Part 9
"Zie," sprak hij, "dit is de wil des keizers. Hij belooft hem te benoemen tot zijn erfgenaam en hem heerschappij over de wereld te geven. Hij zal de macht hebben de geheele aarde te besturen volgens den wil van zijn God. Als hij maar van te voren zijn hand uitsteekt en Tiberius geneest."
Toen viel de slaaf ter aarde voor de voeten van den keizer en sprak jammerend:
"Het staat niet in mijn macht U te gehoorzamen. Hij, dien gij zoekt, is niet meer hier, Pilatus heeft hem gedood."
VIII.
Toen de jonge vrouw wakker werd was het reeds helder dag en haar slavinnen stonden te wachten om haar te helpen met aankleeden. Zij was heel stil, terwijl zij zich kleedde, maar eindelijk vroeg zij de slavin, die haar kapte of haar man al op was. Zij hoorde toen, dat hij geroepen was om recht te spreken over een misdadiger.
"Ik had hem graag willen spreken," zei de jonge vrouw.
"Meesteres," zei de slavin, "dat gaat moeilijk nu midden onder het rechtsgeding. Wij zullen u bericht brengen zoodra het afgeloopen is."
Zij bleef nu zwijgend zitten tot ze geheel gekleed was. Toen vroeg ze: "Heeft iemand van u hooren spreken van een profeet uit Nazareth?"
"De Profeet van Nazareth! Dat is een Joodsch wonderdoener," antwoordde dadelijk een der slavinnen.
"Dat is wonderlijk, Meesteres, dat gij vandaag naar hem vraagt," zei een andere slavin. "Hij is het juist, dien de Joden hier naar het paleis gebracht hebben om hem door den landvoogd te laten verhooren."
Zij beval dadelijk, dat ze zouden gaan hooren, waarvoor hij was aangeklaagd. En een van de slavinnen verwijderde zich.
Toen zij terugkwam zei ze: "Ze klagen hem aan, omdat hij zich tot koning over dit land maken wil en zij roepen, dat de landvoogd hem moet laten kruisigen."
Maar toen de vrouw van den landvoogd dit hoorde, werd zij zeer verschrikt en zeide: "Ik moet mijn man spreken! anders gebeurt hier vandaag een ontzettend ongeluk."
Toen de slavinnen haar nog eens zeiden, dat dit onmogelijk was, begon ze te beven en te schreien, en een van haar werd bewogen, zoodat ze zei:
"Als gij een schriftelijke boodschap wilt zenden aan den landvoogd, zal ik trachten hem die te brengen."
Zij nam dadelijk een stift en schreef eenige woorden op een wastafeltje, en dat werd aan Pilatus overgebracht.
Maar hem zelf kon ze niet alleen spreken dien heelen dag, want toen hij de Joden had weggezonden en de veroordeelde was weggeleid naar de gerechtsplaats, was het tijd voor den maaltijd, en daarvoor had Pilatus een paar van de Romeinen uitgenoodigd, die in dien tijd in Jeruzalem waren. Het waren de aanvoerder van de troepen, een jonge leeraar in de welsprekendheid en nog een paar anderen.
Die maaltijd was niet heel opgewekt, want de vrouw van den landvoogd zat zwijgend en ontstemd, zonder aan het gesprek deel te nemen.
Toen de gasten vroegen of ze ziek of bedroefd was, vertelde de landvoogd lachend van de boodschap, die ze hem dien morgen gezonden had, en hij schertste er over, dat zij gemeend had, dat een Romeinsch landvoogd zich bij zijn rechtspraak zou laten leiden door de droomen van een vrouw.
Zij antwoordde stil en bedroefd: "Voorwaar, dit was geen droom, maar een waarschuwing, door de goden gezonden. Gij hadt tenminste den man dezen eenen dag nog in 't leven moeten laten."
Zij zagen, dat ze werkelijk bedroefd was. Zij wilde zich niet laten troosten, hoezeer ook de gasten zich inspanden om haar door een onderhoudend gesprek die dwaze inbeeldingen te doen vergeten.
