Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl
Part 5
3. _Assuera Magdalena van Erp_, huwt in 1645 _Johan Wilhelm van Metternich_ die den 15 April 1662 overleed[47]. Uit hun huwelijk kwam, volgens Fahne, Wilhelm Engelbert van Metternich gehuwd met Johanna Agnes Barbara van Bolandt. Wij vonden echter in onze archieven Engelbert van Metternich, neef en erfgenaam van Baron van Metternich, gehuwd met _Margaretha van Smidt_, uit wier huwelijk _Wilhelm Arnold van Metternich_ geboren werd te Tegelen den 18 November 1646. Deze leefde nog in 1672 en was gehuwd met voornoemde _Agnes van Bolandt_, die wij in November 1702 als weduwe aantreffen. Deze vrouwe schonk den pastoor van Tegelen de volmacht over een armenfonds[48].
De Heer _van Hùndt_ van Holtmolen, trad in het begin der vorige eeuw in de rechten van Mevrouw van Metternich. Hij was luthersch en bezocht de protestantsche kerk te Kaldenkerken. Uit dien hoofde vooral liet hij den weg van af Holtmolen tot op de heide door middel van dijken verbeteren, en wordt die weg de Hondsdijk genoemd. De boerderij _zwarte hond_ geheeten, doet ook herinneren aan dien Heer.
De familie van Hùndt voerde gedeeld in het schildhoofd een’ loopenden windhond, in den schildvoet van sinopel.
De éénige dochter van van Hùndt, _Anna Elisabeth Louisa_ trad omstreeks 1750 in huwelijk met Baron _Joachim Reinholt van Glazennap_, uit Pommeren. Toen op zekeren dag de Heer van Hùndt met zijne dochter in een rijtuig gezeten over de heide eenen wandelrid deden, lichtte van Glazennap, de dochter, die hij reeds vroeger doch te vergeefs ten huwelijk had gevraagd op; met haar in huwelijk getreden kreeg hij bij erfenis het goed Holtmolen. De familie van Glazennap voerde in zilver een keper van keel wier linker been op een morenkop steunt. Deze van Glazennap, zegt men, had van het Beijersche hof verlof gekregen om munt te slaan; vandaar de zoogenaamde _glazennepkes_, zij zijn van metaal, hebben eene waarde van 2 stuiver kleefs, en dragen het jaartal 1755. Ook had deze Heer getracht het slot Holtmolen eenigermate bomvrij te maken. Hiertoe had men een deel van het dak met een enorme massa aarde bedekt, waarvan echter de drukkende last eene ineenzakking te weeg bracht in den nacht van den 17 April 1752, Jacob Vissel metselaar uit Gelder, werd dientengevolge onder de puinhoopen begraven.
Van Glazennap heeft Holtmolen op het laatste der vorige eeuw verlaten. In 1771 was het goed onbewoond. Daarna kwam het in bezit van baron van Holthausen, die het weldra verkocht aan den Heer Vos de Wael, en toen deze Venlo verliet kwam Holtmolen bij verkoop aan de tegenwoordige bezitters, de Edelachtbare familie Gerard de Rijk van Steijl.
_De Munt_ ligt ten oosten van het dorp; zooals dit goed thans bestaat dagteekent het uit het begin der vorige eeuw. Hoe het er voor dien tijd uitgezien heeft, hebben wij nergens vermeld gevonden. De baron van Wevelickhoven maakte er een prachtig buiten van, zooals men in de nabijheid van groote steden aantreft. De kunstmatig aangelegde en met allerlei arbusten beplante berg, in het park onmiddelijk voor het kasteel, is aangevoerd met de aarde die uit de grachten gehaald werd. Midden in die verhevenheid was een ijskelder; doch daar thans die hoogte bijna gansch geslecht is, staat deze kelder of put thans ontbloot en gelijkt vrijwel op een fabriek-schoorsteen; ware deze eens weggeruimd, dan zou de Munt, van op den grooten weg naar Venlo gezien, in bekoorlijkheid veel winnen. Bij dat landgoed schijnt in vroegere tijden eene windmolen gestaan te hebben, althans de strook gronds tusschen het kasteel en de kerk gelegen wordt _molenkamp_, en de weide daaraan grenzende _molenpas_ geheeten.
