Christuslegenden

Part 8

Chapter 84,210 wordsPublic domain

De Galileër sprong heftig op en zag verwoed om zich heen. Maar toen hij eindelijk begreep wat men van hem verlangde, werd hij door toorn en ontzetting aangegrepen. "Wat zegt ge toch!" stoof hij op. "Waarom vraagt ge mij naar dien man? Ik weet niets van hem! Ik ben geen Galileër."

De Joodsche vrouw mengde zich nu in het gesprek. "Ik heb u toch in zijn gezelschap gezien," viel zij in. "Wees niet bang, maar zeg deze voorname Romeinsche vrouw, die een vriendin van den keizer is, waar ze hem 't beste kan vinden."

Maar de verschrikte leerling werd hoe langer hoe verbitterder. "Zijn dan alle menschen waanzinnig vandaag?" zei hij. "Zijn ze door een boozen geest bezield, dat ze keer op keer mij naar dien man komen vragen? Waarom wil niemand me gelooven, als ik zeg, dat ik den Profeet niet ken? Ik ben niet uit zijn land gekomen. Ik heb hem nooit gezien."

Zijn heftigheid trok de aandacht, en een paar bedelaars, die naast hem zaten, begonnen hem ook tegen te spreken.

"Zeker hebt gij tot zijn discipelen gehoord," zeiden zij. "Wij weten allen, dat gij met hem uit Galilea gekomen zijt."

Maar de man strekte beide armen ten hemel en riep: "Ik heb het vandaag niet in Jeruzalem kunnen uithouden om zijnentwil, en nu laat men mij niet eens met rust hier onder de bedelaars. Waarom wilt ge mij niet gelooven als ik zeg, dat ik hem nooit heb gezien?"

Faustina haalde de schouders op en wendde zich af. "Laat ons verder gaan," zeide ze. "Die man daar is immers waanzinnig. Van hem komen we niets te weten."

Zij trokken verder de berghelling op. Faustina was niet verder dan twee stappen van de stadspoort, toen de Israëlietische vrouw, die haar had willen helpen den Profeet te vinden, haar toeriep voorzichtig te wezen. Zij hield den teugel in en zag, dat er een man op den weg lag, vlak voor de voeten van het paard. Zooals hij daar lag uitgestrekt in het stof, juist waar het gedrang het grootst was, scheen het een wonder, dat hij niet reeds door dieren of menschen vertrapt was.

De man lag op den rug en staarde naar boven met doffe oogen zonder uitdrukking. Hij bewoog zich niet, hoewel de kameelen hun zware pooten dicht naast hem neerzetten. Hij was armoedig gekleed en nu was hij bovendien vuil door stof en aarde. Inderdaad had hij zooveel gruis over zich heen gegooid, dat het scheen alsof hij zich verbergen wilde om gemakkelijker overreden of vertrapt te worden.

"Wat is dat? Waarom ligt die man hier op den weg?" vroeg Faustina.

Op 'tzelfde oogenblik begon de liggende de voorbijgangers aan te roepen: "Weest barmhartig, broeder en zuster, leidt uw paarden en lastdieren over mij heen. Wijkt niet voor mij uit. Trapt mij tot stof! Ik heb onschuldig bloed verraden. Trapt mij tot stof!"

Sulpicius vatte het paard van Faustina bij den teugel en leidde het ter zijde.

"Dat is een zondaar, die boete wil doen," zei hij. "Laat u dat niet ophouden. Dat is een wonderlijk volk en men moet het zijn gang laten gaan."

De man op den weg ging voort met roepen: "Zet uw hielen op mijn hart. Laat de kameelen mijn borst vertrappen en de ezels hun hoeven in mijn oogen zetten."

Maar Faustina vond, dat ze niet voorbij dien ellendige kon rijden zonder te beproeven hem te bewegen op te staan. Zij hield stil naast hem.

