Christuslegenden

Part 7

Chapter 74,172 wordsPublic domain

Dat gevoel nam toe, toen ze begon te merken hoe veranderd alles was in den tijd, dat ze weg geweest was. Voorwaar, langs deze trappen waren altijd groote scharen menschen op en neer gegaan. Hier wemelde het vroeger van senatoren, die zich lieten dragen door reusachtige Lybiërs, van gezanten uit de provincie--die in lange optochten vergezeld van slaven aankwamen--van sollicitanten, van aanzienlijke mannen, die uitgenoodigd waren om deel te nemen aan de feesten van den keizer.

Maar vandaag waren die trappen en gangen geheel verlaten. De grijsgroene hagedissen waren de eenige levende wezens, die de oude vrouw op haar weg ontdekte.

Zij was er verwonderd over dat alles al scheen te vervallen. De ziekte van den keizer kon hoogstens een paar maanden geduurd hebben, en toch was het gras al geworteld tusschen de marmeren steenen. Fijne gewassen, die in schoone vazen geplant stonden, waren al verdroogd, en domme vernielaars, die niemand had tegengehouden, hadden op een paar plaatsen de balustraden afgebroken.

Maar 't allerzonderlingste vond ze toch die volkomen afwezigheid van menschen; al was het ook aan vreemdelingen verboden zich op het eiland te vertoonen, dan moesten zij er toch wel zijn, die eindelooze scharen van krijgslieden en slaven, van danseressen en muzikanten, van koks en tafelbedienden, van paleiswachters en tuinarbeiders, die tot 's keizers huishouding hoorden. Eerst toen Faustina het bovenste terras bereikt had, kreeg ze een paar oude slaven in 't oog, die op de stoep voor de villa zaten. Toen ze hen naderde, stonden ze op en bogen voor haar.

"Wees gegroet, Faustina!" zei de een. "Het is een god, die u zendt om ons ongeluk te verzachten."

"Wat is dat toch, Milo," vroeg Faustina, "waarom is 't hier zoo eenzaam? Men heeft mij toch gezegd, dat Tiberius nog op Capri woont."

"De keizer heeft al zijn slaven weggedreven, omdat hij vreest, dat een van ons hem vergif bij den wijn te drinken gegeven en daardoor de ziekte veroorzaakt heeft. Hij zou ook mij en Tito hebben weggejaagd, als wij niet hadden geweigerd hem te gehoorzamen. En ge weet, dat wij den keizer en zijn moeder ons heele leven gediend hebben."

"Ik vraag niet alleen naar slaven," antwoordde Faustina, "waar zijn de senatoren en veldheeren? Waar zijn de vertrouwden van den keizer, en al de kwispelstaartende gelukzoekers?"

"Tiberius wil zich niet meer aan vreemden vertoonen," zei de slaaf; "de senatoren Lucius en Macro, aanvoerders van de lijfwacht, komen hier elken dag zijn bevelen ontvangen. Niemand anders mag hem naderen."

Faustina was de stoep opgegaan om de villa binnen te treden. De slaaf ging voor haar uit en onder het loopen vroeg ze hem: "Wat zeggen de geneesheeren van de ziekte van Tiberius?"

"Niemand van hen kan die ziekte behandelen. Zij weten niet eens of zij snel of langzaam doodt; maar dit kan ik u wel zeggen, Faustina, dat Tiberius sterven moet, wanneer hij zooals nu, alle voedsel weigert, uit vrees dat het vergiftigd kan zijn. En ik weet, dat een zieke het niet uithouden kan, dag en nacht te waken, zooals de keizer doet, uit angst om in den slaap vermoord te worden. Als hij op u vertrouwen wil zooals in vroeger dagen, dan kon het u misschien gelukken hem er toe te brengen te eten en te slapen. Daarmee kunt ge zijn leven vele dagen verlengen."

