Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 7
Mary was de éénige dochter van een bemiddeld Hillegersbergsch wethouder en notaris, wiens buitengoed slechts door eene smalle sloot gescheiden was van het erf der weduwe, Justus' hospita. Herlezen wij de hierboven aangehaalde coupletten, dan vinden wij de oogen der maagd gecatalogiseerd als avondstarren, en haren tressen als klinkklaar goud. In waarheid prijkte zij met mooi blond haar en met een paar heldere bruine kijkers. De vergelijking van hare lippen met rozen, van haren hals met leliën en van haar welig ontwikkeld bovenlijf met de golven der zee, kon insgelijks, hoe weinig oorspronkelijk ook, er tamelijk wel mee door. Alleenlijk ware er tegen den versregel »_slanker geen ree_" eenige critische bedenking te opperen geweest. En gaan wij terug tot de derde strophe, dan moet ik zeer stellig protest aanteekenen tegen het beweren des dichters, dat er bloemen ontloken ter plaatse waar Mary hare voetjes zette. _Magna est veritas et proclamavit!_ zooals meester Pieter van Meppen zou hebben gezegd. Het strookt veeleer met de nuchtere _veritas_, dat elk bloempje reddeloos geknakt en verpletterd den geest moet gegeven hebben, na het geluk te hebben gesmaakt van met den onderkant dier voetjes in aanraking gekomen te zijn. Want mocht Mary's tred eenen minzieken jonkman zwevende gelijken--een zefir was Mary niet. Integendeel: het stoffelijk gewicht van haar bevallig kopje en mollige schouders, van hare ronde armen en rijzige gestalte--kortom van hare bekoorlijkheden gezamenlijk, moet lang niet onaanzienlijk zijn geweest. Zoo wij dus onzen poëet hier betrappen op eene verregaande dichterlijke onnauwkeurigheid--over het geheel kunnen wij hem nageven dat hij flink uit de oogen had gekeken, en dat zijne gevleugelde beschrijving van het meisje in menig opzicht der werkelijkheid getrouw was. Mary mocht inderdaad een toonbeeld heeten van die weelderige blondinen--blanke, bloedrijke dochteren van den zeewind en de vochtige aarde--, met welke het aan frissche vrouwen zoo vruchtbaar Nederland den palm behaalt boven zijne nabuurlanden. Half steedsch en half boersch, half fier en half lokkend, met eenen gullen, ietwat dartelen lach steeds gereed om de rijpe lippen en in de vroolijke oogen, was zij juist het slag van schoone, waarvoor een gezonde achttienjarige jonkman in eenen draf zijn zieleheil zou hebben willen verspelen. Dat zij, strikt berekend, vier jaren en zes maanden vroeger dan hij het levenslicht aanschouwde, gold natuurlijk in Justus' oog als eene aantrekkelijkheid te meer slechts. Eene eerste liefde heeft ook dit éénige, dat de knaap, onbewust, in de aangebedene nog iets terug wil vinden van zijne moeder.
