Christuslegenden

Part 10

Chapter 104,273 wordsPublic domain

"Maar 't mislukte hem, zooals het allen na hem mislukt is en zooals het ook u mislukken zal."

De jongen piepten er heel moedig over, dat zij toch wilden beproeven 't zoo gewenschte voorrecht te verwerven. Maar de oude vogel antwoordde hun droevig dat het onmogelijk was. Hoe konden zij dat hopen daar zooveel uitstekende voorvaderen 't doel niet hadden kunnen bereiken. Wat konden ze meer doen dan liefhebben, zingen en vechten. Wat konden.... De vogel hield midden in den zin op, want uit een der poorten van Jeruzalem kwamen een menigte menschen stroomen en de heele schare kwam snel op den heuvel af, waar de vogel zijn nest had.

Het waren ruiters op trotsche paarden, krijgslieden met lange speren, beulsknechten met hamers en spijkers, het waren waardig voorttrekkende priesters en rechters, schreiende vrouwen en voor alles een troep wild rondspringend, losloopend volk, een afschuwelijke huilende bende straatslijpers!

De kleine grijze vogel zat trillend op den rand van zijn nestje. Hij vreesde ieder oogenblik, dat het doornstruikje vertrapt zou worden en zijn jongen gedood.

"Wees voorzichtig!" riep hij den weerloozen diertjes toe, "kruip bij elkaar en wees doodstil. Daar komt een paard, dat gaat dwars over ons heen, daar komt een soldaat met sandalen met ijzeren zolen, daar komt de heele woeste bende aanstormen."

Opeens hield de vogel met zijn waarschuwingen op en bleef doodstil zitten. Hij vergat bijna het gevaar, waarin hij verkeerde.

Plotseling sprong hij in het nest en spreidde de vleugels over zijn jongen uit.

"Neen, dat is al te vreeselijk," zei hij, "ik wil niet, dat jelui dat zien zult. Daar zijn drie misdadigen, die gekruisigd moeten worden." En hij spreidde de vleugels uit, zoodat de kleinen niets zien konden. Ze hoorden alleen dreunende hamerslagen, jammerkreten en het wilde gejoel van het volk. Het roodborstje volgde het heele tooneel met oogen groot van ontzetting, hij kon de blikken niet van de drie ongelukkigen afwenden.

"Wat zijn de menschen wreed," zei de vogel na een poos, "het is hun nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te nagelen, maar ze hebben op het hoofd van dien eene ook nog een kroon van scherpe doornen gezet."

"Ik zie, dat de doornen zijn voorhoofd hebben gewond, zoodat zijn bloed vloeit," ging hij voort. "En die man is zoo heerlijk en ziet om zich heen met zulke zachte oogen, dat ieder hem lief moet hebben. Het is me alsof een pijl mijn hart doorboort, nu ik hem lijden zie."

Het vogeltje begon een al sterker medelijden te gevoelen met den man, die de doornenkroon droeg.

"Als ik mijn broeder de arend was," dacht hij, "zou ik de spijkers uit zijn handen rukken, en met mijn sterke klauwen al die menschen op de vlucht jagen, die hem pijnigen."

Hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van den gekruiste vloeide en toen kon hij niet langer stil in zijn nest blijven.

"Al ben ik klein en zwak, ik kan toch wel iets voor dien armen gemartelde doen," dacht de vogel en hij verliet het nest en vloog op in de lucht, groote kringen beschrijvend om den gekruisigde heen. Hij zweefde verscheidene keeren om hem heen, zonder nader te komen, want hij was een schuwe, kleine vogel, die nog nooit gewaagd had een mensch te naderen.

Maar langzamerhand vatte hij moed, vloog naar hem toe en trok met zijn snavel den doorn uit, die in het voorhoofd van den gekruisigde gedrongen was.

Maar terwijl hij dat deed, viel een droppel van het bloed van den gekruiste op de borst van den vogel, die breidde zich snel uit en verfde al zijn teere borstveertjes.

