Part 4
"Zoolang Herodes weet, dat een van de kinderen van Bethlehem nog leeft, zal hij voortdurend aan denzelfden angst lijden," zei de krijgsman. "'t Waarschijnlijkste is, dat hij--om zijn ellende te verzachten--mij aan het kruis zal slaan."
't Was een heete middag, en hij leed vreeselijk onder het rijden in deze boomlooze bergstreek op een weg, die zich door diepe ravijnen in 't dal slingerde, waar geen windzuchtje zich bewoog. Het paard en de ruiter beide waren op 't punt te bezwijken.
Reeds sedert verscheidene uren had de krijgsman elk spoor van de vluchtenden uit het oog verloren en hij voelde zich moedeloozer dan ooit.
"Ik moet het opgeven," dacht hij. "Voorwaar, ik geloof niet, dat het de moeite loont ze verder te vervolgen: zij moeten toch omkomen in deze vreeselijke woestijn."
Toen hij zoo dacht, ontdekte hij in een rotswand, die zich aan den weg verhief, den gewelfden ingang van een grot.
Hij stuurde zijn paard aanstonds in de richting van de grot-opening. "Ik zal een poos uitrusten in die koele rotsholte," dacht hij. "Misschien dat ik later de vervolging met vernieuwde kracht kan hervatten."
Toen hij de grot in wilde gaan, verraste hem iets merkwaardigs. Aan beide zijden van den ingang groeide een schoone lelieplant.
Ze stonden daar hoog en rank, vol bloemen. Ze geurden bedwelmend, als honig en een menigte bijen gonsden er om heen.
Dat was zulk een ongewoon gezicht in deze woestenij, dat de krijgsman iets buitengewoons deed. Hij brak een groote, witte bloem af en nam die mee in de grot.
De rotsholte was niet diep of donker en zoodra hij 't gewelf binnenkwam, zag hij, dat zich daar al drie reizigers bevonden. 't Waren een man, een vrouw en een kind, die op den grond waren uitgestrekt, in diepen slaap verzonken.
De krijgsman had nooit zijn hart zóó voelen bonzen als toen hij dat zag. Dat waren juist de drie vluchtelingen, die hij zoo lang had nagezet. Hij herkende ze dadelijk. En hier lagen ze nu te slapen, buiten staat zich te verdedigen, geheel en al in zijn macht.
Zijn zwaard gleed kletterend uit de scheede en hij boog zich nu over het slapende kind.
Hij bracht de punt van 't zwaard zacht bij 't hart van het kind en mikte nauwkeurig om het met één stoot te dooden.
Maar hij hield een oogenblik op om zijn gezichtje te zien. Nu hij zich zeker voelde van de overwinning, voelde hij een wreed genot bij 't bekijken van zijn offer.
Maar toen hij 't kind zag, werd zijn vreugde zoo mogelijk nog verhoogd, want hij herkende den kleinen jongen, dien hij met de bijen en de leliën had zien spelen op het veld buiten de stadspoort.
"Ja zeker," dacht hij, "dat had ik al lang moeten begrijpen. Daarom heb ik dat kind hier altijd gehaat. Dat is de aangekondigde vredevorst." Hij liet zijn zwaard weer zakken, terwijl hij dacht: "Als ik het hoofd van dit kind voor Herodes neerleg, zal hij mij tot aanvoerder van zijn lijfwacht aanstellen."
Terwijl hij de punt van zijn zwaard al nader bij den slapende bracht, verheugde hij zich door in zich zelf te zeggen: "Deze keer tenminste zal er niemand tusschen komen om hem aan mijn handen te ontrukken."
Maar de krijgsman had de lelie, die hij aan den ingang van de grot geplukt had, nog in de hand en terwijl hij zoo dacht, vloog een bij, die in den kelk verborgen gezeten had, eenige keeren gonzend omhoog en om zijn hoofd.
