Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker

Chapter 6

Chapter 63,594 wordsPublic domain

Daar deed in het elzenboschje een verdacht gerucht zich hooren. Eerst een ritselen: daarna een gekraak en rumoer in het gebladerte, alsof een hongerige beer of een verbolgen everzwijn zich onstuimig eenen weg er doorheen brak. Justus dacht aan Hannes den koddebeier;--Marieken aan Twikko en Fikko. Maar ziet! vóór zij zelven eigenlijk wisten wat zij dachten, vóór zij tijd hadden om het schuitje van den wal te duwen en het ruime sop te kiezen .... ziet! de twijgen openden zich, en tegenover de vervaarde blikken der kinderen stond .... geen reus, geen vuurspuwende griffioen, geen al te ijverige dienaar der plattelandsche gerechtigheid .... edoch, omstuwd door eene wolk van opgejaagde muggen, bezaaid met groene houtluizen, de hengelroede in de hand, den vischkorf op den rug, den pierenbak voor den buik, meester Petrus van Meppen, zeer rood in het aangezicht van wegen inspanning en grooten toorn. Hij had, aan de andere zijde van de landtong gezeten om een baarsje te snappen, woord voor woord afgeluisterd wat de jongelieden in het bootje hadden gelezen en gepraat.

»Zoo, zoo, juffertje!" siste hij tusschen de tanden, met eenen centenaar nadruk op elke lettergreep: »Zoo, zoo .... vijf-en-twintig reuzen! driehonderd draken! wegloopen! in zee springen!--zoo, zoo! zou je dat?.... Ik moet zeggen, je bent een snugger nest voor je jaren! Je meester heeft pleizier van zijn onderricht!.... Hier! zeg ik. Aan wal! Oogenblikkelijk!"

Vervolgens zich tot Justus wendende, terwijl de hengel in zijne hand met vreeselijke slagen dood en verderf spreidde onder de muggen in het rond, bulderde hij met heel de kracht zijner longen, zoodat er eene siddering voer door de biezen aan den kant:

»En jij, aap van een jongen! Is dát de manier waarop jij je hooge roeping als onderwijzer der jeugd opvat?--Dit Dit onschuldige kind in hoeken en holen te vergiftigen met heidenschen zotteklap, onchristelijke bakerpraatjes, zedebedervend gebazel?--Haha! Loon je mij zóó al mijne goedheid en zorg en de gastvrijheid van mijn huis?--Serpent, dat ik aan mijnen boezem gekoesterd heb .... ik .... ik .... ik verban je uit mijne school, uit mijne woning!.... Ga weg van onder mijn oog! _Vade mecum, Satanas! Vade mecum!_"

* * * * *

Dit was de banvloek van meester Petrus van Meppen, tegen Justus Eykendaal door hem uitgesproken in de meest dramatische stonde zijns levens.

De verschrikte zon dook dien avond in haar golvenbed veel haastiger onder, dan zij van den almanak permissie had. De koekoek liet af van slaan. Het boerennachtegaaltje verstomde. En de nacht, de alvertrooster, spoedde zich om onder zijne vleugelen de deerlijk ontstelde schepping vergetelheid te doen vinden van zóóveel ontzettends.

V.

Zijn interdictum tegen den ongelukkigen ondermeester geslingerd hebbende, aanvaardde met opgegeven hoofd, brieschende neusgaten en den tred eens veldmaarschalks, de heer Pieter van Meppen den terugtocht door het elzenboschje, zijn dochtertje met ijzeren greep nà zich sleepende.

Justus bleef dus alleen in het schuitje--alleen met zijne grimmigheid. Hij zag den handkus niet, dien Marieken hem toewierp terwijl zij tusschen het gebladerte verdween. Niets zag hij, dan den hoon hem aangedaan. Hij balde de vuisten, hij rolde wild met de oogen. Toen, over de riemen zich buigend als een galeislaaf, deed hij het onzalige pleiziervaartuigje heenscheren naar de overzijde van den plas, waar hij het aan den eigenaar terug te bezorgen en de huur er voor nog te betalen had.... Ziet hem roeien! Hoe zweepten de spanen het water tot schuim! Te drommel, wie had er achter den stillen jongen zóóveel spierkracht vermoed en zóóveel vuur?.... Maar hij was dan ook door en door boos. Het kookte hem in zijn binnenste, minder, weet ge, om Van Meppen's redeloos uitvallen tegen hemzelven, dan wel om de lastertaal, ja, de blasphemie van dien man tegen Undine, Hildegarde en heel de Germaansche dichter- en sprokenwereld. Ha! smaad op hemzelven deerde hem minder. Maar dit schimpen op zijn heiligdom, dát was te veel geweest!--Dienzelfden avond nog wilde hij zijne gansche wereldsche have zich op den nek laden, en elders eerst een nachtverblijf, vervolgens eene betrekking gaan zoeken.

