Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl

Part 4

Chapter 43,635 wordsPublic domain

Ook deelde de pastoor in de opbrengst van den rondgang in de Goede week, mits hij den koster op diens tocht een medegezel toevoegde. Wegens de opgedrongen schattingen werden den pastoor in 1668 voorloopig toegezegd: 50 kl. gulden uit de rijke revenuën der armenfondsen. De middelen van bestaan van den pastoor te Tegelen, zooals uit alle aanwezige stukken blijkt, waren nimmer bevredigend. De maatregelen ter verbetering genomen in 1785-1786 en 1788 onder pastoor Peter Eskens, hadden weinig of geen gevolg.

Toen in 1815 Jos. Orths de parochie aanvaardde, genoot deze van gemeentewege eene toelage van 500 franken. Op aandringen van den Vicaris-generaal richtte hij een smeekschrift tot Koning Willem I, en verkreeg dien ten gevolge eene verhooging van ’s landstraktament voor zich persoonlijk ten bedrage van 125 N. gulden. Intusschen trok de gemeente de gemelde toelaag in Jan. 1819 weder in.

Wij geven hier de lijst der bekende pastoors van Tegelen:

_Hendrik van Holtmolen_ fungeerde als pastoor in 1433, en had, zooals reeds is aangestipt geworden, eene weide verpacht, die te Odiliënberg gelegen was.

_Wilhelmus Weiss_. In eene rekening van 1639 wordt vermeld, dat hij vroeger als pastoor te Tegelen stond. Wellicht is hij het, die wijken moest voor den ketterschen bedienaar, die hier was ingedrongen.

_Conrard Sären_, pastoor van 1637 tot 1671. Onder hem beginnen de doop- trouw- en sterfregisters onzer parochie. Hij onderteekent zich, gelijk aanvankelijk ook zijn opvolger, als pastoor van Tegelen en Belfeld. Deze pastoor was lid der Kruisheeren-orde. Zijn grafsteen, met het opschrift: _Conrard Sären pastoor te Tegelen, overleden den 19 Sept. 1671_, is onlangs van het koor overgeplaatst naar het rechter zijpand.

_Henricus Corneli_, benoemd tot pastoor den 9 Nov. 1671, en overleden den 15 Augustus 1680. Wij vinden hem ook genoemd _H. Corneli à Tets_, misschien wegens zijne afkomst uit het dorp Tits bij Gulick. Na zijn dood stond de Kruisheer Nic. Stals uit Venlo eenigen tijd alhier als deservitor. Hij is hier jammerlijk verdronken. Toen volgde:

_Joannes Bongaerts_. Deze werd hier aangesteld den 1 Mei 1681 en bleef tot 1704; hij was daarna tot in 1723 pastoor te Urdingen.

_Henricus Weuten_ werd benoemd in September 1704, en verliet Tegelen in December 1727, om te Cruchten bij zijne familie zijn verdere levensdagen door te brengen. Wij vernemen, dat hij aldaar in 1752 is overleden.

Bijna een jaar lang bedienden de Kruisheeren van Venlo de parochie. Joh. Heuts teekent zich herhaaldelijk als deservitor.

_Nicolaus Smeets_. Deze zeer verdienstelijke pastoor, bestierde bijna 40 jaren lang Tegelen met onvermoeiden ijver. Hij was aangesteld geworden in 1728 en stierf plotselings te Neer op den 8 September 1767. Zijn stoffelijk overschot ligt alhier begraven in den grafkelder onder het koor. Een oom van dezen pastoor werd in 1751 in de kerk begraven tegenover den preekstoel.

_Leonardus Timmermans_ vroeger kapelaan te Horne, werd benoemd, den 9 November 1767. Hij overleed den 2 September 1783. De landdeken Beek, pastoor te Ratheim, had hem hier geinstalleerd.

_Petrus Eskens_, vroeger kapelaan te Breijel, werd tot pastoor van Tegelen aangesteld in 1783, en overleed alhier den 8 April 1805.