Maar na een poos hief een van hen 't hoofd op en zei: "Wat is dat? Hebben we zóó lang aan tafel gezeten, dat de dag al voorbij is?"
Allen zagen nu op, en zij merkten, dat een zwakke schemering daalde. 't Was vooral merkwaardig te zien hoe heel het bonte kleurenspel, dat over alle dingen en alle wezens ligt, zachtkens uitdoofde, zoodat alles eentonig grijs scheen.
Evenals al 't andere verloren ook hun eigen aangezichten hun kleur.
"Wij zien er uit als dooden", zei de jonge redenaar met een rilling. "Onze wangen zijn grauw en onze lippen zwart."
Terwijl deze duisternis al dieper werd nam ook de angst der jonge vrouw toe.
"Ach, liefste!" riep ze eindelijk uit, "ziet ge nu nog niet in, dat de onsterfelijken u willen waarschuwen? Zij zijn vertoornd, omdat ge een heilig en onschuldig man ter dood hebt veroordeeld! Ik denk, dat, al is hij nu misschien al aan 't kruis geslagen, hij nog niet gestorven is. Laat hem afnemen van het kruis. Ik wil met eigen handen zijn wonden verbinden. Sta alleen toe, dat hij in 't leven teruggeroepen wordt."
Maar Pilatus antwoordde lachend: "Zeker hebt gij gelijk, dat dit een teeken van de goden is. Maar zij laten de zon haar glans niet verliezen, omdat een Joodsche dwaalleeraar tot den kruisdood veroordeeld is. Daarentegen kunnen wij gewichtige gebeurtenissen verwachten, die het geheele rijk betreffen. Wie kan weten, hoelang nog de oude Tiberius..."
Hij voltooide den zin niet, want de duisternis was zóó diep geworden, dat hij niet eens den wijnbeker vlak voor hem kon zien staan. Hij hield op om den slaven te bevelen haastig een paar lampen te brengen.
Toen het zoo licht geworden was, dat hij het gezicht van zijn gasten zien kon, kon hem de ontstemming, die zich van hen meester maakte, onmogelijk ontgaan.
"Zie nu eens," zei hij tot zijn vrouw. "Nu komt' t mij voor, dat het u gelukt is ons genoegen te bederven met uw droomen. Maar als ge nu eenmaal aan niets anders denken kunt, laat ons dan liever hooren, wat ge gedroomd hebt. Vertel het ons en wij zullen beproeven de bedoeling te begrijpen."
Hiertoe was de jonge vrouw dadelijk bereid. En terwijl zij 't eene visioen na het andere vertelde, werden haar gasten al ernstiger. Zij lieten hun bekers onaangeroerd staan en er kwamen rimpels in hun voorhoofd. De eenige, die bleef lachen en alles onzin noemde, was de landvoogd zelf.
Toen 't verhaal uit was, zei de jonge redenaar: "Voorwaar, dat is meer dan een droom, want ik heb vandaag niet den keizer, maar zijn oude vriendin Faustina de stad zien binnentrekken. Het verwondert mij alleen, dat zij zich nog niet heeft vertoond in 't paleis van den landvoogd."
"Er loopt werkelijk een gerucht, dat de keizer door een vreeselijke ziekte is aangetast," merkte de aanvoerder op. "'t Komt ook mij mogelijk voor, dat de droom van uw vrouw een waarschuwing is, door de goden gezonden."
"'t Is in 't geheel niet ongelooflijk, dat Tiberius iemand tot den Profeet heeft gezonden om hem aan zijn ziekbed te roepen," stemde de jonge redenaar toe.
De aanvoerder wendde zich met diepen ernst tot Pilatus en sprak: "Als de keizer werkelijk op den inval gekomen is dezen wonderdoener bij zich te roepen, is het beter voor u en voor ons allen, dat hij hem in 't leven vindt."