Maar de gekruiste opende zijn lippen en fluisterde den vogel toe: "Terwille van uw barmhartigheid hebt gij nu gewonnen, waar uw geslacht naar gestreefd heeft sinds de schepping der wereld."

Zoodra de vogel in zijn nest terugkwam, riepen zijn jongen hem toe: "Uw borst is rood, uw veeren zijn rooder dan rozen."

"Dat is maar een bloeddroppel van het voorhoofd van dien armen man, die verdwijnt zoodra ik mij baad in een beek of een heldere bron."

Maar hoe het vogeltje ook baadde, de roode kleur week niet meer van zijn borst en toen zijn jongen volwassen waren, was de schitterende roode kleur ook op hun borstveeren, zooals die op de keel en de borst van ieder roodborstje te zien is tot op den huidigen dag.

ONZE LIEVE HEER EN DE HEILIGE PETRUS.

Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer en de heilige Petrus pas teruggekomen waren in het Paradijs, na over de aarde te hebben rondgewandeld en veel ellende geleden te hebben, vele jaren lang. Ge kunt wel begrijpen hoe blij de heilige Petrus was. Ge kunt wel denken, dat het heel wat anders was op den Paradijsberg te zitten en over de wereld uit te zien, dan van deur tot deur te zwerven, als een bedelaar. Het was heel wat anders, in de lusthoven van het Paradijs rond te wandelen, dan op aarde te zijn en niet te weten of men een dak boven 't hoofd zou hebben in den stormachtigen nacht, of dat men gedwongen zou zijn buiten op den weg rond te zwerven in kou en duisternis. Ge kunt u voorstellen welk een vreugd het moet geweest zijn eindelijk op de rechte plaats te zijn aangekomen, na zulk een reis. De heilige Petrus was er nog altijd niet zeker van geweest, dat alles goed zou afloopen. Hij had niet kunnen laten nu en dan te twijfelen en onrustig te zijn, want het was bijna onmogelijk geweest voor den heiligen Petrus, dien stakker, te begrijpen waar het voor dienen moest, dat zij het zóó zwaar hadden, als Onze Lieve Heer bestuurder van de heele wereld was.

En nu zou nooit eenig verlangen meer over hem komen. Ge kunt begrijpen, dat hij daar blij om was.

Nu kon hij er om lachen, als hij er aan dacht, hoe bedroefd hij en Onze Lieve Heer dikwijls geweest waren en met hoe weinig zij tevreden hadden moeten zijn.

Eens, toen het hun zoo slecht ging, dat hij meende het niet langer te kunnen uithouden, had Onze Lieve Heer hem meêgenomen en was een hoogen berg opgegaan, zonder hem te zeggen, wat zij daar boven te maken hadden.

Ze waren voorbij steenen grotten gekomen, die aan den voet van den berg lagen en voorbij kasteelen, die hooger op lagen.--Zij waren nog verder gegaan dan waar de boerderijen liggen en de hutten der herders, en zij hadden de steenen grot van den laatsten houthakker ver achter zich gelaten.

Eindelijk waren zij daar gekomen, waar de berg naakt was, zonder boomen of planten, en waar een hermiet zich een hut gebouwd had om reizigers in nood te kunnen helpen.

Toen waren zij over het sneeuwveld gegaan, waar de marmotten slapen en bij de woeste, opeengestapelde ijsmassa's aangekomen, die hier en daar met kanten en punten naar boven staken, zoodat daar nauwelijks een steenbok vooruit kon komen.

Daar had Onze Lieve Heer een klein goudvinkje gevonden, dat doodgevroren op het ijs lag, en hij had het opgenomen en bij zich gestoken. En de heilige Petrus herinnerde zich, dat hij zich afgevraagd had, of die vogel misschien hun middagmaal uitmaken zou.

