Christuslegenden

Part 5

Chapter 54,304 wordsPublic domain

De zoon was niet in den tempel geweest, sinds hij groot genoeg was om te begrijpen wat hij zag en nu gingen zijn ouders met hem rond en lieten hem alle heerlijkheden zien. Daar waren lange zuilenrijen, vergulde altaren, heilige mannen, die hun leerlingen zaten te onderwijzen, de hoogepriesters met hun versierselen van edelsteenen, het voorhang uit Babylon, met gouden rozen doorweven, en de groote koperen poorten, die zóó zwaar waren, dat er dertig man voor noodig waren om ze op haar hengsels te doen draaien.

Maar de kleine jongen, die pas twaalf jaar oud was, gaf niet zooveel om dat alles. Zijn moeder zei hem, dat wat ze hem nu lieten zien het merkwaardigste op de wereld was. Zij zei hem, dat het nog wel lang duren kon eer hij weer zooiets zag. In het arme Nazareth, waar zij woonden, was niets anders dan grijze straten om naar te kijken.

Maar haar vermaningen hielpen niet veel. De kleine jongen keek alsof hij graag was weggeloopen uit dien prachtigen tempel en in plaats daarvan verlof had willen hebben om naar buiten te loopen en in de nauwe straat te Nazareth te spelen.

Maar het was eigenaardig: hoe onverschilliger de jongen zich toonde, des te opgewekter en vroolijker werden de ouders, zij knikten elkaar toe over zijn hoofd en waren een en al tevredenheid.

Eindelijk zag de kleine er zoo moe en uitgeput uit, dat de moeder medelijden met hem kreeg. "Nu hebben we te lang met je geloopen," zei ze. "Kom, nu moet je een poosje rusten."

Ze ging zitten bij een pilaar en zei, dat hij op den grond moest gaan liggen, met het hoofd in haar schoot. En dat deed hij en sliep spoedig in.

Nauwelijks was hij in slaap of de vrouw zei tegen den man:

"Ik heb nergens zoo tegen opgezien als tegen het oogenblik, dat hij hier zou komen in den tempel te Jeruzalem. Ik meende, dat als hij dit huis van God zag hij hier altijd zou willen blijven."

"Ik ben ook bang geweest voor deze reis," zei de man. "Toen hij geboren werd, zijn er zooveel teekenen geschied, die er op wezen dat hij een machtig heerscher zou worden. Maar wat beteekent de waardigheid van een koning onder deze bekommeringen en gevaren? Ik heb altijd gezegd, dat het voor hem en ons het beste was, als hij nooit anders werd dan een timmerman in Nazareth."

"Al sinds zijn vijfde jaar," zei de moeder nadenkend, "zijn er geen wonderen meer met hem gebeurd. En hij zelf herinnert zich niets meer van wat er in zijn eerste kindsheid gebeurd is. Hij is nu heelemaal een kind met andere kinderen. Gods wil geschiede boven alles, maar ik begin bijna te hopen, dat de Heer in Zijn genade een ander zal kiezen voor die groote roeping, en Hij mij mijn zoon zal laten behouden."

"Wat mij betreft," zei de man, "ik ben er in elk geval zeker van, dat, als hij niets hoort van de teekenen en wonderen, die er in zijn eerste levensjaren gebeurd zijn, alles goed zal gaan."

"Ik spreek nooit met hem over dat wonderbare," zei de vrouw. "Maar ik ben altijd bang, dat er buiten mijn toedoen iets gebeuren kan, waardoor hij begrijpt wie hij is. Vooral ben ik er bang voor geweest hem hier naar dezen tempel te brengen."

"Ge moogt blij zijn, dat het gevaar nu voorbij is," zei de man. "We zullen hem nu gauw weer thuis hebben in Nazareth."

