakramentsfeest. Alsdan komt een der Eerw. Paters uit Venlo het sermoon houden onder de hoogmis, en wordt daarna de processie ingesteld, ofwel over Kruis, Hagenboomke, Overtegelen, op Steijl en vandaar kerkwaarts, na aan de vier statiën den zegen gegeven te hebben; of door het dorp langs de Munt over de Haenerhei verder over Hagenboomke, Kruis weer naar de kerk.” Gemeenlijk worden deze wegen bij afwisseling gevolgd; ter gelegenheid dezer plechtigheid wordt de _eerste of kleine kermis_ gevierd. »Op St. Marcus dag, zoo lezen wij verder, is het gebruik processie over het kerkhof te houden. In de Kruisdagen, als het gunstig weder is, trekt men den eersten dag langs _End_ over de _brug_ kerkwaarts; den tweeden dag over de brug langs den _alde mert_, en den derden dag door het dorp over de _Munt_ door de _Bongaartsstraat_ naar de kerk.” Men volgt, bij deze gelegenheid ook thans nagenoeg denzelfden weg.
Vóór 1681 was het gebruikelijk, dat na de processie op H. Sakramentsfeest de voornaamsten des dorps, ten getalle van 20 à 25 man, zooals: de pastoor, de pater, de gezworenen of schepenen, de zangers enz. in eene daartoe bepaalde herberg vergaderden en op kosten der kerkfabriek aldaar het middagmaal gebruikten. Deze onkosten, zoo wordt vermeld, kon de kerk in de toekomst niet meer dragen uithoofde harer graote behoeften. Naar wensch des pastoors en der hoogere geestelijkheid is dit gebruik dan ook achter wege gebleven.
Even als elders wordt in onze gemeente, ’s avonds voor den feestdag van den H. Martinus, het _St. Martensvuur_ ontstoken. Dit geschiedt doorgaans op vier plaatsen. Te weten: een eerste op den Berg dat gemeenlijk gebluscht is, vooraleer de overige gereed zijn. Een tweede op de Leemhorst; dit onderscheidt zich door de vele daar naast staande brandende stroofakkels; is dit uitgebrand dan maken de Tegelsche en Steijler knapen zich gereed. Na drie maanden lang voor een stevigen en hoogen brandstapel te hebben gezorgd, door hout en stroo bij een te »trossen”, heeft men geen haast om ’t ontsteken; want de eer komt aan hen, wier vuur het langste brandt. De Tegelschen stoken hun St. Martensvuur op den _Spekberg_; en de Steyler hebben hunnen brandstapel op eenen heuvel ook den _Spekberg_ genaamd opgericht, beide verhevenheden zijn de hoogste punten van den omtrek.
Vóór 25 jaren maakte het _gansrijden_ een deel uit onzer volksfeesten. Deze vermakelijkheid had plaats op vastenavond. Meestal werd de gans gereden in de thans weggeruimde laan, in de richting van af den alde mert naar den Linksterhof. Somtijds gebeurde dit ook op een of ander gehucht. Daags na het gansrijden, op vastenavond-Dinsdag, werd een gul middagmaal aangericht voor de mededingers naar den gansenkop. Deze pret heeft nu plaats gemaakt voor eene soort tentoonstelling op het marktplein door gemaskerde personnaadjes.
§ XIII. Handel en Nijverheid.
Het gehucht Steijl, door zijn gunstige ligging op de Maas, alsmede wegens zijn ruime en voor schepen en karren zeer gemakkelijke losplaats, bezat onder de Keurvorstelijke regeering, onder de Fransche Republiek en het Keizerrijk een’ zeer belangrijken expéditie-handel. De naburige Rijnprovincie had deze plek gekozen tot stapelplaats voor de goederen, die zij uit Frankrijk, Belgie en Holland trok en omgekeerd uit Duitschland derwaarts verzond. De toevoer was destijds zoo groot, dat de menigte pakhuizen dikwijls de groote hoeveelheden zout, olie, pek, granen en koloniaal-waren niet konden bergen. Wie toenmaals een paard bezat in onze gemeente was ook vrachtvoerman. Goederen werden hier aangevoerd of afgehaald voor de steden Keulen, Dusseldorp, Neuss, Urdingen, Gladbach, Vierssen, Kempen, Dulken, Breijel, Kaldenkerken, enz. De goedkoope prijzen van los- en pakgeld deden er veel aan, dat de handel den voorkeur aan Steijl gaf boven andere plaatsen. Zoo betaalde de eigenaar of koopman van goederen slechts 12 centen voor het lossen en bewaren van goederen die, om het even hoeveel, door eene kar konden vervoerd worden.