De Israëlietische vrouw, die haar vroeger al eens had willen helpen, drong nu weer tot haar door: "Die man hoorde ook tot de leerlingen van den Profeet," zei ze. "Wilt ge, dat ik hem naar zijn meester vraag?"

Faustina knikte bevestigend, en de vrouw boog zich over den liggende.

"Wat hebt gij, Galileërs, vandaag met uw meester gedaan?" vroeg ze. "Ik zie u verspreid op wegen en paden, maar hem zie ik nergens."

Maar toen zij hem zoo vroeg, hief de man, die in het stof van den weg lag, zich op de knieën. "Wat is dat voor een boozen geest, die u heeft ingeblazen mij naar hem te vragen?" zei hij met een stem, waarin de grootste wanhoop klonk. "Ge ziet immers, dat ik mij in het stof van den weg gelegd heb om vertreden te worden. Is dat u nog niet genoeg? Moet ge mij nu ook nog komen vragen wat ik met hem gedaan heb?"

"Ik begrijp niet, wat ge u te verwijten hebt," zei de vrouw. "Ik wil alleen weten, waar ge uw meester hebt."

Toen zij de vraag herhaalde, vloog de man op en hield beide handen voor de ooren. "Wee u, dat ge mij niet in vrede kunt laten sterven," riep hij. Hij baande zich een weg door het volk, dat zich voor de poort verdrong en rende weg, bevend van ontzetting, terwijl zijn verscheurde kleeren om hem heen fladderden als donkere vleugels.

"'t Schijnt wel dat we bij een volk van krankzinnigen gekomen zijn," zei Faustina, toen zij den man vluchten zag. Zij was ontstemd door het zien van de leerlingen van dezen profeet. Zou een man, die zulke dwazen onder zijn gezellen had, in staat zijn iets voor den keizer te doen?

Ook de Israëlietische vrouw zag er bedroefd uit, en zij zei met grooten ernst tot Faustina: "Vrouwe, draal niet met hem op te zoeken, dien ge vinden wilt. Ik vrees, dat hem iets kwaads overkomen is, nu zijn leerlingen buiten zichzelven zijn en niet kunnen verdragen, dat men over hem spreekt."

Faustina en haar gevolg reden eindelijk onder 't poortgewelf door en kwamen in nauwe, donkere straten, die overvol van menschen waren. 't Was bijna onmogelijk daaruit te komen in de stad. De rijdenden moesten keer op keer stilhouden. Slaven en krijgsknechten trachtten te vergeefs wegen te banen. De menschen bleven zich voortspoeden in een dichten, niet te keeren stroom.

"Voorwaar," zei de oude vrouw tot Sulpicius, "de straten van Rome zijn stille lusthoven in vergelijking met deze."

Sulpicius zag spoedig in, dat bijna onoverkomelijke moeielijkheden hen wachtten.

"Op deze overvolle straten is het bijna gemakkelijker te loopen dan te rijden," zei hij. "Als gij niet al te moe zijt, zou ik u willen raden te voet naar het paleis van den landvoogd te gaan. Dat ligt wel ver weg, maar als we moeten rijden, komen we daar zeker niet voor na middernacht."

Faustina ging dadelijk op dit voorstel in. Zij stapte van het paard en gaf dit over aan een der slaven.

Daarop begonnen de Romeinsche reizigers hun wandeling door de stad.

Dat gelukte hun veel beter. Zij drongen tamelijk vlug door tot het hartje van de stad, en Sulpicius wees Faustina juist een eenigszins breeder straat, die zij bijna bereikt hadden.

"Zie daar, Faustina," zeide hij, "als wij daar maar komen kunnen, dan zijn we waar we wezen moeten. Die straat loopt recht op onze herberg aan."

Maar juist toen zij die straat wilden inslaan, ontmoetten zij den eersten hinderpaal. Want op hetzelfde oogenblik, dat Faustina de straat bereikte, die van het paleis van den landvoogd naar de Poort der Rechtvaardigheid en Golgotha liep, leidde men daar langs een gevangene, die weggevoerd werd om gekruisigd te worden.

