Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker

Chapter 9

Chapter 93,721 wordsPublic domain

Toen ik een jongeling was, en met zekeren trots mij telde onder zijne leerlingen, had Werner de zeventig al achter den rug. Maar het kostte moeite dit te gelooven, als men hem gadesloeg in zijn doen. Hoe menige levenszatte snuiter van even dertig had van =hem= nog kunnen afzien wat jeugd is: jeugd van het lichaam en jeugd van den geest. Hoe frisch en groen was hij nog in zijne grijsheid, gelijk een eeuwenoude eik, die in de lente zich uitdost met nieuwe loovers. Ik heb den man nooit jong gekend, en toch, in den gewonen zin van =oud= kan ik hem mij niet voorstellen.

Wanneer ik mij hem recht levendig voor den geest wil halen, dan sla ik niet mijn album open en tuur op zijne beeltenis--maar dan denk ik aan de kostelijke uren die ik met hem sleet, van mijn veertiende tot mijn een-en-twintigste jaar, elken zaterdag-avond vast.

Wij maakten viool-duetten van Spohr, Hauptmann, Viotti; of keur van sonaten voor piano en viool; later, met twee andere liefhebbers, strijkquartetten. Een wonderlijk saamgebracht gezelschap, die eerste quatuor waarvan ik lid was! Achter de twee violen een grijsaard en een knaap; achter de alt een geneesheer, een man van rijpe, veelzijdige ervaring en ietwat cynische gemoedsstemming; achter de cello een dikke jonge pater, die te lui, en ik geloof ook te onverschillig was, om het in zijne Kerk ooit verder te brengen dan tot kapelaan. »De vier jaargetijden", zoo placht Werner het vierspan te noemen. Zichzelven zag hij daarbij voor den winter aan--hoewel er zeker in hem nog méér fleur en zonnigheid van de lente staken, dan in al de drie overigen te zamen. Het voorjaar was ik--versch uit den grond als eene paardebloem in April. Zijn weleerwaarde met de blozende ronde konen vertegenwoordigde den zomer; Esculapius den herfst. Die twee laatsten nu konden duchtig van leer trekken, zoo tusschen eene _finale_ van Haydn en een _allegro_ van Mozart. 't Was hak om hak--en raak óók, naar ik u verzeker. De medicus haalde papen en nonnen over den hekel; de priester veegde dokters en apothekers den mantel uit. Met bijtende scherts gingen zij dan elkander te lijf, de pater bij Molière, de arts bij Rabelais in den zadel;--een kruisvuur van geestige, maar toch goedige kwinkslagen--totdat Werner lachend tusschenbeide kwam met een: »Komaan heeren! gunt elkander den kost voor 't eten, en bederft elkaar de praktijk toch niet! Aan den slag! _Andante con espressione!_ Als broeders er op losgestreken!".... Inderdaad, wanneer zij weer speelden, was het enkel harmonie tusschen hen. In den grond mochten zij elkander ook hartelijk lijden, geloofden zij beiden in denzelfden God, en zouden zij pest en dood voor elkaar getrotseerd hebben--de dokter om des paters lichaam, de pater om des dokters ziel te behouden.

Het liefst echter musiceerde ik met mijnen braven meester alleen: want dan eerst was het musiceeren, en niets dan musiceeren, wat wij deden. Die man electriseerde mij. Hij had over de snaren eenen streek, waardoor ik mee =moest= als _secondo_, fluks over de lastigste passages heen, die ik bij het instudeeren vergeefs getracht had onder den duim te krijgen. Hij had op de toetsen eene voordracht, die mijn eigen spel mee bezielde en ophief, zoodat ik soms zelf (ja, 't klinkt zot!) wel _bravissimo!_ had willen roepen over het vloeiende van mijnen eigen toon. Spelen, spelen, naar onzer harten lust! en als er onder het rusten even gesproken werd, 't was over niets dan muziek en musici.--»Jongen!" begon hij dan, met eenen glanzenden blik naar de boven het klavier prijkende borstbeelden van zijne drie hoogst gevierde meesters--Haydn, tot wien hij nooit anders dan kortweg »vader" zei--Mozart, dien hij liefhad boven allen, en Phoebus Apollo noemde--en Beethoven, dien hij vreesde en aanriep als den dondergod, den Jupiter Tonans onder de componisten:--»Jongen!" begon hij, »wat waren ze toch machtig en groot! Hoe hadden ze toch alles, wat de goede God eenen kunstenaar maar schenken kan: wetenschap, vorm, melodie, hartstocht, teederheid, humor, vroomheid, gloed! En hoe gelukkig zijn =wij= toch, dat we nà hen kwamen, om te mogen spelen wat zij voor ons schreven! En, jongenlief, wat arme zielen, wat beklagenswaardige stumpers zijn het toch, die =dit= niet mee aanhooren, niet mee begrijpen en genieten kunnen!"----Daarop volgde meestal de eene of andere anecdote, allersmakelijkst opgedischt; want van muzikale herinneringen, vroolijk en aandoenlijk, was hij vol--eene wandelende verzameling. Al spoedig echter brak hij zijn vertellen af, draaide zich om op zijne tabouret, greep in de toetsen, preludeerde, en riep: »Pak aan, amice, pak aan! We verbabbelen weer onzen kostbaren tijd. Dit goddelijke _adagio_ herhalen we nog eens! Breed, hoor! en pas op het _crescendo_, dat je ziel er uit zingt tot je Schepper!"