De krijgsman schrikte op. Hij dacht opeens aan de bij, die de kleine jongen naar huis gedragen had en hij dacht er aan, dat het een bij was, die het kind geholpen had om te ontkomen aan het feest van Herodes.
Die gedachte trof hem als iets heel verbazends. Hij hield zijn zwaard stil en stond naar de bij te luisteren.
Nu hoorde hij het diertje niet meer gonzen, maar terwijl hij daar zoo stil stond, trok de sterke, liefelijke geur, die uit de lelie in zijn hand opsteeg, zijn aandacht. En nu dacht hij aan de leliën, die de kleine jongen geholpen had, en hij herinnerde zich dat het een bos lelies was, die het kind voor zijn blikken verborgen hadden en het hadden helpen ontkomen door de stadspoort.
Hij verzonk al dieper in gedachten, en trok zijn zwaard terug.
"Bijen en lelies hebben hem zijn weldaden vergolden," fluisterde hij.
Hij dacht er aan, hoe de kleine ook hem een weldaad bewezen had en een diepe blos kwam op zijn gezicht.
"Kan een krijgsman uit de Romeinsche legioenen vergeten een bewezen dienst te vergelden?" fluisterde hij. Hij voerde een korten strijd met zich zelf; hij dacht aan Herodes en aan zijn eigen lust om den jongen vredevorst te vernietigen.
"Mij past het niet dit kind te dooden, dat mijn leven gered heeft," zei hij toch eindelijk. En hij boog zich neer en legde zijn zwaard naast het kind neer, opdat de vluchtelingen bij hun ontwaken begrijpen zouden aan welk gevaar zij ontkomen waren.
Toen zag hij, dat het kind wakker was. Het lag hem met zijn mooie oogen aan te zien, die als sterren straalden.
En de krijgsman boog een knie voor het kind.
"Heer, Gij zijt de machtige," sprak hij. "Gij zijt de sterke, de overwinnaar. Gij zijt degene, dien de goden liefhebben. Gij zijt degene, die slangen en schorpioenen in het stof treedt."
Hij kuste de voeten van het kind en ging zachtkens uit de grot, terwijl de kleine hem lag na te kijken met groote, verwonderde kinderoogen.
DE VLUCHT NAAR EGYPTE.
Ver weg in een van de oostersche woestijnen groeide voor lange, lange jaren een palm, die buitengewoon hoog was. Allen, die door de woestijn trokken, moesten blijven stilstaan om hem te bewonderen, want hij was veel grooter dan andere palmen, en men placht te zeggen, dat hij zeker hooger dan de obelisken en pyramiden zou worden.
Toen nu die groote palm daar zoo eenzaam stond uit te zien over de woestijn, kreeg hij op een dag iets in 't oog, dat zijn geweldige bladerkroon op den dunnen stam heen en weer deed wiegen van verwondering. Ver weg aan den rand van de woestijn kwamen twee eenzame menschen aan. Zij waren nog zoo ver weg, dat kameelen op zulk een afstand niet grooter dan mieren schijnen, maar het waren toch zeker twee menschen. Twee, die vreemd waren in de woestijn,--want de palm kende het woestijnvolk; een man en een vrouw, die geen gidsen, geen lastdier, geen tent of geen reiszak bij zich hadden.
"Voorwaar," zei de palm tot zichzelf, "die twee zijn hier gekomen om te sterven."
De palm wierp snel een blik om zich heen.
"Het verwondert me," zei hij, "dat de leeuwen dien buit nog niet vervolgen. Maar ik bespeur er nog nergens een. Ook zie ik nog geen van de woestijnroovers, maar ze zullen wel komen. Hen wacht een zevenvoudige dood," dacht de palm. "De leeuw zal ze verslinden, de slangen zullen hen bijten; van dorst zullen ze omkomen, de zandstorm zal ze begraven, de roovers vermoorden hen, een zonnesteek zal hen treffen en de vrees ze doen sterven."
