Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 4
»De vaart liep prachtig. Eerst oostwaarts door Straat Lancaster. Daarna noordwaarts door de Smith-sound en het Kennedy-kanaal. En van ijs geen spoor, dan langs de verre kusten, waar de bergspitsen zoo blauw zagen als kopervitriool. En aanhoudend die mooie zuiderbries, die mij warmde en voortdreef. In dertig dagen, juist geteld, was ik waar ze nu zeggen dat Kane geweest is met zijne Yankees--aan de open Poolzee.
»Maar--_look here now!_ Als de Yankee Kane werkelijk zóó ver geweest is, dan had hij verder moeten gaan: en als hij gezien heeft wat hij vertelt, dan had hij méér moeten zien. _Curse me, Sir!_ ware Kane de Yankee geen lafaard geweest, zoo stond Jack Bobson thans niet geboekt als een leugenaar!
»Kane vond eene open zee en eene hooge temperatuur. Hij vond gras aan de oevers, en kudden muskusossen, en zwermen watervogels. Hij vond, terwijl zuidwaarts alles ijs was en bijtende vorst, milde regenwolken en nevel in het Noorden. Welnu! ik zeg u dat hij verder had moeten gaan en méér had moeten vinden. Achter dien nevel lag nog iets beters.
»Dát heb =ik= gezien, Jack Bobson, die hier zijn bier met u drinkt. Ik drong heen door den mist, niet meer zeilend, maar roeiend, over eene zee die door geen zuchtje werd gerimpeld. De nevel werd al dichter--en lauwer; bloedroode flikkeringen doorgloeiden hem soms. Dagen lang, terwijl ik voortroeide met koortsig verlangen naar het einde der reis, naar de geheimzinnige oorzaak van dat lichten en van de steeds toenemende warmte--dagen lang zag ik niets om mij heen, dan dien grijzen, lauw vochtigen damp. Vaak was hij zóó dik, dat ik zelfs het roerlooze water niet onderscheiden kon, waarin mijn riemslag ploegde--ja, mijne hand niet, op armslengte uitgestoken. Ik zat als geblinddoekt; de adem werd mij zwaar; en ware er niet af en toe een snuiven hoorbaar geweest van den eenen of anderen visch in mijne nabijheid, of de wiekslag van onzichtbare vogels boven mijn hoofd--zoo hadde ik mij kunnen verbeelden voor eeuwig verloren te zijn in het rijk van de schaduwen des doods.... Eindelijk echter werd het ijler. Ik bespeurde een groenachtig schemeren in de verte. Daar brak het zonlicht door----en ik zag.... Maar gij moet me gelooven! Zult ge?----
»Ik zag eene grasgroene watervlakte, spiegelglad gespreid onder een wit betrokken zwerk. En midden uit dien groenen plas, op eenen afstand van twaalf of veertien mijlen, rees een enkele, ontzaglijke kegelberg, twintigduizend voet hoog, naar ik gis. Aan den voet was hij met welig groen bewassen; topwaarts werd hij eene grauwe rotsmassa; en uit zijne kruin steeg, nogmaals duizenden voeten hoog, loodrecht eene dikke zuil van witten damp, die aan haar zenith zich uitspreidde naar alle kanten. In breede stroomen trok de damp door het luchtruim, om langzaam neer te dalen op de zee, en den wal van nevel te vormen, dien ik had doorboord. Het was een gewelf, een onmetelijke koepeldom van nevel, met de zuil, die te rusten scheen op den berg, in het midden, en met zijne fundamenten rondom op de wateren. Nu en dan schoten er vreeselijke vuurstralen uit den bergkrater, die de dampzuil deden gloeien, en gansch den dom van nevel in het rond verlichtten. En daaronder lag de groene zee--glad, peilloos diep, naar de kleur en helderheid te oordeelen--maar niet levenloos. Hier krielde het van walvisschen, die speelden met hunne jongen; het ruischte van hun geblaas; boven den wijden waterspiegel dansten alom de fonteinen uit hunne neusgaten. Ook bespeurde ik, terwijl ik den berg naderde, andere monsters, van ijselijker gestalten: monsters zooals ik later afgebeeld vond in boeken, met harde Latijnsche namen gedoopt--monsters van vóór den Zondvloed, zeggen de geleerden. De groote zeeslang stak in de verte zijnen gehoornden kop een vijftien ellen boven water; van verbazende salamanders werden de ruggen zichtbaar, als omgeslagen scheepsrompen; en toen ik dicht genoeg nabij den berg was, kon ik aan den oever leguanen bespieden met lange vogelhalzen en bekken als snoeischaren--en kaaimans, Sir! naast wie de kerels in de Zuid-Amerikaansche rivieren als _babies_ zouden zijn.