"Ik ben bang geweest voor de wijze mannen in den tempel," zei de vrouw. "Ik was bang voor de profeten, die hier op hun matten zitten. Ik dacht, dat als hij hun onder de oogen kwam, ze zouden opstaan en zich neerbuigen voor het kind en hem begroeten als den koning van Judea. 't Is wonderlijk, dat ze zijn heerlijkheid niet voelen. Zulk een kind hebben ze nog nooit gezien."

Ze zat een poos zwijgend naar het kind te kijken.

"Ik kan 't bijna niet begrijpen," zei ze. "Ik dacht dat, als hij die rechters zag, die zitten in 't huis van den Heilige en de twisten der menschen beslechten, en die leeraars, die tot hun leerlingen spreken en de priesters, die den Heer dienen, hij opeens wakker zou worden en zeggen: "Hier, bij die rechters, die leeraars, die priesters wil ik leven, daarvoor ben ik geboren."

"Wat zou dat voor een geluk zijn, in deze zuilengangen opgesloten te zitten?" viel de man haar in de rede. "'t Is beter voor hem rond te dwalen op de heuvels en bergen om Nazareth."

De moeder zuchtte even. "Hij is zoo gelukkig bij ons thuis," zei ze. "Wat is hij niet blij, als hij met de schaapherders mee mag op hun eenzame zwerftochten, of op 't veld gaan, om te zien naar het werk der landlieden? Ik kan niet gelooven, dat we verkeerd doen, door te trachten hem voor ons te behouden."

"Wij besparen hem een groote smart," zei de man.

Zoo spraken zij door tot het kind wakker werd.

"Zie zoo," zei de moeder, "ben je nu uitgerust? Sta nu op, want het loopt tegen den avond en wij moeten naar onze slaapplaatsen terug."

Zij waren in het afgelegenste gedeelte van het gebouw toen zij den tocht naar den uitgang aanvingen. Een oogenblik later moesten zij door een oud gewelf, dat was blijven staan in den tijd, toen er voor 't eerst een tempel gebouwd werd op dezen plaats, en daar tegen den muur geleund stond een oude koperen bazuin, reusachtig groot en zwaar, bijna als een zuil, die men voor den mond kon zetten en bespelen. Die stond daar gedeukt en gegroefd, vol stof en spinnewebben van buiten en van binnen, omgeven door een nauwlijks zichtbare rij oude letters. Duizenden jaren waren zeker voorbijgegaan, sedert iemand getracht had er een toon uit te halen.

Maar toen de knaap die groote bazuin zag, bleef hij verwonderd staan. "Wat is dat daar?" vroeg hij.

"Dat is de groote bazuin, die "de Stem van den Wereldvorst heet," antwoordde de moeder. "Daarmeê riep Mozes de kinderen Israëls bijeen, toen ze in de woestijn verspreid waren. Niemand heeft na dien tijd er ook maar een enkelen toon uit kunnen krijgen. Maar hij die dat kan, zal alle volken der aarde onder zijn heerschappij brengen."

Zij lachte hierom; ze geloofde, dat het een oude sage was, maar de knaap bleef bij de groote bazuin staan, tot ze hem riep. Die bazuin was het eerste van al, wat hij in den tempel gezien had, dat hem aantrok. Hij had er bij willen blijven staan om haar lang en goed te bekijken. Zij hadden niet lang geloopen, toen ze in een grooten breeden tempelhof kwamen. Hier was in den berggrond zelf een kloof, diep en breed, die al van oudsher zoo geweest was. Die spleet had koning Salomo willen vullen toen hij den tempel bouwde. Geen brug had hij er over gelegd, geen slagboom had hij opgericht bij den steilen afgrond. Hij had over de kloof een kling van staal gespannen, die verscheidene ellen lang was, scherp geslepen en met den scherpen kant naar boven lag, en na een oneindig aantal jaren en veranderingen lag de kling nog over den afgrond. Nu was die toch bijna geheel verroest; aan de einden zat hij niet meer goed vast, maar trilde en schommelde, zoodra iemand met zware stappen over den tempelhof ging. Toen de moeder den knaap met een omweg langs de kloof leidde, vroeg hij haar: "Wat is dat voor een brug?"