Toen hadden ze een langen tijd over de glibberige ijsblokken voortgeloopen en de heilige Petrus had gemeend, dat hij nooit het doodenrijk meer nabij geweest was, want een ijskoude wind en een stikdonkere nevel was om hen heen, en zoover hij kon nagaan was daar niets levends meer. En toch waren zij nog niet verder dan midden op den berg gekomen.

Toen had hij Onzen Lieven Heer gesmeekt om terug te keeren.

"Nog niet," antwoordde Onze Lieve Heer, "want ik wil u iets laten zien, dat u moed zal geven om alles te verdragen."

Dus waren ze verder gegaan door nevel en kou, tot ze bij een eindeloos hoogen muur kwamen, die hun belette verder te komen.

"Deze muur gaat verder om den berg," sprak Onze Lieve Heer, "en ge kunt er nergens over heen komen. Evenmin kan eenig mensch iets zien van wat daar achter is, want daar zijn de velden van het Paradijs, en hier wonen de zaligen."

Maar de heilige Petrus kon niet helpen, dat hij er ongeloovig uitzag. "Daar binnen is het niet donker en koud als hier," sprak Onze Lieve Heer. "Daar is het zomer en staat alles groen in den helderen schijn van zon en sterren."

Maar de heilige Petrus had het niet kunnen gelooven. Toen nam Onze Lieve Heer het vogeltje, dat Hij op het ijsveld gevonden had en Hij boog zich achterover en wierp het over den muur, zoodat het in het Paradijs viel.

En onmiddellijk daarna hoorde de heilige Petrus een jubelend gekweel en herkende het gezang van den goudvink. En hij was zeer verbaasd.

Hij wendde zich tot Onzen Lieven Heer en zei: "Laat ons weer naar de aarde teruggaan en alles verdragen; want nu zie ik, dat Gij de Waarheid gesproken hebt, en dat er een plaats is, waar het leven den dood overwint."

En zij waren neergedaald van den berg en waren hun zwerftocht opnieuw begonnen. Sinds dien tijd had de heilige Petrus in lange jaren niets anders van het Paradijs gezien dan dit, en had maar steeds loopen verlangen naar het land achter den muur. En nu was hij er eindelijk en hoefde niet meer te verlangen. Nu kon hij heel den langen dag met beide handen genot en vreugde scheppen uit onuitputtelijke bronnen.

Maar de heilige Petrus was nog geen veertien dagen in het Paradijs geweest of een engel kwam bij Onzen Lieven Heer, die op Zijn troon zat, boog zeven maal voor Hem en zeide, dat den heiligen Petrus een groot ongeluk moest zijn overkomen. Hij wilde niet eten of drinken, en zijn oogen waren rood, alsof hij in vele nachten niet geslapen had. Zoodra Onze Lieve Heer dit hoorde, stond Hij op en ging den heiligen Petrus opzoeken.

Hij vond hem ver weg aan de grens van het Paradijs. Hij lag op den grond, alsof hij te uitgeput was om te staan, en hij had zijn kleeren verscheurd en asch op zijn haar gestrooid. Toen Onze Lieve Heer hem zoo bedroefd zag, ging Hij naast hem zitten op den grond en sprak hem toe, zooals Hij gedaan zou hebben, toen zij nog beneden in de bekommeringen der aarde samen rondwandelden.

"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer.

Maar de droefheid van den heiligen Petrus was zóó groot, dat hij geen antwoord kon geven.

"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer opnieuw.

Toen Onze Lieve Heer die vraag herhaalde, nam de heilige Petrus zich de gouden kroon van het hoofd en wierp die voor de voeten van Onzen Lieven Heer, alsof hij zeggen wou, dat hij geen deel meer aan Zijn eer en heerlijkheid wou hebben. Maar Onze Lieve Heer begreep wel, dat de heilige Petrus zóó bedroefd was, dat hij niet wist wat hij deed en Hij werd ook niet boos op hem.