De inlijving van Tegelen bij het Koningrijk der Nederlanden bracht een gevoeligen slag toe aan den handel te Steijl. De Pruissische zoutfactorij, vroeger aldaar gevestigd, werd in 1816 naar Kaldenkerken overgeplaatst. De drukte was nu op verre na zoo groot niet meer als voorheen. Toch bleef van 1822 tot 1830 de koloniaal handel nog altijd beduidend. Dagelijks kwamen honderde smokkelaars uit Pruissen, koffij, rijst, tabak enz. inkoopen om die ter sluiks over de grenzen te brengen. Doch nadat sedert 1830 het verkeer op de Maas met Holland gesloten was en Steijl tot Belgie behoorden, was de handel hier niet levendiger dan elders; zelfs de overeenkomst van Londen in 1833, die de Maas vrij maakte, kon dien niet meer doen herleven; de tijden waren voorbij.
Ook de scheepsbouw, vroeger alhier bloeiend, liet van lieverlede na; en toen stoombooten de Maas bevoeren, zag men zelden meer, dat hier schepen gebouwd werden.
De nijverheid daarentegen en het fabrieken-wezen hebben in de gemeente Tegelen in bloei toegenomen. Een bewijs dienaangaande is de in het oog loopende aanwas der bevolking. Men vindt hier een aantal pannen-, steen- en pottenfabrieken, eene ijzergieterij en pletterij; tabak en cigarenfabrieken enz., die aan een groot gedeelte der inwoners een goede broodwinning verschaffen. Wat de potten- en pannenfabrieken aanbelangt, mag men veilig aannemen, dat zij de oudste tak der Tegelsche nijverheid vormen. Men herinnere zich, wat wij aanvankelijk nopens den naam en den oorsprong van ons dorp hebben gemeld, en wat wij hebben gezegd over de ontdekking van overblijfsels van pannenbakkerijen uit het romeinsch tijdvak. De Tegelsche pannen zijn, zoowel wegens hare sterkte als gladheid en schoone kleur, alom gezocht; de meesten worden naar Duitschland en België verzonden. Op het oogenblik werken 17 fabrieken. De pottenfabrieken alhier, vroeger zestien, thans vijf in getal, tierden voornamelijk van 1821 tot 1830. Men kon toen niet genoeg waren leveren aan de kooplieden uit Nassau en aangrenzende streken. Deze lieden kwamen jaarlijks omstreeks Paschen uit Holland, waar zij schepen huurden, herwaarts, en na eenige weken hier vertoefd te hebben, voerden zij de ingeladen koopwaren naar Rotterdam, Amsterdam, Groningen, Middelburg, Antwerpen, Brussel enz. Sommigen lieten zeeschepen tot Steijl opvaren en namen ladingen in voor Bordeaux, Marseilles en de Spaansche zeehavens. Bij wijlen had de Steijler losplaats dan ook het aanzien van een kleine zeehaven. In 1835 liet hier een Hannoveraansch kofschip Theclanette genaamd, het anker neder; het was groot 38 last en laadde toen 33000 ned. pond zwart goed voor Rouaan in Frankrijk, bestaande uit koffijkannen, melkpotten, melkbaren of schotels, braadpannen en ander keukengereedschap.
De kleinste soort van aardewerk, zooals b. v. een spaarpotje of een nachtegaalsfluitje, noemt men een _kwart_; een thee of koffijpot kan drie à vier _kwart_ uitmaken; dit is de maatstaf van berekening bij het koopen en verkoopen in aanmerkelijke hoeveelheid. Deze pottenfabrieken benevens pannenbakkerijen verbruiken jaarlijks voor 60 tot 70 duizend gulden aan brandhout, behalve de steenkolen. De glazuuraarde of Bleiertz, welke men gebruikt, om aan het aardewerk een zwart- of bruinglinsterende kleur te geven en ten onzent _loot_ wordt geheeten, komt uit den Eiffel. Het looten, nadat de waar _zonnebak_ is, pleegt het werk van den baas der fabriek te zijn. Niet onjuist wordt het werktuig, dat de arbeider door middel zijner voeten in beweging brengt, terwijl hij met natte vingeren den noodigen vorm aan de te maken potten geeft, vergeleken bij een spinnewiel; vandaar dat men nog wel zegt: potjes-spinnen.
Sedert een tiental jaren worden te Tegelen door de fabriekanten Jac. Gitmans, Theod. Gitmans en Steph. Engels aarden buizen gefabriceerd, die in groote hoeveelheid veelal naar België worden verzonden; deze worden gebruikt voor waterleidingen, schoorsteenen enz.
In 1854 hebben de Heeren H. Kamp en F. Soeten hier een nieuwen en zeer belangrijken tak van nijverheid in werking gesteld. Het zijn de ijzerpletterij, ijzergieterij en meni-fabriek. Zij worden door stoom gedreven en verschaffen aan een aantal lieden arbeid in overvloed. Deze fabrieken werken voornamelijk voor de Provincie, doch ontvangen ook vele bestellingen uit Hamburg en uit de Hollandsche zeehavens. Er zijn wijders drie tabaks- en twee cigarenfabrieken, vier bierbrouwerijen wier naam zeer gunstig bekend staat. De vijf jeneverstokerijen zijn thans tot een enkele verminderd. Behalve zes en vijftig herbergen telt men ruim twintig winkels van allerlei koopwaren.