* * * * *
En thans, nu gij mejuffrouw Mary geschetst zaagt in rijm en in onrijm, met de bezielde ganzeveder van den aanbidder, en met de koel ontledende stalen pen van den geschiedschrijver--kan het thans u wonderen, lezer, dat mijn ondermeester, die in sage en kroniek zooveel sterke ridders had zien zwichten voor Cupido's dwingelandij--dat Justus, zeg ik, zelf door het godje deerlijk aangeschoten, niet sterker poogde te zijn dan al die helden in het staal, maar weerstandloos zich aan zijnen hartstocht prijsgaf?--Werd ook zijne vlam niet onophoudelijk gevoed en aangewakkerd? Zag hij niet elken ochtend, vóór hij schoolwaarts ging, terwijl hij aan zijn venstertje over zijne vierkantsvergelijkingen zat te broeden--zag hij de hemelsche niet door den tuin trippelen, om hare witte eendjes in den vijver mee te laten eten van hare boterham? Was zij niet verleidelijk als Venus dan, in haar lichtgeel ochtendgewaad met bessensapkleurige moesjes, de voeten in roode muiltjes gestoken, de gulden lokkenschat tegen regen of zonnesteken beschut door eene hemelsblauwe parasol?--En 's avonds, als zij met haar borduurwerk in het priëel kwam zitten aan den waterkant, blijkbaar om welgevallig te luisteren naar de zoet verliefde nachtegaal-tonen, die Justus ontlokte aan zijne klarinet (want Justus, ik vergat nog het mee te deelen, beoefende naast de dichtkunst ook de toonkunst: hij bespeelde het kerkorgel voor den hemel, en blies de klarinet voor de aarde)--'s avonds dan, als zij daar meemijmerde in de stille schemering, een enkel maal zelfs--o, hij had zich niet vergist!--dankbaar opblikkend naar het van wijnloof omkranste venster, waaruit de zachte melodieën haar zoo schuchter tegentrilden--was zij niet nóg bekoorlijker dan, zoo mogelijk?--
Zotte vragen!--Alsof mijn held het antwoord er op zou hebben afgewacht! Alsof hij niet veeleer geloofd zou hebben dat er champagner voor water stroomde door de Rotte, dan dat Mary minder schoon dan de schoonste, Mary minder engelachtig dan de engelen was! Een schilder mocht haar voor een model van de uit zeeschuim verrezene wat te plomp van voet en wat te rossig van wangen geoordeeld hebben; een menschenkenner mocht met eenen oogopslag zijnen blik hebben geboord in de leegte van haar brein en in de ijdelheid van haar hart--: voor Justus was Mary Aphrodite--voor Justus was Mary Madonna.
VII.
Ik wil niemand vervelen (allerminst mijzelven) met een relaas van al het hopen en vertwijfelen, al de verzuchtingen en versmachtingen eens tot over de ooren verliefden ondermeesters. Ik moet de gebeurtenissen samenvatten. Snel als de veldslagen van den grooten Napoleon volgden zij van nu af elkander op den voet.
* * * * *
Ruim een jaar was er vervlogen sedert de ure van den grooten eed, den heiligen eed van bondgenootschap, dien Justus en Marieken elkander zwoeren tusschen de graven, onder het schijnsel van de volle Juni-maan.
September had hare intree gehouden met eenen snikheeten dag: eenen kostelijken dag voor den Hillegersbergschen theetuin;--want in eenen theetuin moet het tropisch wezen, anders vlot maar half het kozen in priëeltjes, het dolle gestoei der jeugd, het welbehaaglijke suffen van den ouderdom. Eerst de avond schonk wat verademing, zoodat, terwijl de schemering daalde, alle dorpelingen in hunne tuintjes of op hunne stoepen al koutend en rookend zich zaten te laven aan de verkwikkelijke koelte. Dit was eene heerlijkheid! En wie er eene frissche teug wijn bij bekostigen kon, die vergat zorgen en muggen tegader.
Ook Marieken was voor de deur van de schoolmeesterswoning aan het scheppen van wat koele lucht. Maar geen gezellig woord, noch huiselijk gerinkel van theegoed, noch gemoedelijk smakken aan eene goudsche pijp deed zich naast haar vernemen;--zoo levendig het daar beneden onder de pretmakers toeging, zoo stil was het hier op het bergje van de dooden. Zij zat alleen, gebogen over een handwerk. Nu en dan sloeg zij de oogen peinzend op. Het laatste avondgloren achter de twee Delftsche torens legde over hare wangen zijnen weerglans van karmijn.
Opeens hoorde zij eenen voetstap naderen. Een jonge man trad behoedzaam om den hoek van den kerkhofmuur heen. Justus Eykendaal stond vóór haar.
Wanneer men eenzaam zit, en een goed oud vriend....
