Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl

Part 2

Chapter 23,661 wordsPublic domain

Ons dorp schijnt in de zestiende eeuw door Luttersche en Calvinistische denkbeelden aangestoken te zijn geworden. Behalve uit het reeds aangehaalde, blijkt zulks uit een handschrift, dat wij onder de archieven opdeden, doch dat geen’ naam of dagteekening draagt[23]. Daarin wordt vermeld, dat de hooge regeering van den pastoor verlangt te vernemen, wat er te Tegelen, in zake van protestantismus, van kerk, kerkbedienaar, revenuën, school en schoolmeester bestaat. De pastoor antwoordt als volgt: »bij gebrek van documenten kan ik alleen bevestigen, eerstens: dat in de parochie Tegelen geene kerk van de zoogenaamde hervorming bestaat; doch door overlevering weten wij, dat eertijds Frans van Holtmolen, in de geschiedenis der omwenteling genaamd _Canisius_[24] ambtman van het district Bruggen en ijveraar der ketters, ten tijde der hervorming of onmiddelijk daarna, den pastoor van Tegelen ontzette uit alle zijne rechten en bedieningen, en een’ ketterschen bedienaar (domine) in diens plaats deed aanstellen. Gedurende vijftien jaren, zegt men, heeft laatstbedoelde alhier zijne bedieningen uitgeoefend, waardoor bijna alle goederen en renten der pastorij zijn verloren gegaan. Ook de revenuën der beneficiën van O. L. Vrouw, van St. Antonius en van het H. Kruis zijn daarbij zoek geraakt. Zonder twijfel heeft de Heer van Holtmolen, als collator der pastorij dezen predikant aangesteld. Tweedens, kerk, school of schoolmeester hebben de Lutheranen of Galvinisten hier niet. Derdens, ik weet niet, en heb ook nimmer vernomen, dat een protestantsch minister, uit hoofde zijner bediening in Tegelen eenige goederen of renten bezat”. Zoover ons document. Dit zegt genoeg wat Tegelen van den kant der zoogenaamde hervorming moest ondervinden. Zij werd met geweld ingevoerd doch schijnt bij de ingezetenen hoegenaamd geenen bijval gevonden te hebben.

1578. Edoch niet alleen gewetensdwang onder den schijn van hervorming, maar ook de onheilen des oorlogs bezochten in die jaren het vreedzame Tegelen. Althans wij lezen in eene Chronijk van Roermond[25] dat de Spaanschen op den 12 Jan. 1578 met het gros van hun leger voortrukten naar het ambt Kriekenbeck, en op hunne doortocht, behalve andere plaatsen, ook de Gulicksche dorpen Tegelen, Kaldenkerken en Breijel zeer beschadigden.

1620. Toen het na den tijd der hervorming tot vrede was gekomen, bleven de protocollen van kerkvisitatiën, testamenten, rekeningen enz., zorgvuldiger bewaard en verkrijgen wij dan ook meer en meer bijzondere gegevens over ons dorp. Zoo maken we thans op dat de gemeente Tegelen, van af het begin der zeventiende tot den aanvang van deze eeuw, weinig in zielental heeft toegenomen, alhoewel op dit oogenblik de bevolking driedubbel is. In 1620 telde Tegelen 246 communicanten, alzoo ongeveer 750 zielen. In 1815 waren nagenoeg 500 communicanten, bij gevolg niet meer dan 1300 inwoners; thans telt Tegelen 2200 zielen.

1627. Den 8 Januari 1627 verklaart koning Philips _Hans Willem van Baexem_ vervallen van zijn recht op de helft der tienden van Tegelen, en schenkt die aan den arme te Venlo, terwijl de andere helft aan de erfgenamen van _Toon Jacobs_ zal verblijven[26].

