Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker

Chapter 8

Chapter 83,871 wordsPublic domain

»Nu wordt hij al familiaar ook! Maar dàt moet ik zeggen, het kereltje heeft eenen goeden smaak. Want mooi ben je, nichtje!--zóó mooi, dat ik haast niet laten kan...."

»Malle kwibus!" riep Mary; en Justus hoorde hoe zij hem eenen tik gaf op zijne hand.--»Wil je me nu laten uitlezen?--Waar bleef ik ook weer--ahem--"

_Doch ja! uit mijnen hartstocht, uit mijne maatlooze liefde voor u put ik mijnen moed. Mary! ik ben arm, ik ben niets nog--het is waar. Maar door u begunstigd, met het uitzicht op uwe wederliefde als mijne rijzende morgenzon in het verschiet--_

»Alle duivels! wat neemt hij me daar eene vaart!"

_--kan ik alles nog worden. Ik kan werken, door bergen heen._

»Van rijstebrij!"

_Ik kan wachten, langen tijd, zoo noodig. Geen zwoegen zal mij verdrieten. Geene jaren zullen den gloed doen bekoelen, waarmede--of gij hem tot u opheft, of dat gij hem vàn u stoot, Mary!--eeuwig trouw u aan zal hangen, hij die zich teekent_

_Uw dienaar tot in den dood,_

_=JUSTUS EYKENDAAL.=_

»Bravissimo!" schreeuwde de zoon van den wijnhandelaar. »Ik maak je mijn compliment, nichtje! Zoo'n partij doet zich niet alle dagen voor!--Ik begrijp dan ook levendig, dat voor mij, rampzalige, de kans nu wel verkeken zal zijn!"

»St!" riep Mary: »Ik ben er nog niet. Er is nog een postscriptum":--

_Indien mijne stoutheid u niet vertoornt; indien mijne overmoedige liefde eenen kleinen, kleinen weerklank gevonden heeft in uw hart--zie dan morgen, wanneer gij ter kerk komt, na afloop van het eerste gezang even op naar het orgel, en breng uw kerkboekje even aan uwe lippen. Aan dien blik, aan dat gebaar hangt mijne zaligheid._

»Je moet namelijk weten", voegde de lieve lezeres er toelichtend bij, »dat hij wel eens voor Van Meppen het orgel bespeelt onder kerktijd."

De heer Edmund hinnikte het uit van plezier, en sloeg op zijne dij dat het klapte. »Heb ik ooit van mijn leven! Zoo'n romaneske aap!--En jij, nichtje, wat heb je wel gedaan?--Natuurlijk de kerk aan de boeren overgelaten?"

»Integendeel", antwoordde Mary, met schampere waardigheid: »Ik heb den vlegel voor zijne onbeschaamdheid willen straffen. Daarom ben ik behoorlijk mijn preekje gaan knappen. En toen het eerste gezang uit was, heb ik heel betooverend opgekeken naar de orgelpijpen, en mijn nieuw testamentje heel vurig gekust. Durft hij nu van avond of morgen mij nabij te komen, dan zal ik hem zóó zijn vet geven, dat hij er ineens genoeg van heeft!"

»Kostelijk! hihihi!" kraaide de andere. »O! maar hij is onbetaalbaar!--Mary! ik moet je verklaren dat ik je admireer. Je hebt een tact over je, een _savoir faire_, die op mijn woord van eer niet van de poes zijn. Dat mag ik graag in eene vrouw. Ja waarachtig! als we onze oudjes nu nog dat groote pleizier doen, en onze duitjes bij elkaar leggen, en samen er mee in het bootje stappen--ik aan het roer, en jij op de riemen...."

* * * * *

Wat het heertje verder snapte, ging voor den luisteraar verloren, daar het tweetal langs den muur zich verwijderde. Justus had echter, ook zonder dit, volop genoeg gehoord. Geen woord te weinig. Misschien ook geen woord te veel.

