Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 5
De heer Pieter van Meppen had zich eene lijfspreuk verkoren, die de leidende gedachte bij zijne methode van onderwijs als formuleerde:--»het boompje dient =jong= gebogen." Dit klinkt bijna wreedaardig, niet waar?--En toch, lezer, toch bid ik u, rangschik mij om dezen stelregel mijnen bovenmeester niet aanstonds onder dat slag van antieke kinderbeulen, voor wie Dante verzuimde in zijnen _Inferno_ eene afzonderlijke verdieping in te ruimen: nietige inquisiteurs, kleine vivisectoren, kruisingen van kat en ezel, die in hun ledig brein, onder het magistrale pruikje, de valschheid en het leedvermaak van het eene schepsel geämalgameerd hadden met de balkende deftigheid van het andere. Neen toch! Wacht u wèl voor dergelijke overijling!--Meester Van Meppen was volstrekt geen laffe aterling van die soort. Meester Van Meppen had veeleer eenen hekel dan eenen lust aan lijfstraffelijke rechtspleging: maar hij beschouwde deze als een onvermijdelijk kwaad--»_necessitas naturae_", evenals bakers, dienstmeiden, en vrouwvolk in het algemeen. Meermalen had men in de societeit, als het gesprek op zaken van onderwijs verzeilde, hem dit met klem van redenen hooren uiteenzetten. Hij wist wel dat enkele jongere collega's zich den schijn gaven alsof zij het zonder slaan konden kroppen. Doch deze schijn leek =hem= ten hoogste bedriegelijk. »Ik voor mij", riep hij, tuk op elke gelegenheid tot het uitkramen van zijn bijeengesprokkeld Latijn: »Ik voor mij houd mij aan het reeds door de oude Romeinen met zoo schitterend gevolg in praktijk gebrachte »_Fortiter in modo, suaviter in rebus!_""--waarmee hij zich verbeeldde onweerlegbaar te hebben betoogd, dat het straffen aan den lijve hem maar al te vaak werd opgelegd als eenen smartelijken, doch onvermijdelijken =plicht=. En zoo ging er geen dag voorbij, waarop hij geen klappen uitgedeeld had links en rechts--zuiver uit plichtbesef--louter uit kracht van een met overtuiging toegepast beginsel. Van Meppen geloofde heilig in de weldadige werking van eene dracht slagen. »Het boompje moet =jong= gebogen!"--Teekende zijn eigen gemoed tegen die leer soms verzet aan: zag men soms, gelijk bij Van Alphen's even hardhandigen als weekhartigen papa, tranen glinsteren in zijne oogen wanneer hij Hieronymusjen op de broek gaf--dan verweet hij zich dit als zwakheid. De roede zwaaiend, verstaalde hij zijne ingewanden tegen het gejank der getuchtigden door het aanhalen van nog een ander gulden woord der vaderen: »Zachte meesters maken stinkende wonden!"--Om kort te gaan, meester Pieter van Meppen was nog een onderwijzer van den ouden stempel, en koesterde omtrent de opkweeking der jeugd zoo zijne ouderwetsche en onwankelbare begrippen.
Welnu dan--was het vreemd, dat het den man hinderde, die begrippen gekleinacht, ja, zwijgend maar met de daad te schande gemaakt te zien door eenen aankomenden kwâjongen? Lag er voor den bovenmeester, als verantwoordelijk opperheer in de school, in des ondermeesters meerdere en zuiver zedelijke macht niet iets krenkends? Schuilde daarachter tevens niet een opstaan tegen zekere, door de eeuwen geijkte, denkwijzen, gebruiken en instellingen--iets eigenzinnigs, iets weerbarstigs, iets revolutionnairs?.... Revolutie! Gerechte hemel! Het woord al zou den meester een kruis hebben doen slaan, ware hij niet zoo rechtzinnig gereformeerd geweest.
Ten overvloede had Van Meppen tegen Justus Eykendaal nog eene andere en meer ernstige grief. Hij meende namelijk in den jongeling eene aanwassende neiging te bespeuren tot--hoe zou hij het noemen?--tot vreemddoenerij, sentimentaliteit, romanziekigheid, kluisjes bouwen in den maneschijn--: eene neiging, die den stijven, dorren, met de kerkelijke witkalk dik bestreken man vervulde van dien gerechten weerzin, welken menschen als hij plegen te koesteren tegen alle zóódanige aandoeningen, waarvan zij zelven nu eenmaal geen tittel of jota meegevoelen.
