Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl
Part 1
Chronologische beschrijving VAN TEGELEN,
BENEVENS AANTEEKENINGEN
OVER
BELFELD EN STEIJL,
DOOR
G. PEETERS,
Kaplaan te Blerick.
TEN VOORDEELE DER KERK.
Combien j’ai douce souvenance Du joli lieu de ma naissance. CHATEAUBRIAND.
1876.
ROERMOND,
SNELPERSDRUK VAN J. J. ROMEN.
CHRONOLOGISCHE BESCHRIJVING VAN TEGELEN, BENEVENS aanteekeningen over Belfeld en Steijl.
INLEIDING.
_Tegelen_, één der oudste dorpen onzer gewesten, is in den loop dezer eeuw in bevolking, en bij gevolg ook in getalsterkte van woningen en gebouwen merkelijk aangegroeid. Het zou thans zeer zeker een der sierlijkste wezen onzer provincie, ware bij het bouwen van nieuwe huizen de regelmatige aanleg in acht genomen.
De gemeente telt heden nagenoeg 2200 inwoners, die allen, behalve eenige vreemde ambtenaars, den katholieken godsdienst belijden.
De dubbele rij huizen van af den ingang des dorps aan de Venloosche zijde, tot aan het statige Posthuis, alsmede de gebouwen rondom de marktplaats genaamd _Lichtenberg_, vormen de eigenlijke kom.
Eene groep, liggende nabij de kom op gelijken afstand om een’ gemeente-put, wordt bij voortduring de _alde mert_ geheeten. Het naar den westkant niet ver verwijderd gehucht _End_, vroeger het uiteinde van Tegelen, is tegenwoordig eene straat. De _Hoogstraat_ loopende tusschen het dorp en de Maas, leidt van End over de alde mert naar Venlo. Eene reeks schoone huizen, zuidwaarts van de kom naar het gehucht _Kruis_, draagt sedert het bestaan van het Station aan den staatsspoorweg 1866, den naam van _Spoorstraat_. Het hagelkruis, dat aan laatstgenoemd gehucht den naam gaf, alsmede bijstaand kapelletje, zijn over weinige jaren eerst geruimd.
Men telt wijders de gehuchten _Nabben_ en _Siep_, voorheen genaamd _Overtegelen_, _Leemhorst_ en de _Berg_, welke weinig verandering hebben ondergaan. De meeste nieuwe huizen worden nog voortdurend gevestigd in de helling der zandbergen, die Tegelen scheiden van Steijl. Meestal wonen hier fabriekarbeiders, en wordt ten deze hoofdzakelijk de zoo goedkoope prijs der bouwplaats waargenomen.
Een beduidend deel van Tegelen is wel het gehucht _Steijl_, tellende ruim 250 zielen. Een sierlijke kerk, die de aloude kapel in 1857 heeft vervangen, eenige fraaije lusthuizen met aanhoorigheden, alsmede de bekoorlijke ligging op den stijlen Maasoever, maken het uiterst lief.
Er bevinden zich verder in deze gemeente twee prachtige kasteelen met grachten en boschages omgeven, _Holtmolen_ ten zuiden, en de _Munt_ ten oosten des dorps, benevens het slot _Wambach_ nabij de pruisische grenzen.
De groote landsweg van Venlo naar Maastricht doorsnijdt de gemeente Tegelen op hare gansche lengte; en terwijl de grintwegen van Steijl over Kruis, en van Tegelen over de Munt, naar Kaldenkerken alle gemeenschap op het gemakkelijkst hebben gemaakt, zijn de twee holle en bange straten, Berkerstraat (van Kruis naar Steijl) en de Bongerstraat, (van het dorp naar de Munt) geheel verdwenen.
De grond alhier is licht en zanderig; de in de laatste jaren ontgonnen en nog te ontginnen broekgronden alleen uitgezonderd. Men vindt er slechts vijf of zes pachthoeven. Het voorname bestaan der ingezetenen van Tegelen is dan ook pan- en potbakkerijen, handel en nijverheid.
Uit de grensbergen ontspringen eene menigte waterbronnen, welke, na gezamenlijk molens en vischvijvers te hebben geriefd, zich tot vier heldere beeken vormen, die zich in de Maas ontlasten. Het zijn de _Wilderbeek_ aan de Venloosche en de _Aalsbeek_ aan de Belfelder grenzen; de _Munterbeek_ dwars door de kom, en de _Steijlerbeek_ loopende van Broek over Kruis naar Steijl.