Halverwege den avond, tusschen klokke negen en tien, placht zijne goede vrouw boven te komen, met een paar glazen warmen drank voor de spelers. Zij zette zich in eenen der ouderwetsche stoelen bij het haardvuur, om te luisteren naar een nummer--te luisteren, als de erntfeste koppen aan den wand. »Wel, moedertje?" vroeg Werner haar, als het uit was, terwijl hij haar vriendelijk toeknikte: »Ken je 't nog?--We loopen op een eind, mijn kind! Maar hoe ouder wij worden, des te jonger klinkt mij deze muziek!"

En eens (ik mag het nú wel verklappen)--eens legde hij mij eene gavotte van Bach voor, en zei: »Jongenlief, strijk er eens op los!" Daarna trad hij op zijn oudje toe maakte voor haar eene klassieke buiging, nam haar bij de hand, en leidde haar ten dans met eene sierlijkheid, die menige achttiend'eeuwsche saletjonker hem niet verbeterd zou hebben. Zag ik wèl, dan hebben bij dit tooneel uit hunne jonkheid al de gepruikte portretten en busten hunne hoofden bewogen op de maat. Bach en Händel kropten hunne onderkinnen op. Phoebus Apollo schoot rondweg in eenen lach. Vader Haydn blies zich de magere wangen bol. Zelfs Beethoven's leeuwekop bleef niet rustig op zijn voetstuk. Om den strengen mond des machtigen viel eene plooi vol goedheid en humor. Als een vader op zijn spelend kroost, zóó blikte Jupiter Tonans welgevallig neder op dit paar huppelende grijze kinderen.

* * * * *

Beminnenswaardige figuur, die ik daar uit het verleden weer verrijzen deed! Hoe echt als kunstenaar, hoe edel als mensch!

Vraagt gij naar het geheim van dit blijmoedig en bescheiden wezen, dan wijs ik u op de geschiedenis zijner jeugd, en op de kunst zijner jeugd.

* * * * *

Het was een vreeselijke tijd, toen hij geboren werd; en ook jaren daarnà nog, terwijl hij opgroeide tot man. Met bloed werd de aarde gedrenkt; roode nevelen hingen over Europa, die geen licht schier doorlieten, dan de bliksems van het kanon en het flikkeren der zwaarden. Wie kon er denken aan de kunst der harmonie, daar de natiën elkander als wolven bij de keel hielden gevat? Wie kon er luisteren naar muziek, daar men steeds eenen roffel in het ééne oor had, en den donder van het geschut in het andere?

Toch zijn er geene jaren vruchtbaarder geweest voor de heilige Musica, dan juist deze twee of drie schrikkelijke decenniën, die de vorige eeuw sloten en de huidige openden. Het was of de poëzie, des Eeuwigen openbaring, juist dit tijdstip, waarop zij in ellende versmoord scheen, had uitverkoren om hare almacht te doen blijken ter vertroosting. Mozart was al dood; maar zijne hemelsche zangen, voor zijne tijdgenooten te hoog, begonnen te trillen door gansch Europa. En Beethoven schiep uit zijne jonge kracht. Vader Haydn kon zelf nog naar zijne _Schöpfung_ gaan luisteren. Méhul en Cherubini wrochten onvergankelijks. Spohr verrukte de wereld met zijne tooverviool en zijn edel romantisme. Weber zette zich tot zijne _Freischütz_. Schubert dichtte lied op lied. En straks zou de ster verrijzen van nog een ander die het menschdom verheugen en stichten zou met zijnen citherslag: Felix Mendelssohn Bartholdy. Ja! er waren er velen in die sombere dagen, die als machtige geesten op wolken wandelden, hoog boven 's werelds strijdrumoer--maar menschen toch, en weldoeners der menschen. Het waren dagen vol hartstocht en woede en smart--dagen vol jammer en vertwijfeling--maar zoo vol stout genot, zoo vol koene belofte toch!