Maar hoe nu! Wat deed er Marieken zoo van kleur verschieten? Wat zette er haar hartje zoo aan het bonzen, dat zij hare hand zich in de zijde moest drukken?.... Was Justus Eykendaal temet haar goede vriend niet langer? Kon hij haar vreemd geworden zijn, wellicht?--
Vreemd?--ja en neen. Vreemd van aangezicht, neen: want dagelijks nog zag zij hem komen en gaan. Maar vreemd van hart, ja. Hij had haar ontweken, sinds maanden al. Hij had vermeden wat hij vroeger zocht: zamen met haar te zijn, haar zijn gemoed te openen, met haar te praten over alles wat hem lief was of verdroot. En waaróm dit?--Wist zij het niet? Ha! van den beginne af had zij het geweten. Eer ontgaat den diamantklover een smetje in eenen kostbaren steen, dan dat de vrouw eene vreemde minne niet speurt in het hart van den man dien zij liefheeft.
Thans dus--nu hij voor het eerst sedert lang haar opzocht terwijl zij alleen was--thans, Marieken voelde het, moest hij haar wel iets zeer gewichtigs te zeggen hebben. Het kon haar niets nieuws wezen. Toch beefde zij om het te hooren.
»Is je vader uit?" fluisterde Justus; en hij blikte daarbij zóó geheimzinnig rond, dat het meisje van ontsteldheid geen geluid kon geven.
Zij knikte slechts bevestigend.
»Kom mee dan!" hernam de ondermeester, haast gebiedend.
Zwijgend rees zij van haren stoel. Justus liep haastig vooruit, het kerkhof op, en verdween achter de ruïne. Marieken achter hem, wat langzamer. Eerst toen hij bij den hoogen grafsteen was--den bewusten, met het bronzen geslachtswapen er op--hield hij stil.
»Marieken!" sprak hij gejaagd, en hij greep wild haar bij de hand: »ben je mijne zus nog? mijne vriendin?"
»Zeker, Justus. Ik .... ik ben nooit anders geweest."
»Kan ik nog altijd op je rekenen?"
»Dat weet je wel."
»Ook als ik .... Marieken--ik mag geene geheimen voor je hebben. Ik ben.... Er is eene jonge dame, aan wie ik iets te schrijven heb: iets dat mijn levensgeluk betreft, mijne dierbaarste wenschen. Wil je dezen brief voor mij bezorgen, aan .... aan het adres?"--Hij hield haar een met lak verzegeld briefje voor, en zij las.
Had zij uit tienduizend moeten raden, zij zou geen ommezien in onzekerheid verkeerd hebben of =die= naam, en geen andere, moest er geschreven staan op het couvert van dien brief. Toch werd zij gloeiend rood, en terstond daarop doodelijk wit. Hare anders zoo zachte oogen bliksemden.
»Neen!" riep zij, en op de zerk stampend, die hol klonk onder haren voet: »neen, Justus! dát doe ik niet!"
»Waarom niet?"
»Omdat .... omdat ik weet wat er staat in dien brief."
»Dát is licht te gissen, na hetgeen ik je gezegd heb."
»En omdat ik niet wil meehelpen om je ongelukkig te maken!"
»Ongelukkig? .... ik? .... met die engel, die .... ken je haar dan?"
»Ongelukkig, zeg ik. Ik ken die vrouw, ja. Die vrouw heeft je niet lief."
Nu was het =zijne= beurt om met den voet op de zerk te stampen. »Dit is te gek!" riep hij. »Hoe zou jij dat weten!"..... Inderdaad, wèl mocht Justus het vragen: Hoe zou Marieken nu kunnen weten wie er Justus liefhad, en wie niet!--
»Ik heb haar waargenomen al sinds maanden--sinds ik merkte dat je hart aan haar hing", voer het meisje voort: »Zij is coquet en valsch. Zij spot maar wat met je."
»Spotten!--Maar ik zeg je dat ze mij toegelachen heeft, dat ik in hare oogen gelezen heb wat ze voor mij voelt! En ik zeg je dat die oogen niet =kunnen= liegen, en dat er geen reiner engel leeft op heel Gods aardbodem!"