De grachten in ’t vierkant rondom de Munt aangelegd en met een fraaie brug van drie pijlers versierd, bieden in den winter den Tegelsche liefhebbers van schaatsen een gewenschte en alleraangenaamste ridbaan aan. Wat de huiskapel op dit kasteel aangaat, zij was klein en eenvoudig, en is thans tot bergplaats ingericht. Wij vonden dat in 1733, door den bisschop van Luik aan de familie van Wevelickhoven, vergunning was verleend om het H. Misoffer daarin op te dragen. Deze vergunning geschiedde telkens voor den termijn van drie jaren. Na voormeld jaar is deze niet meer gevraagd.
De Heeren van de Munt bezaten voorheen, behalve eenige groote, vele kleine tienden zooals van vlas, kippen, winter-zaad enz. De groote tienden, zooals bemerkt is, behoorden meestal aan den Heer van Holtmolen.
Ook moest de Heer van de Munt, ten gerieve der ingezetenen een’ stier onderhouden. Deze last stond op het stuk bouwland _Peske_, voorheen _Verrenpeske_ geheeten.
HEEREN VAN DE MUNT.
_Henricus Constantius van Wevelickhoven_, huwde te Roermond den 13 Mei 1699 met _Hendrina Dorothea de Bors_.
Zijne kinderen waren:
_Engelbert Joseph van Wevelickhoven_; deze leefde nog in 1736, doch was van hier afwezig.
_Jean Pierre van Wevelickhoven_ overleed vóór 1742.
_Jean Joseph van Wevelickhoven_, die als Heer van de Munt alhier overleed in 1742, en in den grafkelder onder het koor werd bijgezet.
Voorgenoemde Henricus Constantius was vermoedelijk de stichter van het kasteel de Munt, en staat in onze archieven vermeld als weldoener onzer kerk; hij schonk onder anderen een prachtig tabernakel met spiegelglas omzet en herkomstig uit Brussel; de beste ornamenten en het Christusbeeld in het hoofdaltaar zijn ook door hem geschonken.
_Antoon Joseph van Wevelickhoven_, komt in 1760 voor als Heer van de Munt. Hij verlangde eene school en eene kapelanij te stichten, onder beding, dat de gemeente daarvoor een land aan den zoogenaamden steenoven zou afstaan. Daar de gemeenteraad dit verzoek niet inwilligde, schijnt hij geen genoegen gehad te hebben nog langer in Tegelen te vertoeven. Hij vestigde zich te Brussel alwaar zijne familie nog voortleeft.
_Petrus Goswinus van Wevelickhoven_ komt in 1798 voor als kanunnik en cantor in de Roermondsche domkerk. Hij overleed te Roermond den 19 Mei 1820 in den ouderdom van 60 jaren en drie maanden. Het adellijk wapen van deze familie was: in een rood veld twee zilveren fascen; schildhouders twee rechfstaande leeuwen.
Als erfgenaam der familie de Bors uit Roermond, kreeg een gedeelte der goederen van de Munt in bezit zekere _Francis Cloots_, die den 18 November 1748 te Tegelen huwde met _Adelaïdis de Pauw,_ welke den 7 November 1753 alhier overleed. Zijn wij wel ingelicht, dan was de beruchte Jean Baptiste Cloots, bijgenaamd Anacharsis, die in de Fransche revolutie op het einde der vorige eeuw, zulk een droevige rol speelde, hun zoon of hun neef. Hij trad te Parijs in de mommerij van den 14 Juli 1790 als »orateur du genre humain” op, en noemde zich: l’ennemi personel de J. Christ. In den val der Cordeliers gewikkeld beklom hij met zijn vriend den afzichtelijken Hébert den 24 Maart 1794 de trappen van het schavot.
In het jaar 1753 overleed op de Munt Jonker Antonius de Pauw. De familie Cloots heeft maar tijdelijk op de Munt gewoond. Deze familie voerde in goud eene fasce van sabel bezet met drie bezapten. In het schildhoofd prijkt een adelaar.
_Francisca Josephina_, eenige dochter van Antoon van Wevelickhoven en Elisabeth Josephina le Clerc, werd geboren te Brussel den 9 Feb. 1749; zij vertoefde op de Munt in 1768, en overleed te Brussel den 16 Feb. 1797. Uit haar huwelijk met _Jozef Hyacinthe d’Hannosset_ uit laatstgenoemde stad, sproten twee dochters; de oudste _Paulina Maria Theresia_ genaamd, werd geboren te Brussel den 19 Jan. 1785 en overleed aldaar den 19 Dec. 1855; deze was gehuwd met _Peter Alexander Gislain van Volden de Sandberg_ geboren te Brussel den 21 Juni 1766 en overleed op het kasteel Hogue bij Yperen den 8 Juli 1808.