Voor hem uit haastten zich een schare jonge, woeste menschen, die de terechtstelling wilden zien. Zij joegen springend de straat over, strekten de armen in de hoogte van verrukking en stootten onverklaarbare klanken uit in hun vreugde iets te zullen zien, wat niet alle dagen voorkwam. Achter hen aan kwamen scharen mannen in zijden kleederen, die tot de voornaamsten en meest aristocratischen van de stad schenen te behooren, en daarachter liepen vrouwen,--vele met beschreide gezichten. Een groep armen en kreupelen liepen mee, onder kreten, die de ooren verscheurden.

"O God," riepen ze. "Red hem! Zend Uw engel om hem te redden! Zend toch een helper in den uitersten nood!"

Eindelijk kwamen eenige Romeinsche krijgslieden op groote paarden. Zij waakten, dat niemand uit het volk op den gevangene aan zou vliegen om hem te bevrijden.

Onmiddellijk achter hen kwamen de beulsknechten, die den man, die gekruist moest worden, voortleidden. Zij hadden een groot, zwaar houten kruis over zijn schouders gelegd, maar hij was te zwak voor dezen last. Die drukte hem zóó, dat zijn lichaam geheel tot op den grond gebogen werd. Hij hield het hoofd zóó diep voorover, dat niemand zijn gezicht kon zien.

Faustina stond aan den ingang van de kleine zijstraat en zag den zwaren tocht van den terdoodveroordeelde. Verwonderd merkte ze op, dat hij een purperen mantel droeg en dat een doornen kroon op zijn hoofd gedrukt was.

"Wie is die man?" vroeg zij.

Een van de omstanders antwoordde: "Dat is een, die zich keizer maken wou."

"Dan moet hij sterven voor iets, dat niet zeer begeerenswaard is," zei de oude vrouw weemoedig.

De veroordeelde bezweek onder 't kruis, hij liep al langzamer. De beulsknechten hadden een touw om zijn middel geknoopt en begonnen daaraan te trekken om hem sneller voort te krijgen. Maar toen zij dat deden viel de man om en bleef liggen met het kruis op zich.

Het gaf een groote opschudding. De Romeinsche soldaten hadden moeite het volk terug te houden. Zij trokken hun zwaard tegen een paar vrouwen, die trachtten haastig voort te komen en den gevallene te helpen. De beulsknechten trachtten hem met slagen en stompen te dwingen tot opstaan, maar hij kon niet om het zware kruis. Eindelijk vatten een paar van hem dat aan om het op te lichten.

Toen hief hij het hoofd op en de oude Faustina kon zijn gezicht zien. Zijn wangen waren gestriemd door slagen en van zijn voorhoofd, dat door de doornenkroon gekwetst was, parelden een paar bloeddruppels. Zijn haar hing in verwarde lokken, glibberig van zweet en bloed. Hij hield de tanden vast op elkaar gesloten, maar zijn lippen trilden, alsof ze met moeite een kreet terughielden. Zijn starende oogen waren vol tranen en bijna dof,--gekweld en uitgeput als hij was.

Maar achter het gelaat van dezen halfdooden mensch zag de oude, als in een visioen, een ander, schoon en bleek, met heerlijke oogen vol majesteit en met zachte trekken. En plotseling werd ze aangegrepen door smart en ontroering over het ongeluk en de vernedering van dien vreemden man.

"O, wat heeft men U gedaan, gij Arme?" barstte zij uit en ging hem een paar stappen tegemoet, terwijl haar oogen vol tranen schoten. Ze vergat haar eigen verdriet en onrust voor het lijden van dezen gemartelden Godmensch. Het was haar, alsof haar hart van medelijden zou breken. Zij wilde, als de andere vrouwen, op hem toeloopen, om hem aan zijn beulen te ontrukken.