Pilatus antwoordde half boos: "Is 't die duisternis, die u allen tot kinderen maakt? Men zou denken, dat ge allen droomuitleggers en profeten geworden waart."
Maar de hoofdman ging voort met zijn aandringen: "'t Zou misschien niet onmogelijk zijn het leven van dien man te redden, als ge een ijlbode zondt."
"Ge wilt me toch niet tot spot voor de menschen maken," antwoordde de landvoogd. "Zeg nu zelf hoe het gaan zou met recht en orde hier in 't land, als men hoorde, dat de landvoogd een misdadiger genade schonk, omdat zijn vrouw een akeligen droom had gehad."
"'t Is waarheid, en geen droom, dat ik Faustina in Jeruzalem gezien heb," zei de jonge redenaar.
"Ik zal mijn handelingen wel tegenover den keizer verdedigen," zei Pilatus. "Hij zal wel begrijpen, dat deze dweper, die zich, zonder weerstand te bieden, door mijn knechten liet mishandelen, hem niet had kunnen helpen."
Op 'tzelfde oogenblik, dat hij deze woorden uitsprak, dreunde het huis als door een geweldigen rollenden donderslag, en een aardbeving deed het veld schudden. 't Paleis van den landvoogd bleef onbeschadigd staan, maar gedurende de minuten, die de aardbeving duurde, hoorde men van alle kanten een schrikwekkend gedruisch van instortende huizen en vallende pilaren.
Zoodra een menschenstem zich kon laten hooren, riep de landvoogd een slaaf.
"Haast u naar de gerechtsplaats en beveel in mijn naam, dat de Profeet van Nazareth van het kruis genomen moet worden."
De slaaf spoedde zich weg. Het gezelschap begaf zich uit de eetzaal naar de zuilengang, om onder den blooten hemel te zijn als de aardbeving zich herhaalde. Niemand durfde een woord spreken. Allen wachtten op de terugkomst van den slaaf.
Die kwam spoedig terug. Hij bleef voor den landvoogd staan.
"Vondt ge hem nog in leven?" vroeg deze.
"Heer, hij was gestorven, en op het oogenblik dat hij den geest gaf, kwam de aardbeving."
Nauwelijks was dit gezegd of een paar harde slagen klonken op de buitenste poort. Toen zij dit hoorden, sprongen allen op, alsof er een nieuwe aardbeving gekomen was.
Onmiddellijk daarna naderde een slaaf: "Het is de oude Faustina en Sulpicius, de bloedverwant van den keizer. Zij zijn gekomen om u te vragen hen te helpen om den Profeet van Nazareth op te zoeken."
Er ging een zacht geruisch door de zuilengang en lichte stappen werden gehoord. Toen de landvoogd omzag, merkte hij, dat zijn vrienden zich van hem teruggetrokken hadden, als van iemand over wien het ongeluk gekomen is.
IX.
De oude Faustina was aan land gestapt in Capri en had den keizer opgezocht. Zij had hem alles verteld en terwijl ze sprak, durfde zij hem bijna niet aanzien. In haar afwezigheid was de ziekte op de vreeselijkste wijze toegenomen, en ze dacht: "Als er barmhartigheid bij de goden geweest was, zouden zij me hebben laten sterven eer ik dezen armen, gemartelden mensch zeggen moest, dat alle hoop voorbij is."
Tot haar verbazing luisterde Tiberius met de grootste onverschilligheid naar haar. Toen ze vertelde hoe de groote wonderdoener gekruisigd was op denzelfden dag, dat zij in Jeruzalem aankwam, en hoe zij hem bijna gered had, begon zij te schreien door de pijn van die teleurstelling.
Maar Tiberius zei alleen:
"Treurt ge hier werkelijk over! Ach Faustina, heeft een heel leven in Rome u dan nog niet afgebracht van het geloof aan toovenaars en wonderdoeners, dat ge in uw kindsheid in de Sabijnerbergen hebt opgedaan?"