En hij probeerde aan wat anders te denken. Het lot van deze menschen stemde hem weemoedig. Maar in de heele woestijn, die zich aan alle kanten om den palm heen uitstrekte, was niets wat hij al niet duizend jaren gekend en gezien had. Niets kon zijn aandacht boeien. Hij moest weer aan die twee zwervers denken.
"Bij de droogte en den storm!" zei de palm, de twee gevaarlijkste vijanden van het leven aanroepende, "wat heeft die vrouw daar op den arm? Ik geloof, dat die dwazen ook nog een kindje bij zich hebben."
De palm, die vèrziende was, zooals de ouden van dagen gewoonlijk zijn, had werkelijk goed gezien. De vrouw droeg een kind op den arm, dat het hoofdje tegen haar schouder leunde en sliep.
"'t Kind heeft niet eens genoeg kleeren aan," zei de palm. "Ik zie, dat de moeder haar kleed heeft losgemaakt en dat om het kindje heengeslagen. Zij heeft het in groote haast uit zijn bedje genomen en is er meê weggesneld. Nu begrijp ik het: deze menschen zijn vluchtelingen."
"Toch zijn het dwazen," ging de palm voort. "Als niet een engel hen beschermt, hadden ze liever het ergste van hun vijanden moeten afwachten, dan de woestijn in te gaan.
"Ik kan me wel voorstellen hoe alles gegaan is. De man was aan zijn werk, het kind sliep in de wieg, de vrouw is naar buiten gegaan om water te halen. Toen ze even buiten de deur gekomen was, heeft ze vijanden zien aanstormen. Ze is naar binnen gevlogen, heeft het kind gegrepen en den man toegeroepen haar te volgen, en is weggevlucht. Sinds dien tijd zijn ze den heelen dag op de vlucht geweest en hebben zeker geen oogenblik gerust. Ja, zoo is alles gegaan, maar toch zeg ik:--als geen engel ze beschermt....
"Zij zijn zóó bang, dat ze nog geen moeheid of ander lijden voelen, maar ik zie hoe de dorst hun uit de oogen kijkt. Ik ken het gezicht van een dorstig mensch maar al te goed."
En toen de palm aan den dorst dacht, ging een kramptrekking door zijn langen stam en de vele punten van zijn lange bladen krulden om, alsof ze boven het vuur gehouden werden.
"Als ik een mensch was," zij hij, "zou ik me nooit in de woestijn wagen. Wie zich hierheen waagt, zonder wortels te bezitten, die bij de nooit verdrogende wateraren kunnen komen, moet wel heel moedig zijn. Zelfs voor palmen kan 't hier gevaarlijk zijn. Zelfs voor palmen zooals ik.
"Als ik hun kon raden, zou ik hun smeeken terug te keeren. Hun vijanden kunnen nooit zoo wreed zijn als de woestijn. Misschien meenen zij, dat het gemakkelijk is hier te leven. Maar ik weet, dat zelfs ik vaak moeite gehad heb om in 't leven te blijven. Ik herinner me nog hoe in mijn jeugd een stormwind een heelen berg zand over me heen gooide. Ik was bijna gestikt. Als ik had kunnen sterven, zou dat mijn laatste uur geweest zijn."
De palm dacht aldoor hardop, zooals ouden en eenzamen gewoonlijk doen.
"Ik hoor een wonderlijk melodisch suizen door mijn kroon gaan," zei hij, "alle punten aan mijn bladen moeten trillen. Ik weet niet, wat me zoo beweegt bij het gezicht van deze arme vreemdelingen. Maar die bedroefde vrouw is zoo mooi. Zij herinnert me aan het wonderbaarlijkste, wat ik ooit beleefde."
En terwijl de bladen voort bleven trillen in een melodisch suizen, herinnerde de palm zich hoe eens, héél lang geleden, twee schitterende schoone menschen de woestijn bezocht hadden. Het was de koningin van Saba, die daar gekomen was, door den wijzen Salomo vergezeld. De schoone koningin zou weer naar haar land terugkeeren; de koning had haar een eind begeleid en nu moesten zij scheiden.