De gevangene zag haar aankomen en hij kroop naar haar toe. Het was, alsof hij verwachtte bij haar bescherming te vinden tegen allen, die hem vervolgden en kwelden. Hij omvatte haar knieën, hij drukte zich tegen haar aan als een kind, dat bij zijn moeder vlucht.

De oude boog zich over hem heen. En op datzelfde oogenblik, terwijl haar tranen stroomden, voelde zij een zalige vreugde, omdat hij bij haar bescherming was komen zoeken. Zij legde haar eenen arm om zijn hals en, zooals een moeder allereerst de tranen van haar kind droogt, zoo legde zij haar zweetdoek van koel fijn linnen over zijn gezicht om de tranen en het bloed weg te wisschen. Maar op dat oogenblik waren de beulsknechten gereed met het kruis. Zij kwamen nu en rukten den gevangene naar zich toe. Ongeduldig over het oponthoud, sleepten zij hem voort in woeste haast. De terdoodveroordeelde steunde luid, toen hij werd weggevoerd van de vrijplaats, die hij gevonden had. Maar hij bood geen weerstand. Faustina greep hem om hem vast te houden en toen haar zwakke oude handen niets vermochten, maar ze hem zag wegvoeren, had ze een gevoel alsof iemand haar haar eigen kind ontrukt had en zij riep uit: "Neen, neen, neem hem niet weg van mij. Hij moet niet sterven, hij kan niet sterven!"

Zij voelde de vreeselijkste smart en toorn, omdat hij weggevoerd werd. Zij wilde hem na. Zij wilde met de beulen strijden en hem uit hun handen rukken.

Maar bij den eersten stap, dien ze deed, werd zij door een duizeling en een onmacht overvallen.

Sulpicius haastte zich den arm om haar heen te slaan om haar staande te houden.

Naast de straat zag hij een klein donker winkeltje en hij droeg haar daarin. Er was geen stoel of bank, maar de winkelier was een barmhartig man. Hij sleepte een mat naar voren en maakte voor de oude een bed op den steenen vloer.

Zij was niet bewusteloos, maar zóó sterk was de duizeling, die haar aangegrepen had, dat ze zich niet op kon houden, maar moest gaan liggen.

"Zij heeft een langen tocht gemaakt en het rumoer en gedrang in de stad zijn te veel voor haar geweest," zei Sulpicius tegen den koopman. "Zij is heel oud en niemand is toch zoo sterk, dat hij door den ouderdom niet overwonnen wordt."

"Het is een zware dag, ook voor hen, die niet oud zijn," zei de koopman. "De lucht is bijna te zwaar om in te ademen. Het zou mij niet verbazen als we een hevig onweer kregen."

Sulpicius boog zich over de oude heen. Zij was ingeslapen en sliep met rustige, geregelde ademhalingen na alle vermoeienis en aandoeningen van den dag. Hij ging aan de winkeldeur staan om naar het volk te zien, terwijl hij op haar ontwaken wachtte.

VII.

De Romeinsche landvoogd in Jeruzalem had een jonge vrouw en zij had den nacht voor dat Faustina de stad binnentrok, liggen droomen.

Zij droomde, dat ze op het dak van haar huis stond, en neerzag op de mooie groote binnenplaats, die volgens de Oostersche zeden met marmer geplaveid was en met edele gewassen beplant.

Maar op die plaats zag zij verzameld alle zieken en blinden en gebrekkigen, die in de wereld waren. Zij zag de pestzieken met lichamen, door builen opgezwollen, de melaatschen met verteerde aangezichten, de lammen, die zich niet konden verroeren, maar hulpeloos op het veld lagen en al de ellendigen, die jammerden van smart en pijn. En ze drongen allen naar de poort om in huis te komen en enkele van de voorsten bonsden met harde slagen op de deur van het paleis.