Zij glimlachte pijnlijk. Zij voelde dat zij niets te antwoorden had. Justus zou er haar trouwens den tijd niet toe hebben gelaten.
»Kom", zoo draafde hij door: »al dat kibbelen dient tot niets. Marieken--ik heb haar zóó lief, zóó lief, dat ik dol zal worden als ik het haar langer verzwijgen moet.
Ik kan niet zonder haar leven!--en ik sterf, ik maak me van kant, als ik het haar niet zeggen mag. O, kind! je kunt niet begrijpen wat dát is, zóó'n liefde, zóó'n liefde----neen! van zóó eene liefde kun je niets begrijpen!--En als jij nu dien brief niet bezorgen wilt .... kijk! hem zelf haar geven, kan ik niet; ik durf niet--ik heb haar nog nooit aangesproken--ik ben zoo bang haar te beleedigen. Met de post gaat het óók niet: want vooreerst kent Jaap de bode mijn schrift; en bovendien, wat per post komt, blijft geen geheim. Jij, Marieken, jij bent de éénige die ik met den brief belasten kan: de éénige die hem zóó haar in de hand kan stoppen, dat niemand er iets van merkt. Toe! pak hem aan, en breng hem haar! Marieken, ik zou voor jou door het vuur loopen!--en weiger jij me nu zoo'n kleinigheid?--Toe! doe het toch! Ik smeek het je!"--
Zijne spanning, zijn hartstocht roerden haar. Zij beet zich op de lip--maar zij stak de vingers niet uit om den brief te nemen. »Ik mag niet, Justus!" sprak zij stellig: »ik houd te veel .... ik denk te goed over je, om je zóó'n slechten dienst te willen bewijzen. Ik mag niet!"
»Maar je moet!" riep hij, eensklaps veranderd van houding en toon.
Weer plooide die smartelijke glimlach hare wangen. »Ik moet?--Ben ik dan je dienstmaagd temet?"
»Je moet, ja!--Je hebt het gezworen."
Zij verbleekte.
»Hier, hier op deze eigen plek heb je het gezworen, dat je mij helpen zoudt als ik het noodig had--levenslang, al liepen onze wegen nóg zoo ver uiteen. Bij al wat ons lief en heilig was, heb je mij dat gezworen, Marieken!--Is het niet?"
Zonder te antwoorden, staarde zij strak op den grond.
»En ons parool zou wezen: =Hildegarde=. Zou het niet?"
Zij knikte met het hoofd, nog altoos bleek en stom.
»Welnu dan--eenen eed breekt men niet. Dit is het oogenblik!--Ik zeg: =Hildegarde=, Marieken!--Bij Hildegarde vraag ik je: wil je mij helpen?"--
Nu eerst hief zij de oogen op. Zij zag hem aan met eenen blik vol fierheid en vol smart.--»Geef den brief maar hier, Justus," sprak zij kalm: »Van avond nog zal juffrouw Mary hem lezen."
Daarop, zonder groet, wendde zij zich om en ging heen. Maar zij had geen zes stappen gedaan, of zij keerde zich nogmaals tot hem, en met fonkelenden blik en opgeheven arm, in eenen stand en op eenen toon die men veeleer van eene Ristori verwacht zou hebben dan van een eenvoudig schoolmeesterskind, riep zij den verbaasden jongeling toe:
»=Hildegarde=, Justus!--Denk er aan, als de beurt aan mij komt: het parool is =Hildegarde=!"
* * * * *
De volgende dag was een zondag. Meester Van Meppen had zich de ontspanning veroorloofd van een bezoek bij _Sa Majesté son très-cher frère_ den schoolmonarch van Berkel en Rodenrijs. Bij gevolg was Justus Eykendaal de aangewezen persoon om bij ochtend- en middagbeurt in de kerk het orgel te bedienen.