Onder deze omstandigheden zou hij zeker al lang zich eenen anderen ondermeester hebben aangeschaft, indien niet twee beweegredenen hem daarvan hadden teruggehouden. Vooreerst zijn gevoel van recht: Justus, hoe zonderling ook, deed immers trouw zijn werk. Ten tweede zijn welbegrepen eigenbelang: want nergens zou hij eenen helper treffen, die hem knapper zijne taak verlichtte, en aan wien hij geruster heel het schoolbewind kon overlaten, wanneer hij op mooie zomerochtenden met den dominee er eens uit wou op het verschalken van een zootje waterbaars.
III.
Hoe de heer Pieter Van Meppen op dien romanesken trek, waarvan hij zoo huiverig was, zijnen ondermeester het eerst recht tastbaar--_in fragrante delicto_, gelijk hij zich uitdrukte--betrapt had?--
Ja zie--dat gebeurde heel bij toeval. En zonder dit toeval, vrees ik, zou de man er niet licht achter gekomen zijn, wat het dan toch voor heidensche grillen waren, die zijnen assistent soms zoo wonderlijk deden doen--zoo geheel anders dan alle andere jeugdige Hillegersbergenaren.
* * * * *
Vooraf dient men te vernemen dat meester Van Meppen een éénig stuk kroost bezat: een dochtertje, Marieken geheeten. Als een Zuidhollandsch burgerkind, Maria gedoopt, had het meisje eigenlijk een Mietje moeten wezen; doch hare moeder, die uit het Geldersche, of eigenlijk uit het land van Cleve was, en de taal harer kindsheid maar niet verleeren kon, had de kleine altoos genoemd bij den naam dien zij zelve gedragen had: Mariechen. Wel--Mariechen (of Marieken op zijn Hollandsch) klonk ook wèl zoo aardig tusschen al die Mietjes in, waarvan het wemelde te Hillegersberg. Dat vond een ieder.
Een stil en vroegrijp wijfje, dit Marieken--zooals éénige kinderen, die vroeg de moeder derven moeten, veelal worden. Flink uit de kluiten geschoten, met haar ernstig gezichtje en mijmerende oogen, kon zij in haar dertiende jaar wel haast voor vijftien doorgaan. Maar den blijden stoeilust, den overmoedigen lach van de kalverjaren zocht men bij haar vergeefs. Hoe zou zij ook vroolijk zijn geworden?--Spelen had zij nooit geleerd; huismoederlijk zorgen des te spoediger. En met wie zou zij gelachen hebben?--Hare moeder, lang ziekelijk, ontviel haar vroeg, na haar al in hare eerste jeugd te hebben doen meeproeven uit den kelk van pijn en lijden. De dorpskinderen ontweken des schoolmeesters weinig aanlokkelijke woning. En de éénige die haar overbleef, haar strenge, stijve vader--ach! hij stond zoo ver van haar. Zij rilde van zijne klappen; zij schrok van zijne bijbelteksten en zijn deurwaarders-latijn; zij deinsde terug voor zijne in haar oog alomvattende geleerdheid. Van zijnen kant ook geene toenadering tot haar. Wel hield hij van zijn kind--niet minder al dan het gros der vaders, die niet kortweg onmenschen zijn. Maar dóórdringen in het jonge gemoed, meeleven met het jonge leven--de man had er nooit aan gedacht; en wie hem dit onder het oog zou hebben gebracht als eene tekortkoming, die zou Hebreeuwsch tot hem gesproken hebben. Marieken was een goed kind, meende hij; maar daarvoor =had= Marieken het dan ook goed. Marieken deed als kind haren plicht, door haren vader gehoorzaam te zijn, en te zorgen dat haar vaders rok netjes geschuierd, haar vaders pijp luchtig gestopt, haar vaders koffie warm ingeschonken werd. Daarvoor genoot Marieken de gastvrijheid van het vaderlijke dak, de vaderlijke bescherming, het vaderlijk onderwijs, de vaderlijke opleiding tot orthodoxe deugd, en--de vaderlijke liefde.... Voor dezen man, tusschen kinderen vergrijsd, met kinder-adempjes als gevoederd, was het hartje van zijn eigen kind nog als het boek met de zeven zegelen.