"Die is daar neergelegd door koning Salomo," antwoordde de moeder, "en wij noemen die de Paradijsbrug. Als je die kloof kunt oversteken op die zwaaiende brug, waarvan de scherpe kant dunner is dan een zonnestraal, kun je er zeker van zijn in het Paradijs te komen." En ze lachte en liep haastig verder, maar de knaap bleef staan en zag naar de smalle, trillende kling, tot ze hem riep. Toen hij haar gehoorzaamde, zuchtte hij er over, dat ze hem die twee wonderbare dingen niet eerder had laten zien, zoodat hij tijd genoeg gehad had om ze te bekijken.

Zij gingen nu door, zonder opgehouden te worden tot ze de groote ingangspoort bereikten met haar vijfdubbele zuilenrijen. Hier stonden in een hoek een paar pilaren van zwart marmer, op hetzelfde voetstuk, zóó dicht bij elkaar, dat er nauwelijks een strootje tusschen door kon gestoken worden. Zij waren hoog en majestueus, met rijk versierde kapiteelen, waarom een rij van wonderlijk gevormde dierenkoppen liep. Maar geen duimbreed van die mooie zuilen was zonder schrammen en scheuren, zij waren 't meest beschadigd en versleten van alles wat in den tempel was. Zelfs de vloer er omheen was glad afgesleten en was uitgehold door vele voetstappen.

Weer hield de knaap zijn moeder staande en vroeg haar: "Wat zijn dit voor pilaren?"

"Dat zijn zuilen, die vader Abraham heeft meegebracht naar Palestina van uit het verre Chaldea, en die hij de Poort der Rechtvaardigheid noemde. Hij, die daar door kan komen, is rechtvaardig voor God en hij heeft nooit een zonde begaan." De knaap bleef staan en zag met groote oogen naar de zuilen.

"Je zult wel niet probeeren er door te komen," zei de moeder lachend. "Je ziet hoe de vloer er omheen versleten is door de velen, die geprobeerd hebben door de nauwe opening te komen, maar je kunt wel denken, dat het niemand gelukt is. Maar haast je nu! Ik hoor het gedreun van de koperen poorten, de dertig tempeldienaars zetten er hun schouders tegen om ze in beweging te brengen."

Maar den ganschen nacht lag de knaap wakker in de tent en hij zag niet anders vóór zich dan de Poort der Rechtvaardigheid, de Paradijsbrug en de Stem van den Wereldvorst. Van zulke wonderbare dingen had hij vroeger nooit gehoord, en hij kon ze maar niet vergeten.

En den volgenden morgen was het niet beter: hij kon aan niets anders denken. Dien morgen zouden zij naar huis gaan. Zijn ouders hadden veel te doen, eer ze de tent opgebroken en op een grooten kameel geladen hadden, en alles in orde gebracht was. Zij zouden niet alleen reizen, maar met veel familieleden en buren, en omdat er zooveel menschen waren, die op reis moesten, ging het pakken natuurlijk heel langzaam.

De knaap hielp niet bij het werk. Midden in de drukte en de verwarring zat hij stil aan die drie wonderbare dingen te denken. Plotseling kwam hij op de gedachte, dat hij naar den tempel moest gaan om ze nog eens te zien. Er was nog zooveel, dat ingepakt moest worden. Hij zou wel voor de afreis uit den tempel terug kunnen zijn.

Hij haastte zich voort, zonder iemand te zeggen waar hij heen wilde. Hij vond dat niet noodig. Hij zou immers gauw terug zijn. Het duurde niet lang of hij had den tempel bereikt en kwam in de portiek, waar de twee zwarte zusterzuilen stonden.