1637. De oudste doop- trouw- en sterf-registers te Tegelen dagteekenen van 1637 tot 1670. In plaats van familienamen vindt men daarin bij den doopnaam doorgaans dien van een of ander gehucht, straat of pachthoeve. Wel een bewijs, dat voor ruim tweehonderd jaren de familienamen hier weinig in gebruik waren. Zoo lezen we herhaaldelijk: Diedrik, Merie, Peirke enz. op gen Steijl, op de Hochstraet, aen gen Cruts, aen gen Siep, aen ’t Brukske, van den Baekenbosch, van den Haenert, van de Munt, op Heys, aen Lohé enz. Ook vindt men vaak den doopnaam gevoegd bij den naam van het ambacht des vaders, als: olieslegers, schreurs, mulders, schoemakers, custers, van den Brouwer of Brouwers, van den Smid of Smids; ofwel in het latijn ingeboekt, sartoris, molitoris, custodis, fabri-ferrarii enz. In voormelde registers staan, anno 1643, drie paar, die ten huwelijk werden ingezegend; zeven doopelingen, terwijl er even zoo velen overledene zijn opgeteekend. In 1645, huwde niemand, en werden er slechts drie ten doop gebracht; overlijden niet vermeld.

1645. De landschatting (churfürsterliche Steuer) bedroeg in de jaren 1645-1650 voor Tegelen 108 R. thaler of 589 Venlosche fl. De hoogst aangeslagene destijds waren: De Heer van Holtmolen voor 114 fl. Wilm Franssen 55 idem. Corn. In de Betouw, 38 idem. Jan van Aarssen 32 idem. De geringste betaalde 15 stuiver.

De pachthoeven, of boerderijen, waren voor tweehonderd jaren niet talrijker dan ze thans nog zijn. Ik vind de volgende:[27] _Hanraetshof_, thans Hanert genoemd, behoorende tot Holtmolen. _Merterhof_, gelegen op de _alde mert_, eigendom van den H. E. Receveur te Venlo. _Kasteelshof_ bij Holtmolen. _Bakenbosch_ ten zuiden van Holtmolen doch hierbij behoorend. _Bosserhof_ en _Linksterhof_ Venlowaarts en behoorende aan de Munt. Twee oude hoeven bestaan niet meer; de _Drumpsel_, welke broekwaarts lag tusschen Linkster- en Bosserhof, is opgeruimd in den Franschen tijd; de laatste pachter Peter Pubben overleed in 1775; en _Kruitserhof_, die in 1860 door een heerenhuis werd vervangen.

Voor 25 jaren is aangelegd geworden de grootsche hoeve Ulesheide op de Kaldenkerker grenzen. Op dat tijdstip worden aan den regeeringsraad te Bruggen opgegeven te Tegelen 26 paarden, 70 koeijen en 300 schapen.

Aan het Tegelsch archief ontleenen wij nog eenige bijzonderheden uit deze jaren betrekkelijk het huishoudelijk leven onzer voorvaders.--Voor pacht van één morgen land gaf men 8 vat rogge; voor kostgeld van lieden van geringen stand 7 kl. gulden per maand; voor één ton bier 5 kl. gld. de vaan[28] kostte 8 stuiver; voor bakloon van één vat rogge betaalde men 4 stuiver; voor een paar schoenen 1½ gld.; voor een linnen hemd 2½ gld.; voor één roggen brood 9 stuiver. Een kan wijn kostte 1½ schelling; eene halve dozijn kippen 1 gld.; een malder rogge 8 gld., gerst 8½ gld., haver 6 gld. en boekweit 5¼ gld. De gebrande steenen werden betaald de duizend met 7, eene kar kalk met 9 gld. Hoe gering over ’t algemeen deze prijzen ook schijnen, werden zij destijds hoog geacht; want de ontvanger der Broederschap van O. L. Vrouw o. a. verwittigde in Nov. 1645 alle belastingschuldigen van »de leveringhe te doen in claeren rog, off beij dezen continuerenden crijgh, imperial ieder malder te lossen nemlich met 8¼ gulden Venloiss current”.

1646. Het blijkt dat Tegelen nog al bezwaard werd met inkwartieringen en krijgslasten. Uit het jaar 1646 vinden we aangeteekend[29] dat de veldmaarschalk van Brederode zich van af den 10 October gedurende verscheidene dagen alhier met zeven regimenten kwam vestigen. Later meer daarover.