"Ge moet me toch zeggen wat u scheelt," zei Hij even zachtmoedig als te voren en met nog grooter liefde in zijn stem.

Maar nu sprong de heilige Petrus op en Onze Lieve Heer zag nu, dat hij niet alleen bedroefd, maar ook boos was. Hij kwam naar Onzen Lieven Heer toe met gebalde vuisten en fonkelende oogen.

"Nu wil ik mijn ontslag uit Uw dienst hebben," zei de heilige Petrus. "Ik wil geen dag langer in het Paradijs blijven."

En Onze Lieve Heer zocht hem tot kalmte te brengen, zooals Hij al zoo dikwijls gedaan had, als de heilige Petrus opstoof.

"Ge zult zeker verlof krijgen om heen te gaan," zei Hij, "maar eerst moet ge mij zeggen wat u mishaagt."

"Ik wil U wel zeggen, dat ik beter loon verwachtte, toen wij beiden in de wereld allerlei ellende verdroegen," zei de heilige Petrus.

Onze Lieve Heer zag, dat de ziel van den heiligen Petrus met bitterheid vervuld was en Hij werd niet boos op hem.

"Ik zeg u immers, dat het u vrijstaat heen te gaan, wanneer ge wilt," zei Hij, "alleen moet ge mij zeggen, wat u zoo bedroefd maakt."

Toen vertelde de heilige Petrus eindelijk, waarom hij zoo ongelukkig was. "Ik had een oude moeder," zei hij, "en zij stierf een paar dagen geleden."

"Nu weet ik, wat u kwelt," zei Onze Lieve Heer. "Ge lijdt, omdat uw moeder niet hier in het Paradijs gekomen is."

"Zoo is het," antwoordde de heilige Petrus, en weer werd zijn smart zóó hevig, dat hij begon te snikken en te jammeren.

"Ik meende toch wel, dat ik verdiend had, dat zij hier mocht komen," zei hij.

Maar nu Onze Lieve Heer wist waarom de heilige Petrus zoo treurde, werd Hij op Zijn beurt bedroefd, want de moeder van den heiligen Petrus was niet zoo geweest, dat zij in den hemel kon komen. Ze had nooit aan iets anders gedacht dan aan geld bijeen te schrapen, en aan armen, die aan haar deur kwamen, had ze niets, zelfs nooit een glas water of een stuk brood, gegeven. En nu vond Onze Lieve Heer het hard om den heiligen Petrus te zeggen, dat zijn moeder zoo gierig geweest was, dat zij de zaligheid niet kon genieten.

"Heilige Petrus," zei Hij, "hoe kunt ge zoo zeker weten, dat uw moeder zich gelukkig zou voelen bij ons?"

"Zie, zoo iets zegt Ge maar om mijn gebed niet te hoeven verhooren," zei de heilige Petrus. "Wie zou nu niet gelukkig in het Paradijs zijn?"

"Zij, die geen vreugde kennen over de blijdschap van anderen," antwoordde Onze Lieve Heer.

"Dan zijn er wel anderen dan mijn moeder, die hier niet passen," zei de heilige Petrus en Onze Lieve Heer merkte, dat hij aan Hem dacht.

En Hij voelde zich diep bedroefd, omdat de heilige Petrus door zulk een felle smart getroffen was, dat hij niet meer wist wat hij zeide. Hij bleef een poos staan wachten of de heilige Petrus ook berouw zou toonen en begrijpen, dat zijn moeder niet in het Paradijs paste, maar hij wilde niet toegeven.

Toen riep Onze Lieve Heer een engel en beval hem neer te dalen naar de hel, en de moeder van den heiligen Petrus naar het Paradijs te halen.

"Laat mij zien hoe hij haar naar boven brengt," vroeg de heilige Petrus.

Onze Lieve Heer nam hem bij de hand en leidde hem naar den rand van een rots, die aan den eenen kant loodrecht naar beneden ging. En hij wees hem hoe hij daar maar overheen te kijken had, om regelrecht in de hel te kunnen zien.