Zoodra hij die zag, begonnen zijn oogen te schitteren van vreugd. Hij ging bij haar op den grond zitten en zag naar ze op. Als hij er aan dacht, dat hij, die zich tusschen die twee zuilen door kon dringen, rechtvaardig was voor God en nooit een zonde begaan had, vond hij, dat hij nooit zoo iets wonderbaars gezien had.

Hij dacht er aan, hoe heerlijk het zijn zou, zich tusschen die twee zuilen door te dringen. Maar zij stonden zóó dicht bij elkaar, dat het zelfs onmogelijk was het te beproeven.

Zoo zat hij ruim een uur voor de zuilen zonder het te weten. Hij meende, dat hij ze maar een korten tijd had bekeken.

Maar nu waren in de prachtige portiek, waar de knaap zat, de rechters van den Hoogen Raad bijeen om het volk te helpen hun twisten te beslechten. De heele portiek was vol menschen, die klaagden over grenssteenen, die verzet waren, over schapen, die van de kudde waren weggevoerd en met valsche merken voorzien, en over schuldenaren, die hun schulden niet wilden betalen. Onder anderen kwam een rijk man, gekleed in slepende purperen kleederen, en bracht voor het gerecht een arme weduwe, die hem eenige sikkelen zilver schuldig zou zijn.

De arme vrouw jammerde en zei, dat de rijke onrechtvaardig handelde. Zij had hem haar schuld al eens betaald en nu wilde hij haar dwingen het nog eens te doen. Maar dat kon ze niet. Zij was zoo arm dat zij, als de rechters haar veroordeelden te betalen, genoodzaakt zou zijn aan den rijke haar dochters als slavinnen over te geven.

Hij, die op den hoogsten rechterstoel zat, wendde zich tot den rijken man, en zei tot hem:

"Durft ge er een eed op doen, dat die arme vrouw u nog niet betaald heeft?"

Toen antwoordde de rijke: "Heer, ik ben een rijk man; zou ik de moeite nemen mijn geld van deze arme weduwe op te eischen, als ik daar geen recht op had? Ik zweer dat, zoo waarachtig als nooit iemand zal gaan door de Poort der Rechtvaardigheid, zoo waarachtig is deze vrouw mij de som schuldig, die ik van haar begeer."

Toen de rechters dien eed hoorden, geloofden zij wat hij zeide en deden uitspraak, dat de arme weduwe hem haar dochters als slavinnen zou geven.

Maar de knaap zat dichtbij en hoorde dit alles. Hij dacht bij zich zelf: "Wat zou het goed zijn, als iemand door de Poort der Rechtvaardigheid kon dringen. Die rijke man daar spreekt stellig de waarheid niet. Het is vreeselijk voor die arme vrouw, genoodzaakt te zijn haar dochters tot slavinnen te maken."

Hij sprong op het voetstuk, waarvan de twee zuilen omhoog stegen, en keek door de spleet.

"Ach, was het toch maar niet heelemaal onmogelijk," dacht hij.

Hij was zoo bedroefd ter wille van die arme vrouw. Nu dacht hij er heelemaal niet aan, dat hij, die door deze poort drong, rechtvaardig en zonder zonde zou zijn. Hij wilde er alleen maar doorkomen ter wille van die arme vrouw.

Hij zette zijn schouder in de reet, tusschen de zuilen, als om zich een weg te banen.

En op dat oogenblik zagen alle menschen, die onder de portiek stonden, naar de Poort der Rechtvaardigheid. Want het dreunde in het gewelf, en de oude zuilen zongen, en zij bewogen zich op zij, de een rechts en de ander links, en lieten zulk een groote ruimte over, dat het tengere lichaam van den jongen er tusschen door kon.

Dat wekte de grootste verbazing en ontroering.