1670. Het kerkarchief geeft aan, dat er in de jaren 1670 en 1671 nog al belangrijke werken en herstellingen plaats vonden aan onze kerk. Vooreerst werden behoorlijk muren getrokken om het kerkhof, dat bijna de helft grooter was aangelegd. Ook werd, wegens het ingenomen voetpad langs de erven Kamp, een ruime en geregelde doorgang gemaakt naast kerk en het kerkhof naar het Betenveld. Inwendig, na schier alle meubelen te hebben geruimd, werd de kerk als ’t ware in een nieuw kleed gestoken. Een schoon en hoog hoofdaltaar uit Venlo herkomstig, kwam het oude, dat onbruikbaar was geworden vervangen; doch bij de huidige restauratie moest ook dit altaar wijken, als komende met den bouwtrant der kerk geenzins overeen. In beide zijpanden werden nieuwe altaren geplaatst; rechts dat van St. Martinus, patroon der kerk. De beneficiën van St. Antonius enz. aan dit altaar waren verloren gegaan. Links bleef het altaar van O. L. Vrouw, waaraan vroeger beneficieën van O. L. V. van SS. Mathias, Dionijsius en Margaretha gehecht waren. Een dubbel ruggewaarts aan elkander gehecht O. L. Vrouw beeld dooreen achttal engelen omringd hing oorspronkelijk in het transcept boven de Communiebank. Later heeft men deze beelden een geruimen tijd in de bergplaats opgesloten; doch het zeer verdienstig beitelwerk spoorde het tegenwoordig kerkbestuur aan om een dezer beelden te doen herstellen, hetgeen bij uitstek gelukte; het prijkt voor als nog op het altaar van O. L. Vrouw. De voormalige beelden van St. Antonius, Ste. Barbara en Ste. Lucia zijn in eere gehouden. Nog waren in 1671 uit Venlo aangebracht de twee nog bestaande biechtstoelen benevens een fraaije eiken Communiebank. De predikstoel werd in hetzelfde jaar verplaatst naar den kant waar hij zich nog bevindt; van waar dit fraai stuk kwam, hebben wij niet kunnen achterhalen. Het orgel met toebehoor, zeer voldoende voor deze kerk ook thans nog, werd gekocht in 1798, en komt uit de Munsterabdij te Roermond.

1676. Langen tijd moet het treurig jaar 1676 in het geheugen der Tegelschen gebleven zijn, immers zooals in den doopregister staat aangemerkt, woedde de dissenterie in zoo hevige mate, dat van Juli tot November niet minder dan drie en twintig inwoners overleden, van welke drie uit een huisgezin.

1679. Nauwelijks was deze geesel gekeerd, of de lasten van den oorlog deden zich gevoelen. Sedert eenigen tijd hadden de Franschen ons land overweldigd; zij eischten van de gemeente zeer drukkende contributiën en namen verscheidene reizen alhier met hunne troepen inkwartiering. De ingezetenen, toch al ruim bezwaard door allerlei uitgaven, konden bij hoofdelijken omslag niet voldoen aan het gevorderde, weshalve het bestuur in April 1679 eene leening van 100 R. daler moest aangaan. Bijna hetzelfde viel aan onze gemeente ten deel van den kant der Hollandsche troepen, toen deze ettelijke jaren later Venlo wilden hernemen[30].

1697. In October 1697, zoo lezen we in een aanteekeningsboekje van Pastoor Joan. Bongaerts, was de aartsdiaken van Kempenland, graaf van Berlo, benevens een secretaris, twee kapellaans en nog een bediende, per rijtuig met zes paarden bespannen, te Kaldenkerken aangekomen. Hij was vergezeld door een commissaris der hooge regeering van Dusseldorp. Deze Heeren kwamen den toestand der kerkelijke zaken opnemen[31]. Die stoet zou ook Tegelenwaarts zijn afgedaald, doch om den pastoor alhier, die ten naauwer nood genoeg bezat om volgens zijn staat te leven, onkosten te besparen, had de commissaris verkregen dat de herder tegen geringe bezoldiging, kon voldoen met persoonlijk naar Kaldenkerken te komen en aangifte te doen over zijne parochiale aangelegenheden.