Eindelijk zag ze, dat een slaaf de deur opende, op den drempel ging staan en zij hoorde, dat hij hun vroeg wat ze wilden.

Toen antwoordden zij hem en zeiden: "Wij zoeken den grooten Profeet, dien God op aarde gezonden heeft. Waar is de Profeet van Nazareth? Hij, die de meester van alle plagen is? Waar is Hij, die ons verlossen kan van al ons lijden?"

Toen antwoordde de slaaf op een onverschilligen toon, zooals paleisdienaars dien gewoonlijk aannemen als ze arme vreemdelingen afwijzen: "Het baat u niets om den grooten Profeet te zoeken. Pilatus heeft hem gedood."

Toen ging van al die zieken een weeklagen en jammeren en tandenknarsen op, dat zij het niet aanhooren kon. Haar hart werd verscheurd door medelijden en de tranen stroomden haar uit de oogen. Maar doordat ze was beginnen te schreien, was ze wakker geworden.

Weer was ze ingeslapen en weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis stond, en ze zag neer op de groote plaats, die zoo breed als een markt was.

En zie, de plaats was vol van alle menschen, die waanzinnig en zielsziek waren en bezeten door booze geesten. En ze zag enkelen, die naakt waren en enkelen die in hun lange haren waren gehuld, en sommigen die zich kransen van stroo hadden gevlochten of mantels van gras en meenden, dat ze koningen waren. En anderen, die op den grond kropen en meenden, dat ze dieren waren. En weer anderen, die altijd schreiden over een verdriet, dat zij geen naam konden geven. En sommigen, die zware steenen kwamen aanslepen, die ze zeiden, dat van goud waren. En weer anderen, die geloofden, dat booze geesten door hun mond spraken.

Zij zag ze allen dringen naar de poort van het paleis. En zij, die het dichtst bij stonden, klopten en bonsden om binnen te komen. Eindelijk werd de deur geopend en een slaaf kwam naar buiten en vroeg hun: "Wat verlangt ge?"

Toen begonnen allen te roepen en zeiden:

"Waar is de groote Profeet van Nazareth, Hij, die door God gezonden is en die ons onze ziel en ons verstand zal weergeven?"

Zij hoorde, dat de slaaf antwoordde op den onverschilligsten toon van de wereld: "Het dient nergens toe, dat ge den grooten Profeet zoekt, Pilatus heeft hem gedood."

Toen dit gezegd werd, gaven al de waanzinnigen een kreet, die klonk als het brullen van wilde dieren, en in hun vertwijfeling begonnen zij zich zelf te verwonden, zoodat het bloed op de steenen vloot, en toen zij, die droomde, hun ellende zag, begon ze haar handen te wringen en te jammeren. En ze werd wakker van haar eigen gejammer.

Maar weer was ze ingeslapen en weer bevond ze zich in haar droom op het dak van haar huis. En om haar heen zaten haar slavinnen, die op de cimbaal en de cither speelden en de amandelboom wierp zijn witte bloembladen over haar heen en de klimrozen geurden.

Terwijl ze daar zat, sprak een stem tot haar: "Ga naar de balustrade, die het dak omgeeft en zie neer op de binnenplaats."

Maar in den droom weigerde zij, en zeide: "Ik wil niets meer zien van allen, die vannacht op mijn binnenplaats komen."

Op hetzelfde oogenblik hoorde zij van daar een gerammel van ketenen en het gehamer van zware mokers en het geluid van hout, dat op hout sloeg. Haar slavinnen hielden op met zang en spel, haastten zich naar de balustrade en keken naar beneden.

En zij zelf kon ook niet blijven zitten, maar ging daarheen en zag neer op de binnenplaats.

Toen zag ze, dat de plaats in haar huis vol was met al de arme gevangenen van de wereld.

Zij zag hen, die anders in donkere gevangenissen lagen, gekluisterd met zware ijzeren ketenen.