Met dit voornemen bezield, kwam hij thuis, waar Marieken hem over den drempel te gemoet ijlde. Zij hunkerde naar hem. Haar vader was op de societeit zijne verontwaardiging wat gaan verzetten. Nu konden zij vrijuit praten.

»Justus!" begon het meisje, hem hare handen op de schouders leggende: »Justus, je zult niet gaan!"

»Toch, kind, toch! toch!" antwoordde de jongeling met gemaakte kalmte: »Toch, Marieken, ik zal wèl gaan. En dit heden avond nog: op staanden voet. Ik kom mijn boeltje inpakken, en afscheid van je nemen."

»Justus! je raast. Wààr zou je heen kunnen? En waaróm zou je gaan?"

»Waaróm!" barstte Justus los. »Waaróm!" riep hij met trillende lippen, geweldige moeite doende om zijne tranen te bedwingen. »Kun je dát nog vragen--jij, die ik meende dat mij begreep, dat met mij sympathiseerde!... Waaróm! Hahaha! Maar heb je dan niet gehoord wat je vader tot mij gezegd heeft?--Ik schiet hier immers uit hoeken en holen als eene slang...."

»Justus!"

»Om zijn onschuldig kind te vergiftigen!"

»O! stil toch!"

»Te vergiftigen, jawel! met heidenschen zotteklap, en onchristelijke bakerpraatjes, en--en wat zei hij ook nog meer?--zedebedervend gebazel, ja juist!... Zie je, Marieken, dat mag zoo niet langer duren. 't Is duidelijk: daar moet een eind aan komen. Zedebedervers en serpenten mogen hier niet langer met zóóveel vroomheid en onschuld onder één dak wonen!--Laat mij! Laat mij naar boven gaan, om mijne boeken en mijne kleeren bijeen te rapen. Ik wil weg! Satanas wil weg van hier!"

Marieken echter, in stee van hem door te laten, trad hem vlak voor den voet, en keek hem een poosje met hare groote blauwe oogen strak in de zijne. Hij sloeg de wimpers neder voor dien stil verwijtenden blik: want in die twee heldere zielespiegels had hij weerkaatst gezien hoe bitter en onbillijk hij daareven geweest was:--hoe voor één driftig woord, hem in het oor geworpen, zijn hart er twintig uitgebroed, zijn mond er twintig weergegeven had. De storm in zijn gemoed ging liggen onder dien blik.

»En zou je dan", sprak het meisje zacht, maar met eenen nadruk die haar uit het diepste van haar zieltje welde: »zou je dan, Justus, zoo =kunnen= heengaan?"--

=Kunnen=?.... De knaap was veel te groen in de diplomatie, om met voordacht het antwoord op eene vraag te ontwijken. Wij moeten dus aannemen dat hij geen flauw besef had, wat teederheid, half kinderlijk nog, half vrouwelijk reeds, er tot hem sprak uit dat ééne woord. Och och! er trillen toontjes in maagdeboezems, wier fijne, zoete klank aan een zeventienjarig jongensoor even verspild is, als een strijkquartet van Mozart aan een gezelschap Kaffers. Oudere ooren, die ze wèl vernemen kunnen--voor die, helaas, zijn zij niet meer bestemd.

»Kunnen?" riep dus Justus, hoorende doof: »Er is immers geen sprake van kunnen! Ik moet immers wel. Je vader heeft me immers weggejaagd!"

»Dwaasheid!" hernam Marieken: »Je kent vader wel beter. Je weet wel dat hij niet alles meent wat hij in zijne drift zich zoo ontvallen laat. Je weet ook wel dat hij je niet graag missen zou op school."

»'t Kan zijn. Maar wie zou hier dan de minste moeten wezen?--Zou =ik= soms moeten vragen om te mogen blijven? .... ik .... ik die".... Hij begon weer op te bruisen, bij de gedachte aan al de grieven van dien avondstond.