Toen zag de oude in, dat Tiberius nooit eenige hulp van den profeet van Nazareth verwacht had.
"Waarom liet ge mij die reis naar dat verre land doen als ge aldoor meendet dat het nutteloos zou zijn?"
"Gij zijt de eenige vriend, die ik bezit," zei de keizer. "Waarom zou ik u een verzoek weigeren, zoolang ik de macht heb dit in te willigen?"
Maar de oude was er door gekwetst, dat de keizer haar misleid had.
"Dat is weer uw oude listigheid," viel zij uit. "Dat is juist wat ik u 't allerminst vergeven kan."
"Ge hadt niet bij mij terug moeten komen," zei Tiberius. "Ge hadt in uw bergen moeten blijven."
Een oogenblik scheen het alsof die twee menschen, die al zoo dikwijls getwist hadden, weer tot een woordenstrijd zouden komen, maar de toorn van de oude vrouw was spoedig overgedreven. De tijd was voorbij, dat ze in ernst met den keizer twisten kon. Zij sprak zachter, hoewel ze nog niet laten kon een poging te wagen om gelijk te krijgen.
"Maar de man was werkelijk een profeet," zei ze. "Ik heb hem gezien. Toen zijn oogen de mijne ontmoetten, geloofde ik, dat hij een god was. Ik was waanzinnig, toen ik hem in den dood liet gaan."
"Ik ben blij, dat ge hem sterven liet," antwoordde Tiberius. "Hij was een Majesteitsschenner en een oproerstichter."
Weer was Faustina bijna boos geworden.
"Ik heb met veel van zijn vrienden te Jeruzalem over hem gesproken," zei ze. "Hij heeft de misdaden, waarvoor hij is aangeklaagd, niet begaan."
"Al heeft hij nu ook juist die misdaden niet begaan, dan is hij toch zeker niet beter dan iemand anders," zei de keizer mat. "Waar is de mensch, die niet duizendmaal in zijn leven den dood verdient."
Maar deze woorden van den keizer deden Faustina besluiten iets te doen, waarvoor ze tot nu toe nog teruggedeinsd was.
"Ik zal u toch een bewijs van zijn macht geven," zeide ze. "Ik zei u daar straks, dat ik mijn zweetdoek over zijn gezicht legde. Dat is dezelfde doek, dien ik nu in mijn hand heb. Wilt ge dien een oogenblik bekijken?"
Zij spreidde den zweetdoek voor den keizer uit en hij zag daarop flauw het beeld van een menschengezicht.
De stem van de oude beefde van ontroering toen ze voortging: "Die man zag, dat ik hem liefhad. Ik weet niet door welke macht hij in staat was mij zijn beeld achter te laten. Maar mijn oogen komen vol tranen, zoo dikwijls ik het zie."
De keizer boog zich voorover en zag naar het beeld, dat scheen geteekend met bloed en tranen en de zwarte schaduwen van de smart. Langzamerhand kwam het geheele gezicht voor hem op, zooals het op den zweetdoek was afgedrukt. Hij zag de bloeddroppels op het voorhoofd, de stekende doornenkroon, het haar, kleverig van bloed, en den mond, waarvan de lippen van lijden schenen te trillen.
Hij boog zich al dieper over het beeld. Al helderder en helderder kwam het gezicht te voorschijn en uit de schaduwachtige omtrekken zag hij opeens de oogen stralen, als van een verborgen leven. En op denzelfden tijd, dat ze tot hem spraken van het vreeselijkste lijden, toonden ze hem een reinheid en hoogheid, zooals hij nooit te voren had aanschouwd.
Hij lag op zijn rustbank en dronk het beeld met zijn oogen in. "Is dit een mensch?" zei hij, zacht en week. "Is dit een mensch?"
Weer lag hij stil naar het beeld te staren. De tranen begonnen over zijn wangen te stroomen. "Ik treur over uw dood, gij onbekende," fluisterde hij.