De slaaf voerde Faustina langs velerlei gangen en binnenplaatsen naar een terras, waar Tiberius zich gewoonlijk ophield om het uitzicht te genieten over de heerlijke baaien en den trotschen Vesuvius. Toen Faustina op het terras kwam, zag ze daar een griezelig wezen met een opgezwollen gezicht en dierlijke trekken. Zijn handen en voeten waren met witte verbanden omwonden maar uit het verband staken hier en daar half verteerde vingers en teenen, en de kleeren van dien mensch waren stoffig en vuil.

Men kon begrijpen, dat hij niet in staat was rechtop te gaan, maar op het terras had moeten kruipen.

Hij lag met gesloten oogen bij de balustrade en bewoog zich niet, toen de slaaf en Faustina aankwamen.

Maar Faustina fluisterde den slaaf, die voor haar liep, toe: "Maar Milo, hoe kan zulk een mensch hier op het terras van den keizer zelf komen? Breng hem gauw weg."

Maar nauwelijks had zij dat gezegd, of ze zag hoe de slaaf zich ter aarde boog voor den ellendige, die daar lag.

"Caesar Tiberius," zei hij, "ik heb u eindelijk een blijde boodschap te brengen."

Op dat oogenblik wendde de slaaf zich naar Faustina, maar toen week hij verbaasd achteruit en kon geen woord meer uitbrengen.

Hij zag niet meer de trotsche matrone, die er zoo sterk had uitgezien, dat men had kunnen verwachten, dat haar leeftijd zoo hoog zou worden als die van een sibylle. In dat oogenblik was ze ineen gezonken als in machteloozen ouderdom. En de slaaf zag voor zich een gebogen oude vrouw met somberen blik en tastende handen. Want wel had Faustina gehoord, dat de keizer vreeselijk veranderd moest wezen, maar ze had toch geen oogenblik opgehouden zich hem voor te stellen als den sterken, krachtigen man, dien zij het laatst gezien had. Zij had ook iemand hooren zeggen, dat deze ziekte langzaam werkte en dat die jaren noodig had om een mensch te veranderen.

Zij wankelde naar den keizer. Ze kon niet spreken, maar stond stil naast hem te schreien.

"Zijt ge nu gekomen, Faustina?" zei hij toen zonder de oogen te openen. "Ik lag hier en verbeeldde mij, dat ge bij mij stondt en om mij schreide. Ik durf niet opzien uit angst dat het maar een dwaling is."

Toen zette de oude zich naast hem neer. Zij hief zijn hoofd op en legde het in haar schoot.

Maar Tiberius bleef stil liggen zonder haar aan te zien. Een gevoel van lieflijke rust kwam over hem en hij viel een oogenblik later in een gezonden slaap.

V.

Eenige weken later kwam een van de slaven van den keizer naar de eenzame hut in de Sabijner-bergen. Het liep tegen den avond, en de arbeider en zijn vrouw stonden in hun deur en zagen de zon ondergaan in het verre westen. De slaaf ging van het pad af, kwam op hen toe en groette hen. Daarop nam hij een zware beurs, die hij in den gordel droeg en hij legde die in de hand van den man.

"Dit zendt u Faustina, de oude vrouw, aan wie gij barmhartigheid bewezen hebt," zei de slaaf; "zij verzoekt u voor dit geld u een eigen wijngaard te koopen en u een huis te bouwen, dat niet zoo hoog op de bergen ligt als een arendsnest."

"Leeft de oude Faustina dan werkelijk nog?" zei de man; "we hebben haar gezocht in kloven en moerassen. Toen zij niet meer terugkwam, meende ik, dat zij den dood gevonden had tusschen deze ellendige bergen."

"Herinner je je niet," zei de vrouw, "dat ik niet wilde gelooven, dat ze dood was? Heb ik je niet gezegd, dat ze weer naar den keizer teruggegaan was?"

"Ja," gaf de man toe; "dat heb je werkelijk gezegd, en ik ben blij, dat je gelijk hebt, niet alleen omdat Faustina op die manier rijk genoeg geworden is om ons uit de armoede te helpen, maar ook ter wille van den armen keizer."