Na dien tijd werd de Munt bewoond door den oud burgemeester Balth. De Hasenbach; vervolgens werd het kasteel tot Casino ingericht en betrokken door Joannes Dercks uit Venlo; eindelijk ging het, in 1831 bij verkoop over aan de familie _de Lom de Berg_. Thans is de Munt tot een vrouwenklooster ingericht. De geweldige kerkvervolging in Duitschland gaf hiertoe aanleiding. De _Benedictijner-nonnen_ uit Vierssen uit haar vaderland de wijk nemende, hebben het kasteel benevens de gebouwen en het terrein binnen de grachten, ter groote van 160 aren, aangekocht en den 20 Juli 1875 in bezit genomen. Deze nonnen, ook _Zusters van de gedurige aanbidding_ genoemd, brengen dag en nacht door in vereering en aanbidding van het Allerheiligste Sakrament. Ofschoon de kloosterlingen achter slot leven, is hare kapel zoo ingericht, dat zij ook toegankelijk blijft voor de geloovigen der parochie, die er hunne godsvrucht komen voldoen.
De overste dezer kloosterzusters is de dochter van den graaf von Fürstenberg-Stamheim. Tot rector werd, den 10 September 1875, benoemd en aangesteld de Eerwaarde Heer _Jozef Adams_ uit Dulken.
WAMBACH.
Dit buitengoed, zooals in de eerste afdeeling vermeld is, behoorde in de 15^{de} eeuw aan de Heeren van Holtmolen; vervolgens ging het over aan de familie van Hùndt en van Glazennap. Den 14 Februari 1757 verkochten Joachim Reinhold Baron van Glazennap en diens gemalin Anna Elisabeth Louisa geboren van Hùndt, aan Wilhelm Frederik baron van Olne Heer tot Olne, Soumagne St. Hadlain, Baarlo enz., en Theodora Maria Josepha geboren van Meerwijk echtgenooten, het goed Wambach met ab- en dependentiën.
Baron d’Olne, Heer te Berck verkocht aan _Arnold Hamboch_, protestantsch prediker te Kaldenkerken, zijn goed Wambach met ab- en dependentiën, onder dezelfde voorwaarden als de verkooper het aanvaard had van baron van Glazennap. Berck 31 April 1762. Wambach kwam nader in erfenis toe aan Joannes Giezen; diens afstammelingen verkochten het als pachthoeve aan den Heer Krauwerts uit Kaldenkerken. Ook Wambach is zeer aangenaam gelegen en met grachten omringd.
§ VIII. Missiehuis te Steijl-Tegelen.
Het plan om een seminarie of kweekschool op te richten ter opleiding van duitsche missionnarissen voor China, Mongolië en andere heidensche landen, werd in 1874 opgevat door de Zeer Eerw. Heeren doctor J. von Essen, pastoor te Neuwerk in het aartsbisdom Keulen en Arnold Janssen, rector te Kempen, tevens redacteur van het maandschrift »kleiner Herz-Jesu-Bote”, en vroeger gedurende twaalf jaren professor in de natuurkunde aan de hoogere burgerschool te Bocholt. Eerstgenoemde was voornemens deze grootsche onderneming in Duitschland of in Oostenrijk tot stand te brengen; doch de kerkvervolging aldaar noodzaakte hem voor als nog van zijn voornemen af te zien. Nu meende de Wel Eerw. Heer Janssen de taak op zich alleen te moeten nemen. Hij vestigde zijne aandacht op Nederland voor wier bewoners de stichting, zijns inziens, ook dienstbaar behoorde gemaakt te worden. Al spoedig was de goedkeuring van een twintigtal bisschoppen, benevens die van H. Em. den Kardinaal Franchi, prefect der Propaganda te Rome en der drie Kardinalen uit Oostenrijk verkregen. De Eerwaarde stichter wenschte zijne inrichting zooveel mogelijk op de Duitsche grenzen en op een centraal punt te zien verrijzen. Daartoe scheen Steijl onder Tegelen hem zeer doelmatig; hij kocht te dien einde in Juli 1875 aldaar het huis met aanhoorigheden van den Heer J. Ronck. De personen, die het onderricht geven en het huis bestieren, zijn reeds gevonden, zij zijn: een Nederlander, een Luxemburger, een Oostenrijker en een Duitscher. De eerste met name Smorenburg, tot hieraan pastoor te Bredevoort, in het Aartsbisdom Utrecht, heeft achttien jaren in China doorgebracht, een Chineesch-Fransch woordenboek vervaardigd, en gedurende vijf jaren onderwijs gegeven in het Fransch aan kinderen van mandarijen te Peking; daarvoor werd hij meteen der hoogste ridderorde van China beloond. Hij is belast onder anderen met den cursus in de Chineesche taal.