Toen de heilige Petrus naar beneden keek, kon hij in 't begin niet meer onderscheiden, dan wanneer hij in een put had gezien. Het was alsof zich een bodemlooze afgrond onder hem opende.

Het eerste, wat hij later kon onderscheiden, was de engel, die reeds op weg naar de diepte was. Hij zag hoe hij in de dichte duisternis naar beneden snelde, zonder eenige vrees, en alleen de vleugels uitspreidde om niet al te snel te vallen.

Maar toen de oogen van den heiligen Petrus wat meer aan 't duister wenden, begon hij steeds meer te zien. Hij zag eerst, dat het Paradijs op een ringvormigen berg lag, dat een diepe afgrond het omgaf en dat de verdoemden op den bodem daarvan huisden. Hij zag hoe de engel altijd door daalde en daalde, zonder nog geheel in de diepte te komen. Hij werd er geheel door ontzet, dat het zóó ver weg was.

"Als hij nu maar weer naar boven kan komen met mijn moeder," zeide hij.

Onze Lieve Heer zag den heiligen Petrus aan met groote, bedroefde oogen.

"Er is geen gewicht zóó groot, dat mijn engel niet dragen kan," zei Hij.

Het was zoo diep daar in den afgrond, dat geen zonnestraal er kon doordringen, en het was er volslagen duister. Maar het was, alsof de engel in zijn vlucht wat licht had meegebracht, zoodat het mogelijk werd voor den heiligen Petrus te onderscheiden, hoe het er uitzag.

Daar was een eindelooze, donkere rotswoestijn; scherpe, spitse punten bedekten den ganschen bodem en daartusschen waren zwarte waterplanten. Er was geen groen halmpje, geen boom, geen teeken van leven. Maar overal tegen de scherpe rotspunten waren de onzaligen opgeklommen. Zij hingen over de rotsen, waar ze tegen op waren gekropen, in de hoop over de kloof heen te komen en toen ze zagen, dat ze nergens heen konden, waren ze daar boven gebleven, versteend van wanhoop.

De heilige Petrus zag, hoe sommigen van hen zaten of lagen met de armen uitgestrekt in onophoudelijk verlangen en met de oogen voortdurend naar boven gericht.

Zij stonden allen onbeweeglijk stil, want geen van allen had lust een beweging te maken. Sommige lagen doodstil in de waterplassen, zonder te probeeren er uit te komen.

Het vreeselijkste was, dat er zulk een massa verdoemden waren. Het was alsof de bodem van de kloof uit niets anders bestond dan uit lichamen en hoofden.

En weer werd de heilige Petrus onrustig. "Ge zult zien, dat hij haar niet vindt," zei hij tegen Onzen Lieven Heer.

Onze Lieve Heer zag hem aan met denzelfden bedroefden blik van zooeven. Hij wist wel, dat de heilige Petrus niet ongerust over den engel behoefde te zijn.

Maar 't scheen den heiligen Petrus nog altijd toe, dat de engel zijn moeder niet vinden kon onder die massa's onzaligen. Hij spreidde de vleugels wijd uit en zweefde heen en weer over den afgrond, terwijl hij haar opzocht.

Opeens kreeg een van de armzalige stumpers daar in den afgrond den engel in het oog. En hij sprong op, stak de armen naar hem uit en riep: "Neem mij mee, neem mij mee!"

En opeens kwam er leven in de heele schare. Al die millioenen en millioenen, die daar beneden in de hel versmachtten, stormden omhoog op 'tzelfde oogenblik, met opgeheven armen en riepen den engel aan, dat hij hen mee zou voeren naar het Paradijs der zaligen.