"Ter herinnering aan dit oogenblik," zei toen de koningin, "leg ik nu een dadelpit in den grond en ik wil, dat daaruit een palm ontkiemen zal, die zal groeien en leven tot er in Juda een koning zal opstaan, die grooter is dan Salomo." En toen zij dit gezegd had, stak zij de pit in den grond en haar tranen bevochtigden die.
"Hoe kan dat zijn, dat ik daar juist vandaag aan denk," zei de palm. "Zou deze vrouw zoo mooi zijn, dat zij mij aan de schoonste aller koninginnen doet denken, aan haar, door wier woorden ik geleefd heb en gegroeid ben tot op dezen dag toe?"
"Ik hoor mijn bladen steeds sterker suizen," zei de palm, "en het klinkt droevig als een doodslied. Het is als een voorteeken. 't Is goed, dat ik weet, dat het mij niet gelden kan, want ik kan niet sterven."
De palm meende, dat het suizen in de bladen de twee eenzame zwervers gelden moest. En zelf geloofden zij ook zeker, dat hun laatste ure naderde. Men kon het zien aan de uitdrukking op hun gezicht, als zij voorbij een van de kameelsskeletten gingen, die aan beide kanten van den weg lagen. Men kon het zien aan de blikken, die ze een paar voorbijvliegenden gieren toewierpen. Het kon wel niet anders. Ze moesten omkomen....
Zij hadden den palm en de oase in het oog gekregen en haastten zich daarheen om water te vinden. Maar toen zij er eindelijk aankwamen, zonken zij ineen van wanhoop, want de bron was uitgedroogd. De vrouw legde uitgeput het kind neer en zette zich schreiend aan den rand van de bron. De man wierp zich naast haar op den grond en sloeg met zijn beide vuisten op den dorren bodem. De palm hoorde, hoe zij er samen over spraken, dat zij sterven moesten.
Hij hoorde ook uit hun spreken, dat koning Herodes alle kinderen van twee en drie jaar had laten vermoorden, uit vrees, dat de groote, verwachte koning van Juda geboren zou zijn.
"Het suist al sterker in mijn bladen," zei de palm. "Spoedig zal voor deze arme vluchtelingen hun laatste ure slaan."
Hij hoorde ook hoe bang ze waren voor de woestijn.
De man zei, dat het beter geweest was te blijven en met de krijgsknechten te strijden, dan hierheen te vluchten. Hij zei, dat zij zoodoende een lichteren dood zouden zijn gestorven.
"God zal ons bijstaan," zei de vrouw.
"Wij zijn alleen tusschen roofdieren en slangen," zei de man. "Wij hebben geen eten en geen water. Hoe kan God ons bijstaan?"
Hij scheurde zijn kleeren van wanhoop en drukte het gezicht tegen den grond. Hij was hopeloos, als iemand met een doodelijke wonde in het hart.
De vrouw zat rechtop, met de handen gevouwen om de knieën. Maar de uitdrukking van haar oogen, als zij de woestijn inzag, sprak van grenzenlooze vertwijfeling.
De palm hoorde, dat het weemoedige suizen in zijn bladen al sterker werd. De vrouw moest het ook gehoord hebben, want zij hief het hoofd op en zag naar de kroon van den boom.
"O, dadels, dadels!" riep zij.
Er klonk zulk een groot verlangen in haar stem, dat de palm wenschte, dat hij niet grooter was dan een bremstruik en dat de dadels zoo gemakkelijk te bereiken waren, als de bottels van den rozestruik. Hij wist wel, dat zijn kroon vol groote trossen dadels hing, maar hoe zouden de menschen ooit tot zulk een duizelingwekkende hoogte op kunnen klimmen?