Over het algemeen verdient Tegelen onder de gezondste plaatsen van Limburg gerekend te worden; ook biedt het langs talrijke lanen en wandelwegen verscheidene bekoorlijke buitens aan.
Tegelen heeft eene uitgestrektheid, bestaande in bouwland, weiland, hout en moeras, van ruim 947 bunder; aan buurtwegen 57, aan kiezelwegen 5 en aan water 30 bunder, totaal 1039 bunder.
Het is van dezen ons zoo dierbaren vadergrond, dat wij eenige gebeurtenissen der vergetelheid wenschen te onttrekken, door de volgende naar tijdrekening verzamelde aanteekeningen.
In eene eerste afdeeling doorloopen wij de lotgevallen van Tegelen in het algemeen, terwijl eenige bijzonderheden den inhoud eener volgende afdeeling zullen leveren.
EERSTE AFDEELING.
Chronijk van Tegelen.
De oudste bescheiden die van Tegelen gewagen, noemen deze plaats: _Tichlouw_, _Tiglau_, _Teglo_, _Tegelon_.
In de handschriften der vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw vindt men den naam: _Thygelen_, _Tyghelen_, _Thiegelen_, _Thegelen_, doch nadien niet anders dan Tegelen. Er zijn er, die deze benaming afleiden van het nederduitsch woord _tigchelen_, dat heet baksteenen vervaardigen; anderen zoeken den oorsprong in het latijnsch woord _tegula_, dakpan. Een en ander wijzen op den zich alhier bevindenden klei of leemgrond tot vervaardiging van steenen, pannen en potten, die reeds vroegtijdig eene menschengroep naar deze »tigchelouw” schijnt geroepen te hebben.
Trouwens de herhaaldelijke opdelving van romeinsche zoowel als germaansche voorwerpen, staven deze bewering. In de groeven, waaruit nog voortdurend de pan- en potaardgrond wordt opgehaald, heeft men in 1841 en daarna nogmaals een menigte romeinsche baksteenen, dekpannen, urnen en andere voorwerpen van dien oorsprong opgedolven. Wel een bewijs dat onze pan- en potfabrieken reeds tijdens het romeinsch tijdvak in werking waren, en dat bij gevolg ons dorp van vóór 16 eeuwen dagteekent[1]. Dergelijke vondsten hebben op Belfelder grondgebied plaats gehad. Den Heere H. Justen, te Venlo, gelukte het tevens voor ettelijke jaren op de grenszijde van genoemde stad een romeinsche begraafplaats te ontdekken, terwijl op dezelfde heide niet ver van de hoeve »Uleshei”, ter plaatse genoemd »_landweer_”, een romeinsch kamp schijnt gevestigd te zijn geweest, waarvan de loopgraven zich nog zichtbaar voordoen. De ligging van Tegelen op den oever der Maas en aan den romeinschen landweg van Coriovallum op Castra Vetera, en bijzonderlijk de rijkdom van haren bodem aan potaarde, schijnen oorzaak geweest, dat zich hier eene kolonie pan- en potbakkers heeft neergeslagen, die sedert dien hare waar naar alle winden verspreid heeft. Dit verkeer heeft gewis een zekere beschaving, en genoegzamen voorspoed bij onze voorouders verwekt. Daarbij hebben de bewoners zeker, gelijk thans, landbouw en veeteelt behartigd, zoodat men hun geen betrekkelijken welstand kan ontzeggen.
495. Aan de Romeinen volgden, op onzen vader-grond, de Franken, die zich na de bekeering van Clovis, tot een christelijken staat vormden[2]. Uit de geschiedenis leeren wij dat ten tijde van den H. Lambertus, bisschop van Maastricht, (690) onze streken reeds veelal tot het christendom bekeerd waren. Er woonden nog alleen heidenen in de barre zandwoestijnen der Kempen[3].
720. Uit het frankische tijdperk vernemen wij nopens Tegelen, dat er reeds ten tijde van den H. Plechelmus, omstreeks het jaar 720, eene kerk zou gesticht zijn ter eere van den H. Martinus. De geloovigen uit Venlo (alwaar eerst in 760 eene kerk werd aangelegd,) zegt men, kwamen toen alhier hunne godsdienstoefeningen verrichten. Dit feit, hetwelk, zoover wij weten, op geen oude bronnen steunt,[4] heeft op zich zelven beschouwd, niets ongeloofelijksch.