Zij zag hen, die in de donkere groeven arbeidden, en nu kwamen aansleepen met hun mokers.

En zij, die roeiers waren op oorlogsschepen, kwamen met hun zware roeiriemen van ijzer gesmeed.

En zij, die veroordeeld waren om te worden gekruisigd, kwamen met hun kruisen en zij, die onthoofd moesten worden met hun bijlen.

Zij zag hen, die in slavernij waren weggevoerd naar vreemde landen en wier oogen brandden van heimwee. Zij zag alle ellendige slaven, die moesten werken als lastdieren, en wier ruggen bloedig waren van geeselslagen.

Al die ongelukkigen riepen uit één mond en zeiden: "Doe open! doe open!"

Toen trad de slaaf, die den ingang bewaakte, naar buiten en hij vroeg hun: "Wat is het dat gij verlangt?"

En dezen antwoordden als de anderen:

"Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die op aarde gekomen is om gevangenen hun vrijheid te geven en den slaven hun geluk."

De slaaf antwoordde met een onverschillig gezicht:

"Ge kunt hem hier niet vinden, Pilatus heeft hem gedood."

Toen dit gezegd was, was het haar, die droomde, alsof al die ongelukkigen uitbarstten in zulk een verachting en hoon, dat zij voelde, hoe hemel en aarde trilden. Zij zelf voelde zich versteend van schrik, en zulk een schok ging door haar lichaam, dat ze ontwaakte.

Toen ze nu goed wakker was, ging zij overeind in bed zitten en zei in zichzelf: "Ik wil niet meer droomen. Nu wil ik mij den heelen nacht wakker houden, zoodat ik niets meer van al dat vreeselijke hoef te zien."

Maar bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze dat dacht, had de slaap haar weer overmeesterd en zij had haar hoofd op het kussen gelegd en was ingeslapen.

Weer had ze gedroomd, dat ze op het dak van haar huis zat, en haar zoontje sprong daar heen en weer en speelde met een bal.

Toen hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de balustrade, die 't dak omgeeft en zie, wie het zijn, die op de plaats staan te wachten."

Maar zij, die droomde, zeide in zichzelf: "Ik heb vannacht zooveel ellende gezien, ik kan niets meer verdragen. Ik wil blijven waar ik ben."

Op 'tzelfde oogenblik wierp haar zoontje zijn bal zoo, dat die buiten de balustrade viel, en het kind sprong er op toe en klom op het hek. Toen werd zij bang, ze sprong op en greep het kind.

Maar daardoor kwam zij er toe een blik naar beneden te werpen en weer zag zij, dat de plaats vol menschen was.

En daar waren al de menschen der aarde, die in den oorlog gewond waren. Zij kwamen met verminkte lichamen, met afgehouwen ledematen en met groote open wonden, waaruit bloed vloeide, zoodat de heele plaats er door overstroomd werd.

En daarnaast verdrongen zich alle menschen der aarde, die hun geliefden op het slagveld verloren hadden. Het waren de vaderloozen, die hun verdedigers betreurden en de jonge vrouwen, die om haar geliefden riepen, en de ouden, die om hun zonen zuchtten.

Die het meest vooraan stonden, drongen naar de deur en de poortwachter kwam zooals te voren en opende de deur.

En hij vroeg allen, die in twisten en gevechten gewond waren: "Wat zoekt gij in dit huis?" En zij antwoordden: "Wij zoeken den grooten Profeet van Nazareth, die strijd en oorlog verbieden zal en vrede op aarde brengen. Wij zoeken hem, die de speer tot een zeis zal maken en het zwaard tot een wijngaardmes."

Toen antwoordde de slaaf: "Laat nu niet meer menschen mij komen plagen, ik heb het nu al zoo dikwijls gezegd: "De groote Profeet is hier niet. Pilatus heeft hem gedood."" Daarop sloot hij de poort. Maar zij, die droomde, dacht aan al het gejammer, dat nu komen zou. "Ik wil het niet meer hooren," zei ze en snelde weg van de balustrade. Op 'tzelfde oogenblik werd zij wakker en toen merkte ze, dat zij in haar schrik uit haar bed op den kouden steenen vloer gesprongen was.