In het eerste oogenblik wist niemand wat hij zeggen moest. De menschen stonden maar te kijken naar dien kleinen jongen, die zulk een wonder verricht had. De eerste, die tot zich zelf kwam, was de oudste van de rechters. Hij riep, dat men den rijken koopman grijpen zou en hem voor de rechtbank brengen. En hij veroordeelde hem al zijn bezittingen aan de arme weduwe te geven, omdat hij een valschen eed gezworen had in Gods tempel.

Toen dit was uitgemaakt, vroeg de rechter naar den knaap, die door de Poort der Rechtvaardigheid gedrongen was.

Maar toen de menschen rondkeken om hem te vinden was hij verdwenen. Want op hetzelfde oogenblik, dat de pilaren van elkaar gleden, was hij als uit een droom ontwaakt, en had hij zich zijn ouders en de reis naar huis herinnerd.

"Nu moet ik mij haasten," dacht hij; "anders moeten mijn ouders op mij wachten."

Maar hij wist er niets van, dat hij een heel uur gezeten had voor de Poort der Rechtvaardigheid; hij dacht, dat hij er maar een paar minuten gebleven was. Daarom meende hij, dat hij nog wel tijd had even naar de Paradijsbrug te kijken, die in een heel ander gedeelte van den grooten tempel lag.

Maar toen hij de scherpe stalen kling zag, die over de kloof was gespannen, en er aan dacht, dat de mensch, die over die brug daar kon gaan, er zeker van was in het Paradijs te zullen komen, vond hij, dat dit het merkwaardigste was, dat hij ooit gezien had. En hij ging op den rand van de kloof zitten om de kling te bekijken.

Hij zat er aan te denken hoe heerlijk het moest zijn in het Paradijs te komen en hoe graag hij over die brug zou loopen. Maar op hetzelfde oogenblik zag hij in, dat het volslagen onmogelijk was het zelfs maar te probeeren.

En zoo zat hij twee uur lang te peinzen. Maar hij wist er niets van, dat de tijd voorbijging. Hij zat maar aan het Paradijs te denken.

Maar nu was het zoo, dat op de plaats, waar die diepe kloof zich bevond, een groot offer-altaar was opgericht. En daaromheen liepen witgekleede priesters, die het vuur op het altaar moesten aanhouden en offergaven aannemen. Op de plaats stonden ook velen, die offers kwamen brengen en een groote menigte, die alleen de godsdienstoefening bijwoonden.

Daar kwam ook een arme, oude man, die een heel klein mager lammetje droeg, dat nog op den koop toe door een hond gebeten was, zoodat het een groote wond had.

De man ging naar de priesters met dit lam en vroeg of hij dit mocht offeren, maar dat weigerden zij. Zij zeiden, dat hij zulk een ellendig geschenk den Heer niet aanbieden kon.

De oude smeekte, dat zij uit barmhartigheid het lam zouden aannemen, want zijn zoon lag op sterven. Hij bezat niets anders wat hij aan God kon offeren voor zijn genezing.

"Ge moet mij dit offer laten brengen," zei hij; "anders komt mijn gebed niet voor Gods aangezicht en mijn zoon zal sterven."

"Ge kunt gerust gelooven, dat ik medelijden met u heb," zei de priester; "maar het is bij de wet verboden een beschadigd dier te offeren. Het is even onmogelijk aan uw verzoek te voldoen, als het is over de Paradijsbrug te loopen!"

De knaap zat zoo dicht bij, dat hij alles hoorde. Hij dacht er dadelijk aan hoe jammer het was, dat niemand over die brug kon komen. Misschien kon die arme zijn zoon behouden als het lam geofferd werd.

De oude man ging bedroefd weg uit den tempelhof. Maar de knaap stond op, ging naar de trillende brug en zette er zijn voet op.

Hij dacht er in 't geheel niet aan, dat hij er over wilde gaan om zeker te zijn van het Paradijs. Zijn gedachten waren bij den arme, dien hij verlangde te helpen.

Maar hij trok de voet terug, want hij dacht: "Dat is onmogelijk; zij is veel te oud en roestig, zij kan mij niet eens dragen."