De slaaf wilde nu spoedig afscheid nemen om nog in bewoonde streken te komen vóór de nacht inviel. Maar dit stonden de beide echtgenooten niet toe.

"Ge moet bij ons blijven tot morgen," zeiden ze. "We kunnen u niet laten gaan voor ge ons alles verteld hebt, wat met Faustina gebeurd is. Waarom is zij weer naar den keizer teruggegaan? Hoe was hun ontmoeting? Zijn ze nu blij, dat ze weer bij elkaar zijn?"

De slaaf gaf toe aan hun verzoek. Hij volgde hen in de hut en onder den avondmaaltijd vertelde hij van de ziekte des keizers en van Faustina's terugkomst.

Toen de slaaf zijn verhaal geëindigd had, zag hij den man en de vrouw onbeweeglijk zitten, stom van verbazing. Zij hielden de oogen neergeslagen als om de ontroering, die hen aangegrepen had, niet te verraden.

Eindelijk zag de man op en zei tot zijn vrouw: "Gelooft ge niet, dat dit een beschikking van God is?"

"Ja," zei de vrouw, "zeker was het hiervoor, dat de Heer ons over zee zond naar deze hut. Stellig was dit Zijn bedoeling, toen Hij de oude vrouw hierheen voerde naar onze deur."

Zoodra de vrouw deze woorden gesproken had, wendde de arbeider zich weer tot den slaaf.

"Vriend," zeide hij tot hem, "ge moet een boodschap voor mij naar Faustina brengen. Zeg haar dit woord voor woord: "Zoo groet u uw vriend, de wijngaardarbeider uit de Sabijner-bergen: Gij hebt de jonge vrouw gezien, die mijn echtgenoote is. Vondt ge haar schoonheid niet lieflijk en haar gezondheid bloeiende? En toch heeft deze jonge vrouw eenmaal aan dezelfde ziekte geleden, die nu Tiberius heeft aangetast."

De slaaf maakte een beweging van verwondering, maar de arbeider ging voort met steeds sterker nadruk op ieder woord:

"Als Faustina mijn woorden niet gelooven wil, zeg haar dan, dat mijn vrouw en ik uit Palestina in Azië komen, een land, waar die ziekte dikwijls voorkomt. En daar is de wet zoo, dat de melaatschen worden verdreven uit steden en dorpen, en op eenzame plaatsen moeten wonen, zich hun woning zoekend in greppels en grotten. Zeg Faustina, dat mijn vrouw is geboren in een grot uit zieke ouders en zoolang ze nog een kind was, was ze gezond, maar toen ze opgroeide tot een jonge maagd, werd zij door de ziekte aangetast."

Toen de arbeider dit gezegd had, boog de slaaf vriendelijk lachend het hoofd en sprak tot hen:

"Hoe wilt ge, dat Faustina dat gelooven zal? Zij heeft immers uw vrouw in haar schoonheid en gezondheid gezien en zij weet immers, dat er geen geneesmiddel voor die ziekte is?"

Maar de man antwoordde: "Het zou het beste voor haar zijn, als ze mij geloofde. Maar ik ben ook niet zonder getuigen. Zij moet boodschappers zenden naar Nazareth in Galilea. Daar zal ieder mensch bevestigen wat ik gezegd heb."

"Is het misschien door een wonderwerk van een of anderen god, dat uw vrouw genezen is?" vroeg de slaaf.

"Ja," antwoordde de arbeider; "het is zooals ge zegt. Op een dag verspreidde zich een gerucht onder de zieken, die in de eenzaamheid leefden: Zie, er is een groot Profeet opgestaan in Nazareth in Galilea. Hij is vol van Gods geest en Hij kan uw ziekte genezen door alleen maar Zijn hand op uw voorhoofd te leggen." Maar de zieken, die daar lagen in hun ellende, wilden niet gelooven, dat dit gerucht waarheid was.