999. Op het einde der tiende eeuw, namelijk in 999, werd Tegelen onder kerkelijk opzicht, door den aartsbisschop van Keulen, tot wiens bisdom het oorspronkelijk behoorde, afgestaan aan den bisschop van Luik. Als dusdanig maakte ons dorp deel uit van het concilie van _Wassenberg_ en het aartsdiaconaat van _Kempenland_ tot nog op het laatst der verloopene eeuw[5]. Ziehier op welke wijze deze ruiling plaats greep. Evergerus, aartsbisschop van Keulen, zag ongaarne dat het klooster te Gladbach, zoo rijkelijk door zijne voorgangers gedoteerd, zich in een ander bisdom bevond. Hij beriep daarom de monniken van Gladbach naar de kerk van St. Martinus te Keulen en gebood hun alle heilige relikwieën mede te voeren. De H. Vitus intusschen, ontevreden over de verplaatsing der abdij, gaf, bij een nachtelijke verschijning den bisschop hierover eene ernstige vermaning. Evergerus gansch ontroerd, legde alsdan de belofte af, van de monniken met de H. Relikwieën te laten heengaan, hun vroegere rechten en bezittingen te herstellen en eindelijk Gladbach van het bisdom Luik te scheiden. Dit volbracht hij door de drie keulsche kerken: Tegelen, Lobberich en Venlo te ruilen tegen Gladbach en Reith[6].
1202. Uit hetgeen nader blijkt, was Tegelen vroegtijdig eene _Heerlijkheid_. In 1202 doet zich zekere _Reinier Van Tegelen_ voor onder de ministeriels[7]. Eene familie genaamd _Van Tegeln_, uit welke in 1386 _Bernhard_ onder den kleefschen adel voorkomt, voerde als wapen: drie gouden leeuwen in een rood veld: op den gekroonden helm een dubbel rechtstaanden leeuw[8].
1326. Het goed _Wambach_ onder Tegelen is ook van zeer oude dagteekening; althans wij vernemen dat »de Hoff to Wambeke, met der moelen thiende, ende rente die daertoe behooren; Item de hoff to Hadem ende dat daertoe behoort, helt: _Henrick De Lange Van Criekenbeck_, anno 1326”[9]. Later kwam dit goed aan de Heeren van Holtmolen.
1402. De aloude Heerlijkheid Tegelen met toebehoor,[10] zoo vinden wij vermeld, benevens de kleine tienden aldaar; verder het _jus patronatus_ of vergevingsrecht der kerk aldaar even als te Breijel en gedeeltelijk te Beesel; nog het huis Holtmolen met de groote en kleine tienden aldaar, en Steijl aan de Maas met den hof Bongaert kwamen in het jaar 1402 toe aan Otto van Holtmolen.
1425. Johan van Holtmolen ontving in 1425 de _Heerlijkheid Tegelen_ met al haar toebehoor gelijk dezelve van oudsher gelegen was in het ambt Bruggen[11].
1433. De eerste melding, die wij van de pastorij te Tegelen kunnen maken, is de volgende: Den vierden April 1433 op St. Franciscusdag, verpacht Hendrik van Holtmolen pastoor te Tegelen aan Daemen van den Bruele genaamd van Brempt, een kleinen grint gelegen te _Bergh_ op de _Ruyren_, voor een tijdvak van tachtig jaren, tegen den jaarlijkschen pachtprijs van 20 Bodregers, Roermonds geld.
1436. Het adellijk goed _Holtmolen_ schijnt van oude dagteekening te wezen. Althans wij vinden, dat de gebroeders _Godart_ en _Engelbert_ van Holtmolen onderteekend hebben, het verbond, hetwelk de steden en de ridderschap tegen Arnold van Gelder in 1436 hadden aangegaan. Tevens wordt gezegd dat dit Holtmolen bij Tegelen was gelegen[12].
Het voormalige Slot _de Munt_ was omstreeks 1550 nog bewoond door _Gerhard van Holtmolen_[13].