Ook zijn er vijf slachterijen, die volop aftrek hebben, ofschoon ook het gebruik van paardenvleesch bij de arbeidende klasse niet in minachting staat; sinds ettelijke jaren worden gemiddeld 12 paarden per jaar geslacht.
G. PEETERS,
_Blerick St. Lambertus 1875._
BIJVOEGSEL
Tot staving van hetgeen wij in ons eerste deel over de oorspronkelijke kerk van Tegelen hebben medegedeeld, strekken niet weinig de volgende aanteekeningen en oorkonden betrekkelijk Reuver en Beesel. Deze bescheiden vinden hier des te gereeder plaats, omdat gemelde plaatsen, onder meer dan een opzicht met ons vaderdorp in betrekking stonden[56].
De voormalige _St. Lambertuskapel_ te Reuver was gelegen op een’ heuvel genaamd »in de Ozandbergen” tegenover het kasteel van Kessel, (castellum Menapiorum) en langs den zoogenaamden »Keulschenweg”. Tijd en jaartal der opbouwing dier kapel verliezen zich in de oudheid; zooveel echter meent men te weten, althans de overlevering verhaalt het zoo, dat dit gebouw oorspronkelijk zou opgericht zijn als wachthuis en wel ten tijde, dat het kasteel te Kessel gebouwd werd, alzoo lang voor de christelijke tijdrekening.
Op het einde der zevende eeuw, toen de HH. Willibrordus en Lambertus het Evangelie in deze landstreken verkondigden, zou, luidens de overleving, het vroegere wachthuis in een Christentempel zijn veranderd geworden, ten gerieve van drie bevolkte plaatsen of gehuchten, nl. Beesel, Reuver en andere meer verspreide woningen. De H. Plechelmus, dus beweert men; las meermalen aldaar de H. Mis. Naderhand bleef deze kapel tot parochiekerk van Beesel dienen, tot dat op die plaats in de 14^{de} eeuw een grootere tempel werd opgetrokken. Deze is in 1840 door een nieuwe kerk vervangen.
Ten jare 1300, toen wegens allerlei rampen, gebrek aan priesters bestond, kwamen de Predikheeren van Maastricht alhier de zieken en stervenden bijstaan, en genoten van de dankbare geloovigen der drie gehuchten vaste inkomsten in vruchten. Van dien tijd af tot 1793 is het gebruik steeds bijgebleven dat jaarlijks op het feest van den H. Lambertus (17 September) een Predikheer uit Maastricht hier de H. Mis kwam lezen en prediken. De inzameling der vruchten was bereids door de Paters zelven afgeschaft.
Den 7 April 1661 werd aan de kerk van Beesel een’ kapelaan toegezegd. Alle inkomsten, eigendommen, onder welken titel of benaming ook, werden van de kapel afgenomen en tot oprichting en instandhouding der kapelanij van Beesel aangewend, onder uitdrukkelijke bepalingen: dat de tijdelijke kapelaan van Beesel tevens rector zou zijn van de kapel en verplicht zoude wezen op alle Zaterdagen in de kapel de H. Mis te lezen. Vervolgens moest de kapelaan op St. Lambertusdag, die plechtig gevierd werd, den pastoor, den beheervoerders en den zangers twee rijksdaler betalen voor bewezene diensten. Wijders moest hij den pastoor behoorlijk onderhoud verschaffen als deze in de kapel kwam helpen biecht hooren. Eindelijk stond nog ten laste van den kapelaan: de instandhouding van den kapelbouw, de aanschaffing en verzorging der benoodigde gewaden, sieraden enz.
In 1787 den 9 Mei werd een rector-curaat aan deze kapel aangesteld door den toenmaligen bisschop van Roermond. Toen na de Fransche omwenteling geen geregelde dienst meer kon plaats hebben, werd de kapel aan haar eigen lot overgelaten. Spoedig daarna bouwvallig geworden, stortte zij eindelijk in puin, op den 9 Februari 1830.
Kort daarop, den 3 Maart reeds van hetzelfde jaar, sloegen de inwoners van Reuver de handen aan het werk en richtte in de kom der plaats eene nood-kapel op, in afwachting van een nieuwe kerk met welker bouwing spoedig een aanvang gemaakt werd. Deze was in 1833 reeds in zooverre voltrokken, dat zij den 17 Juni door den Hoogeerwaarden Heer Deken van Venlo kon worden ingezegend. ’s Jaars daarna werd ook het kerkhof gewijd. In datzelfde jaar werd Reuver van de moederkerk Beesel afgescheiden en tot parochie verheven. De scheiding werd door Gedeputeerde Staten, den 25 Juni 1834, erkend en goedgekeurd. De WelEerw. Heer Theodorus van Wylick was de eerste pastoor der nieuwe parochie.