Eene pooslang zat hij roerloos, als wezenloos, op eene grafzerk. Daarna rees hij op, en waggelde naar de ruïne, tegen welke hij kreunend zich aanleunde.

Toen legde zich eene hand op zijnen schouder; en er klonk eene stem in zijn oor, zoo zacht, zoo hemelsch na het schaterlachen van die twee demonen:--»Justus, heb ik je dan niet lief?"

Zijne zenuwen ontspanden zich; zijne oogen schoten vol; in heftig snikken brak hij los. Maar opeens hield hij zich in bedwang.--»'t Is niets, Marieken!" stootte hij uit: »Breek je om mij het hoofd niet, kind!--Vaarwel! Vergeet mij!..... Er is goddank nog water in de zee!"

Met dien uitroep drukte hij zich de vuisten tegen het gelaat--en weg was hij: het hek uit, den heuvel af, den kant op naar de stad.

IX.

Eerst, na den schok van het ongeluk, de verdooving die maar half beseft. Dan het volle bewustzijn van wat er gebeurde: de pijn, het deerlijke medelijden met zichzelven--de tranenvloed. Vervolgens de terugsprong van het geplette weerstands-vermogen: de wrok, de toorn, de lust tot verzet, de dorst naar vergelding. Eindelijk het ergste van alles: het cynisme--het zelfbedrog.

* * * * *

Justus Eykendaal's gemoedsstemming verkeerde in de derde van die drie stadiën, terwijl hij het dorp den rug toewendde en snel den weg stadwaarts insloeg.

Waar wilde hij heen? Wat ging hij doen?--Hij wist het niet. Het raakte hem niet. Mits hij maar voort was van deze plek zijner vernedering, waar de lucht hem als pestdamp, zijn hemel hem eene hel geworden was.

Woedende gedachten doorjoegen zijn brein. Gelijk de schandletters in het voorhoofd van den boef, zoo stonden hem in het hart gebrand al de smalende woorden, door =haar=, door zijne Mary hem toegedacht. Ha, zoo! Was hij een schoolvos zonder school, een onbeschaamde vlegel! Verveelde hij haar zoo gruwelijk met zijn klarinetspel, waarnaar zij toch zoo vaak en zoo lang met schijnbaar genoegen had zitten luisteren--de heks, de slang, de....

Stil! neen!--=schelden= kon hij haar toch niet, die hij pas een uur tevoren nog aangebeden had. En wilde zij hem nu beleedigen--zóó beleedigen, dat hij zijne oogen niet meer zou durven opslaan tot haar?.... O! maar dat behoefde immers niet meer! Dat had zij immers al gedaan, grievender dan zij het ooit bedoeld kon hebben!.... Dit echter, dit was niets. Smaad had hij van haar kunnen dulden. Als zij maar zichzelve niet zoo had gesmaad en beleedigd en verlaagd!--Hadde zij hem weggestooten met haren voet, het zou zijnen hartstocht voor haar slechts opgezweept hebben. Fier mocht, fier moest de jonkvrouw zich gedragen, die zijner ridderlijke min waardig zou wezen. Doch deze valschheid, dit kleine, lage, platte gemoed, vreemd aan alle begrip van geestdrift, aan alle mededoogen, aan alle vrouwelijk eergevoel zelfs.... o foei! foei!--Hij kon haar nog begeeren, dat schoone schepsel:--ja, wonderlijk! het begeeren, waaraan hij tot heden nooit rechtstreeks had durven denken, was opeens sterk geworden over hem. Maar zijne teedere achting, zijnen innigen eerbied voor haar--als twee lentebloemen had haar giftig spotten ze gedood.

Onder zulke overpeinzingen valt den wandelaar het loopen niet lang. Leed is een even knappe weg-bekorter als vreugde.