Hun kreten drongen door tot Onzen Lieven Heer en den heiligen Petrus en hun harten beefden van smart, toen zij het hoorden. De engel hield zich zwevend hoog boven de verdoemden, maar naarmate hij heen en weer vloog om haar te ontdekken, die hij zocht, stormden allen hem na, zoodat het scheen of zij door een wervelwind werden meegesleurd.

Eindelijk had de engel haar, die hij halen moest, in het oog gekregen. Hij vouwde de vleugels samen over den rug en schoot bliksemsnel neer. En de heilige Petrus slaakte een kreet van blijde verrassing, toen hij zag hoe de engel de armen om zijn moeder heen sloeg en haar ophief.

"Gezegend zijt gij, die mijn moeder bij mij brengt," riep hij.

Onze Lieve Heer legde zacht de hand op den schouder van den heiligen Petrus, alsof Hij hem wilde waarschuwen, zich niet te vroeg aan zijn vreugde over te geven.

Maar de heilige Petrus was op het punt van te schreien van blijdschap, omdat zijn moeder gered was en kon niet begrijpen, dat nu nog iets hen zou kunnen scheiden. En zijn vreugde werd nog verhoogd, toen hij zag, dat--hoe snel de engel ook te werk gegaan was toen hij haar opnam--het toch nog enkelen van de verdoemden gelukt was zich vast te haken aan haar, die gered zou worden, om met haar naar het Paradijs te gaan. Het waren er ongeveer twaalf, die zich aan de oude vrouw vastklemden, en de heilige Petrus vond, dat het een groote eer voor zijn moeder was, zooveel ongelukkigen van de verdoemenis te redden.

Ook de engel deed niets om hen in hun voornemen te verhinderen. Hij scheen door den last niet bezwaard, maar steeg en steeg en gebruikte zijn vleugels met niet meer inspanning, dan alsof hij een dood jong vogeltje naar den hemel droeg.

Maar daar zag de heilige Petrus opeens, dat zijn moeder zich van de onzaligen begon los te maken. Zij greep hun handen en rukte ze los, zoodat de een na den ander terugtuimelde in de hel.

De heilige Petrus kon hooren, hoe ze haar baden en smeekten, maar de oude vrouw scheen niet te willen hebben, dat iemand anders dan zij zelf zalig zou worden. Zij maakte zich los van den een na den ander en liet ze in de ellende storten. En als zij vielen, weerklonk de geheele ruimte van weeklachten en vervloekingen.

Toen riep de heilige Petrus zijn moeder, en bezwoer haar barmhartigheid te bewijzen, maar ze wilde niet hooren: ze ging door zooals ze begonnen was.

En de heilige Petrus zag hoe de engel al langzamer vloog, naarmate zijn last lichter werd. Toen werd hij door zulk een schrik aangegrepen, dat zijn beenen hem niet langer konden dragen en hij op de knieën viel.

Eindelijk was er nog maar één onzalige, die zich aan de moeder van den heiligen Petrus vastklemde. Het was een, die aan haar hals hing en vlak aan haar ooren smeekte en bad, dat zij haar zou laten meegaan naar het gezegende Paradijs.

Toen was de engel met zijn last al zoo dichtbij gekomen, dat de heilige Petrus de armen uitstrekte om zijn moeder te ontvangen. Het kwam hem voor, dat de engel nog maar een paar vleugelslagen behoefde te doen om op den berg te zijn.

Maar toen hield de engel plotseling de vleugels doodstil en zijn aangezicht werd duister als de nacht.

Want nu had de oude vrouw de handen naar achter gestrekt en de armen van haar, die om haar hals hing, gegrepen; en zij rukte en trok tot het haar gelukte de gevouwen handen te scheiden, zoodat ze zich nu ook vrij van deze laatste gemaakt had.

Toen de verdoemde viel, zonk de engel vele vademen neer, en het scheen, alsof hij zijn vleugels niet meer uit kon slaan.