Wat wij hier verder tot 1745 over ons vaderdorp mededeelen is getrokken uit de tamelijk nauwkeurige aanteekeningen van de twee pastoors Joan. Bongaerts en Nic. Smeets.

1700. Een beduidende diefstal greep plaats binnen onze kerk in den nacht van den 7 op den 8 April 1700. De dieven hadden zich onder de torendeur eene opening weten te maken en waren vandaar doorgedrongen tot in de sacristie, alwaar zij een’ zilveren kelk ontvreemden. Hierna openden zij geweldadig het tabernakel, en namen daaruit een zilveren ciborie benevens de zilveren vaten voor de HH. Oliën. In de kast van den zijmuur tegenover het hoofdaltaar stalen zij voorts de vaten voor het H. Chrisma en den H. Olie der doopelingen, benevens eene som gelds aldaar opgesloten. Nooit heeft men de daders kunnen achterhalen. Ettelijke dagen daarna zond de toenmalige pastoor van Blerick: Theod. van Panhuizen een’ noodkelk, kunnende dienen tot ciborie, een metalen kelk, twee vaten voor de HH. Oliën der kranken en twee voor die der doopelingen. De Blericksche pastoor behield zich echter voor, dat zoo ooit Blerick door diefstal, brand of ander ongeval mocht ontriefd worden, deze voorwerpen moesten teruggegeven worden. De begane diefstal scheen alom medelijden verwekt te hebben; althans op den vooravond van St. Martinus in dat zelfde jaar stapte de Prior van Kevelaar met name Féron, op zijne reis naar Roermond hier af, en verraschte den pastoor, in tegenwoordigheid van den toevallig aanwezigen pastoor van Neer en den schepen W. Franssen, op aangename wijze, door de schenking van een’ fraaijen zilveren miskelk op welks voet men ook nu nog leest: »desen kelck wert geoffert aen onse Lieve Vrouw tot Kevelaer” 1642. Ook gaf de pastoor van Velden bij Venlo aan onze beroofde kerk een’ tweeden zilveren miskelk ten geschenke. Eindelijk een jaar later ontving de pastoor van Tegelen uit handen van den kaplaan Leon. Mouts, uit Venlo, ook nog tot aanschaffing van het benoodigde, zes zilveren lepels en drie zilveren vorken van wege een onbekende weldoenster. Deze gift werd aangewend tot vervaardiging van een ciborie.

1701. Dit jaar bracht woelige en onveilige dagen. Men hoorde schier dagelijks van stelen, wanordelijkheden en oorlog. In den nacht van den 2 op 3 Juli, doorkruiste eene bende stroopers, voorzien van gevaarlijke wapenen en eenige wagens met zich voerende, de streken tusschen Kessel en Venlo; zij plunderden wat ze konden, tot zelfs de hooimijten van de grasweide, en lieten voornamelijk tusschen Tegelen en gemelde stad de sporen hunner vernieling achter.

De milde giften, waartoe gemelde diefstal velen had bewogen, deden gewis aan deze stroopers vermoeden, dat er schatten op de pastorij van Tegelen waren verborgen. Althans den 6 April vond men de deuren der pastorij ’s morgens onder de vroegmis door middel van sleutels en andere werktuigen geopend. Niemand was aanwezig. Op het slaapvertrek der dienstmeid hadden de ingedrongenen 10 of 11 patacons medegenomen; en van de kamer des pastoors hadden zij ongeveer 30 patacons geroofd. Dezen diefstal schreven sommigen toe aan twee Egyptenaars of Zigueners die in vrouwenkleederen vermomd, te voren om een aalmoes vragende waren bemerkt geworden. Omstreeks tien uren waren zij in de richting van Luith vertrokken alwaar zich destijds een troep dezer lieden had neêrgeslagen, doch toen ook van daar de wijk nam.