»Hoe ik den moed had dit alles nog zoo op te nemen, begreep ik later zelf niet. Zeker had ik hem te danken aan het fiere bewustzijn, dat mij toen doortintelde van het hoofd tot de voeten. Want, Sir!--hier was ik, Jack Bobson, van aangezicht tot aangezicht met de Noordpool. Die ontzaggelijke vulkaan (nooit vergeet ik zijnen aanblik vol eenzame majesteit) die ontzaggelijke vulkaan was het toppunt van de wereld, het uiterste eindje van het hooge Noorden. Door zijn ruggemerg moest de as loopen, om welke de aardkloot zich wentelt. De gloed zijner uitbarstingen was het Noorderlicht. De heete waterdamp uit zijnen krater was oorzaak van de warmte die het ijs verdrong, tweehonderd mijlen in den omtrek. En deze groene zee was de lang gezochte kraamzaal der walvisschen--de wijkplaats van de laatste nakomelingen der gedrochten, die toekijkers waren bij het van stapel loopen der arke Noach's--zoo zeggen de geleerden. Zie, Sir!--en dit alles had =ik= gevonden en ontdekt--ik, Jack Bobson, een eenvoudig ijsmeester van de _Erebus_, geheel alleen--Jack Bobson, Sir, die hier aan deze tafel met u zit!----Gelooft ge mij?
»De monsters deden mij geen kwaad. Nu en dan gluurde er een met een oog als eene scheepslantaarn mij aan; maar geen sperde er zijnen muil open om mij en mijne boot op te slokken. Blijkbaar begrepen zij niets van ons beiden. Alleen de groote zeeslang, die een bereisd monster is, en de menschen en hunne boosheid kennen moet, zou mij bij eene ontmoeting waarschijnlijk belet hebben van mijn avontuur iets na te vertellen. Ik sidderde bij de gedachte--en het werd mij zoo bang, zoo bang, dat ik met alle macht begon weerom te roeien naar de nevelzee. Eene sterke strooming, die om den berg scheen heen te loopen, kwam mij te hulp. Haar noordwaartsche tak had mij heengevoerd naar de Pool; haar zuidwaartsche voerde mij terug er van. Ik boorde weer door den nevel. Weldra was de glasgroene zee, was de machtige vulkaan onttrokken aan mijnen blik. Alleen het roode flikkeren vergezelde mij nog, flauwer en flauwer, naarmate de damp weer dikker werd. Nogmaals dagen lang dreef ik zoo blindelings voort. De koude nam allengs toe. Straks ontmoette ik weer ijs. De horizon helderde weer op in het Zuiden. Ik zag land: bergen, met sneeuw bedekt. De strooming wierp mij tegen de kust. Eskimo's snelden toe, die mij vriendelijk opnamen, en die ik rijk maakte met de schatten in mijne boot.
»Wel, ik leefde dertien jaren onder dezen stam, vóór Mac Clinton met de _Fox_ mij terugbracht naar Engeland. En nu eerst begon mijn lijden. Ze vertelden mij van Sir John's jammerlijk uiteinde. Hoe ik geschreid heb om hem en de arme kameraden!--Maar toen ik hun verhaalde dat ik zelf de Pool ontdekt had, en wat ik gezien had dáár--toen geloofden ze mij niet. Ze zeiden dat de kou mijne hersens moest hebben doen bevriezen, of dat de traan der Eskimo's mij naar het hoofd moest geslagen zijn. Ze zeiden dat ik gek was. Ze geloofden mij niet!