Justus kwam voorbij _Vrouw Romein_, waar hij op dien achtermiddag, verleden zomer, toen zijne ziel nog kalm was als gindsche plas onder den avondnevel, het roeibootje gehuurd had met Marieken. Arm, lief, heilig kind! Hij dacht aan haar. Hij dacht aan dat laatste woord van haar tot hem: »heb =ik= je dan niet lief?"--en zijn hart verweet hem bitter dat hij haar alleen en ongetroost had laten staan daar op het kerkhof. Ja! déze had hem waarlijk lief!... Maar juist dáárom immers was het voor haar ook beter, dat hij heenging en haar nooit terugzag. Hij zou haar immers nooit hare liefde kunnen vergelden.

Een kwartier verder--daar lag _Pax Intrantibus_ aan den weg, destijds het Tivoli der gegoede Rotterdammenaren--later.... O _Pax! Pax Intrantibus!_ wat is er van u geworden!--_Hic jacet gloria mundi!_ zou meester Van Meppen thans u toeroepen, ware hij nog onder de levenden om Latijn te radbraken.... Oude heeren zaten in het duister lange pijpen te smoken achter hunne flesschen wijn. Paartjes kuierden fluisterend door de lanen. De schommels kraakten onder de vrachten van gillende jonge maagden.... Justus grijnslachte. Hoevele Mary's waren er onder die engelen van melk en bloed?--

Voorwaarts!--Straks was de stad bereikt.

Hier, te midden van het gewoel der duizenden, die elk hun eigen pak van zorg en leed te dragen hadden, ademde de vluchteling vrijer. Hier voor 't minst kende hem niemand, en zou niemand hem op het gelaat lezen wat razernij er ziedde in zijn binnenste.

Hij liep straat in, straat uit. Het drokke gewemel en de lichtglans der winkels deden hem goed; zij verstrooiden hem, meende hij; althans zij hielpen hem in eene soort van roes, in welke hij zichzelven en zijne bitterheid minder voelde. Om zijnen dorst te lesschen, liep hij een koffiehuis binnen, en dronk er een glas bier; en daar het bier hem smaakte, zoo ledigde hij er een tweede. Eene behaaglijke warmte begon hem te doortintelen. Zijne matheid verdween. Half met weerzin, half met genot, voelde hij eenen lust in zich opkomen om te lachen. Ha ha ha!--zulk een lach klonk schor en wrang--maar beter toch nog zulk een lach, zoo maakte hij zichzelven wijs, dan het hopelooze, vruchtelooze tandenknarsen van daareven. Wat zou hij voor =haar=, voor die onwaardige, zich zijn jonge leven tot eene foltering maken? de hand aan zichzelven slaan misschien? Zou hij haar =die= voldoening nog gunnen?.... Hij zag de deernen aan, die er zwierden langs het trottoir:--en hij zag dat er mooie onder waren--even mooi haast als Mary!

Al dolende, onverschillig waarheen, belandde hij in den omtrek van de St. Laurens-kerk bij een gebouw, waaruit het tjingelen van eene piano en eene gillende vrouwestem naar buiten drongen. Hij kende die inrichting, al was ze pas jong te Rotterdam; want vrienden hadden hem van haar verteld. Het was een der eerste _cafés-chantants_ in ons vaderland: een der eerste van die, sedert zoo snel in bloei en aantal toegenomen tempelen Babylon's, waar men te gelijk met den mensch ook nog de kunst en de taal prostitueert. Holen, in welke onze Hollandsche jongelingen, ja al meer en meer ook onze Hollandsche werklui, hunne vrije avonden zijn gaan slijten, om er gezellig, onder eene sigaar en een grogje, zich hart en verbeelding te zitten bevuilen met het aanhooren van liederlijkheden in de drie moderne talen.

Gisteren nog zou Justus er eer aan gedacht hebben zich in eene kroeg te gaan bedrinken aan jenever, dan hier binnen te treden. Maar wat was gisteren voor hem! Aan gisteren bond hem immers niets meer! Met gisteren had hij voor altoos immers afgedaan!--En heden wilde hij óók eens zien wat zoovele anderen zagen, die er toch niets minder om geacht werden in de wereld! Bah! wat had zijne ingetogenheid, wat hadden zijne brave en reine beginselen hem gebaat!--Deugd, poëzie?--valsche droombeelden, die u eeuwig lieten grijpen in het ledige! Genot alléén was tastbaar en loonde wie het zochten!.... Om kort te gaan, hij rukte de deur open, en was er binnen vóór hij het eigenlijk wist.