_Joannes Petrus Freijbeuter_, was geboren te Holtzweiler bij Erkelenz; hij werd hier pastoor in den loop van 1805. Men roemt zijn ijver en nauwgezetheid. Wegens verschillende moeielijkheden trok hij zich in 1815 in zijne geboorteplaats terug, en leefde nog tot 1844. Hij stichtte een kapitaal fonds voor studenten, waaraan ook de Tegelsche jeugd deel kan hebben, gelijk nader blijken zal.

_Josephus Orths_, geboortig uit Lobberich, en langen tijd religieus in het Brigittijnenklooster te Kaldenkerken, verscheen hier als pastoor in 1815 en overleed ten gevolge eener beroerte den 7 April 1841. Zijne collega’s noemden hem pater Matheus.

_Lambertus Mosk_, werd pastoor benoemd in April 1841 na alhier 18 jaren kapelaan te zijn geweest. Geboren te Ravenstein in 1804, overleed hij alhier den 28 Nov. 1864. Hij bezorgde onzer kerk de relikwiën der H. Lucia,[40] en de statiën van den kruisweg.

_Wilhelmus Beckers_, geboren te Well in 1822, priester gewijd in 1845, was achtervolgens van 1845-1850 kapelaan te Afferden; van 1850-1853 te Velden; van 1853-1859 te Gennep. Daarna van 1859 tot 1864 pastoor in de nieuw opgerichte parochie te Ohe en Laak, en sinds 1864 pastoor te Tegelen. Aan hem heeft men het groote en schoone kerkhof, in 1868 aangelegd, benevens de herstelling en vergrooting der kerk in 1874-1875 grootelijks te danken.

Den 10 December 1875 werd deze zeer verdienstelijke pastoor benoemd tot deken van Gennep, en opgevolgd den 12 derzelfde maand door: _Franciscus Pennings_. Geboren te Kessel in 1830, en priester gewijd in 1854, stond deze laatste achtervolgens als kapelaan eenige maanden te Blitterswijk, twee jaren te Wijk-Maastricht en voorts te Venlo.

§ II. De kapelanij te Tegelen.

In 1540 reeds, gelijk vermeld is, was gezorgd voor een dagelijksche H. Mis. Althans er bestond in de kerk van Tegelen een beneficie aan het altaar van O. L. Vrouw. Rector daarvan was, in genoemd jaar: _Bernard van Besel_; doch deze was geen eigenlijke kapelaan die gezonden was om den pastoor in zijne bedieningen bij te staan. In 1670 en verdere jaren was _Joannes Schutjes_ tot helper van den pastoor dan eens hier en dan eens te Belfeld werkzaam. Ten jare 1749 vermaakte _Gerret Engels_ 400 patacons voor H. Missen tot ondersteuning van een kapelaan. Bij gebreke van dien titularis bleef de zorg van die H. Missen op den tijdelijken pastoor berusten. Tot dusverre was er alzoo nog geen kapelaan te Tegelen. Wel vinden we dat gedurig na 1700, dan Kruisheeren, dan Minderbroeders uit Venlo den pastoor op de Feestdagen, processiën enz. kwamen bijstaan.

Den 6 Maart 1806 boden burgemeester en kerkmeesters met inwilliging des pastoors, een jaarlijksche toelaag van 500 franks, aan den Eerw. Heer J. Tiebosch opdat deze des Zondags in de parochie-kerk de vroegmis met onderricht zou doen; deze nam het aanbod aan; doch eerst in 1811 werd de Eerw. Heer Tiebosch van de Hoogere geestelijkheid aangesteld. In 1816 verliet hij onze gemeente. Terwijl destijds de Eerw. Heer kanunnik Bernard Canoy te Steijl vertoefde, deed deze tot in 1818 de vroegmis. Van toen af tot 1820 las de Eerw. Heer kanunnik Ferdinand Mertens gewoonlijk de eerste H. Mis; doch deze verliet Tegelen in genoemd jaar. Daar de noodzakelijkheid van een tweede geestelijke in de parochie zich hoe langer hoe meer deed gevoelen, deed de pastoor in dat zelfde jaar de noodige stappen bij den generaal-vicaris van Aken om een kapelaan te verkrijgen, doch zonder gevolg, wijl er gebrek aan priesters was. Intusschen nam zekere Heer van der Wielen deze betrekking waar. Eindelijk in Januari 1823 wendden zich burgemeester en pastoor tot den geestelijken commissaris Claessen te Weert met verzoek om een’ kapelaan te mogen hebben. Deze zorgde dat den 28 April 1823 de Eerw. Heer Lambertus Mosk alhier tot kapelaan werd aangesteld.