Altoos was hij trotsch geweest op het vervullen van die taak. Hij speelde gaarne; en algemeen zeide men immers dat hij veel mooier preludeerde en wel tweemaal meer tonen uit het oude instrument wist te halen, dan zijn superieur. Maar ditmaal--ha! ditmaal zou hij voor de mijnen van Golconda, voor den troon van den Beheerscher der Geloovigen het baantje van vice-organist zich niet uit de handen hebben laten nemen. Want men wete het, wijl het niet langer een geheim kan wezen: hij had aan zijn schrijven aan mejuffrouw Mary een postscriptum toegevoegd, waarin hij haar bad, of zij, ten teeken dat zij niet verstoord was over zijnen brief--neen, dat zij hem wel een sprankje wilde geven van hoop--den volgenden dag in de kerk wou komen, en dan, terstond nadat het eerste gezang zou gezongen wezen, even wou opzien naar het orgel, en even haar kerkboekje brengen aan haren mond. Zonder dit teeken zou voor hem alles verloren zijn.
Men begrijpt dus: hadde Justus dien ochtend beide zijne beenen gebroken, dan zou hij zich naar het orgel hebben doen =dragen=.
* * * * *
Bij den ochtenddienst evenwel, geene Mary;--en, wat iets werkelijk ongehoords was: ook Marieken's stoel, vlak onder het bord met de tien geboden, bleef ledig staan. Justus speelde dien morgen zóó lam en lusteloos, dat de gemeente tot tweemaal toe van de wijs geraakte.
Hoe hij zich heensleepte door de uren tusschen ochtenddienst en middagdienst, zou hij u zelf niet hebben kunnen zeggen. Eindelijk echter had de schare het Hillegersbergsche bedehuis weder gevuld. De dominee was al in den kansel, het gebed al uitgesproken--en nog, nog stonden er twee plaatsen ledig: ééne onder het bord met de tien geboden, de andere in het hoekje van de damesbank: Mary's hoekje!..... Maar of de noten al schemerden voor Justus' oogen, het opgegeven gezang moest gespeeld worden. Voor de gemeente duurde het ongeveer zes minuten; voor den organist hield het langer aan dan het duizendjarige _Miserere_ der zielen in het vagevuur. Toch kwam er een einde aan. En als Justus nu zijn groen gordijntje wilde dichtschuiven, om in het donker zijne wanhoop uit te schreien .... o God! daar zat zij!--daar zag hij haar vlak in het schuin opgeheven gelaat, vlak in de heerlijk opziende oogen!--daar rees hare blanke hand zachtkens uit haren schoot!--daar beroerden hare rozelippen als met eenen gloeienden kus haar kerkboekje met de twee gouden sloten!..... Justus speelde dien namiddag zóó woest en wereldsch, dat de vromen meenden, de baarlijke duivel voer door de pijpen; en dat de dominee 's avonds bij Van Meppen klaagde: hij vreesde dat de kwâjongen zoowaar vóór kerktijd een bittertje gedronken had!
Maar Justus--, wat deerden hem orgelpijpen en vromen en dominees en bovenmeesters!--Hij stoof naar buiten, zoekende wáár zich te verbergen, zich en zijn geluk. Hij had het willen uitschreeuwen: »Mary! Mary! Zij gaf mij het teeken! Zij geeft mij te hopen! Zij mint mij, mint mij weer!"..... Op eenen draf liep hij een paar polders om. Maar de eenzaamste paden waren hem nog te bevolkt: want hadden niet alle boomen en vogelen en bloemen en golfjes, hadden zij niet allen stemmen, die hem jubelend toezongen: Zij mint u, zij mint u weer!..... Hij liep en liep, zorgvuldig den straatweg vermijdend: want hij voelde wel, als hij haar ontmoet had, dan zou hij zich niet hebben kunnen intoomen: dan zou hij haar te voet gevallen zijn, om haar te danken voor hare genade. Hij liep en hij liep--tot de schemering daalde. Toen, vreezend dat de menschen zijn zalig geheim hem lezen zouden op het gelaat, sloop hij als een dief naar het dorp terug, om Marieken op te zoeken, Marieken te verpletteren onder zijnen triomf--zij, die getwijfeld had aan het hart van zijne engel!--
Marieken echter was nergens te vinden. Marieken .... het leek wel of zij pruilde. Zou zij .... voor het eerst vloog het Justus door zijn brein ... zou zij jaloersch wezen bij geval?... Och wat! zij was immers zijn zusje!...