"Ons kan niemand genezen," zeiden ze; "al sinds de dagen van de groote profeten heeft geen mensch iemand van ons uit zijn ongeluk kunnen redden."

Maar er was één van hen, die geloofde, en dat was een jonge maagd. Zij ging weg van de anderen om te trachten naar de stad Nazareth te komen, waar de profeet zijn verblijf hield. En op een dag, toen ze over groote vlakten wandelde, ontmoette ze een man, die lang en slank was, een bleek gezicht had en wiens haar in gladde zwarte lokken lag. Zijn donkere oogen glansden als sterren en trokken haar aan. Maar eer ze elkaar ontmoetten, riep ze hem toe:

"Kom niet bij mij, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den Profeet van Nazareth vinden kan."

Maar de man bleef op haar toekomen, en toen hij dicht voor haar stond, vroeg hij:

"Waarom zoekt ge den Profeet van Nazareth?"

"Ik zoek hem, opdat hij zijn hand op mijn voorhoofd zal leggen en mij van mijn ziekte genezen."

Toen kwam de man en legde zijn hand op haar voorhoofd, maar zij sprak tot hem:

"Wat baat het mij, of gij uw hand op mijn voorhoofd legt? Gij zijt geen profeet."

Toen zag hij haar glimlachend aan en zei:

"Ga nu naar de stad, die daarginds op de berghelling ligt en vertoon u aan de priesters."

De zieke dacht: "Hij houdt mij voor den gek, omdat ik denk, dat ik genezen kan worden. Van hem zal ik niet te weten komen wat ik vraag." En zij liep voort. Onmiddellijk daarna zag ze een man, die op de jacht ging en over het groote veld kwam aanrijden. Toen hij zoo dichtbij was, dat hij haar hooren kon, riep zij hem toe: "Kom niet bij me, want ik ben een onreine; maar zeg mij waar ik den profeet van Nazareth vinden kan."

"Wat verlangt ge van den profeet?" vroeg de man en reed langzaam naar haar toe.

"Ik wil alleen, dat Hij Zijn hand op mijn voorhoofd leggen zal en mij van mijn ziekte genezen."

Maar de man reed nog nader bij.

"Van welke ziekte wilt ge genezen worden?" vroeg hij. "Gij hebt geen geneesmeester noodig."

"Ziet ge dan niet dat ik een onreine ben?" zeide zij. "Ik ben uit zieke ouders geboren in een grot."

Maar de man bleef op haar toe rijden, want zij was mooi en teer, als een pas uitgekomen bloem.

"Gij zijt de schoonste maagd uit Judea!" barstte hij uit.

"Spot nu ook niet met mij," zei ze. "Ik weet dat mijn trekken verwoest zijn en dat mijn stem is als het knorren van een wild dier."

Maar hij zag haar diep in de oogen en zei tot haar: "Uw stem is helder als die van een beek in de lente, als zij voortkabbelt over de kiezelsteenen, en uw gezicht is als een zachte zijden doek."

En op dat oogenblik was hij haar zoo nabij gekomen, dat zij haar gezicht kon zien spiegelen in het blanke beslag, dat zijn zadel versierde.

"Ge kunt u hier spiegelen," zei hij.

Dat deed zij en zij zag een gezicht, dat zacht en lenig was als de vleugel van een pas ontpopten vlinder.

"Wat is dat?" riep ze, "dat is mijn gezicht niet."

"Ja, dat is uw gezicht," zei de ruiter.

"Maar is mijn stem dan niet heesch; klinkt die niet alsof wagens voortgetrokken worden over een steenachtigen weg?"

"Neen, zij klinkt als de schoonste melodieën van een citherspeler."

Zij wendde zich om en wees in de richting vanwaar zij gekomen was.

"Weet ge wie die man is, die nu juist achter die twee eiken verdwijnt?" vroeg zij den ruiter.