Meer dan eens gingen zijn gedachten naar den arme, wiens zoon op sterven lag en weer zette hij den voet op de kling. Toen merkte hij, dat die ophield te trillen en hij voelde haar breed en vast onder zijn voet.

En toen hij den volgenden stap deed, voelde hij, dat de lucht om hem heen hem ondersteunde, zoodat hij niet kon vallen. Die droeg hem, alsof hij een vogel geweest was en vleugels had.

Maar uit de gespannen kling trilde een lieflijke toon, toen de knaap er over ging, en een van hen, die in den hof stonden, wendde zich om, toen hij dien toon hoorde. Hij gaf een kreet en nu keerden zich ook de anderen om en zij zagen den kleinen jongen, die over de stalen kling liep. En er was groote ontroering en verbazing over allen, die daar stonden.

De eersten, die tot bezinning kwamen, waren de priesters. Zij zonden dadelijk een bode naar den arme, en toen hij terugkwam, zeiden ze tot hem: "God heeft een wonder gedaan, om ons te toonen, dat hij uw geschenk wil aanvaarden. Geef ons uw lam, dan zullen wij het offeren."

En toen dit gebeurd was, vroegen ze naar den kleinen jongen, die over de kloof was geloopen, maar toen zij naar hem zochten, konden ze hem niet vinden.

Want juist, toen de knaap over den afgrond geloopen was, had hij weer gedacht aan de thuisreis en aan zijn ouders. Hij wist er niets van, dat de morgen en voormiddag nu voorbij waren, maar hij dacht: "Ik moet nu gauw teruggaan, zoodat zij niet op mij behoeven te wachten. Ik wil toch eerst gauw even heengaan, om te kijken naar de Stem van den Wereldvorst."

En hij sloop weg tusschen het volk en haastte zich op vlugge voeten naar den donkeren zuilengang, waar de koperen bazuin tegen den muur geleund stond.

Toen hij die zag en er aan dacht, dat hij indien hij daar een toon aan ontlokken kon, eens alle volken der aarde onder zijn heerschappij zou vereenigen, vond hij, dat hij nooit iets zoo merkwaardigs gezien had. En hij ging naast de bazuin zitten om die te bekijken.

Hij dacht er aan, hoe grootsch het zou wezen alle menschen der aarde te kunnen overwinnen en hoe graag hij wilde, dat hij in die oude bazuin zou kunnen blazen.

Maar hij begreep, dat dit onmogelijk was, zoodat hij het niet eens durfde probeeren.

Zoo zat hij verscheidene uren, maar hij wist niet, dat de tijd voorbij ging. Hij dacht er alleen aan wat dàt wel voor een gevoel zou zijn, alle menschen der aarde onder zijn heerschappij te vereenigen.

Maar nu was het zoo, dat in die koele zuilengang een heilig man zat en zijn leerlingen onderwees. En hij wendde zich nu tot een van de jongelingen, die aan zijn voeten zaten en zei hem, dat hij een bedrieger was. Anderen hadden hem verraden, zei de heilige, dat deze jongeling een vreemde was en geen Israëliet. En nu vroeg hem de heilige, waarom hij zich tusschen zijn leerlingen had ingedrongen onder een valschen naam.

Toen stond de vreemde jongeling op en zeide, dat hij door woestijnen geloopen had en over groote zeeën gevaren was, om de ware wijsheid te hooren en de leer van den eenigen God.

"Mijn ziel versmachtte van verlangen," zei hij tot den heilige; "maar ik wist, dat gij mij niet zoudt willen leeren, als ik niet zeide, dat ik een Israëliet was. Daarom heb ik gelogen, opdat aan mijn verlangen voldaan zou worden, en ik smeek u, laat mij bij u blijven."