Hij zag op de oude vrouw neer met diep bedroefde blikken, zijne handen lieten haar langzaam los en hij liet haar vallen, alsof zij voor hem een te zware last was, nu ze alleen overbleef. Toen steeg hij met een enkelen wiekslag tot in het Paradijs.

Maar de heilige Petrus lag lang in dezelfde houding te snikken en Onze Lieve Heer stond zwijgend naast hem.

"Heilige Petrus," zei Onze Lieve Heer eindelijk, "nooit heb ik gedacht, dat ge nog zóó zoudt schreien, als ge in 't Paradijs gekomen waart."

Toen hief Gods oude dienaar het hoofd op en antwoordde: "Wat is dat voor een Paradijs, waar ik hen, die ik het liefst heb, hoor jammeren en mijn medemenschen zie lijden?"

Maar het aangezicht van Onzen Lieven Heer werd verduisterd door de diepste smart. "Wat zou ik liever willen, dan u allen een Paradijs bereiden van louter stralend geluk?" sprak hij. "Begrijpt ge dan niet, dat ik daarom naar beneden naar de menschen ben gegaan, om ze te leeren hun naasten lief te hebben als zichzelf? Want zoolang ze dit niet doen, is er geen plaats voor hen, in den hemel of op aarde, waar smart en droefheid hen niet bereiken kunnen."

DE KAARSVLAM.

I.

Vele jaren geleden, toen de stad Florence pas een republiek geworden was, leefde daar een man, die Raniero di Ranieri heette. Hij was de zoon van een wapensmid en had zijn vaders handwerk geleerd, maar hij hield er niet veel van om het uit te oefenen.

Die Raniero was een buitengewoon sterk man. Men zei van hem, dat hij een zwaar ijzeren harnas even gemakkelijk droeg als een ander een zijden hemd. Hij was nog een jong man, maar hij had al vele bewijzen van zijn buitengewone kracht gegeven. Op een dag was hij in een huis, waar ze koren op den zolder gebracht hadden. Maar zij hadden daarboven te veel koren opgehoopt en terwijl Raniero zich in het huis bevond, brak een van de draagbalken; het heele dak stond op het punt van in te storten. Toen waren allen weggeloopen, behalve Raniero. Hij stak de armen op en hield het dak tegen, tot het den anderen gelukt was balken en stutten te halen, om het te steunen.

Men zei ook van Raniero, dat hij de dapperste man was, die ooit in Florence geleefd had en dat hij nooit genoeg van den strijd kon krijgen. Zoodra hij het een of ander rumoer op de straat hoorde, liep hij weg van de werkplaats in de hoop, dat er een gevecht was ontstaan, waar hij aan deel kon nemen. Als hij er maar op in kon slaan, vocht hij evenlief met eenvoudige landlieden als met geharnaste ridders. Hij vloog als een razende in den strijd, zonder rekening te houden met zijn tegenstanders.

Nu was Florence niet heel machtig in zijn tijd. Het volk daar bestond grootendeels uit wolspinners en lakenwevers, en die begeerden niet beter dan in vrede hun arbeid te verrichten. Er waren flinke mannen genoeg, maar zij waren niet strijdlustig, integendeel, zij stelden er een eer in, dat er in hun stad meer orde heerschte dan ergens anders.

Raniero klaagde er dikwijls over, dat hij niet in een land geboren was, waar een koning was, die dappere mannen om zich heen verzamelde, en hij zei, dat hij in dit geval tot groote eer en aanzien opgeklommen zou zijn.

Raniero was een pocher en een schreeuwer, wreed voor dieren, hard voor zijn vrouw, voor niemand prettig om mee samen te leven. Hij zou mooi geweest zijn als hij niet dwars over zijn gezicht verscheidene litteekens had gehad, die hem ontsierden. Hij was vlug in 't besluiten, en in zijn manier van doen was iets grootsch, vaak ook iets ruws.

Raniero was getrouwd met Francisca, dochter van Jacopo degli Uberti, een wijs en machtig man.