* * * * *

In hetzelfde oogenblik voelde een diender, die daar op en neer drentelde voor de deur, zich schuchter bij de mouw getrokken.

»Meneer", fluisterde eene donkere gestalte hem toe: »wat is dat daar voor een huis?"

De man keek de verschijning gramstorig aan: hij scheen eerst te vermoeden dat er eene hem wat voor het lapje wou houden. Maar het »meneer" had hem in zijn zwak getast, en aan stem en kleeding merkte hij wel dat de vraag te goeder trouw moest wezen.

»Dat", zeide hij--»wel, dat is zoo'n gelegenheid waar ze muziek maken. Niet veel bijzonders, voor de rest, dat vrouwvolk dat daar zingt!"

»Zou ik er binnen kunnen gaan?" vroeg weer de gemantelde.

»Kwalijk alléén, hoor juffrouwtje--kwalijk alléén, als je een fatsoenlijk mans kind wilt heeten. Wat zou je er ook doen?--Ah maar, temet zit er een kennis van je verzeild?--Nu, die komt er wel weer uit. En wie daar hun plezier zoeken, die zijn meest toch ook niet waard dat je ze naloopt. Kom", vermaande de man, »ik ging naar huis als ik u was. Warempel, als ik u was, dan ging ik stil naar huis."

't Was een gemoedelijke diender, naar men ziet. Och, zoo loopen er mee al onder den hoop door.

* * * * *

Eene duffe, heete lucht sloeg Justus in het gelaat. Hij zag, door den tabakswalm heen, vele gasvlammen, vele tafeltjes met rookende en lachende gasten, en aan het einde van de smalle, lage zaal een half dozijn zwierig gekleede vrouwen op een klein tooneel gezeten.

Een oogenblik stond hij bedremmeld:--hij vreesde dat al die menschen zouden omzien, en met een honend lachje hem als toeroepen zouden: »Zoo, Eykendaal, brave jongen! kom je óók eens naar de dames kijken?"--Doch niemand wijdde hem de geringste aandacht. Aller blikken waren op het tooneel gericht, waar juist, terwijl de pianist een vroolijk ritornel oprammelde, eene der vrouwen van haren stoel rees, voor het klappende en trappelende publiek zich lachend neeg, en met eene brutale, hoewel nog frissche en zuivere altstem eenen deun aanhief van het allerlichtste allooi.

Justus moest zich vastgrijpen aan eenen stoel.... Was dit tooverij? Had de Booze hem nú reeds in zijne netten verstrikt?.... Mary! Mary stond daar!--Dat was Mary, die daar zong! Mary in al hare valsche, duivelsche schoonheid!

Neen. Mary uit Hillegersberg was dit wel niet; =die= zat op dit tijdstip eerbaar onder de vleugelen van papa en mama te giggelen met haren neef Edmund. Maar gewis, voor een ietwat beneveld oog mocht de gelijkenis treffend schijnen tusschen de jonge dame en die mamsel daar. Dezelfde rijzige en weelderige bouw; dezelfde blonde krullen; dezelfde lokkende oogopslag; dezelfde wufte lach om de volle, half geopende lippen. Alleen verving op de wangen van déze hier een verfje den voor goed gevloden blos, en was in hare bruine oogen het fonkelen van behaagzucht al lang geweken voor den phosphor-glans der schaamteloosheid. Doch dat deze vrouw eenmaal als Mary geweest was, en dat Mary eenmaal als deze vrouw zou kunnen worden--dit was wel zeker.