Maar de heilige stond op en hief de armen ten hemel. "Gij zult evenmin bij mij blijven als daar iemand zal komen en blazen op die groote koperen bazuin, die wij de Stem van den Wereldvorst noemen. Het is u niet eens geoorloofd deze plaats in den tempel te betreden, daar gij een heiden zijt. Spoed u weg van hier, anders zullen mijn leerlingen u aanvallen en verscheuren, omdat uw tegenwoordigheid den tempel ontheiligt."

Maar de jongeling bleef staan en zeide: "Ik wil nergens anders heengaan, waar mijn ziel toch geen voedsel vindt. Ik wil liever aan uw voeten sterven."

Nauwelijks had hij dat gezegd, of de leerlingen van den heilige stonden op om hem weg te drijven. En toen hij zich verweerde, wierpen zij hem op den grond en wilden hem dooden. Maar de knaap zat daar dichtbij, zoodat hij dit alles hoorde en zag, en hij dacht: "Dit is zeer hard! Ach! kon ik toch maar op de koperen bazuin blazen, zoodat hij geholpen was."

Hij stond op en legde de hand op de bazuin. Op dat oogenblik wenschte hij niet meer haar aan de lippen te brengen, omdat hij, die dat vermocht, een groot heerscher zou worden, maar omdat hij hoopte daarmee iemand te kunnen helpen, wiens leven in gevaar was.

En hij greep de koperen bazuin met zijn handjes om te beproeven of hij haar oplichten kon. Toen voelde hij, dat de reusachtige bazuin zich ophief tot zijn lippen. En toen hij maar even ademde, drong een sterk klinkende toon uit de bazuin en klonk door heel het groote tempelruim.

Toen wendden allen hun oogen daarheen en zij zagen, dat het een kleine jongen was, die met de bazuin aan de lippen stond en er de klanken aan ontlokte, die gewelven en zuilen deed trillen.

Dadelijk zonken alle handen neer, die zich hadden opgeheven om den vreemden jongeling te slaan, en de heilige leeraar sprak tot hem: "Kom, en zet u aan mijn voeten, waar gij tot nu toe gezeten hebt! God heeft een wonder gedaan om mij te toonen, dat het Zijn wil is, dat ge wordt ingewijd in Zijn dienst."

Tegen den avond van dien dag kwamen een man en een vrouw haastig aan op den weg naar Jeruzalem. Zij zagen er verschrikt en onrustig uit en zij riepen ieder, dien zij tegenkwamen, toe: "Wij hebben onzen zoon verloren. Wij meenden, dat hij met onze familieleden en buren was meegegaan, maar niemand van hen heeft hem gezien. Is een van u op weg ook voorbij een alleenloopend kind gereden?"

Zij, die uit Jeruzalem kwamen, antwoordden:

"Wij hebben uw zoon niet gezien, maar in den tempel zagen wij een heerlijk kind. Hij was als een engel uit den hemel en hij is gegaan door de Poort der Rechtvaardigheid."

Ze zouden dit graag heel nauwkeurig verteld hebben, maar de ouders hadden geen tijd om te luisteren.

Toen zij een eind geloopen hadden, kwamen zij andere menschen tegen en vroegen het hun.

Maar zij, die van Jeruzalem kwamen, wilden alleen vertellen van een heerlijk kind, dat er uitzag alsof het uit den Hemel gekomen was en dat geloopen had over de Paradijsbrug. Zij hadden graag over dit alles staan praten tot laat in den avond, maar de man en de vrouw hadden geen tijd om naar hen te luisteren, maar haastten zich de stad in.

Zij gingen de eene straat na de andere in en uit zonder hem te vinden. Eindelijk kwamen zij aan den tempel.

Toen zij daar voorbijgingen, zei de vrouw: "Nu we toch hier zijn, laat ons nu naar binnen gaan, om te zien wat het voor een kind is, waarvan ze zeggen, dat het uit den Hemel is gekomen."

Zij gingen naar binnen en vroegen waar ze het kind konden zien.