"Dat is Hij, naar wien ge zoo pas gevraagd hebt, dat is de Profeet van Nazareth," antwoordde de man.

Toen sloeg zij de handen ineen van verbazing en haar oogen kwamen vol tranen.

"O, Gij Heilige! O, Gij drager van de macht Gods!" riep zij uit. "Gij hebt mij genezen!"

En de ruiter lichtte haar in den zadel en bracht haar naar de stad op de berghelling en ging met haar naar de ouderlingen en priesters en vertelde hun, hoe hij haar gevonden had. Zij vroegen nauwkeurig naar alles, maar toen zij hoorden, dat de maagd in de woestijn uit zieke ouders geboren was, wilden zij niet gelooven, dat zij hersteld was. "Ga terug vanwaar ge gekomen zijt," zeiden zij. "Als ge ziek geweest zijt, moet ge dat uw geheele leven blijven. Ge moet niet hier naar de stad komen om ons met uw ziekte te besmetten."

Zij sprak tot hen: "Ik weet, dat ik gezond ben, want de Profeet van Nazareth heeft Zijn hand op mijn voorhoofd gelegd."

Toen zij dat hoorden, riepen zij uit: "Wie is hij, dat hij de onreinen rein zou kunnen maken? Dit alles is verblinding door booze geesten. Keer terug naar de uwen, opdat gij ons allen niet in het verderf stort."

Zij wilden haar niet voor genezen verklaren en zij verboden haar zich in de stad te vertoonen. Zij bepaalden, dat ieder, die haar beschermde, ook onrein zou verklaard worden.

Toen de priesters dit vonnis geveld hadden, zei de jonge maagd tot den man, die haar op het veld gevonden had: "Waar moet ik nu heengaan? Moet ik weer naar de woestijn, naar de zieken terug?"

Maar de man hief haar weer op zijn paard en zei tot haar: "Neen, gij zult geenszins meer naar de zieken in hun grotten gaan, maar wij beiden zullen over de zee trekken, naar een ander land, waar geen wetten voor reinen en onreinen zijn. En zij ..." maar toen de arbeider zoover gekomen was met zijn verhaal, stond de slaaf op en viel hem in de rede.

"Ge behoeft me niets meer te zeggen," zei hij, "sta liever op en ga met mij mee--gij, die de bergen hier kent, zoodat ik mijn terugtocht al vannacht beginnen kan en niet tot morgen behoef te wachten. De keizer en Faustina kunnen uw boodschap geen oogenblik te vroeg hooren."

Toen de arbeider den slaaf een eindweegs had weggebracht, en weer in de hut terugkwam, vond hij zijn vrouw nog wakker.

"Ik kan niet slapen," zei ze. "Ik moet er steeds aan denken, dat deze twee elkaar zullen ontmoeten: Hij, die alle menschen liefheeft en hij, die ze haat.

"Het is alsof deze ontmoeting de wereld uit haar voegen zou kunnen brengen."

VI.

De oude Faustina was op reis naar Jeruzalem en trok door het afgelegen Palestina. Zij had niet gewild, dat de opdracht den profeet te zoeken en hem bij den keizer te brengen aan een ander dan aan haar zou worden toevertrouwd. Zeker had zij in zich zelf gedacht: wat wij van dien vreemden man begeeren is iets, dat we hem niet met geweld of geschenken kunnen aflokken. Maar misschien geeft hij het ons, als iemand hem te voet valt en hem zegt in welken nood de keizer verkeert. En wie kan beter Tiberius' voorspraak zijn dan iemand, die onder zijn ongeluk evenveel lijdt als hijzelf?

De hoop om misschien Tiberius te redden, had de oude vrouw verjongd. Zij had zonder moeite de lange zeereis naar Joppe uitgehouden en op weg naar Jeruzalem gebruikte zij geen draagstoel, maar reed te paard. Zij scheen de moeilijke reis even gemakkelijk uit te houden, als de Romeinsche edelen, de krijgslieden en de slaven, die haar gevolg uitmaakten.