De man had al gezien, hoe onoverkomelijk hoog de dadeltrossen hingen. Hij hief niet eens het hoofd op. Hij smeekte zijn vrouw, niet naar het onmogelijke te verlangen. Maar het kind, dat alleen had rondgeloopen en met stokjes en strootjes gespeeld, had den uitroep van zijn moeder gehoord.
Het kleintje kon zich zeker niet voorstellen, dat zijn moeder niet alles kon krijgen, wat zij verlangde. Zoodra hij van de dadels had hooren spreken, begon hij naar den boom te kijken. Zijn voorhoofd trok hij bijna in rimpels onder de lichte krullen. Eindelijk gleed er een glimlach over zijn gezichtje. Hij had het middel gevonden. Hij ging op den palm toe, streelde dien met zijn handje en zei met zijn lief kinderstemmetje:
"Palm, buig je, palm, buig je."
Maar wat was dat nu, wat was dat toch! De palm suisde, alsof een orkaan zijn takken schudde en door den langen palmestam ging de eene rilling na de andere. En de palm voelde, dat de kleine hem te machtig was. Hij kon hem niet weerstaan. En hij boog zijn langen stam voor het kind, zooals menschen voor vorsten buigen. In een geweldigen boog zonk hij ter aarde en kwam eindelijk zoo ver naar beneden, dat de groote kroon met de trillende bladen het woestijnzand raakte.
Het kind scheen niet verschrikt of verbaasd, maar met een vreugdekreet kwam het aanloopen en maakte den eenen tros na den anderen los uit de kroon van den ouden palm. Toen hij genoeg geplukt had en de boom nog bleef liggen op het veld, ging het kindje weer naar den stam, streelde dien, en zei met zijn liefste stemmetje:
"Sta op, palm, sta op, palm."
En de groote boom rees stil en eerbiedig overeind op zijn veerkrachtigen stam, terwijl al zijn bladen zongen als harpen.
"Nu weet ik, voor wie ze de doodsmelodie spelen," zei de oude palm in zich zelf, toen hij weer rechtop stond. "Dat is niet voor een van deze menschen."
Maar de man en de vrouw lagen op hun knieën en loofden God.
"Gij hebt onzen angst gezien en dien weggenomen. Gij zijt de sterke, die den stam van den palm buigt als een riet. Voor wie van onze vijanden zullen wij nog vreezen, als Gij ons beschermt?"
Den eersten keer daarna, dat een karavaan door de woestijn trok, zagen de reizigers, dat de bladerkroon van den grooten palm verdord was.
"Hoe kan dit zijn?" zeide een reiziger. "Deze palm zou immers niet sterven, voor hij een koning gezien had, die grooter was dan Salomo?"
"Misschien heeft hij dien ook gezien," antwoordde een ander van de woestijnreizigers.
IN NAZARETH.
Eens, toen Jezus nog maar vijf jaar oud was, zat hij op de stoep van zijns vaders werkplaats in Nazareth en was bezig met vogels te boetseeren uit een klomp vochtige, lenige klei, die hij van den pottenbakker aan de andere zij van de straat gekregen had. Hij was zoo blij als nooit te voren, want alle kinderen uit de buurt hadden Jezus gezegd, dat de pottenbakker een knorrige man was, die niet te bewegen was door vriendelijke blikken of honigzoete woorden en hij had hem nooit iets durven vragen. Maar zie--hij wist nauwelijks hoe dat gegaan was: hij had maar op zijn stoep gestaan en verlangend naar zijn buurman gekeken. En toen was de man uit zijn winkel gekomen en had hem zooveel klei gegeven, dat hij er wel een wijnvat van had kunnen maken.
Op de stoep voor het huis daarnaast zat Judas, die leelijk was en rood haar had en een gezicht vol sproeten, en kleeren vol scheuren, die hij gekregen had in zijn voortdurende gevechten met de straatjongens. Voor 't oogenblik was hij stil; hij kibbelde en vocht niet, maar werkte aan een stuk klei op dezelfde manier als Jezus, maar die klei had hij zelf niet kunnen krijgen, hij durfde den pottenbakker nauwelijks onder de oogen te komen, want die beschuldigde hem van steenen op zijn broze waar te gooien en zou hem met stokslagen hebben weggejaagd. Jezus had zijn voorraad met hem gedeeld.