"Faustina," riep hij eindelijk uit, "waarom hebt gij dien mensch laten sterven! Hij zou mij genezen hebben."
En weer verzonk hij geheel in 't beschouwen van het beeld.
"Gij, mensch!" zeide hij na een poos. "Als ik van u mijn gezondheid niet herkrijgen kan, dan kan ik u toch wreken. Zwaar zal mijn hand rusten op hen, die mij u ontstolen hebben."
Weer bleef hij lang liggen. Toen liet hij zich op den vloer glijden en viel voor het beeld op de knieën.
"Gij zijt de mensch!" zei hij. "Gij zijt, wat ik niet geloofd heb ooit te zullen zien." En hij wees op zichzelf, op zijn verwoest gezicht en verteerde handen. "Ik en anderen zijn wilde dieren en monsters, maar gij zijt de mensch!"
Hij boog het hoofd zoo diep over 't beeld, dat hij den grond raakte.
"Erbarm u over mij, gij onbekende," zei hij, en zijn tranen bevochtigden de steenen. "Als gij in 't leven gebleven waart, zou uw aanblik alleen mij genezen hebben."
De arme oude vrouw schrikte van wat zij gedaan had. 't Was beter geweest, als zij den keizer het beeld niet had laten zien, meende zij. Zij was van den beginne af bang geweest, dat zijn smart te groot zou zijn als hij het zag.
En in haar wanhoop over het verdriet van den keizer, trok zij het beeld naar zich toe, als om het uit zijn oogen weg te nemen.
Toen zag de keizer op. En zie, zijn gezicht was geheel veranderd, en hij was zooals hij vroeger geweest was. 't Was alsof de ziekte wortel geslagen had in de haat en verachting voor de menschen, die in zijn hart gewoond hadden, en ze had moeten wijken op het oogenblik, dat hij liefde en medelijden voelde.
Den volgenden dag zond Tiberius drie boden af.
De eerste bode ging naar Rome, met het bevel dat de senaat een onderzoek in zou stellen naar de wijze waarop de landvoogd in Palestina zijn ambt bekleedde, en hem straffen als het mocht blijken, dat hij het volk verdrukte of onschuldigen ter dood veroordeelde.
De tweede ging naar den arbeider en zijn vrouw om hen te beloonen en te danken voor den raad, dien zij den keizer gegeven hadden en om hun tevens te zeggen hoe alles was afgeloopen. Toen ze alles gehoord hadden, schreiden ze stil en de man zei: "Ik weet, dat ik er heel mijn leven over peinzen zal wat er gebeurd zou zijn, als deze twee elkaar hadden ontmoet."
Maar de vrouw antwoordde: "Het kon niet anders zijn. 't Was een te groote gedachte dat deze twee elkaar zouden ontmoeten. God, de Heer, wist dat de wereld dit niet zou kunnen dragen."
De derde bode ging naar Palestina en bracht van daar eenige van Jezus' leerlingen naar Capri, en deze begonnen daar de leer te verkondigen, die de gekruiste gepredikt had.
Toen deze leeraren op Capri aankwamen lag de oude Faustina op haar sterfbed. Maar zij konden haar nog vóór haar dood tot een discipel van den Profeet maken en haar doopen. En zij noemden haar Veronica, omdat het haar gegeven was aan de menschen het ware beeld van hun Verlosser te brengen.
VOGEL ROODBORST.
Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer de wereld schiep, toen Hij niet alleen hemel en aarde maakte, maar ook alle dieren en gewassen en ze te gelijk een naam gaf.
Er zijn veel verhalen uit dien tijd, en als men ze alle kende, zou men ook alles in de wereld, wat men nu niet begrijpen kan, kunnen verklaren.
Nu gebeurde het, dat op een dag Onze Lieve Heer in het Paradijs de vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte, zoodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn, als Onze Lieve Heer niet alle penseelen op zijn veeren had afgeveegd.