Jammer voor hem! Want in dat boek--in dat hartje wil ik zeggen--had hij zooveel liefs kunnen lezen; en om de zegelen er van te ontsluiten, was ook geen wonderdier noodig met zeven hoornen en zeven oogen. Och neen! Een eenvoudige ondermeester had ze verbroken. Justus Eykendaal kende bladzijde bij bladzijde van buiten. Niets van hetgeen daar geschreven stond (het was zoo veel niet trouwens: wat stille behoefte maar om lief te hebben, wat geloof en wat gevoel en wat ingeborene verbeeldingsgave)--niets van het schrijfsel in dit boek was den jongeling geheim. En evenzoo--maar dit vermoedde Justus, van zijne hoogte als man en ondermeester zelf zoo niet--evenzoo lagen voor het kind de roerselen bloot van het gemoed des jongelings.
* * * * *
Justus, na in zijn twaalfde jaar ouderloos te zijn geworden, was bij meester Van Meppen als kweekeling op school gekomen. Marieken was toen even negen. Destijds leefde ook juffrouw Van Meppen nog; en daar die brave vrouw met de moeder van Justus heel bevriend was geweest, zoo had het schoolmeesterlijke echtpaar den jongen in huis genomen. De vrouw zag daarin jegens den wees eene liefdedaad, terwijl de man de schikking beschouwde als voor het ondermeestertje heilzaam uit een zedelijk en paedagogisch oogpunt, en tevens (nademaal een Indische oom zich verbonden had tot het uitkeeren van een billijk kostgeld) voor hemzelven niet onvoordeelig met betrekking tot het huishoudelijke budget. Dus dakgenooten geworden, bleven toch aanvankelijk, zoolang juffrouw Van Meppen leefde, de knaap en het meisje elkander innerlijk vreemd; want nog ontbrak de band, die hunne schuwe naturen tot elkander brengen kon. Eerst een paar jaren later, na den dood van des schoolmeesters vrouw, was hierin snel verandering gekomen. Marieken, in hare verlatenheid, was tot Justus--en Justus, in zijne deelneming, was tot Marieken genaderd. Samen hadden zij de moederlijke doode betreurd; samen hadden zij haar graf bezocht op den heuvel; samen--eerst aarzelend, maar weldra vol uit het hart--hadden zij gepraat over hunne eenzaamheid in deze groote en wreede wereld, van wier grootheid en wreedheid zij toch op hun dorpje pas zulk een klein en zwak denkbeeld zich hadden kunnen vormen. Elkander troosten, elkander aanvullen, was de grondslag geweest van hunne vriendschap; dit alvast had uit hunne jonge harten de kiem van bitterheid geweerd, die binnensluipen =moet= in elk zieltje dat in geene enkele andere borst den weerklank verneemt van zijn zuchten en van zijn lachen. En allengs--naar gelang het meisje zich mee ontwikkelde, zoodat het verschil in leeftijd al minder en minder eene belemmering werd voor hunnen innerlijken omgang--allengs was er op dien grondslag voor hen beiden een heerlijk lustslot verrezen, waarin zij samen woonden als prins en prinses: een lustslot met gouden zuilen en torens van kristal: de koene, hooge burcht der phantasie.
Om het zakelijker uit te drukken: Justus en Marieken waren samen aan het lezen, aan het wandelen en aan het droomen gegaan.
* * * * *
Het lezen .... och heilige onnoozelheid! De hedendaagsche collega's van mijnen vriend zouden meewarig geglimlacht hebben, indien zij zijnen boekenschat bijeen hadden gezien. De Nederlandsche ondermeester in die donkere, langvervlogene dagen was nog niet de verbazend geleerde kop van tegenwoordig: de jonge wijsgeer, die van alle de vruchten in den boomgaard der kennis geproefd, en de meesten derzelve wrang bevonden heeft. Och hemel, neen! Een professor was destijds een professor, en een ondermeester was een ondermeester. Er stond eene maat tot de kennis die men vergde voor de somma van twee-honderd-en-vijftig gulden 's jaars. Zoo bij voorbeeld zou Justus, indien hij pedant ware geweest en bluf had willen slaan, onder zijne ranggenooten bij de paedagogiek zich gemakkelijk hebben kunnen doen huldigen als een genie, omdat hij, behalve goed lezen, net schrijven, vlug cijferen en eene tamelijke dosis aardrijkskunde en geschiedenis, zich aardig wat Duitsch had eigen gemaakt: de taal die hem uit juffrouw Van Meppen's mond zoo zacht, zoo »_heimlich_" geklonken had, en in welke hij den rijksten schat wist te kunnen vinden van zijne lievelings-lectuur: sprookjes en sagen, balladen, liederen, overleveringen.....