En toen eindelijk de worsteling bij Waterloo beslecht had tusschen recht en roof, toen brak er voor het afgebeulde Europa een lange rusttijd aan, en voor de muziek een tijdperk, dat ik, in zeker opzicht, hare gouden eeuw durf noemen, omdat zij toen was wat zij tegenwoordig =niet= meer is: eene kunst der huislijkheid en eene kunst des vredes. Dit was de bloeitijd van het strijkquartet, van de gezellige huismuziek. De burgers hadden ook toen hunne zorgen en hun krakeel; maar éénmaal 's weeks schuddeden zij alle leed en leelijks af, wanneer zij te avond bijeenkwamen, en vriendschappelijk hun trio of hunnen quatuor vedelden, tot hunne zielen gelijk hunne snaren samenklonken in harmonie. Haydn en Mozart heerschten, met eene schaar van jongeren uit hunne school: en húnne kunst, wij weten 't, had het knarsetanden zich nog niet aangewend, het wroeten in raadselen, het vuistenballen tegen den hemel en tegen de menschheid en tegen zichzelve. Húnne kunst zocht en vond nog hare =ware= bestemming: den horizon van 's menschen gemoed te =louteren= van nevel--niet hem nog dichter te doen bestormen van jagende buien en dwarrelenden mist. Húnne kunst mocht in waarheid nog eene kunst heeten des vredes en des lichts.

Hij nu, mijn grijze meester--warm van gemoed, levendig van geest, ontvankelijk voor koene indrukken--hij had in den volsten zin al die machtige aandoeningen gedeeld, die wisselingen mee doorleefd. Hij had meegeleden van het lijden, meegegloeid voor de grootheid van zijnen jongen tijd. Zelfkennis had die harde en rijke ervaring hem geleerd. Vandaar zijne bescheidenheid. De jaren zijner jeugd waren te zorgelijk geweest voor ijdelheid: te vol van daden, ook op het gebied der kunst, dan dat er veel plaats in zou gebleven zijn voor louter waan. Hij had zóóveel groots om zich heen niet zien opkomen en ondergaan, zonder te =moeten= geraken tot het besef van zijne eigene kleinheid. Hij =moest= van zichzelven wel weten dat hij geen genie was: dat zijn aanleg meer tot waardeeren en bewonderen, dan tot voortbrengen--meer tot het weerkaatsen van anderer licht, dan tot het uitstralen van eigen schijnsel hem bestemde. Ha! want =genieën=--hij had ze immers gekend! De heroën, die ónze tijd als halfgoden vereert, tot welken de hedendaagsche componisten terugblikken met een gevoel van half aanbiddende, half benijdende onmacht--=hij= had ze in hunne vlucht aanschouwd--als adelaars hen zien zweven boven de Alpen. Kon hij hen in het luchtruim niet volgen, hij wijdde hun den eeredienst van eene kunstenaarsziel; hij had hen lief met volle geestdrift, met innigen ernst; en zijn levenswerk was, die geestdrift en dien ernst mee te deelen aan anderen. Zóó was hij musicus. Zóó bleef het vuur van jongen ijver glimmende in zijne oogen, en spreidde zich over zijne kruin het zilver, als een weerglans uit den hooge van de glorie der goede geniën die hij diende. Zóó was hij priester.