Die reis van Joppe naar Jeruzalem vervulde het hart der oude vrouw met blijdschap en hoop. Het was in de lente en de vlakte van Saron, waarover zij den eersten dag hadden gereden, was één enkel schitterend kleed van bloemen. Zelfs op de tweede dagreis, toen ze in de bergen van Judea waren, bleven de bloemen hun bij. Al de verschillend gevormde heuvels, waar de weg zich tusschen door slingerde, waren beplant met vruchtboomen, die in vollen bloei stonden. En toen de reizenden de witrose bloesems van abrikozen en perziken moe werden, konden zij hun oogen rust geven door naar het jonge wingerdloof te zien, dat uit de zwartbruine wortelstokken te voorschijn kwam en dat zoo snel groeide, dat men meende het te kunnen zien groeien.

Maar het waren niet alleen de bloemen en het lentegroen, die de reis zoo mooi maakten. De grootste bekoring ging uit van alle menschen, die dien morgen op weg waren naar Jeruzalem. Van alle zijwegjes en paden, van eenzame hoogten en van de afgelegenste hoekjes van de vlakte kwamen de reizigers. Toen zij den weg naar Jeruzalem bereikt hadden, sloten de alleen-reizenden zich bij elkaar aan in groote scharen en trokken voort onder blij gejubel. Om een ouden man, die op een schommelenden kameel reed, liepen zijn zonen en dochters, zijn schoondochters en al zijn kleinkinderen. De familie was zoo groot, dat ze een klein leger vormde. Een oude moeder, die te zwak was om te loopen, werd door haar zonen op de armen gedragen en zij liet zich fier door de eerbiedig op zij wijkende schare brengen.

Voorwaar, het was een morgen, die zelfs de meest bedroefden blij maken kon. De hemel was wel niet helder, maar met een dunne witgrijze wolkenlaag overtrokken, geen van de reizigers toch dacht er aan zich te beklagen, omdat de sterke zonnegloed wat gedempt was. Onder dien gesluierden hemel stroomden de geuren van de bloeiende boomen en de pas uitgekomen bladeren niet zoo snel als anders in de ruimte weg, maar bleven hangen over wegen en velden. En die mooie dag, die met zijn zacht licht en zijn windstilte deed denken aan de rust en den vrede van den nacht, scheen aan al die scharen voortspoedende menschen iets van zijn aard mee te deelen, zoodat ze opgeruimd maar toch plechtig gestemd voorttrokken, met gedempte stem overoude hymnen zingend, of spelend op wonderlijke, ouderwetsche instrumenten, waaruit tonen kwamen, die waren als het gonzen van een mug of het zingen van een krekel.

Toen de oude Faustina voortreed onder al die menschen, werd ze werkelijk door hun voortvarendheid en blijdschap aangestoken. Zij spoorde haar paard tot grooter snelheid aan, terwijl ze tot een jongen Romein, die naast haar reed, zeide: "Ik droomde vannacht, dat ik Tiberius zag en hij verzocht mij de reis niet uit te stellen, maar juist vandaag naar Jeruzalem te gaan. 't Komt mij voor alsof de goden mij een vermaning hebben willen zenden, niet te verzuimen er dezen mooien morgen heen te trekken."

Terwijl zij dat zeide, had zij den top van een uitgestrekten bergrug bereikt en daar hield zij onwillekeurig stil. Vóór haar lag een groot, diep keteldal, door mooie heuvels omringd en uit de donkere, schaduwrijke diepte van dat dal verrees de reusachtige rots, die op haar schedel Jeruzalem droeg.

Maar de enge bergstad, die met haar muren en torens als een gekroond kleinood op den platten top van den heuvel lag, scheen haar dien dag duizendmaal vergroot. Al de heuvels, die zich rondom het dal verhieven, waren met bonte tenten bedekt en met een oneindige menschenmassa.