Den 27 Juli hieropvolgende, kwamen andermaal de Fransche troepen Tegelen bezoeken waarbij al de te veldstaande vruchten werden vernield. Bij die en dergelijke gelegenheden, kwamen de inwoners nog al eens in aanraking met de overmoedige soldaten. Zoo vinden we dat zekere Gerrit Bachus door een’ Fransch militair, nabij Bakenbosch door een baijonetsteek werd afgemaakt.

1702. In den oorlog der Spaansche troonsopvolging, stonden, gelijk bekend is, de Franschen den Spanjaarden ter zijde, tegen Duitschland, Nederland enz. Ten jare 1702, op Zondag na Paschen, trok Maarschalk Bouflers met een legerkorps van 30,000 man naar het ambt Bruggen, en kampeerde een tijd lang in het uitgestrekt Breijelsche veld.

Nog dienzelfden dag kwam ook een leger infanterie hier aan en sloeg zijne tenten op aan Boschkamp. Wat toen nog van veldgewas en struikhout was overgebleven werd door dezen buit gemaakt, de stroodaken zelfs bleven niet gespaard. Den 15 derzelfde maand keerden van de eerstgemelde de cavaleristen terug en legerden aan de Zandheuvels die Steyl van Tegelen seheiden; overal brachten zij de schandelijkste verwoestingen aan en vertoefden langer dan eene gansche week. Eene herbergierster, te Steyl, werd bij die gelegenheid ter oorzake van moeijelijkheid bij betaling, in haar eigene woning vermoord. Dit leger bestaande uit 10,000 manschappen voerde eene kudde ossen met zich van minstens 1000 stuks. Deze moesten gevoed worden, en nu, als zich licht laat denken, verdween letterlijk alles uit het veld tot zelfs de opschietende rogge en tarwe. Den 27 Juli, alzoo twee maanden later, keerden de overigen van Rouflers leger terug onder het opperbevel van den hertog van Bourgondië. Zij moesten te Tegelen overnachten. Het voetvolk zocht plaats in het broek en aangrenzende bosschen, terwijl de kale weilanden en velden, de ledige schuren en stallen door de ruiters werden ingenomen. Ook kwamen op den 29 Juli, de Brandenburgsche troepen alhier, namelijk toen het zich gold het fort St. Michaël te bestormen.

1703. Op deze droevige tijden, volgde gelukkig een allervruchtbaarst jaar. De meergenoemde pastoor Bongaerts noemt 1703 »annus fertilissimus in campis et pratis, in vineis et hortis,” een jaar zeer vruchtbaar zoowel wat veld en weiland, als wat vruchtboomen en kruiden betreft, en hij laat volgen: »crijgh en brandt, segent Got met voller handt.”

1712. De reeds vroeger gemelde aartsdiaken, graaf Ferdinand Maximiliaan Van Berlo, deed in 1712 andermaal eene kerkvisitatie ten onzent. Bevindende dat de pastoor van Tegelen zeer ontriefd was geworden door de scheiding van Belfeld, beval hij dat het plaatselijk bestuur zich te dien aanzien zoude wenden tot de keurvorstelijke regeering van Dusseldorp. Ook gebood hij den Heer van Holtmolen, Baron Van Hunt, het middenschip der kerk in behoorlijken staat te brengen, en voorts den benoodigden olie voor de godslamp te verschaffen, waartoe genoemde baron als collator en bezitter der meeste groote tiende, verplicht was. De overige tiendenaars, werden mede ernstig aangespoord om fe zorgen voor de herstelling van den toren en de zijpanden der kerk, welke taak sinds eenigen tijd ten onrechte der kerkfabriek was opgedrongen geworden[32].

1718. Op het jaar 1718 treffen wij den Baron _de Wittenhorst_, als keizerlijke Postmeester; (magister postarum;) en in 1720 _Balthasar von Rees_, als Postbestierder; (officialis postarum).