»Ik kwam hier, te Londen. Mijne betrekkingen waren alle gestorven--en vreemden kenden mij niet meer. Ze wisten wel dat er een Jack Bobson was geweest op de _Erebus_. Maar die Jack Bobson moest omgekomen zijn als de rest. En ik, met mijne groote ontdekking--ik was een bedrieger, een dronkaard, een krankzinnige!--Ze geloofden mij niet!
»Ik schreef aan de bladen. Ik sprak met de _penny-a-liners_ van deze schurkachtige _Daily Telegraph_, die nu weer zotteklap verkondigt over eene Pool van eeuwigdurend ijs. Ze lachten mij uit! Ze wezen mij de deur!--Ze geloofden mij niet!
»En hier zit ik nu, Sir--ik, Jack Bobson--met de grootste ontdekking na Columbus in mijne hand----en, _curse them, Sir! They won't believe me! They won't believe me!_".................
* * * * *
Kermend had mijn verteller zijnen laatsten klaagtoon uitgestooten. Zijn gerimpeld gelaat vertrok zich als tot schreien. Ik had medelijden met hem.
Toch ben ik nooit na dien avond teruggekeerd in het rustige ale-huis nabij de Waterloo-brug. Ik had het hart niet, Jack Bobson onder de oogen te treden, en hem te zeggen of te toonen dat ook =ik= hem niet geloofde.
De Jonkvrouw van Hillegersberg.
_Sage, Gij lieflijke, Oud van den beginne, Jong totaan het einde-- Verjong ons met uwe jeugd!_
I.
Hillegersberg is een Zuidhollandsch dorp, een uur gaans ongeveer van Rotterdam gelegen. Om er te komen, volgt men den Schie-stroom totaan de buurtschap de Heul, wijd berucht wegens hare eigenaardige wijze van Pinksterviering. Vervolgens slaat men rechtsaf eenen straatweg in, die--hooge zeldzaamheid in dit gedeelte van ons vaderland--beplant is met boomen, wel is waar vlijtig verminkt, maar toch nog niet gansch afgemaakt. Onder het schrale lommer beweegt men zich afwisselend langs groene weiden, groene slooten, groene moestuinen, en talrijke, aan weerszijden tusschen groen verscholen buitenplaatsjes. Aldus kuiert de duffe stadbewoner het vriendelijke dorpje binnen, genoegelijk gestemd over het bijeentreffen van zóóveel groenigheden binnen zoo luttelen afstand van winkel of kantoor.
Mijne beminde stadgenooten, de Rotterdammers, hebben deze toelichting niet van noode: want voor de deftigen onder hen is »den Berg" eene gezochte begraafplaats; en voor de niet-deftigen is het een uitverkoren ontspanningsoord. Zij allen rijden er dus heen op hunne beurt--de rijken stom en stapvoets en met groote staatsie, om er zich te laten bijzetten--de arme drommels (die na hunnen dood den zinkput in het Crooswijksche veen voor lief moeten nemen) jolend en tierend, holderdebolder in breukige kalessen en volgepropte omnibussen, om er in eenen theetuin zich te verhitten met schommelen en slechten drank.
Voor andere bewoners van Nederland echter, in de Maasstad en omstreken vreemdelingen, was de bovenstaande mededeeling misschien niet overbodig. Ter inlichting van dezen ook meen ik hier nog te moeten aanstippen, dat de gemeente Hillegersberg niet slechts boogt op een aristocratisch kerkhof en eenen plebejischen theetuin, maar bovendien op eenen heuvel, eene ruïne en eene legende. Deze drie laatste eigenhoorigheden zijn voor een dorp in het proza-land bij uitnemendheid, het ingedeukte, boomlooze, van koemest en spoeling doorweekte Schieland, iets zóó ongewoons, dat ik waarlijk wel een woordje méér er over zeggen mag.
Den heuvel, het is zeker, zou een wandelaar, die er niet opzettelijk aandachtig op werd gemaakt, allicht voorbijloopen zonder iets van zijne aanwezigheid te bespeuren;--ik geef hem vermoedelijk méér dan zijn rechtmatig deel, wanneer ik hem eene hoogte toeschrijf van wel twaalf voet boven de omliggende poldervlakte. Nochtans is hij, gelet op zijne herkomst, met vollere waarheid iets ontzagwekkends, iets kolossaals, iets titanisch te noemen, dan bij voorbeeld het Matterhorn of de Dhawalaghiri, van welke men toch beweren mag dat zij, louter als bergen beschouwd, heel wat méér te beteekenen hebben. Het Matterhorn en de Dhawalaghiri zijn namelijk voortbrengsels van natuurkrachten--terwijl de berg van Hillegersberg....