Middelerwijl was Justus, bleek van ontroering, onafgebroken starend naar die vrouw die daar zong, tot vlak onder het tooneel gedrongen, en had hij, zonder het zich recht bewust te zijn, plaats genomen op eene bank in het voorste gelid. Het lied was uit; het ruwe refrein en het handgeklap verstomden; de zangster zat weer op haren stoel. Daar trof haar blik des jongelings gretig oog--en aan het purper dat zijne wangen overgoot, erkende zij terstond de prooi op welke deze harpijen bij voorkeur zich werpen. Zij glimlachte hem toe.... Wee hem! Had ook Mary niet zóó hem toegelachen, dienzelfden namiddag, toen zij opblikte naar het kerkorgel!

Van nu af was hij in hare macht. Hij voelde het!--maar bovenal, hij =wilde= het!--Onder den invloed van den drank dien hij dronk, van de wulpsche muziek die hij hoorde, van de blikken en de lonken dier vrouw, begon eene brandende drift zich van hem meester te maken--half begeerte, half wraakzucht. Het scheen hem dat hij zich aan Mary wreken zou, door naar zijn welgevallen te doen met dit haar vernederd evenbeeld. Gene had hem verachtelijk weggestooten--déze hier boeleerde om zijne gunst.... Geld zou zij eischen. Welnu, geld =had= hij, méér misschien dan één der heertjes die er brasten om hem heen. De arme ondermeester was rijk dien avond. Want het toeval wilde, dat hij de som bij zich droeg, die hij sinds een jaar opgespaard had, gulden bij gulden, om er eene Sint-Nikolaas verrassing mee te koopen voor =haar=. Dat geld nu--het denkbeeld prikkelde hem nog te meer--dat geld zou voor =haar= niet wezen, maar voor deze andere, die even bekoorlijk, en stellig niet zoo valsch en koud en hardvochtig was als zij. Ging Magdalena de zondares niet boven Herodias?--Hij dacht aan Maria Stuart: hoe zwak zij was en hoe teeder. Hij dacht aan koningin Elisabeth: hoe kuisch zij was en hoe wreed. Al de schoone gestalten uit zijne sprookjeswereld, vroeger hem zoo engelrein: de burchtvrouwen met sleepend gewaad, de nixen met gouden tressen, de peri's en hoeri's met lokkenmantels en gazelle-oogen--zij verrezen voor zijne koortsige verbeelding als losbandige sirenen. »Geniet!" fluisterden zij hem toe: »Doe als wij allen--geniet! Alle ontzegging is nuttelooze pijniging! Geniet!"

Ja! Eén nacht van wilden zwijmel! Eén nacht van gloeienden lust!--En dan een schip gezocht! Gevlucht! De wijde wereld voor het enge schoolhok!... Ha! er was water genoeg in de zee, om de smet van dien éénen nacht af te wasschen!

* * * * *

Het had middernacht geslagen van den grijzen Sint-Laurens-toren, die statig het hoofd gericht houdt naar de sterren, onbewogen om al wat er struikelt en zondigt aan zijnen voet--als wist hij wel dat alles omlaag voorbijgaat, en dat het oordeel aan God is in den hooge.

De zaal die wij kennen was ontruimd. Twee personen slechts, behalve de stommelende bedienden, toefden er nog bij het licht van de reeds half neergedraaide gasvlammen. Straks traden ook die twee laatsten naar buiten:--Justus Eykendaal en de blonde deerne, Mary's evenbeeld.

Driest stak zij haren arm onder den zijnen. »_Dépêchons-nous! J'ai faim!_"--

En inderdaad, zij talmden geen van beiden.

Maar tegelijk haast voelde de jonge man zich bij den anderen arm gevat door eene andere hand, wier vingers hem nepen als veeren van staal. Den rotting vaster gegrepen--het hoofd omgewend, met eenen vloek op de lippen.... Slaan echter behoefde hij niet, en het booze woord bestierf hem op de tong.

»Marieken!" stamelde hij.