Omstreeks het jaar 1825 verkreeg de kapelaan van Tegelen een landstractement van 500 francs, benevens een subsidie van wege de gemeente. Het woonhuis voor den kapelaan dagteekent uit 1840, en is door de gemeente gebouwd; het is zeer aangenaam en gansch nabij de kerk gelegen.

Als kapelaan dezer parochie deden dienst:

_Jacobus van Laer_, geboren in 1817 te Heijthuizen, priester gewijd te Roermond, werd in December 1841 alhier benoemd. Sinds 1846 verplaatst naar Nederweert, overleed hij aldaar in 1861.

_Joannes de Fauwe_, van Weert, werd priester gewijd in 1842. Nadat hij twee jaren als professor aan de normaalschool voor onderwijzers te Rolduc en ruim een jaar als kapelaan dezer parochie was werkzaam geweest overleed hij alhier den 23 September 1846, in den jeugdigen leeftijd van 27 jaren.

_Goswinus Hubertus Berden_, geboren te Broekhuysen, werd uit het seminarie alhier benoemd in December 1847. Sedert 1866 pastoor te Reuver, overleed hij aldaar den 12 Februari 1875.

_Joannes van Hegelsom_, uit Grubbenvorst, kapelaan te Tegelen van Oct. 1866 tot April 1874, in dezelfde hoedanigheid overgeplaatst naar Horst. Zijn opvolger is:

_Frans van Laar_, geboren in 1841 te Ohe en Laak, priester gewijd in 1868; vroeger kapelaan te Nieuwstad, sedert April 1874 kapelaan alhier.

§ III. De Pastorij te Belfeld.

Ofschoon de Belfelder kapel reeds in 1571 tot parochiale kerk was opgericht geworden, verliepen meer dan honderd jaren, alvorens een resideerend pastoor daaraan werd aangesteld; tot dusverre bestond er ook geen pastoreele woning.

Eene copie van 1^n Jan. 1666 geeft aan, als inkomsten van den dienstdoenden pastoor: 12 malder uit de tienden, bestaande in boekweit, vrij van belasting. Wijders uit twaalf en een half malder erfpacht, in rogge. Van deze erfpacht kreeg de pachter jaarlijks 18 stuiver brab. ad 3 permissie schellingen. Ook bezat de pastoor anderhalven morgen bouwland te Belfeld, in het Eckschip gelegen en genaamd het Bijlstuk, waarvan gewone schatting gegeven werd.

Aan geldrenten gaf het kerspel Belfeld 12 gulden Venloosch,

Willem Franssen op den Steijl 4 gulden 7 stuiver,

Hendrik te Venlo met seine broers 2 gulden 3½ st.,

Talmen op den Rijdt 2 gulden 3½ st.

Verder »hefft de kercke te Belfeld sonnendags ende heyligendags missam, ende ook quarta et sexta feria”.

Volgens eene kerkvisitatie van den 20 Maart 1670 door Van Oeveren[41] vicaris generaal van Roermond gehouden, was de titel der kerk te Belfeld _St. Urbanus_, de _collator_ der pastorij Baron Van Metternich, Heer van Holtmolen; de tienden behoorden aan den pastoor van Tegelen en waren onbelast; de herstellingen aan de kerk moesten bekostigd worden door het kerkbestuur. De pastoor _Conrard Sären_, Kruisheer, had tot medehelper _Joannes Schutjes_, die op Zon- en Feestdagen afwisselend de hoogmis moest houden te Belfeld en te Tegelen. Er waren 250 communicanten[42].

De pastoreele woning te Belfeld werd aangelegd omstreeks 1700, en is herbouwd op het laatst der vorige eeuw.

De verdere reeks der pastoors te Belfeld is:

_Balthasar Veken_; deze was in 1703 nog pastoor.

_Petrus Ludovicus Hommen_, van 1727 tot 1749.