Maar stil, mijne heeren! dempen wij onze luidruchtigheid! Want hier verschijnt, gegord met mos, met eiloofranken kuisch gesluierd, de sage op ons tooneel.
* * * * *
In een zeer grijs verleden (de oudste menschen van Hillegersberg herinneren zich er niets meer van) woonden er in deze landstreek zonen en dochteren Anak's, zeer vreeselijk om aan te zien: geweldige creaturen, wier grootte evenveel vademen bedroeg, als duimen de grootte van de kinderen der menschen. Hunne voetzolen waren op de aarde; maar hunne hoofden boorden in de wolken. Riepen zij elkander toe, dan was er donder in de hemelen; wandelden zij, dan dreunde de bodem als van den tred van vele heirscharen; en als zij zich nederlegden om te slapen aan het boord der meiren, zoo steigerden gelijk strijdrossen de golven bij het geronk uit hunne neusgaten.
En het geschiedde eens op eenen dag, dat eene jonge maagd uit dit geslacht, Hildegarde, die rijzig en schoon was boven alle hare zusteren, van het fijnste zand begeerde, opdat zij daarmede haar aangezicht blank mocht schuren--blank en blinkend in de oogen van Ubbo den Bruine, den jongeling dien zij liefhad. Zij dan sprak tot haren vader, Twikko den Grauwe: »Mijn vader, waar vinde ik zand zoo rein als goud, zoo fijn als water, zoo wit als melk?"
Twikko de Grauwe antwoordde, zeggende: »Ga naar het strand der zilte zee, en schep er wat zacht als eiderdons is onder uwe voeten."
»Mijn vader", hernam de maagd, »geef mij uwen helm van koper, opdat ik het daarin drage, dat zand."
Maar Twikko de Grauwe ontstak in toorn, en riep haar toe: »Wat vraagt gij mijnen helm van koper, mijnen heldenhelm van glanzend metaal! Hebt gij den korf niet, den korf van popelstammen, dien Fikko de Roode u vlocht, uw bruidegom?"
Toen schoten er bliksems uit Hildegarde's oogen. »Vervloekt!" schreeuwde zij: »vervloekt zij Fikko tot in de wortels van zijne roode haren! Het is Ubbo de Bruine, dien ik min! Eer zal de aarde mij verzwelgen, eer kies ik de diepe zee mij tot bruidsbed, vóór Fikko de Roode met eene nagelspits mij beroert!"
»Ha, bastaard van eene teef!" zóó brullend sprong de oude op: »Ha, voetwisch van mijne knechten! dezen avond nog zult gij uw Ubbo's nieren mij opdragen als gebraad en zijn hartebloed als mee in mijnen gouden beker!..."
Hildegarde gaat. Weinige schreden brengen haar aan het zeestrand. Zij gaart eene blonde duin of wat in haar schortekleed; zóó beladen ijlt zij huiswaarts heen, diep bezorgd wegens den bruinen Ubbo. En als zij Twikko's haardstede nadert, zoo waait de landwind den reuk van een slagveld in hare neusgaten, en vóór haar uit speurt zij de wolken rood van bloedwalm. Haar zoekend oog doolt langs den horizon, of het de strijdenden niet ontwaart. Maar al voortsnellende stoot zij haren voet tegen het gevest van een in den grond gestoken zwaard. Zij struikelt--en ligt over het lijk van Ubbo den Bruine.
En met eenen smartkreet, dien de raven herhaald hebben tot in Nibelheim, hief zij den beminde aan hare borst. En zij droeg hem naar het strand der zilte zee. En in de branding stappend, met den dooden lief in hare armen, waadde zij verder en verder, tot de bruisende wateren zich sloten boven haar hoofd.--
Kent gij de witte krijtklippen aan den overkant der zee?--Het zijn de gebleekte beenderen van het jonge reuzenpaar, door de golven opgeworpen tegen Albion's kust. Dáár echter, waar Hildegarde struikelde, en het noodlottige duinzand in haar voorschoot werd uitgestort over den bodem--dáár welft zich sedert een heuvel boven het drassige weideveld: de heuvel van Hildegarde: Hildegard's berg.