Naïef, niet waar?--Ja, dat was heel iets anders dan Vogt en Büchner, Douwes Dekker en Stuart Mill, en meer van die klokspijs, waarmede onze huidige, zoo oneindig degelijker onderlegde jeugd zich de hersenen voedt! Inderdaad, dat was heel iets anders!....
En dit malle goed, dit zotte, zoete gephantaseer van bijgeloovig volk en onnoozele dwepers, dat leerde de jongen nu ook Marieken lezen. In de _Palmblätter_ van Herder of in de _Märchen_ van Grimm--om maar iets te noemen--konden die twee te zamen zich dermate verdiepen, dat er zoo eenen ganschen zondag-achtermiddag geene school en geene schoolmeesterij, geen Hillegersberg en geen tredmolen voor hen op de wereld waren. Justus las voor; hij las =goed=, heb ik reeds gezegd. Marieken luisterde. En het een en ander was te genotrijker, omdat het contrabande was, aangezien meester Van Meppen (van wiens boekenrek na den dood zijner vrouw zelfs _Maurits Lijnslager_ verwijderd was als een loszinnige, en Zschokke's _Alamontade_ als ijdelheid der ijdelheden) er volstrekt niets van bespeuren mocht. Des winters moesten de jongelui hunne kans waarnemen bij eene vetkaars in de school, terwijl Van Meppen zijn uiltje knapte na het eten; of in de huiskamer, wanneer de geduchte zijn societeit-avondje genoot. Des zomers kropen zij weg in de ruïne op het kerkhof. Justus had aan een der afgebrokkelde stukken muur eene soort van trap gevonden, die naar eene nis leidde, een voet of acht boven den grond. Hier zaten zij verholen te lezen en te babbelen in het avondlicht, van aangezicht tot aangezicht met den ouden kerktoren, die aandachtig scheen mee te luisteren naar de verhalen van feeën en eenjers, nixen en dwergen en roovers en ridders, als waarden er echo's om hem henen van liederen uit zijne eigene jeugd. Hier ook was het, dat Justus aan Marieken de geschiedenis verteld had van Hildegarde en Ubbo. Het duurde een heel poosje, vóór Marieken zich uit het hoofd kon zetten dat de beide Delftsche torens, van deze verhevenheid juist zichtbaar als twee donkere staken waarachter het westen glom, niet Twikko en Fikko waren, de bloedige reuzen, uittrekkende op maagdenroof!
Dan het wandelen!.... De meesten mijner lezers zouden van die tochten door de Schielandsche dreven ras genoeg hebben gehad; maar enkelen hunner--bedenkende dat het blauw des hemels en het wit der wolken en het groen der velden heerlijk zijn alom, en dat zelfs eene wandeling door eenen polder beter is dan in het geheel geene wandeling--zouden lustig hebben meegestapt door dik en dun, blijde al dat zij den zuiveren wind hadden om in te happen, en den vrijen, wijden horizon om hunnen blik er langs te laten dwalen. Men vergete ook niet, dat Justus en Marieken nooit eene andere natuur gekend hadden dan deze; de Duitsche wouden, de Zwitsersche bergen mocht hunne phantasie hun voorspiegelen, gelijk zij hun ook beelden maalde van het hemelsche paradijs; maar die wouden te doorkruisen, die bergen te beklimmen--de mogelijkheid van zoo iets kwam niet in hen op, laat staan de begeerte er naar. En eindelijk herinnere men zich hoe elke natuur ons sympathiek wordt, in welke wij ons bewegen als kinderen: in welke wij het eerst de vleugelen leeren uitslaan van onze verbeelding, het eerst de voor het jong gemoed zoo onuitsprekelijk aangrijpende indrukken ontvangen van de grootheid en de majesteit der Schepping, het eerst de zaligheid leeren smaken van bewonderen, van twijfelloos, critiekloos aanbidden.
Zoo wandelden de jongelieden, telkens als hun een vrije zaterdag-middag of een schoone zomer-avond gegund was, frisch er op los; ver langs de eenzame boorden van de Rotte, rondom de golvende, van wilgen en biezen omzoomde plassen, dwars door de velden naar een dorp in den omtrek--samen zingend in den wind met den rietvink, kruiden lezend, sproken dichtend, droomen droomend, muziek vernemend en wonderen speurend, waar de zinnen van anderen niets zouden opgemerkt hebben dan kaalheid en platheid--vunzig water en drassig veen.
IV.
Dit lezen en wandelen en droomen....