_Petrus Backhuizen_, van 1749 tot 1761.

_Godefridus Franssen_, van 1761 totdat hij in 1797 wegens de revolutie moest vluchten. Hij nam met nog andere priesters de wijk naar Emmerick. Zonder zijn moedig belijd zouden zij bij den overtocht van den Rijn in handen der Franschen gevallen zijn, die hen achtervolgden en op hen vuurden. Later teruggekeerd, overleed hij in zijne parochie.

_Nicolaas Ercks_, pastoor van 1801 tot 1814.

_Wilhelm Berinks_, van 1814 tot 1837.

_Petrus Joannes Hesemans_, geboren te Lommel in 1804, priester gewijd in 1830 kapelaan te Venlo tot 1837, pastoor te Belfeld tot 1840, sedert dien pastoor te Sevenum.

_Norbert Sleurs_, geboren te Venlo in 1805. Van 1829 tot 1840 kapelaan te Velden, daarna pastoor alhier tot zijne benoeming voor Middelaar in 1855. Hij werd te Belfeld opgevolgd door den tegenwoordigen pastoor:

_Petrus Cruysen_, geboren te Linden in 1804, vroeger pastoor te Middelaar.

§ IV. De Kapelanij te Belfeld.

_Wilhelm Willems_, van Belfeld, schepen te Roermond, overwegende dat er op Zon- en Feestdagen te Belfeld maar één heilige Mis gedaan werd, en de inwoners zich naar Tegelen, Beesel en andere plaatsen ter kerk moesten begeven, stichtte den 21 November 1702 tot lafenis zijner ziel en die zijner voorouders, in de kerk van Belfeld en ten dienste der gemeente, een eeuwige vicarie. De gemeente op hare beurt beloofde, bij akte van den 12 Maart 1700, den miskelk, kaarssen, missale, brood en wijn en alles wat tot de H. Mis noodig is, niet alleen op die dagen, maar ook op de werkdagen onbekrompen te zullen verschaffen. De stichter benoemde tot rector Cornelius Schutjes, student in de theologie te Keulen, zoon van Hendrik Schutjes en Helena Kruitsberg. De rector moest na de H. Mis den ps. _miserere_ en _de profundis_ bidden, en na het Evangelie, omtrent ¾ uur catechismus houden. Van de gemeente zou de vicarius 20 patacons genieten[43].

De woning voor den kapelaan bevindt zich naast de school. Wij weten niet dat ze ooit door een’ geestelijke werd betrokken. Behalve Joannes Schutjes, de medehelper van pastoor Sären in 1675, en den voornoemden Cornelius Schutjes in 1702, vinden wij alleen als werkelijke kapelaans te Belfeld: _Franciscus Thör_ in 1732 en _Joannes Bongaerts_ in 1747.

§ V. Rectoraat te Steijl.

Hoe in 1526 reeds de belangen van de kapel en den rector behartigd zijn geworden, hebben wij vernomen uit de eerste afdeeling dezer aanteekeningen. De aloude kapel van Steijl, den HH. Fabianus en Sebastianus toegewijd, was onbeduidend en ofschoon reeds hersteld en vergroot door een nevenbouw, geheel bouwvallig geworden. Zij is in 1866 verbouwd en op een kleinen afstand door een fraaien en tamelijk ruimen tempel vervangen; deze is het werk van den Roermondschen architect, den Heer Weber. In 1874 werd ook de doelmatige toren ervan voltrokken, en bekostigd door een Rijkssubsidie en de opbrengst van eene tombola-loterij.