»Tut, tut!" suste hem Marieken: »laat dat aan mij maar over! Voor het vragen zorg =ik=!"

»Lief kind!" zeide Justus, terwijl hij hare hand vatte.... »Hoor eens--ik was buiten mijzelven daareven. Ik had ongelijk. Maar toch, in alle kalmte nu--'t is beter, geloof ik, dat ik heenga, Marieken. Je vader en ik kunnen tóch op den duur met elkaar niet overweg. Wij zijn contrasten, water en vuur, tot zelfs in onze opvatting van de schooltaak. Mijne boeken, die ik zoo liefheb, hij zou ze verbranden, als hij durfde. Mijne idealen, waarmee ik zoo dweep, en waarin ik zoo opga, omdat ze mij als mijn adem zijn--hij zou er den spot mee drijven, als hij ze kende. Wat mij eene openbaring is, dat is hem zoo veel als praat uit het dolhuis, nog goddeloos op den koop toe. Ik ben voor hem een ingebeelde droomer. Hij is voor mij een bekrompen schoolvos. Zeg zelf--hoe zal dit langer samen passen?"

Daar biggelden twee groote tranen Marieken langs de wangen. Het was zoo waar, wat zij hooren moest; en juist dáárom was 't zoo hard het te moeten hooren. Justus' drift had zij gemakkelijk vermeesterd; tegen zijne rede wist zij niets in te brengen.

»Och!" snikte zij, met haren witten boezelaar voor hare oogen: »wij waren zoo gelukkig samen!"....

Zacht trok hij haar naar zich toe, bewogen, meer dan half verwonnen reeds. Wanneer men nog geen twintig zomers telt, dan kan men het grootste gelijk willen hebben tegen drie dozijn professoren--het argument van meisjestranen weerstaat men niet licht. Hij legde haren arm in den zijnen, en, zonder zelf te bedenken waarheen zij gingen, slenterden zij samen het aan de school grenzende heuveltje op--de kerk voorbij--het oude pad op tusschen de graven.

* * * * *

Het was donker geworden, zoo donker het namelijk in eenen helderen Juni-nacht worden kan, als des nachtegaals avondlied en des leeuweriks morgenzang elkander opvolgen gelijk adagio en scherzo eener symphonie; als de sterren den tijd nauw vinden om even te flonkeren tusschen de schemering die ze ontsteekt en de schemering die ze doet verbleeken; als het amber aan de westerkimme even pas vergrauwd is, of ziet--Auroor begint in het oosten den sluier al weg te schuiven van haar rozig aangezicht!

De maan bovendien.... Ei ja, lezer, sta ook mij toe van dit hemellichaam een passend gebruik te maken ter illuminatie van deze mijne vertelling. Ik geef u mijn woord, dat ik aan de vergunning mij niet zal te buiten gaan. Het is trouwens een feit, het is historisch boven allen twijfel verheven, dat in Juni van den jare 1858 verscheidene nachten achtereenvolgens de satelliet van onzen aardbol ook het dorpje Hillegersberg en omstreken met zijn zilveren licht bestraald heeft.

De maan alzoo, juist boven den lindenkrans rondom het kerkhof verrezen, dreef met het landschap haar welbekend goochelspel. Aan vlakheid leende zij diepte, aan dofheid glans, aan schaduwen lichaam. Den kerktoren herschiep zij in eenen wachter met metalen helm en pantserkraag; het boschje in eenen zuilentempel; het grasperk onder de boomen in wemelend mozaïek; den dauw, die wijd gestrekt lag over Schieland's velden, in eene zee van ongepeilde diepte, bezaaid met dreigende klippen, die koebeesten, en met geheimzinnige eilanden, die boerenhofsteden waren. Doch dit alles haalde nog niet bij hetgeen zij aan de ruïne tooverde. Ruïnen en de maan (die zelve een oude puinhoop is) zijn van eeuwen her boezemvrienden geweest; vandaar dat men een oud stuk muur zoo bijzonder indrukwekkend vindt bij maneschijn, en dat men de maan zoo op haar minnelijkst ziet lonken door een kijkgat in een oud stuk muur. De ruïne van Hillegersberg dus was méér dan schoon dien avond. Zij scheen hooger en ranker geworden, jonkvrouwelijk haast van gestalte. Haar rood gesteente leek doortinteld van eenen warmen goudglans; de schaduw aan haren voet was als een sleep van zwart fluweel; op hare kruin glom het natte mos als smaragden, en vonkten de bedrupte graspluimen als brillanten, gestengeld op eenen diadeem.