Maar ik zou vermelden op wat wijze de heer Van Meppen de volle maat te meten kwam van het ontuig, dat zijnen ondermeester door het brein spookte, en hoe hij tevens tot de wetenschap geraakte van hetgeen die jonge snuiter en Marieken dan toch zoo samen altoos te verhandelen hadden. Ik ga nu zonder verderen omhaal daartoe over.
* * * * *
Justus was tot eenen flinken zeventienjarigen borst, Marieken tot eene stemmige veldbloem van vijftien opgegroeid.
Eens op eenen warmen Juni-avond hadden onze jeugdige vriend en zijn vriendinnetje zich de weelde veroorloofd van een watertochtje. Na bij »Vrouw Romein" (ook bij de huidige Rotterdamsche jonkheid nog welbekend en veelgeliefd) een schuitje te hebben gehuurd, waren zij den plas opgedobberd, en hadden door het spelende briesje zich laten heendrijven in eene kleine kreek, die door twee smalle, met dicht elzenhout begroeide landtongen bijna geheel omsloten werd. Hier had Justus de riemen binnen boord getrokken, en uit zijn jasje een klein boekdeel voor den dag gehaald, welks genummerde rug en beduimelde omslag deszelfs afkomst vermoeden deden van een der stalletjes, die zoo lang het standbeeld van Desiderius Erasmus omschansten als met een bolwerk van geleerdheid. Dit boeksken was de _Undine_ van De la Motte Fouqué.
»Wat nieuws en wat moois!" zeide de ondermeester op geheimzinnigen toon. »De historie van eene waternimf. Zullen we een hoofdstuk snoepen?"
»Graag! o graag!" riep Marieken; en meteen stak zij, het nijvere kind, de naald met roode zijde in het fluweelen calotje, dat zij werkte voor haar vaders verjaardag. Nu begon Justus met zachte stem te lezen, hoe de ridder tot den visscher kwam:--
»_Es mögen nun wohl schon viele hundert Jahre her sein, da gab es einmal einen alten guten Fischer; der sass eines schönen Abends vor der Thür, und flickte seine Netze. Er wohnte aber in einer überaus anmuthigen Gegend. Der grüne Boden worauf seine Hütte gebaut war, streckte sich weit in einen grossen Landsee hinaus; und es schien eben so wohl, die Erdzunge habe sich aus Liebe zu der bläulich-klaren wunderhellen Fluth in diese hineingedrängt, als auch das Wasser habe mit verliebten Armen nach der schönen Aue gegriffen, nach ihren hochschwänkenden Gräsern und Blumen und nach dem erquicklichen Schatten ihrer Bäume. Eins ging bei dem andern zu Gaste, und eben desshalb war jegliches so schön. Von Menschen freilich war an dieser hübschen Stelle wenig oder gar nichts an zu treffen, den Fischer und seine Hausleute ausgenommen. Denn hinter der Erdzunge lag ein sehr wilder Wald_"....
En zoo verder, tot het hoofdstuk uit was. Toen sloot hij het boekje, en zei dat het voor heden genoeg was: want met zulk een litterarisch banket moest men spaarzaam wezen, meende hij, als wijze kinderen met hun Sint-Nikolaas-lekkers. Niet alles opeens; dagelijks een brokje; dan duurde de vreugd het langst.
»Kijk!" riep hij, bij wijze van nabetrachting: »het heeft er hier wel iets van. Hier is óók een meer, en eene landtong, op welke wij een huisje zouden kunnen bouwen."
»Om er met ons beidjes in te wonen, niet waar?" viel Marieken hem in de rede. »Zoo heel alleen met ons beidjes!"
»Zeker, kind! En daarachter zouden we boomen kunnen planten, die bosch zouden geworden zijn tegen dat we oude luidjes waren."
»O heerlijk! heerlijk! Hoe gezellig!--En den kost zouden we verdienen met visschen, niet waar?"
Justus moest lachen. »Met visschen?--De paling is schaarsch in den Bergschen plas; en dat de baars en de voren er elkaar niet in den weg zwemmen, daarvoor zorgen je vader en de dominee en de liefhebbers uit de stad wel! Dat visschen zou ons een mager kostje opbrengen, Marieken!"
»Nu ja! maar we zouden zoo zuinig kunnen leven!" riep het meisje. »En als er dan eens zoo'n ridder kwam...."
»Een ridder, haha!--Ik vrees eer dat Hannes de diender komen zou, om ons te callanzeeren!.... Er zijn tegenwoordig zoo geen ridders meer, Marieken."
»Ook geen betooverde wouden meer?"
»O, die zeker niet!"