Weer had zij gedacht, dat zij dien nacht niet meer slapen wou en weer had haar de slaap overmand, zoodat zij haar oogen gesloten had en was beginnen te droomen.

Weer stond zij op het dak van een huis en naast haar stond haar man, en zij vertelde hem van haar droomen en hij lachte haar uit.

En weer hoorde ze een stem, die tot haar sprak: "Ga naar de menschen zien, die op uw binnenplaats wachten."

Maar zij dacht: "Ik wil ze niet zien. Ik heb vannacht ongelukkigen genoeg gezien."

Op 'tzelfde oogenblik hoorde ze drie harde slagen op de poort en haar man ging naar de balustrade om te zien wie het was, die in zijn huis verlangde binnen te komen. Maar nauwelijks had hij zich over het hek gebogen of hij wenkte zijn vrouw om bij hem te komen.

"Kent gij dien man niet?" vroeg hij en wees naar beneden.

Toen zij naar beneden zag op de binnenplaats, merkte zij, dat die vol was van ruiters en paarden. Slaven waren bezig ezels en kameelen te ontdoen van hun lasten. Het scheen, dat een voornaam reiziger was aangekomen.

Aan den ingang stond de reiziger. Hij was een groot oud man met breede schouders en een zwaarmoedig en somber uiterlijk.

De droomende herkende dadelijk den vreemdeling en ze fluisterde haar man toe: "Dat is Caesar Tiberius, die naar Jeruzalem gekomen is. Het kan niemand anders zijn."

"Ik meen hem ook te herkennen," zei haar man en legde dadelijk den vinger op den mond als een teeken, dat ze stil moesten zijn en luisteren naar wat er beneden op de plaats gezegd werd.

Ze zagen, dat de deurwachter naar buiten kwam en den vreemde vroeg: "Wien zoekt gij?"

En de reiziger antwoordde: "Ik zoek den grooten Profeet van Nazareth, die begiftigd is met Gods wonderdoende kracht. Keizer Tiberius roept hem, opdat hij hem bevrijden zal van een vreeselijke ziekte, die geen ander geneesmeester wegnemen kan."

Toen hij uitgesproken had boog zich de slaaf zeer ootmoedig en zei: "Heer, wees niet vertoornd, maar uw wensch kan niet vervuld worden."

Toen wendde zich de keizer tot zijn slaven, die achteraan op de plaats wachtten en gaf hun een bevel.

Toen haastten zich de slaven; sommigen hadden de handen vol versiersels, anderen hadden schalen opgehoopt met paarlen, anderen sleepten met zakken vol gouden munten. De keizer wendde zich tot den slaaf, die de poort bewaakte en zeide: "Dit alles zal 't zijne zijn, als hij Tiberius bijstaat. Hiermee kan hij al den armen der aarde rijkdom geven."

Maar de deurwachter boog zich nog dieper dan te voren en zeide: "Heer, wees niet vertoornd op uw dienaar, maar uw begeerte kan niet worden vervuld."

Toen wenkte de keizer zijn slaven nog eens en een paar van hen kwamen haastig aan met een rijk geborduurd kleed, waarop een borststuk van juweelen glinsterde.

En de keizer sprak tot den slaaf: "Zie hier. Wat ik hem aanbied is de macht over Judea. Hij zal zijn volk besturen als de hoogste rechter, als hij mij maar volgt en Tiberius geneest."

Maar de slaaf boog zich nog dieper ter aarde en sprak: "Heer, het staat niet in mijn macht u te helpen."

Toen wenkte de keizer nogmaals en zijn slaven kwamen haastig aan met een gouden hoofdring en een purperen mantel.