1430-1450. De tegenwoordige kerk van Tegelen dagteekent uit de eerste helft der vijftiende eeuw; onder meer dan een opzicht verdient zij onze aandacht. Zij heeft een hechten en reusachtigen toren van 30 meter hoogte aan muurwerk; de spits is vierhoekig doch laag. In de twee bovenste vakken aan elke zijde des torens behalve aan den zuid-oosten kant alwaar de torentrap is opgetrokken, bevinden zich drie naast elkander staande blindvensters met sierlijke frontons uit zandsteen, die hier en daar door den tand des tijds beschadigd zijn. De kerk zelve heeft slechts eene lengte van ruim dertig meter, doch telt zestien meter in de breedte. Pijlers zijn vier in getal en vormen twee zijbeuken, die elk door drie schoon gekleurde vensters worden verlicht[14]. Dit was hare toestand in 1874, toen zij merkelijk vergroot en hersteld werd. Die vergrooting bestond in het aanbouwen van een nieuw koor ter lengte van vier meter en het doortrekken der zijpanden op gelijke lengte zoodat ze met twee pijlers en twee vensters is vermeerderd. Wijders heeft men den tempel door uitbouwen tot een heerlijke kruiskerk hervormd. Het alles brengt thans een juiste evenredigheid te weeg tusschen toren en kerk, en, wat de voorname zaak was, vormt nu een’ tempel, die het volkrijke Tegelen kan gerieven. Was vroeger de oppervlakte der gansche kerk honderd negentig vierkante meter, thans beslaat zij drie honderd dertig meter.
Onder het voormalige koor der kerk bevindt zich een grafkelder van zes meter vierkant. Laatstelijk werden daarin bijgezet de stoffelijke overblijfsels van Pastoor Nic. Smeets in 1728, en van Jan Josef Van Wevelickhoven, Heer van de Munt, in 1742. Verder zijn er aanwezig twee kleinere kisten zonder eenige aanwijzing[15].
Zooals het opschrift aantoont, en overigens bewezen is, werd in 1609 de Tegelsche toren voorzien van de nog bestaande groote klok. Haar opschrift luidt:
»† Maria heisse ich Lebendige ruf ich Todten beschrei ich Jan von Trier hatt mich gegossen, anno 1609.”
Zekere Louïs van de Mortel uit Venlo heeft ze in November 1609 geplaatst en het noodige ijzerwerk daartoe geleverd; hij kreeg tot loon 75 venloosche gulden. Naar deze klok werd in vorige eeuwen de onderhoorigheid aan dit kerspel vermeld door de woorden: »onder desen klockenslagh,” immers zij was de bannaalklok. Haar gewicht bedraagt 7000 kilo’s. De tweede klok, wegende nagenoeg 4500 kilo’s, werd in 1830 uit een vroegere kleine met toevoeging van nieuw metaal, vervaardigd door J. Groulard te Tongeren; zij draagt het volgende opschrift:
»Deze klok verschuldigt de gemeente aan Koning Wilm I. Burgemeester W. Kamp. Pastoor J. Orths. Peter P. M. Canoy, meter Mevr. de Rijk geb. de Koning. Zij roepe de geloovigen ten tempel.”
De derde of kleinste klok, ongeveer 80 kilo’s wegende, is uit het begin dezer eeuw; hoewel fijn van metaal en helder van klank, stemt zij geenszins met de twee vorige overeen. Men noemt haar _bimke_.
Het uurwerk in den toren werd aangebracht in 1664 door Frans Ter Broink uit Wachtendonck voor de som van 224 kl. gulden, gelijk eene rekening vermeldt. Van toen af tot 1680 placht jaarlijks een deskundige uit Dulken herwaarts te komen om het raderwerk te herzien en genoot daarvoor iedermaal een Rijksdaler en vrijen kost.
Onder het civiel opzicht behoorde Tegelen tot het hertogdom Gulick en maakte voortdurend daarvan deel uit tot op het laatst der vorige eeuw. De regeering van ons dorp stond onmiddelijk onder het ambt Bruggen en wijders onder het bestuur van Dusseldorp. Diensvolgens was bij onze voorouders de duitsche taal de officieele, zoodat nog in den beginne dezer eeuw gedeeltelijk duitsch en gedeeltelijk hollandsch werd onderwezen in de school en slechts in 1841 de eerste pastoor werd aangesteld die uitsluitend in de hollandsche taal predikte of onderricht gaf. Vandaar is ook nu nog bij velen in gebruik het cijferen en rekenen in kleefsch geld, en het bezigen van duitsche uitdrukkingen meer dan bij de naburen.