_Agatha Raetmakers_ stichtte in 1754 een pensioen van 5 kl. gulden voor benoodigden wijn, brood en was aan de kapel te Steijl. Toen in het jaar 1804 de Heer Tiebosch als privaat-geestelijke te Steijl vertoefde, deden de inwoners bij den generaal-vicaris van Luik pogingen om een dagelijksche H. Mis in de kapel te mogen hebben; dit werd echter niet verkregen. Later toen genoemde Heer werd aangesteld (1811) om den pastoor van Tegelen ter zijde te staan, mocht hij ééns in de week te Steijl de H. Mis opdragen. Bij deze vergunning geeft de generaal-vicaris den wensch te kennen, dat de ingezetenen van Steijl dien ten gevolge meer genegenheid mogen toonen voor de moederkerk van Tegelen. In November 1823 was van wege Luik aan den Heer _van der Wielen_ toegestaan dagelijks de H. Mis te lezen en des Zondags onderricht te geven, aan gezegde kapel. Men bezit in de kerk van Steijl relikwiën van St. Rochus welke door vergunning van de kerkelijke overheid in April 1855 alle Dinsdagen openbaar worden vereerd. Jaarlijks wordt er ter eere van St. Rochus plechtig feest met octaaf gevierd. De Feestdag van de HH. Fabianus en Sebastianus, wijzen de Steijler kermis aan. Den 20 Augustus 1875 werden in de fraaie kerk alhier twee goed overeenstemmende klokken, uit het atelier van de Heeren Fritzen en Petit te Aarle-Rixtel, aangebracht. De inzegening daarvan werd op den 22 daarop volgende voltrokken door den Hoogeerw. Heer deken Raetsen van Venlo, omringd door tal van geestelijken en geloovigen.

Na den Eerw. Heer van der Wielen heeft de Heer kanunnik Bernard Canoij langen tijd des Zondags en ook op de werkdagen de H. Mis in de kapel gelezen. Vervolgens hebben onafgebroken het rectoraat van Steijl bediend; _Peter Peters_ geboren te Zeeland. Deze was vroeger kapelaan te Baexem, en kwam herwaarts in 1847. Zijn geschokte gezondheid deed hem in 1851 zijn ambt nederleggen; hij bedankte en overleed te Tegelen 7 Febr. 1857 in den ouderdom van 63 jaren.

_Frans van Haeff_ geboren te Meerlo, priester gewijd in 1851 was rector tot 1862, en werd daarna in dezelfde hoedanigheid overgeplaats naar Leunen. Thans is hij pastoor te Peij sedert 1873.

_Joannes de Gruiter_, uit Venlo. Priester van 1844, was hij achtervolgens kapelaan te Brunssum, te Wanssum, en te Meijel; director aan Calvarie te Maastricht en van 1862 tot 1868 rector te Steijl. Hierop benoemd pastoor te Beegden overleed hij te Venlo den 27 November 1874.

_Augustinus Backhuis_, geboren te Roermond in 1833. Priester gewijd in 1857 werd hij benoemd tot professor te Rolduc; in 1862 tot kapelaan te St. Odiliënberg en sinds 1868 rector te Steijl.

Voegen wij nog bij de geestelijken die onze parochie bediend hebben de naamlijst der Eerw. priesters, die te Tegelen geboren zijn. Ons zijn alleen de volgende bekend:[44]

1. _Hendrik van Holtmolen_, pastoor alhier in 1433.

2. _Gisbert Franssen_, was vroeger in Holland op statie geweest, teruggekeerd vestigde hij zich te Breijel alwaar hij het beneficie van S^{te} Catharina bediende. Hij stierf aldaar in 1726.

3. _Gaspar Ronck_, geboren in 1712, werd kapelaan te Neer, alwaar hij in 1758 overleed.

4. _Godefridus Franssen_, was pastoor te Belfeld tot 1797; in 1800 overleed hij op de Mergelstraat aldaar.

5. _Wilhelm Smiets_, geboren te Geloo onder Belfeld, den 29 December 1767, priester gewijd te Roermond in 1793, bediende eenigen tijd de kapelanie van Maasbree, en werd daarna pastoor te Benschop bij IJsselstein. In de laatste jaren was hij rustend geestelijke en overleed in 1845 den 11 Feb. te Benschop. Hij stichte eene studiebeurs.

6. _Bernard Canoy_, geboren in 1763, was tot aan de Fransche revolutie Regulier-kanunnik in het klooster te Bruggen, en sedert dien rustend geestelijke te Steijl. Hij overleed den 25 Nov. 1853.