Doch ook daaraan dacht Justus niet lang. Hij dacht aan dat ééne slechts: aan zijn geluk. Hij was er vol van: hij meende dat het zijne slagaderen zou doen springen, zijn hoofd zou doen uiteenbarsten. En daar hij het voor de levenden niet uitstorten mocht, zoo wilde hij het toevertrouwen aan de dooden. Hij trad het kerkhof binnen, en koelde zich de bonzende slapen aan het gesteente van de oude ruïne. Tegen het muurbrok, geplant in eenen grond die doorweekt is met tranen, tegen het eeuwenheugende muurbrok had nooit tevoren misschien de wild jagende polsslag geklopt van menschelijke blijdschap.
VIII.
Alvorens met de geschiedenis van dezen onstuimigst bewogenen zondag in de jeugd van Justus Eykendaal voort te gaan, moet ik met juistheid het tijdstip bepalen, waartoe wij thans gevorderd zijn. De tweelingwijzer van de Hillegersbergsche torenklok hield ongeveer het midden tusschen de cijfers zeven en acht. Op die avondure pleegt het in het begin van September niet meer licht te zijn, maar ook nog niet donker.
Terwijl dan onze jongeling daar zoo stond, zijne zaligheid toefluisterend aan de verweerde baksteenen, hoorde hij van de andere zijde van den lagen muur, die de begraafplaats omsingelt, een helder lachen klinken. Hij spitste de ooren als een schichtig paard. Want die lach--hij droomde het niet--was Mary's lach!--Eer zou een kapelmeester zich vergist hebben in den klank van de trombone en van de dwarsfluit, eer zou de tortel het krassen van de schorre kraai gehouden hebben voor de roepstem van zijn gaaiken, dan dat Justus dien lach verward had met den lach van éénig ander schepsel op aarde. Zóó immers kon slechts Mary lachen. Welluidender muziek kende Justus niet--neen! niet onder al wat er gecomponeerd was voor het orgel en voor de klarinet. Toch was het op dit oogenblik--hij kon zich geene rekenschap geven waaróm--of dat lachen hem meer pijnlijk aandeed dan liefelijk.
Hij sloop zachtkens naar den muur, om te zien. Pas echter had hij het eerste woord vernomen, dat vrij luide gesproken werd, of hij bleef als aan den grond genageld--om te luisteren. Justus Eykendaal was de ridderlijkheid in persoon;--toch kuchte hij niet, noch snoot hij zijnen neus. Er zijn van die gelegenheden, bij welke een ridder precies doet als een lakei. Bayard zelfs zou zijn oor niet hebben teruggetrokken van een sleutelgat, wanneer hij er door had opgevangen hoe de dame van zijn hart bezig was critiek te leveren op eenen minnebrief van hem.
* * * * *
»Eene declaratie, jawel!" zeide de jonge dame: »_In optima forma_, hoor!"
»Wat je zegt!" antwoordde de tweede stem, die Justus mede herkende. Zij behoorde namelijk aan eenen neef van juffrouw Mary, den zoon van een Rotterdamsch wijnhandelaar. Men had Justus vroeger eens verzekerd dat de dochter van den notaris en dit vaalkleurige individu wel een paar zouden worden; doch de zeldzaamheid van 's heertjes bezoeken en zijne onverschillige houding tegenover het meisje hadden spoedig alle bezorgdheid op dit stuk uit het gemoed van den ondermeester verdreven.
»Wat je zegt!" riep het fatje: »En van een schoolvos?"