't Was duidelijk voor Faustina, dat de bevolking van het heele land bezig was in Jeruzalem bijeen te komen voor een of andere groote plechtigheid. Die 't verst woonden, waren al gekomen en hadden hun tenten reeds in orde. Zij daarentegen, die in de buurt van de stad woonden, waren nog in aantocht. Aan den voet van alle lichte heuvels zag men ze aankomen als een onafgebroken stroom van witte kleeren, zangen en feestvreugde.

De oude vrouw zag lang neer op die aanstroomende menschenmassa en hun lange rijen tenten. Toen sprak zij tot den jongen Romein, die naast haar reed:

"Voorwaar, Sulpicius, 't geheele volk moet naar Jeruzalem gekomen zijn."

"Dat is werkelijk zoo," antwoordde de Romein, die door Tiberius was uitgekozen om Faustina te vergezellen, omdat hij verscheidene jaren in Judea gewoond had. "Zij vieren nu het groote lentefeest en dan trekken alle menschen, oude en jonge, naar Jeruzalem."

Faustina bedacht zich een oogenblik:

"Ik ben er blij om, dat we in deze stad komen op den dag, dat het volk hoogtij viert," zei ze. "Dat kan niet anders beteekenen dan dat de goden onze reis beschermen. Houdt ge 't niet voor mogelijk, dat hij, dien we zoeken--de Profeet van Nazareth, ook naar Jeruzalem is gekomen om aan 't feest deel te nemen?"

"Voorwaar, ge hebt gelijk, Faustina," sprak de Romein. "Hij is hoogstwaarschijnlijk in Jeruzalem. Dat is waarlijk een beschikking der goden. Hoe sterk en krachtig ge ook zijt, toch kunt ge blij zijn, dat ge de vrij lange, moeilijke reis naar Galilea niet behoeft te maken."

Hij reed haastig op een paar wandelaars toe, die juist voorbij kwamen en vroeg hun of ze geloofden, dat de Profeet van Nazareth zich in Jeruzalem bevond.

"Wij hebben er hem elk jaar om dezen tijd gezien," antwoordde een van de wandelaars. "Zeker is hij ook dit jaar hierheen gekomen, want hij is een vroom en rechtvaardig man."

Een vrouw strekte de hand uit en wees naar een heuvel, die ten oosten van de stad lag. "Ziet ge die berghelling, met olijfboomen begroeid?" vroeg ze. "Daar richten de Galileërs gewoonlijk hun tenten op en daar kunt ge de zekerste berichten krijgen over hem, dien ge zoekt."

Zij trokken verder, reden langs een slingerend pad eerst naar 't diepst van het dal en toen den berg van Sion op om de stad op zijn top te bereiken.

De steil oploopende weg was hier met lage muren omgeven, en daarop zaten en lagen een eindelooze massa bedelaars en kreupelen, die de barmhartigheid van de reizigers inriepen.

Onder het langzaam voortrijden kwam een der Joodsche vrouwen op Faustina toe: "Zie daar," zei ze, op een van de bedelaars wijzend, die op den muur zat, "dat is een Galileër. Ik herinner me, dat ik hem onder de leerlingen van den Profeet gezien heb. Hij kan u zeggen waar ge hem vinden zult, dien ge zoekt."

Faustina reed met Sulpicius naar den man, die haar was aangewezen. 't Was een arme oude man met een grooten baard, die hier en daar grijs werd. Zijn gezicht was gebruind door hitte en zonneschijn; en zijn handen waren door den arbeid vereelt. Hij vroeg niet om aalmoezen; integendeel, hij scheen zoo verdiept in bekommering en gepeins, dat hij de voorbijgangers niet eens aanzag.

Hij hoorde ook niet, dat Sulpicius hem aansprak maar deze moest zijn vraag een paar maal herhalen.

"Vriend, men heeft mij gezegd, dat gij een Galileër zijt. Ik verzoek u daarom, mij te zeggen waar ik den Profeet van Nazareth kan vinden."