7. _Gaspar Franssen_, geboren in 1826, priester gewijd te Roermond in 1851; werd eerst professor benoemd aan het bisschoppelijk collegie te Roermond. Hij vertrok in 1856 als missionnaris naar Oost-Indië, alwaar hij tot 1865 werkzaam was; herwaarts teruggekeerd uit hoofde zijner geschokte gezondheid, bedient hij sedert 1869 de pastorij van Ittervoort.

8. _Gerard Peeters_, geboren in 1829, priester gewijd in 1856; tot in 1865 kapelaan te Echt, daarna te Blerick.

9. _Ferdinand Moubis_, geboren in 1834, priester gewijd 1859, werd in dat zelfde jaar professor benoemd te Rolduc.

10. _Henricus Peeters_, broeder van Gerard Peeters geboren in 1840, priester gewijd in 1866 te Roermond, sedert dien kapelaan te Aubel in het bisdom van Luik[45].

11. _Joseph Moubis_, broeder van Ferdinand voornoemd, geboren in 1844 priester gewijd in 1868 en tot kapelaan benoemd te S^{t} Odiliënberg. In 1872 begaf hij zich als missionnaris naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. De studeerende jeugd der gemeente belooft deze priesterenreeks voort te zetten.

§ VI. De School te Tegelen en Steijl.

Van het begin der zestiende eeuw stond het schoollokaal binnen de kerkhofmuren, tegelijk met de woning voor den onderwijzer, die tevens koster was. Ongeschikt geworden om het steeds toenemende getal schoolkinderen te bergen, dient het, sedert 1817, tot gemeentehuis. Een ruimere nieuwe school werd meer zuidwaarts gebouwd in 1818. Ook dit gebouw was weldra te klein en daarenboven onsterk geworden, zoodat de in 1870 nieuw gebouwde en ruime school noodzakelijk werd. Zij kostte nagenoeg 6000 gulden.

Gelijk op de meeste plaatsen van Gulick en Gelderland werd de schoolmeester-koster alhier benoemd op voordracht van den pastoor, na overleg met de burgemeester of de schepenen. De benoeming van _Jacobus Geurts_ in 1818 werd op voorstel van den pastoor en den burgemeester zelfs bevestigd door den vicaris-generaal van Aken.

Dat het onderwijs te Tegelen reeds vroegtijdig behartigd, en de onderwijzers naar waarde geschat werden, blijkt genoegzaam hieruit, dat reeds in het jaar 1591 ten voordeele van den schoolmeester eene jaarrente ter waarde van één malder rogge was gesticht ten laste van het goed Holtmolen.

Zie hier de lijst der onderwijzers van Tegelen. Als koster-schoolmeester vinden wij in 1678 Henricus Vervoort; van 1755 tot 1766, Egidius Lauwenhuis, van 1766 tot 1771, Peter Engels; van 1771 tot 1772 Paulus Houba; van 1772 tot 1780 Hendrik Hendriks; van 1780 tot 1794 Theodorus Bongaerts; van 1794 tot 1804 Mathias Denissen; van 1804 tot 1816 Peter Dambacher.[46]

Hoofdonderwijzers, na afgelegd examen volgens de tegenwoordige wet waren: Jacobus Geurts geboren te Tegelen in 1797 tot October 1862. Deze had van 1815 tot 1818 onderwijs gegeven te Belfeld, bedankte in 1862 en overleed alhier in 1868. Henricus Antonius Ludovicus Hagdorn, benoemd in Maart 1863; naar elders verplaatst in Januari 1864. Hubertus Constantinus van den Ertwegh, benoemd den 4 Juni 1864, naar elders geroepen den 27 Januari 1868. Henricus Bloemers, geboren te Beesel, was te voren hier hulponderwijzer. Henri Geurts, geboren te Tegelen den 23 November 1845 volgde hem als hulponderwijzer op.

Na het overlijden van Peter Dambacher gaven te Steijl bijzondere onderwijzers aan eenige kinderen lager en middelbaar onderricht; wij noemen als zoodanig Joannes van Wis, later priester geworden, Joannes Grubben, Jacobus Holtman.