En toen was het ook, dat de ezel zijn lange ooren kreeg, omdat hij maar niet onthouden kon welken naam hij gekregen had. Hij vergat het, zoodra hij een paar stappen op de wei in 't Paradijs gedaan had, en driemaal kwam hij terug om te vragen hoe hij heette, tot Onze Lieve Heer wat ongeduldig werd en hem bij beide ooren nam en zei: "Je naam is ezel, ezel, ezel!"
En terwijl Hij zoo sprak trok Hij de ooren van het dier wat uit opdat hij beter zou hooren en onthouden wat men hem zei.
Op dien dag werd ook de bij gestraft. Want toen de bij geschapen werd, begon ze dadelijk honig in te zamelen en menschen en dieren, die merkten hoe heerlijk de honig geurde, kwamen aan en wilden er van proeven. Maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar giftigen angel allen weg, die bij den honig kwamen.
Dat zag Onze Lieve Heer en dadelijk riep Hij de bij en strafte haar.
"Ik heb je de gave gegeven om honig in te zamelen, het liefelijkste wat er in de schepping is," zei Onze Lieve Heer; "maar daarom gaf ik je nog niet het recht om hard tegen je naaste te wezen. Onthoud het nu goed: als je iemand steekt, die je honig proeven wil, dan moet je sterven."
Ach ja, toen was het ook, dat de krekel blind werd, en de mier haar vleugels verloor. Er gebeurde zooveel wonderlijks op dien dag.
Onze Lieve Heer zat, groot en vriendelijk, den geheelen dag te scheppen en in 't leven te roepen. En tegen den avond viel het Hem in om een kleinen, grauwen vogel te maken.
"Onthoud goed dat je naam roodborstje is," zei Onze Lieve Heer tot den vogel, toen hij klaar was en Hij zette hem op Zijn open hand en liet hem vliegen.
Maar toen de vogel een poos rondgevlogen had en de mooie aarde bekeken, waarop hij leven zou, kreeg hij ook lust om zich zelf te bekijken. Toen zag hij dat hij heelemaal grijs was; en zijn borst was even grijs als al het andere.
Roodborstje wendde en draaide zich en spiegelde zich in het water, maar hij kon geen enkele roode veer ontdekken.
Toen vloog de vogel terug naar Onzen Lieven Heer. Onze Lieve Heer zat daar, zacht en vriendelijk en uit Zijn handen kwamen vlinders te voorschijn, die om Zijn hoofd vlogen. Duiven kirden op Zijn schouders en uit het veld om Hem heen, bloeiden rozen op en leliën en duizendschoonen.
't Hart van den kleinen vogel bonsde hevig van angst. Maar in lichte bogen vloog hij toch al nader en nader naar Onzen Lieven Heer en eindelijk zette hij zich neer op Zijn hand.
Toen vroeg Onze Lieve Heer wat hij wenschte.
"Ik wil U maar één ding vragen," zei de kleine vogel.
"Wat wilt ge weten?" vroeg Onze Lieve Heer.
"Waarom moet ik roodborstje heeten, nu ik heelemaal grauw ben, van mijn snavel af tot de punt van mijn staart? Waarom word ik roodborstje genoemd, als ik geen enkele roode veer bezit?"
En het vogeltje zag Onzen Lieven Heer smeekend aan met zijn kleine zwarte oogen en draaide heen en weer. Om zich heen zag hij fazanten, heelemaal rood met wat goudstof besprenkeld, papegaaien met weelderige roode halskragen, hanen met roode kammen, om niet te spreken van vlinders, goudvisschen en rozen. En natuurlijk dacht hij er aan hoe weinig er maar noodig was,--maar een klein droppeltje verf op zijn borst--om hem tot den mooien vogel te maken, waar zijn naam voor paste.
"Waarom moet ik roodborstje heeten terwijl ik heelemaal grijs ben?" vroeg de vogel opnieuw, en hij verwachtte, dat Onze Lieve Heer zou zeggen: "Ach vriendje, ik zie, dat ik vergeten heb je borstveeren rood te schilderen, wacht maar een oogenblik, dan is het klaar."