* * * * *
Dus luidt de sage. Men vindt door de windvaan op het gemeentehuis en door het fraai gebeitelde dorpswapen in den gevel van dit gebouw nog ten huidigen dage Hildegarde's ongeluk in dankbaar aandenken gehouden.
Inderdaad, van dankbaarheid mag hier wel sprake wezen. Want aan dit voorhistorische treurspel hebben de Hillegersbergers alles te danken.
In de eerste plaats hunnen berg;--zonder die scheur in dat schortekleed immers zouden er kikkers kwaken ter plekke waar thans de gasten uit de stad een vergezicht komen genieten. In de tweede plaats hunne sage;--de berg baarde de sage, gelijk het schortekleed den berg baarde. In de derde plaats hunne ruïne;--want vermits die ruïne boven op den berg staat, zoo moet men wel aannemen dat het juist alweer de berg was, die den bouwmeester der ruïne uitlokte om dáár en niet elders te bouwen. In de vierde plaats hun zeer begunstigd kerkhof, dat mede op den berg en om de ruïne gelegen is;--de aanzienlijke Rotterdammers toch, die zich hier laten begraven, maakten voor het meerendeel hun fortuin in koffieboonen of in metallieken; en juist voor dezulken is het zoet en eervol, den laatsten slaap te sluimeren op eene verhevenheid uit den sagen-tijd, onder eene ruïne uit de dagen der kruistochten. In de vijfde plaats....
Doch waartoe deze opsomming nog voortgezet? Het is klaar als kristal, dat Hillegersberg nooit geworden zou zijn wat het is, zonder den berg van Hildegarde. En evenzoo duidelijk is het, dat de berg van Hildegarde er nooit zou gekomen zijn zonder den ontijdig opgevlamden hartstocht van Hildegarde de reuzin voor Ubbo den reus, bijgenaamd de Bruine.
II.
Een vierde van eene eeuw geleden woonde er in dit dorp een jeugdig ondermeester, die van zijnen vader den onbezoedelden geslachtsnaam Eykendaal, van zijne moeder den welluidenden persoonsnaam Justus, en van hen beiden te zamen een gezond en welgevormd lichaam benevens een helder hoofd en een gevoelig hart ontvangen had. Meer dan die vijf dingen lieten zijne vroeg gestorven ouders den knaap niet na; maar hij, wel verre van hun een verwijt daarvan te maken, vond dat het reeds veel was. Ware hij als Klaas Klomp of als Kees Kuit dit ondermaansche ingestuurd, toegerust met eenen bochel en eene borstkwaal, en behept met eene Judas-geaardheid--hij had er mee al niets tegen kunnen doen, begreep hij. Dit in aanmerking nemende--alsmede dat eene krachtige maag een zegen heeten mag, zelfs al kan men haar in den regel niet vullen met wildbraad of pastei, en dat welgeschapen leden ook onder een schamel jasje eenen jongen man niet misstaan--meende Justus dat voor eenen spruit van eenen plattelands-brievengaarder het ouderlijke erfdeel heel wat kariger had kunnen uitvallen. Hieruit blijkt dat Justus, zonder het zelf te weten, van zijne ouders ook nog redelijkheid en tevredenheid had geërfd.
Te zeggen dat Justus Eykendaal arm was, is trouwens even onnoodig als de verzekering dat eene stortbui nat maakt, of dat vuur verbrandt. Wie heeft er ooit gehoord van eenen drogen regen, van eene koude vlam, van eenen bemiddelden ondermeester?--Tegenwoordig zelfs, nu de paedagoog als plechtanker van het heil der menschheid in de plaats getreden is van den Heidelbergschen catechismus, en zijne werkplaats, de school, de dame is om wier gunst de geduchtste strijders in Kerk en Staat elkander bekampen--tegenwoordig zelfs baadt de Nederlandsche hulponderwijzer zich zelden in weelde. Maar voor vijf-en-twintig jaren was het toch iets anders nog. Er liepen toen geene menschen rond, zelfs geene luitenants, die de kunst van glimlachend hongerlijden en het verduurzamen van afgesleten jasjes met taaiere volharding beoefenden, dan de adjudanten van den school-monarch. Achtenswaardige jongelingen! Hunne opleiding in de universiteit der beproeving was grondig. Indien zij naar onze hedendaagsche begrippen wat haastig waren met kastijden, schrijven wij het hieraan toe, dat ook hun het leven de plak en de roede niet kwijtschold voorwaar.