De inspraak Gods volgende, en steunende op den zegen des Heiligen Vaders, Pius IX, en de aanmoediging van zoo groot aantal kerkvoogden, verlaat zich het bestuur in de toekomst op de offervaardigheid der goedgezinden. In voornoemd maandschrift van Juli 1875, sluit de Eerw. Heer Janssen een artikel dienaangaande, als volgt: »laten we bemerken, dat met den aankoop van bovengemeld huis en tuinen onze geldelijke middelen zijn uitgeput; doch wij hopen, dat de H. Joseph, dien wij gesmeekt hebben om onze voedster-vader te willen wezen, ons verder door bemiddeling van gegoede lieden zal bijstaan. Moge ons de christelijke liefde niet vergeten en de rijke en voorname bij den middelbaren burger niet willen achter staan”.
Het huis werd den 15 Augustus, namens den Bisschop van Roermond, plechtig ingezegend door den Hoogeerwaarden Heer deken van Venlo. Op aanvrage werd nog dienzelfden dag per telegraaf van wegen den Kardinaal Antonelli ook de goedkeuring en den zegen des H. Vaders ingewonnen. Eenige studenten genieten er thans onderwijs.
§ IX. Beurzenstichtingen.
_A. Stichting door den Weleerw. Heer Johan Peter Freybeuter voorheen pastoor te Tegelen, gemaakt den 24 Dec. 1844[49]._
1. Ter eere Gods en tot bevordering van het heil der geloovigen, stichtte deze vrome priester eene studiebeurs bij den aartsbisschoppelijken stoel van Keulen; waartoe hij aan dezen schenkt en onwederroepelijk afstaat: den koopprijs van 22 morgen lands, vrij van alle schulden en hypotheek, en gelegen te Holtzweiler bij Erkelens.
2. Het bestier dezer stichting alsmede het fonds zelf, stelt hij in handen van den tijdelijken Aartsbisschop van Keulen; met de bevoegdheid de personen aan te wijzen aan welke, en de regels volgens welke de uitkeeringen moeten geschieden.
3. Uit de opbrengst dezer goederen zal vooreerst eene beurzenportie gevormd worden. Zoodra deze portie met afkorting der onkosten 80 thaler overschreidt, zal deze som, (en ook de heele stichtingsom, indien zij niet verpast zoude zijn,) strekken tot vestiging eener _tweede_ beurzenportie; en zoo op gelijke wijze gezorgd worden voor het tot stand brengen eener _derde_ en eindelijk _vierde_ portie.
4. Tot genot van deze portiën laat hij vooreerst toe zijne bloedverwanten, die roeping en aanleg toonen voor den priesterlijken staat. Bij gebrek van dezen bevoegt hij daartoe katholieke jongelingen geboortig uit de parochiën Holzweiler, Tegelen bij Venlo en Waldorf aan het Voorgebergte; bij voorkeur aan jonge lieden van minder gegoede ouders en die tot den geestelijken staat geroepen schijnen.
5. De vergeving dezer studiebeurzen zal den tijdelijken aartsbisschop van Keulen toekomen. Ingeval er meerdere bloedverwanten of ook meerdere aspiranten uit de voormelde parochiën zich aanbieden, blijft het recht aan den Aartsbisschop van den éénen vóór den anderen aan te nemen. Wanneer eene portie te verleenen open staat, zal zulks tweemaal achtervolgens in genoemde parochiën worden afgekondigd.
Geteekend op ’t oorspronkelijke: Johan Peter Freijbeuter. † Joannes von Geissel. Frans Oehl. M. J. Antons. S. P. Tier, Notar.