Toen er in 1867 een flinke school benevens onderwijzers woning verrees werd ook te Steijl eene hoofdonderwijzer aangesteld. Achtervolgens gaven daar onderwijs: Henricus Bastiaans, benoemd in Januari 1868, deze overleed in Maart daaropvolgende. Jean Godfried Crasborn, benoemd in Junij 1868, ontslagen in Juli 1870. Joannes van den Houdt, benoemd in Dec. 1870, ontslagen den 27 Mei 1874. Jan Willem van Poppel, benoemd den 1 Augustus 1874.

Sedert 1818 werd, zoowel te Tegelen als te Steijl, steeds gezorgd dat hunne onderwijzers in staat waren voldoend onderricht te geven in de _Fransche_ en _Duitsche_ talen, in de musiek en meer andere vakken.

Den 2 September 1875 hebben eenige kloosterdochters onder den naam van _Zusters van Onze Lieve Vrouw_, genoodzaakt door den Pruissischen Culturkamp om zich uit hare woonplaats Essen in Duitschland te verwijderen, het ruime huis met erf van Mevrouw de Weduwe Math. Moubis aangekocht‚ met ’t doel om aldaar een pensionnaat voor jonge dochters op te richten, met eenzelfde doel hebben thans ook een twintigtal _Zusters der Voorzienigheid_ uit Westfalen, het huis van Mevrouw de weduwe Leop. Moubis in bezit genomen.

§ VII. Adellijke Huizen te Tegelen.

Te Tegelen bevinden zich twee kasteelen, vroeger door adellijken bewoond: _Holtmolen_ en de _Munt_. Holtmolen voorheen _Holtmülen_ ten zuiden van het dorp op tien minuten afstands van de kerk, is een prachtig landgoed met schoone omgeving van boschaadjes, vijvers en tuinen. Hoewel hier en daar veranderd en gewijzigd, heeft het slot zijn’ oorspronkelijken vorm vrij wel behouden; men ziet er ook nog de huiskapel, ofschoon wij nergens een bewijs vinden dat er vroeger ooit het H. Misoffer werd opgedragen, tenzij alleen een korten tijd in het begin dezer eeuw, toen het gebouw bewoond was door den Heer van Dinter. De grachten zijn breed en worden gevoed door het bronwater der aangrenzende bergen, hoofdzakelijk door den zoogenoemden »_snellen sprunk_.” De nabij gelegen overoude watermolen schijnt zijnen naam aan het kasteel te hebben gegeven, althans deze molen lag vroeger te midden van struikhout en behoorde altijd tot het eigendom van het kasteel. Wanneer vroeger de groote weg van Venlo over Tegelen naar Roermond, uit hoofde van het opzwellen der Aalsbeek, onbruikbaar werd, liet de Heer van Holtmolen toe, dat de barrieren langs het kasteel geopend werden, en vrije doortocht bestond over zijn goed in de richting van Geloo naar Reuver, of ook door de holle straat, Nering geheeten, naar Belfeld. De lange nevengebouwen van het slot hebben ten tijde van baron Von Glazennap gediend tot paardenstal voor een escadron cavalaristen, die deze Heer voor den krijgsdienst gedurende eenigen tijd onderhield.

HEEREN VAN HOLTMOLEN.

_Otto van Holtmolen_ ontving in 1402 benevens de Heerlijkheid Tegelen, Holtmolen met aanhoorigheden.

_Johan van Holtmolen_ aanvaarde het goed in 1425. Diens zoon _Frans van Holtmolen_ erfde zijns vaders goed den 10 Juli 1544. Hij kreeg vernieuwing zijner rechten den 30 Mei 1556; en den 26 Sept. 1580 werden alle rechten en toebehooren van Holtmolen bekrachtigd ten gunste van zijne huisvrouw _Johanna van Harst_. Deze Joanna van Holtmolen bracht, door haar huwelijk met _Waleran van Erp en Vechel_ o. a. ook Holtmolen in deze laatstgemelde familie. Weduwe geworden maakte zij eene codicille den 30 Maart 1636. Uit dit huwelijk sproten:

1. _Johan van Erp_, Heer van Erp en Vechel.

2. _Agnes_ reeds in 1637 gehuwd met _Werner van Hûndt_. Zij stierf weduwe in 1676. Van dit huwelijk komen de latere Heeren van Holtmolen uit het geslacht van van Hùndt.