Hieruit maken wij op, dat de van oudsher alhier bekende _paarden- en brievenposterij_, ten minste dagteekent van den beginne der vorige eeuw. Latere postdirecteuren alhier waren Wilhelm _Franssen_ in 1714, Jacob _Franssen_ in 1785 en laatstelijk Gaspar _Franssen_.

Het grootsche gebouw, dat van 1730 tot aan de Fransche revolutie tot posterij diende, is gelegen in de kom der gemeente en wordt voortdurend het _Posthuis_ genoemd. Het is thans het eigendom van den Heer L. Gitmans wethouder.

De briefwisseling werd onderhouden door courriers te paard. Een uit Arcen kwam hier geregeld de brieven afhalen die voor Nijmegen bestemd waren, terwijl een ander uit Dahlem de brieven van hier medenam naar Gulick. De paardenposterij had hier acht paarden in dienst; doch dikwijls ook moesten de boeren, tegen bezoldiging, eenige diensten verrichten met het aanspannen van benoodigde hulppaarden. In 1800 verlegden de Franschen onze briefposterij naar Venlo, terwijl in 1812 ook de paardenposterij derwaarts verplaatst werd. Nimmer was de paardenposterij zoo druk in de weer als op het laatst van het Fransche keizerrijk[33].

1735. De pastoor van regelen Heer _Nicolaas Smeets_, heeft over het jaar 1735 het volgende ingeboekt: »In dit jaar sijn geweest dry groote plaegen te weten: Hagelslagh, waerdoor over de halfscheidt der vruchten sijn beschaedigt; deze kwam ten tijde dat de rogge voor een groot deel gemaijt was. Daerna is gevolgt hevige windslach, en toen overvloedighe regen, waerom ick genoodzaakt ben geweest de tienden door pachters voor kaef en stroo laten in te vaeren. Voor wat ick heb getrokken hebben sij gedorsen omtrent veertien dagen, want hebben sovele dagen eenen dorser naer Belfeld gesonden, denwelken ick selfs betaelt heb veor iederen dag 9 stuiver en darenboven is mij opgedrongen, dat ich voor dien dorser moest missen: een cop vruchten daags, wesende soveel als kostgeld; hetwelck in het toekomende niet mag geschieden, want die dorser werkt voor de pachters.”

1740. Nog verhaalt hij, hoe in 1740 een lange en allerstrengste winter heerschte. De Maas zette zich dicht den 9 Januarij om eerst den 12 Maart los te breken. Daarna viel nog in de maand Mei overvloedige sneeuw, zoodat de rivier verscheidene reizen hare bedding verliet. En wij noemen 1840 het koud jaar!