Zoo gedaan te Keulen op het bisschoppelijk paleis op dag en jaar als boven.
_B. Stichting van den Weleerw. Heer Wilm Smiets uit Belfeld in leven pastoor te Benschop bij IJsselstein, den 3 Februari 1845[50]._
Op aangehaalden datum beschikte deze pastoor bij testament als volgt: aan de na te melden bestuurders zal na mijn overlijden onder aftrek van lasten, uit mijne nalatenschap worden ter hand gesteld de som van 8500 guld. ned. welke zal strekken tot fonds eener studiebeurs voor studenten die zich voorbereiden en opgeleid worden tot priester der R. C. Kerk.
De toelage zal gedurende de eerste vijftig jaren aan niemand worden verleend, dan aan leden mijner familie, die zich tot den geestelijken stand begeven, en beurtelings moeten worden toegekend aan een’ student van vaders en moeders zijde. Indien echter twee mijner bloedverwanten te gelijk mochten studeeren, zal door elk de helft kunnen genoten worden, zoodanig, dat bij het ontstaan van meer dan twee bloedverwanten, de naaste in den bloede boven den meer verwijderden en de oudste boven den jongeren in jaren, den voorrang zal hebben.
Na verloop van deze eerste 50 jaren, zal uit dit fonds aan een’ bloedverwant bij voorrang, en bij ontstentenis van deze, beurtelings aan een’ student uit de gemeenten Belfeld en Kaldenkerken, eene tegemoetkoming worden verstrekt. Doch aan een student, die niet bloedverwant is, alleen dan, wanneer die buiten staat is om uit eigene middelen in de kosten der studiën te voorzien en volgens het oordeel der bestuurders de noodige geschiktheid voor den geestelijken staat bezit.
Indien zich geene studenten aanbieden, hetzij bloedverwanten of studenten uit Belfeld en Kaldenkerken, zullen de revenuën tot kapitaal moeten worden aangelegd ter verbetering en vergrooting van het fonds.
Tot bestuurders dezer beurs benoem ik de tijdelijke pastoors van Belfeld en Kaldenkerken, die in werkelijken dienst zijn, en geef hun de macht van bij vermeerdering van het fonds, en na verloop der eerste 50 jaren, de toelage te regelen, naar behoefte der studenten en daarvan naar goedvinden aan meer dan een gelijktijdig genot te doen hebben. Ik benoem tot provisoren de tijdelijke pastoors van Venlo en Tegelen, ten einde op het bewind der bestuurders toezicht te hebben en hunne raadgevende stem bij elke belangrijke verrichting uit te brengen. Ik geef aan de bestuurders de bevoegdheid, om voor hunne moeiten jaarlijks vijf per cent der revenuën in rekening te brengen.
Gedaan te Benschop den 3 Febr. 1845.
Geteekend: W. Smiets, W. Beukenboom, W. Houtdijker en Imminck, Notaris.
§ X. Armwezen.
Van oudsher reeds bezat de parochie Tegelen eenige fondsen tot ondersteuning harer armen. Reeds in 1590, zooals wij vroeger bemerkten, hadden dezen een vast inkomen. Den 1 Maart 1627 beschikte Engelbert van Metternich, Heer van Holtmolen, als volgt: »overmits Stephan Beekmans, Geisbert Kamp en Thys Weggers schepen des gerichts Tygelen end syne huysvrouw Margaretha von Smidt, verklaart hij, dat de goederen seijner huysvrouw sullen toekomen aen hare susters (salvo usu fructu), dan aen de armen van Tygelen 400 venloische gulden, en van den dagh af sijner doodt tot die syner vrouwe 5 percent sullen gegeven worden. Alsnog twee malder tot instituirung van arme kinder mit vorbehald, dat de bezitters van Holtmolen daerover opsicht hebben sullen”. Ten jare 1743 bezat de arme alhier nagenoeg zeven en een’ halven morgen lands. Door het armbestuur was den 11 December 1749 een kapitaal van 1200 kleefsche daler ter leen gegeven ad 3 per cent aan het kapittel der St. Martinuskerk te Emmerik, en den 13 November 1750 aan hetzelfde kapitel een ander kapitaal groot 600 daler kleefs. In 1783 werd overeengekomen dat beide sommen zouden gebracht worden op 300 _hollandsche ducaten_ ad 3 per cent. Tot in 1803 zijn deze intresten behoorlijk ten gunste der armen uitbetaald geworden. Sedert dien echter heeft het zich anders toegedragen[51].