1473. Eene akte van wege de regeerders van Tegelen, onder dagteekening van den 30 April 1473, en strekkende ter verzekering eener jaarrente ten voordeele van den arme, meldt onder anderen de volgende omstandigheid: »want wij gemeijnde schepen geijnen seghel en hebben, hebben weij gebeden ende bidden den eersamen en weijsen mannen van Kaldenkerchen ende Bracht, dat sij aen desen brieff haeren seghel willen hangen; dat sij voirs. schepen gherne gedan hebben om rede wijl der gemeijnde schepen van Thijgelen voirsbeheltenis heer van den landes rechten end mallich seijner rechten”[16]. Het latere zegel dezer gemeente droeg het beeld van den H. Martinus te paard.
1526. De bank of het gerecht van Tegelen was van oudsher samengesteld uit zeven schepenen, van welke de oudste voorzitter (vorsteher) was. Bij gebrek aan meerdere bescheiden kunnen wij alleen de volgende lijst van scholtissen en schepenen geven:
In 1526 was Theodoricus Ploenis, schout.
» 1594 » Peter Smits, vorsteher; zijne ambtgenooten verklaren niet te kunnen schrijven.
» 1620 » Stephan Beekmann, vorsteher. Gerrit Aen gen Steijl, } schepenen. Mathis Strouck, }
» 1631 » Gisbert Kampp, Gerrit van Bakenbosch, } Thys Weggers, }
» 1636 » Gerrit Vervoort, vorsteher. Johan Smits, } Gerret Smeets, } schepen.
» 1653 » Jan Alerts, schout. Peter Rieversthal, schepen.
» 1667 » Jost op Steijl, burgemeister.
» 1680 » Jan Ronck, idem. Micheel in de Betouw, schepen. Wilm Franssen, idem.
» 1707 » Conraed op Heijs, idem. Gaspar Ronck, idem.
» 1715 » Joh. Kampp, schout.
» 1726 » Wilm Bongerts, schepen. Jacob Canoij, idem.
» 1735 » Ant. van Aarssen, vorsteher. Jacob Kruisbergh, schepen.
» 1750 » Wilm Kampp, schout. Jac. Laeden, schepen. Andreas Schinck, idem.
» 1760 » Wilh. Franssen, oudste schepen.
» 1771 » Hendrik Theeuwen, vorsteher. Jan Mingels, schepen.
» 1774 » Pieter Gubbels, oudste schepen.
» 1783 » Joannes Goossens, burgemeester. Jan Denissen, schepen.
Van 1798 tot 1806 was Ant. Thijssen, meijer van den conseil municipal.
» 1806-1807 » Wilm Houda en } fungerende Balthasar de Hasenbach } meijers.
» 1807-1830 » Wilm Kamp, burgemeester.
» 1831-1836 » Jan Josef Ronck, idem.
» 1836-1848 » Peter van Leipzig, idem.
» 1848- » Peter Kurstjens, fungerend burgem.
» 1848-1852 » Gerard de Rijk, burgemeester.
» 1852-1862 » Louise de Rijk, idem.
» 1862- » Jan van Leipzig, fungerend burgem.
» 1862-1868 » Jacob Beelen, burgemeester.
» 1868- » Stephanus Houba, idem.
Op heden bestaat het bestuur verder uit twee wethouders die men schepenen pleegt te noemen en vijf andere raadsleden, benevens een secretaris. Ook heeft de gemeente zijn bode of veldwachter, naast een rijksveldwachter die voor zeker district wordt aangesteld. De gemeenteontvanger noemde zich voorheen _tölner_[17].
Het gebouw, voorheen de school en kosterswoning, dient sedert 1818 tot vergaderplaats van het gemeente bestuur. Het is klein, en belemmert zeer den vrijen toegang tot, en het uitzicht op de kerk. Het ziet naar een beter en doelmatiger uit.
1526. Te Steijl onder Tegelen lag van oudsher eene kapel toegewijd aan de HH. Fabianus en Sebastianus. Een stuk uit 1526[18] verhaalt ons hoe de belangen van den dienstdoenden rector aan deze kapel meermalen voor het Geldersch hof waren in behandeling gekomen, en deze nu voor goed in bezit wordt gesteld van woning, tuin en landerijen gelegen deels te Steijl deels in den kring der moederkerk Tegelen.