Onze jonge lieden, naast elkander gezeten op eene hooge zerk, op welke een groot bronzen blazoen prijkte, hadden eene pooslang al peinzend meegezwegen met de roerlooze stilte om hen heen. Justus brak eindelijk het mijmeren af:

»Is het niet als een sprookje?.... En dat er menschen zijn, die voor zoo iets niet het geringste gevoel hebben! Die er niets in zien kunnen, dan eene gelegenheid om olie te besparen in de straatlantarens! Ha ha ha!"

Een zucht was Marieken's éénig antwoord op deze sarcastische overdenking.

Beiden zwegen weer eene wijle.

»Die lieve maan!" sprak Justus toen: »Hoe vaak heeft zij ons getroost hier op dit heuveltje!"

»Al menigmaal--ja, Justus!"

»En als ze nu wéér vol is--wie weet hoe ver ik dan al weg ben van hier!"

Marieken zeide niets.

»Ken je 't nog?" hernam hij, na weder eene pauze: »dat schoone lied van Staring":

_Toon ons uw luister, o zilveren Maan, Rijs uit het meer. Lach den zwervenden schepeling aan, Straal op 's wandelaars donkere baan In uw lieflijkheid neer._

»O ja", zeide het meisje--»ik ken het nog":

_Waar zonder hoop de verlatene smacht, Scheemre uw gloor. Waar, na troostlooze afscheidsklacht, Blij hereenen de minnenden wacht...._

Een snik belette haar voort te gaan; hare oogen schoten vol; in hare handen verborg zij haar gelaat.

»Marieken!" riep Justus, terwijl hij haar áán zich drukte zooals hij nog nooit tevoren gedaan had: »Kind! waarom schrei je nu zoo?"

»Omdat ik", kreet zij, »omdat ik hier zoo verlaten zal zitten, als je heengaat!"

»Marieken, mijn lief zusje--nu dan, ik ga niet weg! wij scheiden niet!--Wat maal ik ook om je vader, zoolang jij er nog bent!--Ik blijf, hoor! en we zullen samen nog menig mooi vers lezen. Toe, schei nu maar uit!"

Zij zag hem aan, lachend door hare tranen heen. »Och ja", zei ze.--»Je moet bij ons blijven, Just! Het was ook mijne éénige vreugde, dat lezen en praten met je. Als je wist hoe ook ik er in opga, in onze boeken!.... Maar wat is het mooiste boek, wanneer men het alléén moet lezen? Niet waar?"

Justus echter sloeg geene acht meer op hare woorden. Hij was opgestaan. Het scheen of hij een visioen had, of dat hij uit de schaduw achter het muurwerk eene demonische verschijning zag opdoemen, die hij bannen wou. Met gefronste wenkbrauwen, de armen over de borst gekruist, blikte hij naar de ruïne.

»Marieken", sprak hij plechtig: »was je dat ernst, wat je zeide toen we in het schuitje zaten?--Dat je doen zoudt als Hildegarde de reuzin: liever in zee springen, dan verloochenen wat je dierbaar is?"

»Zeker, Justus!" antwoordde Marieken: »dat was mij heilige ernst."

»Hoor dan!" voer de ondermeester voort. »Wij staan allebei alleen op de wereld; wij hebben niemand die deel neemt aan ons denken en voelen, dan elkander. Daarom moeten wij elkander houw en trouw blijven. Laat ons eenen eed zweren!"

»Eenen eed, Justus?"

»Eenen eed, ja! bij dien bouwval daar, die gewijd is door de eeuwen--bij Hildegarde's berg hier--bij de goede dichters en de schoone geniën die onze troosters zijn. Eenen eed: dat wij elkaar de hand zullen reiken, elkaar zullen bijspringen in nood, als trouwe vrienden en geestverwanten--nu, en later ook, levenslang, al loopen misschien onze wegen uiteen. Zweer je dat?"

»Ik zweer het, Justus!" sprak Marieken, zacht maar vast.