Nog genoot, sinds 1750, de arme den interest van een kapitaal groot 200 gl. kl. geschonken door _Mathis Deckers_ en kinderen. In 1757 werd door een’ onbekenden een huis gelegateerd voor de armen. Thans heeft het bestuur gezorgd voor drie armen-woningen. Ook Mevrouwe _van Volden_, eigenares van het kasteel de Munt, heeft zich, op het einde der vorige eeuw, als weldoenster getoond der armen van Tegelen, door het stellen eener vaste rente. Edoch de voornaamste inkomsten aan den arme leverde nog altijd de zoogenoemde _agrische_ stichting.
Zekere Doctor _Agris_ stichtte in het begin der vorige eeuw te _Bracht_ een armen-fonds ter voordeele der parochiën _Mulbracht_, _Tegelen_ en _Breijel_[52]. De jaarlijksche renten beloopen voor den armen van Tegelen ongeveer 24 Rijksdaler, en moeten aan vijf der oudsten en meest behoeftigen verstrekt worden. De bezitter van het goed Holtmolen is _collator_ of uitdeeler dezer inkomsten. De bedeeling moet geschieden op alle Quatertemperdagen, in dier voege, dat na twee jaren er genoegzaam overschiet om aan deze armen het noodige linnen te verschaffen. De tijdelijke Prior der Kruisheeren te Bruggen was benoemd tot procurator dezer stichting, en de dienstdoende pastoors van Bracht, Tegelen en Breijel traden op als provisoren. Volgens uitdrukkelijk verlangen des stichters moest telken twee jaren voor genoemde Heeren rekening afgelegd worden, ten einde de getrouwe uitvoering van alles te waarborgen. Ten dezen ontstond groote moeielijkheid met den baron van Glazennap over de jaren 1748 en 1749. Deze heer placht zelf te bedeelen; doch behalve dat de provisoren geen bescheid kregen over de uitgaven, werden de huis-armen ten zijnent alles behalve gunstig bedacht. Zelfs het gemeentebestuur had noodig geoordeeld zich de zaak aan te trekken, en diende eene klachte in aan de hoogere regeering. Het duurde niet lang of van wege deze verscheen eene terechtzetting uit Dusseldorp ten adresse van Baron van Glazennap.
Daar de huisarmen van Tegelen ook van elders goed bedacht werden, heeft men bij wijlen de renten der Agrische fundatie doen strekken tot vermeerdering van het fonds. Maar ook dit gaf aanleiding tot moeielijkheden met de provisoren van Bracht en Breijel, zoo dikwijls het zich gold renten te plaatsen. Wij lezen intusschen dat ten jare 1796 op alle Quatertemperdagen behoorlijke uitbetaling geschiedde van de som van 24 Rijksdaler en 2½ stuiver.
§ XI. Broederschappen.
De Broederschap van _O. L. Vrouw_ alhier is zeer oud. In het jaar 1583 vinden wij haar vermeld, als hebbende haar eigen vaandel in de processie. Sedert 1640 genoot zij aanzienlijke inkomsten. De leden ervan gaven doorgaans 50 kl. gulden jaarlijks aan de kerk, en 10 gulden aan den koster. De pastoor werd betaald naar evenredigheid van de gezongene H. Missen. Deze broederschap betaalde jaarlijks aan tienden 3 kop rogge en een’ kapoen aan de keurvorstelijke regeering.
Van niet minder oude dagteekening is de _St. Antonius-broederschap_. Hoewel zij het schuttersgezelschap vertegenwoordigde, was zij toch een godsdienstige vereeniging van mannen en jongelingen. Wij vinden nergens dat zij ten dienste van den keurvorst heeft gestaan. Volgens eene rekening van 1585 op perkament geschreven, bezat de St. Antonius-broederschap aan jaarlijksche inkomsten: vijf malder rogge en 40 kl. gulden. Daarbij hadden de gilden- of St. Antonius-broeders jaarlijks eene ton bier te verteren. Trouwens zoo was het in 1789. Peter Vervoort, ontvanger dezer Broederschap, betaalde toen ook een onbeduidende som aan de kerk. De koster ontving jaarlijks twee malder rogge voor zijne diensten; daarmede was Hulsterhof belast.