Naarmate de kinderen hun vogels van klei afhadden, zetten zij ze in een kring voor zich neer. Zij zagen er uit zooals vogels van klei er altijd uitgezien hebben. Ze hadden een grooten klomp om op te staan in plaats van pootjes, korte staarten, geen hals en bijna onzichtbare vleugels.
Toch was er al gauw een verschil te zien tusschen het werk van de kameraadjes. De vogels van Judas waren zoo scheef, dat ze aanhoudend omvielen, en hoe hij ook werkte met zijn kleine stijve vingers, hij kon hun lichamen niet knap en goedgevormd krijgen. Hij keek nu en dan van ter zijde naar Jezus om te zien wat hij toch deed, om zijn vogels zoo mooi gelijk en glad te krijgen als de eikenbladen in de bosschen op Tabor.
Bij elken vogel, dien Jezus afkreeg, werd hij gelukkiger; de eene kwam hem nog mooier voor dan de andere en hij bekeek ze met trots en liefde; zij moesten zijn speelkameraden worden, zijn broertjes en zusjes; zij zouden in zijn bed slapen, hem gezelschap houden, liedjes voor hem zingen, als zijn moeder van hem wegging. Hij had zich nooit zoo rijk gevoeld; nooit meer zou hij nu eenzaam of verlaten wezen.
De forschgebouwde waterdrager kwam voorbij, gebogen onder zijn zwaren zak, en dadelijk daarna kwam de groentehandelaar, die zat te zwaaien op den rug van zijn ezel, midden tusschen de groote, leege teenen korven. De waterdrager legde de hand op Jezus' lichte, krullende haren en vroeg hem naar zijn vogels, en Jezus vertelde hem, dat zijn vogels namen hadden en konden zingen. Al zijn vogeltjes waren uit vreemde landen bij hem gekomen en hadden hem allerlei verteld, wat alleen hij en zij wisten. En Jezus sprak zóó, dat de waterdrager en de groentehandelaar langen tijd hun werk vergaten om naar hem te luisteren.
Maar toen ze verder wilden gaan, wees Jezus op Judas. "Kijk eens wat mooie vogels Judas maakt," zei hij.
Toen hield de groentehandelaar goedig zijn ezel in en vroeg Judas of zijn vogels ook namen hadden en zingen konden. Maar Judas wist daar niets van; hij zweeg hardnekkig en hief de oogen niet op van zijn werk. En de groentehandelaar schopte knorrig naar een van zijn vogels en reed door. Zoo ging de middag voorbij en de zon straalde zoo ver, dat haar schijnsel naar binnen kon komen door de lage stadspoort, die met een Romeinschen adelaar versierd, zich aan het eind van de straat verhief, en de zonneschijn die tegen den avond kwam was rozerood, alsof die met bloed vermengd was, en kleurde alles wat hem in den weg kwam, terwijl hij door de smalle straat gleed. Die tintte de vaten van den pottenbakker evengoed als de planken, die knarsten onder de zaag van den timmerman, en den witten doek om het aangezicht van Maria.
Maar het allermooist blonk de zonneschijn in de kleine waterplasjes, die tusschen de groote ongelijke straatsteenen lagen, die de straat bedekten.... En plotseling stak Jezus zijn hand in de plas, die het dichtst bij hem was. Hij was op den inval gekomen zijn grauwe vogels met den fonkelenden zonneglans te verven, die 't water, den huismuren en alles om hem heen zulk een mooie kleur gaf.