Ja waarlijk, daar naast hem stond, als ware zij uit den bodem opgerezen, de dochter van den schoolmeester. Met haren blik doorboorde zij hem. Hij bleef als versteend.

»_Eh bien!_" schreeuwde de vrouw aan zijnen rechter kant: »_Que nous veut-elle, cette gaillarde?_"

De ondermeester wilde zich losrukken uit den greep van het dorpsmeisje. »Laat mij!" riep hij. En tevens maakte hij zich vrij van den arm waarmede die andere nog steeds hem vasthield. Want er was opeens, als een stortbad van ijskoud water, eene schaamte over hem gekomen, een gevoel van onteering en onredbaarheid.... »Laat mij!" herhaalde hij met heesch geluid.

Doch wie hem liet, niet Marieken.

»Justus!" sprak zij hem toe, met iets wonderlijk plechtigs in hare stem: »De beurt is aan mij!"

»Wat wil je van me?" hijgde hij.

»Ik wil dat je mij woord houdt. =Hildegarde=! zeg ik. Ga met mij mee, Justus!"

Hij keek haar aan alsof hij haar niet begreep. »Ik kan niet!" sprak hij: »Laat me aan mijn lot over!"

»_Est-ce que ça va durer? Viens-tu?_" riep de Fransche vrouw.

»Justus!" hernam Marieken: »Ga met mij mee! Gedenk je eed! Gedenk al wat je eenmaal lief en heilig was. Het parool is: =Hildegarde=!"--

Hij hief het hoofd op, streek zich boven de oogen, als iemand die tot bezinning komt, hapte naar adem, en stamelde toonloos: »Hildegarde, zeg je?... Ja Marieken, 't is waar!... ik kom!"--En hij liet zich door haar wegleiden als een kind.

»_Ah ça, mon beau villageois! Voilà donc ta paysanne qui te rattrape!_"--

Maar Justus lette niet op den schorren lach, waarmede de ongelukkige om den hoek der straat verdween. »Hildegarde!" prevelde hij: »Hildegarde, zegt ze.... Ja kind, je hebt gelijk, ik kom!... Ik wist niet wat ik deed, Marieken. Ik geloof dat ik krankzinnig ben!".... Mèt gaf een krampachtig schreien aan zijne geweldig overspannen zenuwen lucht. »O!" kermde hij: »nu is =alles= verloren!"

»Wel neen!" sprak Marieken, thans weer met haar welluidend stemmetje als vanouds: »Nu is alles behouden. Want nu, Justus, zijn wij =beiden= gehoorzaam geweest aan het parool. Nu staat er niemand meer tusschen ons. Na déze beproeving kan niets ons meer vervreemden."

X.

Aan elke historie pleegt een slot te zijn. Hoe, indien wij déze eens zónder lieten? Indien wij onzen held en onze heldin, lang vóór wij hen per huwelijksboot goed en wel hadden in het ruime sop doen stevenen, eens in het middernachtelijk uur onder den blooten hemel aan hun lot overlieten, te midden van de waarlijk niet arcadische omgeving der Rotterdamsche Sint-Laurens-kerk?

Doch dit zou wreed wezen. Het is al erg genoeg, dat wij hen zonder geleide hunnen weg terug laten vinden naar Hillegersberg, om daar den orkaan te gaan tarten, die er hen van wege hun nachtelijk avontuur verbeidde. Dit, meen ik, is al kwaad; en ik, als hun geschiedschrijver, heb dáárvoor reeds te vreezen dat zij morgen vóór mij zullen staan, om mij verwijtend af te vragen wáármede zij dit aan mij verdiend hebben.

Want ziet! er is alle kans, dat dit waarachtig verhaal ook hun onder de oogen kome. Justus en Marieken immers leven nog. En zij zijn werkelijk een paar geworden.