»En ons parool, als 't er op aankomt, zal =Hildegarde= wezen."

»=Hildegarde=", herhaalde Marieken: »=Hildegarde= zal ons parool zijn."

* * * * *

Het moet eene gril der verbeelding zijn geweest, of het spel van eene voorbijdrijvende wolk, dat Justus en Marieken op dit oogenblik de maan verduisterd zagen, en over de nevelen-zee westwaarts heenglijdende eene ontzaggelijke schaduw, die de gestalte had van eene vrouw.

VI.

Het liep zooals Marieken voorzien had. Nadat de heer Pieter van Meppen de zon had laten ondergaan en opkomen over zijnen toorn, voelde hij dien aanmerkelijk bekoeld, en was hij innerlijk zeer verblijd, toen hij, den volgenden ochtend de school binnentredende, Justus als naar gewoonte reeds bezig vond met de kinders den gebruikelijken lofzang uit te blaten ter inwijding van den nieuwen dag. De meester deed wel zijn best om uitermate grimmig te kijken, zoodat menig wichtje zijne ooren al voelde tintelen--maar overigens toonde hij door taal noch teeken dat er tusschen hem en zijnen trawant iets ongewoons was voorgevallen. Wat Justus betreft, ook hij hield zich voortreffelijk in zijne rol. Met onbevangen blik stond hij daar achter zijnen lessenaar, de maat slaande met zijne lange liniaal, en uit volle borst meezingende:

_Mijn eerst gevoel zij dankbaarheid, Waarmee 'k tot God genake, Als 't morgenlicht zijn stralen spreidt En ik verkwikt ontwake._

Intusschen, terwijl aldus de ééne helft van het banvonnis over Justus stilzwijgend herroepen werd, kwam de andere des te onverbiddelijker tot voltrekking. Het jonge mensch mocht blijven in de school--doch moest opdoeken uit de woning van Marieken's vader. Zóó was--en wijselijk--door Van Meppen besloten. De bedachtzame man oordeelde dat het méér dan tijd was om tusschen zijnen romanesken ondermeester en zijn sentimenteel dochtertje eenen scheidsmuur te stellen. »Waar het moederoog ontbreekt, daar past den vader dubbele waakzaamheid"--aldus bepleitte hij in de societeit dezen, van zijn standpunt trouwens volmaakt verdedigbaren, maatregel. Eene week daarna zag men dus Justus Eykendaal gepakt en gezakt een achterkamertje betrekken bij eene weduwvrouw, wier huisje even buiten de kom van het dorp aan den straatweg gelegen was.

Met deze schikking had Van Meppen juist bereikt wat hij beoogde: dit namelijk, dat er bij den dichterlijk-broederlijken omgang tusschen Justus en Marieken ééns voor goed een stokje was gestoken. Justus ging voortaan van zijn kamertje naar de school, en van de school naar zijn kamertje, waar hij blokte voor zijn examen. De twee zagen elkaar dus weinig meer; en het samen lezen, het samen wandelen, het samen droomen--'t was uit er mee! Uit als met het schuitjevaren en het stoeien in het groen: uit als met de lieve, onnadenkende vertrouwelijkheid!

Viel den jongeling deze scheiding aanvankelijk bitter, aan den anderen kant smaakte hem de pas verworvene zelfstandigheid als het manneken in het versje de perzik. Hij behield ook altoos zijne beminde boeken nog naast zich. Hij kon afleiding zoeken in het verkeer met anderen. Hij was jong en sterk, vol zelfvertrouwen--hij voelde zich =man= worden, en zag de wereld voor zich opengaan, veel wijder nog dan het land der sprookjes, veel rijker nog dan al de tooverpaleizen van Sheherezade. Wie treurt er lang, om wat ook, wanneer hem het eerste dons begint te krullen om de lippen?

Doch met Marieken was het anders. Voor haar was met den vriend =alles= uit de vreugdelooze vaderlijke woning heengegaan. Voor haar geene vrijheid, maar eene steeds enger wordende gevangenschap; geene verstrooiing, maar immer strengere ontzegging van genot. Geene toekomst die haar vleide, geen horizon die zich haar ontsloot. Integendeel: de wondertuin der phantasie, welken zij aan Justus' hand was binnengetreden, scheen haar thans een verloren paradijs, dat verder en verder van haar terugweek. Sleur was haar heden, sleur zou haar morgen zijn. Gansch haar leven was haar eene leegte geworden.