Maar als een braaf priester, boog hij dan ook, oud geworden, de knie niet voor andere, nieuwere goden. Hij bleef zeer beslist, ietwat uitsluitend zelfs, een vereerder der klassieken. Schumann trok hem nog slechts ten halve aan; over de modernen schudde hij bedenkelijk het hoofd; zelfs tegen de allerlaatste gewrochten van Beethoven koesterde hij, bij alle bewondering, eenen heimelijken weerzin. Want juist omdat hij zooveel kamp en troebelheid gekend had in het leven, was hij zoo beducht voor kamp en troebelheid in de kunst. Die oude kunst des vredes en des lichts, die voortkwam uit eene godsdienstige wereldbeschouwing--van die kunst en haren geest was de oude Werner als doortrokken. Vandaar zijne blijmoedigheid, zijne zielekalmte, zijne vroomheid. Muziek moest =hem= eene openbaring blijven--niet van twijfel en _weltschmerz_, maar van geloof en hoop; niet van den mensch in zijnen waan, maar van den Schepper in zijne goedheid. Hij wilde dus bij muziek eenen traan en eenen glimlach, geen wenkbrauw-fronsen, geen oogen-rollen zien. Daarom had hij het ouderwetsche huisquartet zoo lief. Voor hem geene muziek zoo echt, zoo verkwikkelijk, als die daar gemaakt werdt door vier bevriende menschen in de stille binnenkamer--de lampen brandende op de tafel, het wintervuur flikkerende in den haard, en in eenen kring de huisgenooten, luisterend naar het onaanmatigend spel. Dan gloorde er avondlicht in zijn gemoed. »Harmonia", fluisterde hij: »Gods liefste engel--Harmonia is in ons midden!"

* * * * *

Ons eerste strijkquartet, waarin de dokter en de pater zaten, was na een jaar of vier uiteengespat. De dood had er eene bom in geworpen, die den braven medicus sneven deed; en de goede, dikke kapelaan--misschien opdat hij wat minder de violoncel en wat meer het misboek aan zijne borst drukken mocht--was door zijnen bisschop verplaatst naar een ander kerspel. Wij twee overgeblevenen echter hadden vergoeding gevonden in eene aanwinst, die Werner bijzonder lief moet zijn geweest. Zijne éénige dochter namelijk, weduwe geworden, kwam met hare drie kinderen, twee zoons en een meisje, metterwoon zich vestigen in de aanzienlijke provinciale hoofdstad, waar haar vader het kapelmeesterschap bekleedde. De beide jongelingen hanteerden niet onverdienstelijk de cello en de alt, terwijl hunne zuster eene degelijke klavierschool had doorloopen. Fluks was dus het nieuwe viermanschap saamgeklonken. De zaterdag-avonden werden hervat, en gewoonlijk hadden wij nu--dank zij het talent der jonge dame--bij onze twee of drie strijkquartetten een pianoquintet als middenstuk of als toegift.

Ik heb geene aanleiding om de persoonlijkheid van Werner's kleinkinderen hier breeder uiteen te zetten, dan noodig is tot het begrijpelijk maken van hetgeen er volgt in mijn verhaal. Gisela was een meisje met meer gevoel dan schoonheid; doch ook haar gevoel zat diep verholen, en scheen dán eerst mild naar het daglicht te wellen, wanneer zij muziek maakte, of als het er op aankwam een blijk te geven van hare innige zusterlijke gehechtheid aan beide hare broeders. Walter en Hugo waren een tweelingpaar--een merkwaardig menschelijk duplicaat. Ik zou nooit, vóór ik hen kende, hebben willen gelooven dat onder de vijftienhonderd millioenen bewoners van onzen aardbol er twee elkander zóó gelijk konden wezen, als dit broederspan. Niet zoozeer wat hun uiterlijk betrof: men kon hen met eenen oogopslag van elkander onderscheiden; maar wegens hunne neigingen, hun gemoed en hunne gaven. Geen hunner, voorwaar, had een karakter om ooit den ander naar den mond te praten; flink stond elk op eigen beenen, en oordeelde met eigen brein. En toch sloegen zij op elkander als de twee oogen in één hoofd. Wat de een schoon of leelijk vond, dat bewonderde of verfoeide ook de ander; wat Walter trof, dat roerde ook Hugo. In studie, in muziek, in lichaamsoefening--in alle dingen werkten zij tegen elkander op, volmaakt alsof het zoo afgesproken ware, eene stilzwijgende overeenkomst om elkaar de loef niet af te steken. Nochtans was het zuiver natuur. En het »gelijk besnaard" gold evenzeer van hunne diepere inborst. Bij beiden dezelfde geslotenheid, voor allen--behalve voor elkander, en voor hunne zuster misschien. Maar onder die schijnbaar koele en onbewogene oppervlakte smeulde eene hartstochtelijkheid, wier plotseling opvlammen mij soms angstig maakte voor hen. Met beiden ging ik om, als quartet- en als academie-makker. Ik wist hoe zij elkander liefhadden, al zag ik hen nooit daarvan eene vertooning maken. Tevens echter kon ik enkele malen opmerken hoe fel en onbuigzaam zij ook krakeelen konden, wanneer de een door den ander zich meende tekortgedaan in zijn recht. Anders altoos onafscheidelijk, plachten zij dan dagen lang elkander uit den weg te treden--Hugo in zijne eenzaamheid even ongelukkig als Walter--maar Walter ook even onwillig als Hugo om den eersten stap te doen tot verzoening. Het scheen of juist het besef van de zeldzame gelijkheid hunner krachten en vermogens hen over en weer naijverig maakte op het geringste overwicht, dat de een op den ander mocht behalen. Gewoonlijk, na zulk eene vredebreuk, was het hunne zuster, die hun de handen weer in elkander lei--tot onuitsprekelijke vreugde van zuster en broeders alle drie.