1745. In de jaren, die den vrede van Aken voorafgingen (1748) en gedurende welke de keizerskroon aan Maria Theresia werd betwist, had Tegelen meer dan ooit door overlast van krijgsbezetting te lijden. Wat wij daaromtrent laten volgen is getrokken uit de breedvoerige opgaaf van den schepen en postmeester Wilm Franssen, met het doel om van de keurvorstelijke regeering schadeloostelling te bekomen[34]. Van de bondgenooten waren het vooral de Engelsche, de Hollanders en de Hanoveranen, die ons lastig vielen. In den zomer des jaars 1745 bleven zij gedurende zeven weken alhier kamperen. Op het huis de _Munt_ waren gedurende drie dagen gelogeerd de Engelsche generaal, Milord _Rothes_, benevens hofmeester en secretaris, en nog twaalf bedienden met even zoovele paarden. Gedurende 42 dagen vertoefden aldaar de generaal-en-chef van het Hanoveraansch leger, met name _Von Somerfeld_, ook met hofmeester, secretaris en al wat bij een hoofdkwartier behoort, zoodat het geheele kasteel al dien tijd tot hunne beschikking stond. Nog verbleven een paar dagen op de Munt de Engelsche generaal _Okdon_ 40 knechten en 14 paarden, en de Hanoversche generaal _Montigné_ met 15 paarden, gedurende 40 dagen. Tusschen beide kwamen zich aldaar nog vestigen de Hollandsche generaal Glinstrà met twee luitenants, de Engelsche generaal graaf van _Albermarle_ en de Hanoversche generaal _Hamerstein_ met een groot gevolg van ruiters. Voor den eigenaar van de Munt waren de gedane onkosten en geleden schade geraamd op 370 Rijksdaler. Het huis _Holtmolen_ had 42 dagen lang geherbergd den Hanoverschen generaal _Drûckleben_ met diens zoon, eenige adjudanten en een twintigtal bedienden met 30 paarden. Nog hebben aldaar gelogeerd gedurende drie dagen, de Engelsche generaal _Ligonies_ met eenige adjudanten en 20 knechten. Voor den Heer van Holtmolen was eene rekening opgemaakt van 135 R. daler. Bij _Wilm Franssen_ vertoefden zes weken zekere Brùckmann, generaal van een Hanoversch regiment, met zijn zoon, den kapitein en verscheidene bedienden met 40 paarden. De rekening voor _W. Franssen_ beliep 156 R. daler. _Jacob Canoy_ had 40 dagen lang ter inkwartiering een’ Hanoverschen generaal en een’ cipier, en 42 paarden; de kosten werden berekend aan 126 daler. Op _Bosserhof_ verbleven zeven weken lang de generaal _van Vrede_ met acht bedienden en 27 paarden; onkosten geschat op 115 daler. _Leonard Van Dijk_ kreeg 42 dagen ter inkwartiering twee Hanoversche majoors, vier trompetters benevens 16 knechten met 21 paarden; onkosten: 114 daler. Bij _Wilm op Kleef_ bleven zeven weken de Hannoversche kolonel _van Harderberg_ met 15 knechten; onkosten 90 daler. Bij _Joan Engels_ een generaal-adjudant der Engelschen met verscheidene bedienden; onkosten 70 daler. Een oberauditeur der Hannoveranen woonde eenigen tijd bij _Elias Bourgondis_, die daarenboven vele zaken geleverd had aan de Hollandsche troepen, wanneer deze over de heide naar Venlo rukten; kosten gewaardeerd aan 50 d. Aan _Jan van de Speelhof_ kwamen van wege het Hannoversch lazareth gedurende 42 dagen, 54 daler toe. Aan _W. van der Coulen_ wegens eene vrijpartei, die wacht hield, eene Hannoversche ordinance en 18 sergeanten, beliep 44 daler. Een kwartiermeester der Hannoveranen met knechten waren 42 dagen bij _Pet. Fegers_; daarvoor 33 daler opgegeven. _Jan op Kleef_ gaf onderdak aan vier Engelsche luitenants, vier ammunitie-aanvoerders en eene marketenster met twee knechten, onkosten 45 daler. Bij _Paulus Theeuwen_ logeerden de Hannoversche majoor Piquord met zes bedienden en 22 paarden gedurende zes weken, onkosten 52 daler; bij _Hubert Thijssen_, logeerde een’ veldpostmeester van de Engelschen met 10 paarden, benevens een’ opperkwartiermeester, gedurende zes weken, onkosten 53 daler. _Gerard Märts_, moest zijne woning afstaan en verhuizen voor een Hannoversch obrist-luitenant, waarvoor berekend werden 34 daler. Zoo waren er nog vele anderen in Tegelen, die aldien tijd kost en woning moesten verschaffen aan de troepen. De Hollandsche en Hessische soldaten hadden minder hinder gebracht. De slotsom der onkosten van deze inkwartiering beliep 6684 _Rijksdaler_. De schade veroorzaakt aan veldvruchten, huizen, houtgewas enz., alsmede de onkosten der leveringen voor manschappen en paarden gaven een totale rekening van niet minder dan 26338 daler. Wij hebben niet kunnen achterhalen, in hoever hieraan door de Hooge Regeering is voldaan geworden. Deze rekening werd opgezonden in 1755.

1749. Den 7 Juli 1749 werd te Bruggen aan een groot getal parochianen van Tegelen het H. Vormsel toegediend.