Maar niet zoo overhaast als het gewoonlijk in vertellingen toegaat. Niet alvorens de heer Pieter van Meppen, als de uitzondering die den regel staaft, in betrekkelijk vroegen ouderdom het tijdelijke gezegend had. Niet alvorens Marieken geraakt was tot het inzicht, hoe uit het veld geslagen jongelingen maar niet zoo dadelijk (gelijk zij duchtte) zich gaan verdrinken, al is er nóg zooveel water in de zee; en hoe het in geen geval pas heeft voor een meisje, over radelooze ondermeesters bij hunne nachtelijke omdolingen door de straten van Rotterdam den beschermengel te spelen. Niet ook alvorens Justus zelf door harde en lange ervaring in de wereld der werkelijkheid geleerd had, dat er voor eenen man nog iets anders te doen valt dan droomen en dwepen; dat niet géniën, maar menschen deze aarde bevolken; dat poëzie niet de arbeid zelf is, maar de geest die den arbeid opheft en adelt, die hem zijne wijding geeft en vruchtbaar en duurzaam maakt. Toen het alles zóó ver gekomen was (er verliepen ettelijke jaren mee: jaren van inspanning en ontzegging), toen was Justus man, en Marieken was vrouw geworden. En op zekeren dag, als hij haar na eene vrij lange afwezigheid terugzag, voelde hij plotseling dat hij haar nog om iets anders dan hare deugden liefhad. Het is wonderlijk, hoe sommige vrouwen eensklaps schoon worden; of wel, hoe sommigen mannen opeens voor hare schoonheid de oogen opengaan.

* * * * *

Justus en Marieken houden in zeker vriendelijk Geldersch dorp eene bloeiende kostschool. Nog altoos doordrongen van den adem der Germaansche sage, prediken zij daar samen, met woord en voorbeeld, aan een dertigtal gelukkige knapen het evangelium der frischheid. Gezonde studie, meer in de natuur dan in de school, is het geestelijke voedsel van die kleine keurbende. Volop wandelen en gymnastiek voor het lichaam; volop verzen en sproken voor gemoed en verbeelding. Strenge tucht--maar geene roede dan het eigen eergevoel. Vrome aanbidding--maar geen priester dan de eigene geestdrift. De lijfspreuk der Duitsche turners--»_frisch, from, fröhlich, frei!_"--is ook de lijfspreuk van meester Justus Eykendaal en zijne leerlingen.

* * * * *

Van tijd tot tijd bezoeken de meester en zijne vrouw Rotterdam. Zij verzuimen dan niet, eenen achtermiddag te besteden aan eene wandeling naar het naburige dorpje--eene bedevaart naar het plekje waar zij hunnen heiligen eed zwoeren tusschen de graven: naar den heuvel van de lange Hildegarde, de jonkvrouw van Hillegersberg.

=Harmonia.=

_Eenen groenen boom gelijk, die eene bron beschaduwt te midden eener brandende vlakte._

Het is verscheidene jaren geleden, dat ik op het kerkhof van een Hollandsch stadje achter de baar trad van eenen man, die mij zeer lief en eerwaardig was. Ik wil hem Werner noemen. De oude veste, zijne geboorteplaats, buiten wier wallen hij sluimert onder de groene zoden, heete Vreeburg.

* * * * *

Van beroep was hij musicus; van beroep, en van roeping--wat lang niet hetzelfde is. Het spijt mij, dat ik een uitheemsch woord moet bezigen om een juist denkbeeld te geven van 's mans werkzaamheid hier op aarde. Werner kon zich voor virtuoos niet doen verslijten; op beteekenis als componist mocht hij niet bogen. Maar hij had meer dan één instrument terdege in zijne macht; hij stond met recht bekend als voortreffelijk muziekonderwijzer en volleerd organist; en voor het dirigentschap was hij al geboren. Ik weet dit alles niet beter saam te vatten, dan met het woord =musicus=. Wil men liever dat ik =toonkunstenaar= zegge, mij is het wèl, ofschoon ik vrees dat deze lange en deftige term nooit het burgerrecht verkrijgen zal in onze van deftigheid zoo schuwe spreektaal.

* * * * *