»Een schoolvos zonder school, wel te verstaan!--Een stuk van een kweekeling, moet je begrijpen, bij dat oude monster van een Van Meppen!"
»Onbetaalbaar!--Op schrift, hoop ik?"
»Op rozerood postpapier, en in een pootje of het gedrukt was!.... Als je niet zoo'n onbarmhartige spotvogel waart, neef Edmund, dan zou ik haast lust hebben het document je voor te lezen."
»O toe! ik bid je! Lees op! Dát zal me nu eens een waar feest zijn!"
»Nu dan", hernam het meisje. »Maar stil eens .... kan geen mensch ons hier beluisteren?"
»De heeren en dames dáár misschien!" grinnikte de snaak, met een handgebaar naar het kerkhof. »Haha! Die zullen er toch niet veel van navertellen!"--
Justus hoorde het frommelen van papier, en daarop Mary met koddige deftigheid lezende als volgt:
_Mejuffrouw!_
_Sinds ruim een jaar leefde er op twintig passen afstand van uwe woning een mensch, wiens zoetste lust het geweest is de lucht in te ademen, die hem kwam toegewaaid uit uwe nabijheid._
»Goed! waarachtig goed!" verklaarde de heer Edmund: »_A propos_, waar woont het ventje?"
»Wel, vlak naast ons, rechts", antwoordde Mary. »Zoo is 't gekomen, begrijp je? Hij kon uit zijn raampje precies in onzen tuin kijken; en van die gelegenheid schijnt hij méér gebruik te hebben gemaakt, dan wel te pas kwam. Onder ons gezegd, Edmund, hij moet me nog al eens _en négligé_ hebben gezien, als ik zoo 's ochtends de eenden voederde--"
»De gelukkige!"
»En 's avonds verveelde hij me gruwelijk met zijne klarinet. Lieve hemel! die klarinet heeft me wat dikwijls zenuwachtig gemaakt. De zeurigste, lamentabelste deunen.... Maar hoor verder":
_Zijn naam werd misschien nooit genoemd in uwe tegenwoordigheid; want hij behoort niet tot diegenen die van zich spreken doen in de wereld. Maar zijn kunstloos klarinetspel, zoo durft hij zich vleien, was menigmaal uw oor niet ongevallig--_
»Nota bene! Azor de hond sloeg er soms van aan het janken!"
»Haha!"
_--en méér dan eens, als gij minzaam zijnen bescheiden groet beantwoorddet, bescheen de glans van uwe oogen zijn aangezicht, gelijk een vluchtige zonnestraal heenglijdt over donkere wateren._
»Bravo! Maar dat is waarachtig een poëet, die knul!" riep de heer Edmund.
Mary vervolgde:
_Dit u te herinneren, mag u onkiesch dunken--_
»Wel een beetje!"
_--Zoo ja, vergeef het mijnen hartstocht. Want o, mejuffrouw...._
»Nu zal je 't hebben!"
»Stil toch!"
_--Want o, mejuffrouw--ik bemin u!_
»We zijn er, komaan!"
_--Sedert veertien maanden bemin en aanbid ik u, zooals nog nooit op aarde eene vrouw door eenen man bemind en aangebeden werd._
»Ah bah!" critiseerde weer de neef van Mary: »Neen! die is oudbakken! Die moet hij uit _De volleerde briefschrijver_ gestolen hebben!--Lees voort, schoone nicht!"
_Hoe ik den moed vind om u dit te schrijven--Amor alleen weet het, die helden maakt uit lammeren._
»Uit kalveren! had er moeten staan."
_Want wie ben ik?_
»Een verliefde ezel!"
_--Een arme ondermeester. Wat kan ik u bieden?--_
»Eene plak en een dozijn griffels."
_Niets immers; terwijl gij, met alles toegerust: met alle deugden die een hart versieren kunnen, met lieftalligheid zonder weerga, met eene schoonheid, eene schoonheid .... o, mejuffrouw! Mary! indien gij wist hoe schoon gij zijt!--_