Ziedaar den kleinen kring, in welken ik de liefelijkste avonden mijner jongelingschap heb mogen doorbrengen. Echte kunstmin riep hem samen en wijdde hem; een eerwaardig grijsaard was de ziel er van; jeugd en vriendschap verlevendigden hem met haren gloed en humor; en het bijzijn van eene beschaafde jonge vrouw deed met zachten dwang den toon der gezelligheid, onder enkel mannen zoo licht óverbruisend, binnen de perken blijven van wat rein en voegzaam is. Och! dat ook hij moest aan stukken vallen--en zoo spoedig reeds--gelijk alle bonden door menschen gesmeed: bonden van koningen, bonden van natiën, bonden bedoeld voor de eeuwigheid!--Slechts één bond is er, dat eenen menschenleeftijd trotseeren kan, en méér: het bond van twee die onder lijden elkander liefhebben. Maar zóó hoog reikt zelfs een strijkquartet niet.

* * * * *

Wij jongelieden moesten na volbrachte studie de wereld in. Wij wisten dat het oogenblik van scheiden komen moest. Wij zagen het naderen--en weldra klopte het aan.

Onze laatste bijeenkomst stemde ons allen weemoedig;--er is zoo iets bitter droevigs in dat korte, onverbiddelijke vonnis: »voor 't laatst"--zelfs als het geveld wordt over tamelijk onbeduidende zaken; hoeveel te meer dan waar het eenen vriendenkring uiteenscheurt, en eene onzer liefste levensvreugden verbant naar het schimmenrijk der herinnering. Wij spraken weinig. Vergeefs poogde Werner onder een opbeurend woord zijne aandoening te verbergen. Nadat wij wat gespeeld hadden, en terwijl de glazen tot afscheid werden volgeschonken, zette onze oude meester voor ons vieren een beschreven muziekblad op de lessenaars.

»Zietdaar!" riep hij: »dit tot slotstuk. 't Is een liedeken van Chamisso, dat ik sinds vele jaren al zoo waar bevonden heb als eene evangeliespreuk--een beproefd recept,--en dat ik voor u op muziek heb gezet, voor eene zangstem met begeleiding--: ziet ge, zoo tot een aandenken van onze schoone avondjes--om te spelen als ge samen zijt, en als de oude man....... Nu dan, laat eens hooren! Gisela, vrienden--_andante_ maar--zoo kalm en stillekens maar _andante_!"

Het bleek eene melodie van wonderlijke bekoring--voor ons althans, op dat oogenblik. Zij werd ingeleid met eene zacht golvende piano-figuur, boven welke straks de zangstem zich verhief, op de woorden van het eerste couplet:

»_Hab' oft im Kreise der Lieben In duftigem Grase geruht, Und mir ein Liedlein gesungen, Und alles war hübsch und gut_"

Bij het tweede vers kwam de viool, eerst klagend, dan opgewekt, de zangstem omspelen:

»_Hab' einsam auch mich gehärmet, In bangem, düsterem Muth, Und habe wieder gesungen, Und alles war wieder gut._"

Zij voegde zich ook bij het klavier in het ietwat breed uitgewerkte tusschenspel, dat op elke volgende strophe den overgang vormde.