Gij jonge heeren der schepping, die onbelemmerd uwe wieken rept--in aether, in modder, al naar het u behaagt--hoort toe! Als gij genoeg naar hartelust gefladderd hebt, laat dan uwe oogen vallen op een braaf burgerkind, en neemt haar eerlijk tot uwe vrouw, en maakt haar recht gelukkig! Tien tegen één, dat gij eene slavin verlost zult hebben uit eenen kerker. Let op hoe dankbaar zij u wezen zal, wanneer gij ook haar eens laat meeproeven uit den beker der jeugd: wanneer gij ook haar vergunt de arme, zoo lang geknotte vleugels eens uit te slaan in de vrije, frissche wereld!

* * * * *

Justus, zeide ik, was druk aan het blokken getogen voor zijn onderwijzers-examen; en daar hij vlug van leeren was, zoo vorderde hij aardig hiermede. Nog veel vlugger evenwel, dan in Strootman en Baudet, schoot hij op in eene kunst, die haren beoefenaars nooit anders dan verdriet gebaard heeft: het bekladden namelijk van goed papier met slechte verzen--en wel (wat de zaak niet beter maakt) verzen van zeer beslist erotischen aard. Justus, in wien waarlijk een dichter stak, zoolang hij maar geen poëet wilde wezen--Justus was »in 't rijm vergaan"! Justus schreef minnezangen!

Dit mocht voorzeker treurig heeten. Edoch, mijne vrienden! wie uwer, in eigen boezem getast hebbende, durft deswege den eersten steen werpen op mijn ondermeesterken? Wie zelfs kan, met de hand op het hart, betuigen dat hij behoed bleef voor een nog veel grooter kwaad, aan hetwelk mijn bescheiden held zich althans niet bezondigde: het neerschrijven niet slechts, maar het aan den medemensen mee te slikken geven van de overkookselen zijner dichtaar?--

Die minnezangen nu--aan wie waren zij gericht?

Aan Marieken?--

Helaas! neen. Terwijl Marieken zoo heel veel dacht aan Justus, was Justus al minder en minder gaan denken aan Marieken, en al meer en meer....

_AAN MARY._

_Licht van mijn oogen, Ster in mijn nacht, Vlam van mijn leven, 'k Zing van uw pracht._

_Bleek wordt Aurora, Kleurloos en mat, Treedt gij naar buiten, Zon op mijn pad!_

_Lustig als Zefir Zweeft er uw tred: Bloemen ontluiken Waar gij hem zet._

_Frisscher geen dauwdrup, Slanker geen ree, Blanker geen parel. Diepst uit de zee._

_Goud zijn uw tressen, Glans is uw oog, Stralend als Venus Mild van omhoog._

_Rozen uw lippen, Leliën uw hals, Golven uw boezem, Zwoegend en malsch._

_Jaagt mij uw aanblik Vuur door het bloed, Steekt mij uw lonken Laai in een gloed--_

_Ziedend verlangen! Zalige pijn! Jonkvrouw, erbarm u! Mary, wees mijn!--_

Ziedaar van Justus' minneliederen de eersteling. De talloos vele die er volgden, in alle maten en op alle voeten--ik spaar ze mijnen lezer. Dit ééne staaltje kan intusschen doen blijken, dat de hartstocht van onzen vriend niet juist een platonisch karakter droeg, en dat hij al terstond als met den stormpas op Amor's duursten prijs afwilde. Er zijn ridders die zich reeds den hemel te rijk voelen, wanneer Dulcinea de weergalooze hun veroorlooft eenen handschoen voor haar van den grond te rapen, of hen begenadigt met een hoofdknikje ten antwoord op hunnen nederigsten groet. Van deze stroopbloedige soort had Justus Eykendaal tot vervelens gelezen; maar hij behoorde tot haar geenszins. Veeleer mocht hij vergeleken worden bij die Orlando Furioso's onder Ero's vanen, wier leuze luidt: »alles of niets!"--Trouwens, het uiterlijke wezen der schoone Mary mocht wèl in eenen bewonderaar eenig ongeduld rechtvaardigen. Zelfs de bezadigde blik, dien wij uit dezen afstand van jaren (zij moet thans de vijftig naderen) op de jonge dame werpen willen, zal ons dit doen erkennen.