»Ook geen waternimfen?"
»'k Zou denken van neen .... ofschoon .... in de zee, en in heel diepe meren .... wie weet 't! Er is zoo véél dat we niet zien kunnen...."
Dit stukje philosophie bracht beiden aan het mijmeren. Marieken stikte naarstig voort aan haar calotje; maar hare gedachten toefden in het visschershutje op de groene landtong. Justus pelde met zijn zakmes den bast van een wilgetakje: maar zijn geest zweefde ver weg over de diepe blauwe wateren, in welke de blanke nixen met de gulden haren nog wel wonen mochten. Hij zag in zijne verbeelding zijnen koensten wensch vervuld. Hij zeilde mee op een der groote schepen, die daar gemeerd lagen aan den rivierkant voor de stad. De wimpels flapten in den wind, de zeilen zwollen, de golven bruisten, gekapt met sprankelend schuim. Zeemonsters doken blazend op langs den boeg. Aan de kimme doemden blauwe bergen. Bij een zonnig eiland viel het anker. Justus wandelde onder de palmen van Taprobane, over welks wonderen hij kort tevoren gelezen had in het boek van vader Haafner.
Middelerwijl deed rondom den droomenden jongeling de wereld der werkelijkheid al haar best om in liefelijkheid de wereld der verbeelding te evenaren. Het was bladstil geworden, zoodat de gouden baan, die de neigende zon over den waterspiegel wierp, haast door geen rimpeltje verbroken werd. Om het bootje heen wipten de dartele vischjes uit het nat, met eene flikkering en een plompje. In de verte riep de koekoek. Vlak bij in het elzenhout kweelde de boerennachtegaal. Hoog in de bleekblauwe lucht kruisten tjilpend de zwaluwen.
Marieken had haar borduurwerk ter zijde gelegd. Haar ééne handje rustte in haren schoot; haar andere hing over den kant van het schuitje, de vingertoppen gedoopt in het groene water. Zij tuurde met groote oogen over den plas naar den weerhaan op den kerktoren, die blonk als eene ster boven het geboomte.
»Justus!" sprak zij plotseling.
»Wel?" vroeg de ondermeester, in zijnen droom van het wondereiland nog verzonken.
»Zouden ze er wel ooit geweest zijn?"
»Wat? De boschduivels en de dolle olifanten?--O zeker!"
»Neen!--de ridders, wou ik zeggen."
Justus ontwaakte. »Aha, de ridders!--Ridders, kind? of die er wel ooit geweest zijn?.... Mooie vraag!--Heele legers van ridders!--En onze ruïne dan, die eens een groot en sterk kasteel was? Wie zou dat gebouwd hebben, als er geen ridders waren geweest?"
»En had elke ridder zoo zijne jonkvrouw?"
»Elke ridder had zijne eigene jonkvrouw, zoo mooi als de avondzon, voor wie hij den ganschen dag verzen opzei, en lanzen brak in het steekspel, en andere ridders bevocht."
»En .... Justus...."
»Nu?"
»Wie zou jij wel kiezen tot je jonkvrouw?"
»Ik!" lachte Justus:--»maar ik ben immers geen ridder! Ik ben maar een arme ondermeester. Voor mij komen geene jonkvrouwen te pas!"
»Goed! Maar =als= je nu eens een ridder waart? Wie zou je dan kiezen om mee te wonen in je kasteel?"
»Dan?.... jou, Marieken, jou.... Ik houd immers van niemand zoo veel!"
Marieken's oogen glinsterden; er vloog een lach over haar gelaat, die het bleeke kopje waarlijk schoon maakte. Na een kort zwijgen sprak zij verder:
»Justus, we hebben nu al heel wat sproken en legenden zoo samen gelezen. Maar de mooiste vind ik nog altoos die, welke ik 't eerst van je hoorde: de sage van Hildegarde en Ubbo."
»En waarom dat?"
»Omdat zij zoo trouw was, die arme reuzin. En"--liet zij met ingehouden geestdrift er op volgen--»zal ik je eens wat zeggen?.... Ik zou het net zóó gedaan hebben!"
»Wat, mal kind?"
»Wel .... als ze mij den ridder niet hadden willen geven, van wien ik hield .... dan .... dan zou ik zijn weggeloopen .... dan zou ik in de zee gesprongen zijn.... O, ik zou hem hebben aangehangen tot in den dood. Al zouden er vijf-en-twintig reuzen gekomen zijn om mij te dwingen, of driehonderd draken met vurige muilen...."
* * * * *