In dit zelfde stuk wordt bij uiterste wilsbeschikking van zekere _Thomas_ en _Sophia_ echtgenooten ten gevolge der schenking van voornoemde goederen, bepaald, dat bij elke vacatuur van het rectoraat, een geestelijke candidaat uit hunnen bloede, of bij gebrek van dezen, een geestelijke uit het stadje Kempen, mits vereischte hoedanigheden bezittende en goedkeuring des pastoors van Tegelen, aan de onderhavige kapel zou worden aangesteld. Tot last had de rector wekelijks twee missen ter intentie van de stichters te lezen. Deze akte werd opgemaakt en bekrachtigd door den toenmaligen schout Theodoricus Pleunis in 1526.
1540. Van het jaar 1540 weten wij dat Gerard van Holtmolen en Elisabeth van Ympel zijne huisvrouw verkoopen aan Jan Drijvenen, Chrystoffel van Duersdal en Jan Golstein als man en momber van Heelwech van der Kranken zijne huisvrouw collatoren van het altaar van O. L. Vrouw, SS. Mathias, Remigius, Dionijsius en Margaretha in de kerk van Tegelen, eene jaarrente van 20 goudgulden ten laste der hoeve Bongaert aldaar, tot instandhouding eener dagelijksche mis. Rector van dit altaar was toen de Heer Bernard van Besel. Wijl de hoeve Bongaert leenplichtig was van het huis Holtmolen, gaven Florens van Holtmolen en zijne leenmannen Jan Stalberge doctor in de rechten en Hendrik Berrevelt daartoe hunne goedkeuring[19].
1571. Zeer belangrijk in de geschiedenis onzer parochie is het volgende feit, dat in 1571 plaats had. Tot dusverre was de kapel van Belfeld, toegewijd aan den H. Urbanus, eene filiaal van Tegelen. Bij de oprichting van het bisdom Roermond in 1561, werd Belfeld, wijl het onder civiel opzicht tot Gelderland en het ambt Montfort behoorde, in dit nieuwe bisdom opgenomen, terwijl de moederkerk van Tegelen, op Guliks grondgebied gelegen, onder het bisdom van Luik bleef. Zulks gaf in 1571 aanleiding tot eene scheiding[20]. De beweegredenen daartoe waren: de verre afstand der ingezetenen van Belfeld en Geloo van de moederkerk, en de noodzakelijkheid waarin zij verkeerden van in aanraking te moeten komen met inwoners eener gemeente, waar men sinds eenige jaren kettersche denkbeelden was toegedaan, en waar zelfs de bedienaar der godsdienstoefeningen een aanhanger der ketterij was. Tot onderstand van den pastoor aan die nieuwe parochie, werd de helft der tiendevruchten, bestaande uit 49 malder rogge en 1 malder haver van den pastoor van Tegelen aangewezen. Deze scheiding van kerken was bewerkstelligd geworden door den bisschop van Roermond, terwijl de verdeeling der tienden was bevolen door den aartsbisschop van Mechelen, doch een en ander geschiedde ondanks het gemeentebestuur en den pastoor van Tegelen. Vandaar eene reeks van processen. De ingezetenen van Tegelen wendden zich herhaaldelijk tot de keurvorstelijke regeering[21], en die van Belfeld tot het Geldersch hof te Roermond.
Intusschen bleef tot 1675, alzoo langer dan eene eeuw, de tijdelijke pastoor van Tegelen de nieuwe parochie voortdurend bestieren, las er des Zondags en twee maal in de week de H. mis of deed die door een’ anderen lezen. Daar evenwel gemelde tienden schier allen gevestigd waren op landerijen in Belfeld en Geloo gelegen, zoo lieten de ingezetenen dier plaatsen niet na de helft daarvan ten voordeele van een’ resideerenden pastoor te Belfeld in te vorderen.
Eerst in December 1696 besloot de pastoor van Tegelen Joan. Bongaarts, inziende dat het hof van Roermond die van Belfeld steeds zou ondersteunen, het geschil voor zich persoonlijk te staken, en kwam met het bestuur van Belfeld in dezer voege overeen: den pastoor van laatsgenoemde plaats (toen reeds benoemd) zou 24 malder rogge en 1 malder haver van de tienden toekomen, terwijl de pastoor van Tegelen zou genieten 12 malder rogge, 8 malder boekweit, 4 malder gerst en 1 malder haver[22]. Wat nog ten deze plaats vond, zullen wij nader vernemen bij de behandeling der pastorijen hier en te Belfeld.