Maar Onze Lieve Heer lachte alleen maar stil en zei: "Ik heb je roodborstje genoemd en roodborstje zul je heeten. Maar je moet zelf maar zien, dat je je roode borstveeren verdient."
En toen hief Onze Lieve Heer de hand op en liet den vogel opnieuw uitvliegen.
De vogel vloog rond in het Paradijs in diep gepeins. Wat zou een kleine vogel als hij kunnen doen om zich roode veeren te verschaffen? Het eenige wat hij bedenken kon was in een doornstruik te gaan wonen. Hij ging bouwen tusschen de stekels van een dichten doornstruik. Het was alsof hij verwachtte, dat een rozeblad zich bij zijn keel vast zou zetten en die kleuren.
Een oneindige massa jaren was voorbijgegaan na dien dag, den heerlijksten van de wereld. Sinds dien tijd hadden menschen en dieren het Paradijs verlaten en zich over de aarde verspreid. En de menschen waren zoover gekomen, dat zij geleerd hadden het veld te ontginnen en de zee te bevaren. Zij hadden zich kleeren en versierselen aangeschaft, ja, ze hadden al lang geleden geleerd, groote tempels en machtige steden te bouwen zooals Thebe, Rome en Jeruzalem. Toen kwam een nieuwe dag, die ook lang herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde.
En op den morgen van dien dag zat de vogel roodborstje op een kleinen, kalen heuvel buiten de muren van Jeruzalem en zong voor zijn jongen, die in een nestje lagen midden in een lagen doornstruik.
Het roodborstje vertelde aan zijn kleintjes van den wonderbaren scheppingsdag, en hoe hij zijn naam gekregen had, zooals alle roodborstjes gedaan hebben van af het eerste, dat Gods Woord gehoord heeft en uitging uit Gods Hand.
"En zie nu eens," besloot hij treurig. "Zooveel jaren zijn voorbijgegaan, zooveel rozen hebben gebloeid en zooveel jonge vogels zijn uit de eieren gekomen, sinds den scheppingsdag, dat niemand ze tellen kan en nog altijd is het roodborstje een kleine grijze vogel. Het is hem nog niet gelukt zijn roode borstveeren te winnen."
De jongen sperden den snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen niet getracht hadden een of ander groot werk te verrichten, om die onschatbare roode kleur te verwerven.
"We hebben allen gedaan wat we konden," zei het vogeltje; "maar het is alles mislukt. Het eerste roodborstje al ontmoette eens een anderen vogel, die sprekend op hem leek en hij begon dien dadelijk zóó hevig lief te hebben, dat hij zijn borst voelde gloeien.
"Och," dacht hij toen, "nu begrijp ik het! Het is de bedoeling van Onzen Lieven Heer, dat ik zoo warm zal liefhebben, dat mijn borstveeren rood worden door den liefdegloed, die in mijn hart woont." Maar het mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals het u ook mislukken zal.
De jongen tsjilpten bedroefd. Zij begonnen er al over te treuren, dat die roode kleur hun donzige borstjes niet zou versieren.
"Wij hebben ook op het zingen gehoopt," zei de oude vogel, nu in lange gerekte tonen sprekend. "Reeds het eerste roodborstje zong zoo, dat zijn borst van verrukking zwol en hij begon opnieuw te hopen. "Ach," dacht hij, "het is de zangersgloed, die in mijn ziel woont, die mijn borstveeren rood verven zal."
"Maar het mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals het ook u mislukken zal."
Opnieuw werd een droevig piepen uit de halfnaakte keeltjes van de jongen gehoord.
"We hebben ook gehoopt op onzen moed en onze dapperheid," zei de vogel. "Reeds het eerste roodborstje streed dapper met andere vogels en zijn borst vlamde van strijdlust. "Ach," dacht hij, "mijn borstveeren zullen rood worden van den strijdlust, die gloeit in mijn hart."