Justus Eykendaal evenwel mocht, waar het plak en roede gold, als eene uitzondering doorgaan op den toenmaligen regel. Lag het aan zijn zachtaardig temperament, aan zijne sympathieke gemoedsstemming, of aan een noodlot dat hem eenen menschenleeftijd te vroeg in de wereld zond--zóóveel is zeker, dat de toenmalige schooltucht in dezen jonkman geenen aanhanger vond. Hij wist niet hoe het kwam--maar tot beuken op kinderhoofdjes en kinderrugjes stonden nu eenmaal zijne handen niet; en van alle schoolmeesterlijke geniepigheid, als daar zijn knepen in ooren, porren met leien, kneukel-tikken met linialen, koesterde hij kortweg eenen afkeer. Hem scheen kindervleesch, inzonderheid het vleesch van kleine meisjes, iets zóó teeders toe, dat hij het wèl streelen kon, maar niet martelen. Trouwens, met zijne toonrijke stem en sprekende oogen wist hij zich door het jonge goed heel wat beter te doen gehoorzamen, dan hij ooit vermocht zou hebben met ranselen en bulderen.
Ziedaar mijnen ondermeester. Hing de jeugd om zijne minzaamheid hem aan--ik moet tot mijn leedwezen er bijvoegen dat zijn superieur, de bovenmeester Van Meppen, hem er niet best om lijden mocht. Dit feit vordert, ter wille eener juiste waardeering van den Hillegersberger magister, eene nadere uiteenzetting.
* * * * *
Meester Pieter Van Meppen liep om en bij de vijftig. Voor eenen onderwijzer is dit de schoonste leeftijd. Hij heeft dan nog een aardig eind weegs voor de borst (geen sterft er, zooals men weet, onder de tachtig), en toch is hij oud genoeg om gekomen te zijn tot het vol en rustig besef van zijne majesteit. Hij staat in de volheid zijner rijpheid, op het toppunt zijner macht!--Wie (zegt het spreekwoord) op zijn dertigste jaar niet sterk is, op zijn veertigste niet verstandig, en op zijn vijftigste niet rijk, die kan het er gerust voor houden dat hij zijn leven lang nooit sterk of verstandig of rijk zal worden. Nu, groote lichaamssterkte kwam den heer Van Meppen bij zijnen omgang met schoolkinderen beneden de twaalf jaren niet bijzonder te pas. Boven het streven naar rijkdom had hij, op het voetspoor van Diogenes en andere groote wijsgeeren die de druiven zuur verklaarden, zich steeds verheven geacht. Maar verstand--ja! van verstand had meester Van Meppen in zijn vijftigste levensjaar zich zijn billijk deel vergaard--althans naar zijne eigene schatting, welke immers op dit stuk oneindig vertrouwbaarder is dan de schatting van anderen!--Want wat baat het mij of mijne buren mij al voor eenen Salomo houden, indien ik mijzelven ken als eenen ezel? En wat schaadt het mij of anderen mij al voor eenen ezel verslijten, indien ik mijzelven maar op den waren prijs stel als eenen Salomo?--De heer Van Meppen wist zelf het best wat er in hem stak. Ronduit gesproken, hij was, in alle nederigheid, hier op aarde zijnen betere nog niet tegen het lijf geloopen. Deze waarheid stond te allen tijde op zijn gelaat te lezen. Daarom ook zou eene ontmoeting met hem een wezenlijk fortuintje zijn geweest voor eenen schilder, die toevallig zoekende was naar eenen model-kop voor een beeld der nooit weifelende zelfgenoegzaamheid.