En de zonneschijn liet zich met welgevallen opvangen als verf uit een schilderspot, en toen Jezus hem uitstreek over de vogeltjes van klei, bleef hij stil liggen en bedekte ze geheel met een glans als van diamanten. Judas, die nu en dan naar Jezus gekeken had om te zien of hij ook meer en mooier vogels maakte dan hij, gaf een kreet van blijde bewondering, toen hij zag, hoe Jezus zijn vogels van klei met zonneschijn schilderde, dien hij opnam uit de waterplassen van de straat. En Judas doopte ook de hand in het glinsterende water en trachtte den zonneschijn op te vangen.
Maar die liet zich door hem niet vangen. Die gleed tusschen zijn vingers door en hoe snel hij ook probeerde de handen te roeren om hem te grijpen, de zonneglans sloop weg en hij kon geen nieuwe kleur aan zijn arme vogels geven.
"Wacht, Judas!" zei Jezus. "Ik zal bij je komen en je vogels verven."
"Neen," zei Judas, "je moogt er niet aankomen, ze zijn mooi genoeg, zooals ze zijn."
Hij stond op met gefronste wenkbrauwen en opeengeklemde lippen. En hij zette zijn breeden voet op de vogels en veranderde den een na den ander in een klein platgetrapt klompje klei. Toen al zijn vogels vernield waren, ging hij naar Jezus, die zijn kleien vogeltjes zat te streelen, die glinsterden als juweelen. Judas bekeek ze een poosje zwijgend, toen hief hij zijn voet op en vertrapte er een van.
Toen hij zijn voet terugtrok en 't vogeltje in een propje klei veranderd zag, gaf hem dit zulk een verlichting, dat hij begon te lachen, en hij hief den voet op om er nog een te vertrappen.
"Judas!" riep Jezus, "wat doe je? weet je niet, dat ze leven en kunnen zingen?"
Maar Judas lachte en vertrapte een tweeden vogel.
Jezus keek rond naar hulp. Judas was groot en sterk en Jezus had geen kracht om hem terug te houden. Hij keek naar zijn moeder. Zij was niet ver weg, maar eer zij bij hem was, zou Judas al zijn vogels kunnen vernielen. Jezus kreeg de oogen vol tranen. Judas had al vier van zijn vogels vertrapt, er waren er nog maar drie over.
Hij ergerde zich over zijn vogels, die daar zoo stil stonden en zich lieten vertrappen, zonder op het gevaar te letten. Jezus klapte in de handen en riep ze toe: "Vliegt weg, vliegt weg!"
Toen begonnen de drie vogels hun vleugeltjes te bewegen en angstig fladderend gelukte het hun toch op de dakgoot te komen, waar ze veilig waren, maar toen Judas zag, dat de vogels de vleugels bewogen en wegvlogen op Jezus' bevel, begon hij te schreien. Hij rukte zich de haren uit het hoofd, zooals hij de anderen had zien doen als ze in angst en droefheid waren en wierp zich aan Jezus' voeten.
En daar bleef hij liggen en wentelde zich in 't stof, en kuste Jezus' voeten en smeekte hem zijn voet op te heffen en hem te vertrappen, zooals hij het zijn speelgoed gedaan had.
Want Judas had Jezus lief, en bewonderde hem, en aanbad hem--en haatte hem tegelijk.
Maar Maria, die al dien tijd op het spel der kinderen gelet had, stond nu op. Zij hief Judas op van den grond, nam hem op haar schoot en liefkoosde hem.
"Arm kind," zei ze. "Je weet niet, dat je iets geprobeerd hebt wat geen schepsel kan. Doe dat nooit weer, want dan wordt je de ongelukkigste mensch van de wereld. Hoe zou het ons gaan, als we probeerden een wedstrijd aan te gaan met Hem, die met zonneschijn schildert en den adem des levens in de doode klei blaast?"
IN DEN TEMPEL.
Er waren eens arme menschen: een man, een vrouw en een kind, die in den grooten tempel te Jeruzalem rondliepen. Hun zoontje was zulk een mooi kind. Hij had krullend haar en oogen die straalden als sterren.