Alt en viool te samen wierpen op de melodie eene diepere schakeering bij het derde couplet:

»_Und manches, was ich erfahren, Verkocht' ich in stiller Wuth; Und kam ich wieder zu singen, War alles auch wieder gut._"

En eindelijk hief ook de cello aan, met zijne ernstige stem kracht en volheid bijzettende aan den breederen accoordenstroom, die het slotvers omgolfde en met eenen jubelzang van al het snarentuig besloot:

»_Sollst nicht uns lange klagen Was alles dir wehe thut; Nur frisch, nur frisch gesungen! Und alles wird wieder gut._"

Er sprak uit dit bagatel zóóveel innigheid en frischheid van geest, zulk een weemoed, en toch ook weer zulk eene blijmoedigheid, dat ik niet beter weet te zeggen dan: geheel de maker sprak er uit: geheel de man zooals hij was en voelde.

Hij had er bij gestaan, en meegeneuried met trillende stem. »Kinderen", zeide hij, toen het uit was: »wij gaan uit elkaar--, en 't is twijfelachtig, althans wat =mij= betreft, of we ooit weer zoo met ons vijven muziek zullen maken. Belooft mij nu één ding: dat ge telkens, als ge later weer samenkomt, en als ik er misschien niet meer bij ben, dit lied zult spelen te mijner gedachtenis. Ook tusschen u zou er wel eens iets kunnen rijzen, dat den onderlingen vrede en de goede harmonie verstoorde. Denkt dan aan onze schoone avonden, aan Haydn en Mozart, en aan je ouden _violino primo_. Grijpt dan in de toetsen en in de snaren, dat het weer samenklinkt als uit één gemoed. Niet gemokt en gewrokt! Harmonia, kinderen--laat Harmonia in uw midden blijven! Samen een quartet gemaakt, samen een lied aangeheven--

_Nur frisch, nur frisch gesungen! Und alles wird wieder gut._"

Dat de oude man eene bijzondere reden had voor deze dichterlijk ingekleede vermaning tot broederzin, dit wist ik toen nog niet.

* * * * *

In twee jaren zag of hoorde ik van Werner en zijne kleinkinderen niets. Ik kwam in het vaderland terug, en--daar was een wervelwind heengevaren over des grijsaards hoofd. Eerst had hij zijn ontslag genomen uit het kapelmeesterschap; vervolgens had de dood zijne dochter weggerukt, de moeder van het drietal; en eindelijk, nadat hij zich metterwoon te Vreeburg gevestigd had, was ook zijne trouwe gade hem ontvallen.

Ik zeide dat hij zijn ontslag =genomen= had. Eigenlijk =kreeg= hij het--in zóóverre, dat de heeren hem op uiterst kiesche maar toch zeer duidelijke wijze in bedenking gaven, of de dirigeerstok niet wat zwaar voor hem werd, en of wat rust hem op zijnen leeftijd niet toekwam. De waarheid was, dat een jonger geslacht eene andere kunstrichting inwilde: eene richting, aan welke Werner in geenen deele haren naloop misgunde, doch bij welke hij zich evenmin meer had kunnen of willen aansluiten, als dat hij eenen ommekeer had kunnen of willen brengen in heel zijne denkwijze omtrent den aard en de roeping der toonkunst. Hij besefte het, en ging heen--met geschenken overladen--wel gekrenkt een weinig, maar toch niet wrevelig--neen, in zeker opzicht getroost veeleer. Want nu immers kon hij eenen stillen hartewensch bevredigen. Nu kon hij den avond zijns levens gaan slijten in het oord, waar hij jong was geweest, waar zijn ouderlijk huis nog stond, waar hij zijne kunst had leeren lief krijgen, waar hij zijne vrouw gevonden had. Zoo riep hij der groote stad vaarwel toe, en ging in zijne geboorteplaats wonen. Juist was de betrekking van organist aan de kerk daar open. Zijn vader had haar bekleed indertijd; des te gretiger dus nam hij op zich haar te vervullen. Als grijsaard voor het orgel te mogen zitten op den stoel zijns vaders, vrome zangen te ontlokken aan diezelfde toetsen, waarover vóór zeventig jaren de oude man met het staartpruikje hem de vingers had leeren spannen,--welk eene liefelijke gedachte voor hem!--Als organist was hij begonnen: als organist zou hij eindigen:--voorspel en naspel van zijne loopbaan zouden sluiten op elkander. Met _andante_ ving zij aan, overgaande, steeds _crescendo_ en _accelerando_, in een lang en woelig _allegro_, waarbij het _forte_ niet was gespaard. Met _larghetto_ zou zij sluiten, _sempre diminuendo_--tot in een fluisterend _pianissimo_ de schoone symphonie zijns levens verstierf.

Het zij mij vergund, den lezer getuige te doen zijn van mijne laatste ontmoeting met den man.

* * * * *