Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 3
»Foei, broeder, foei!" riep Barbara: »Gij, anders zoo galant!"--
Weer observeerden wij met bezorgdheid die heftige schudding in den zetel van des paters nieren. Toen hij uitgelachen en zich de oogen afgedroogd had, vervolgde hij:
»Zóóveel over de waarde van parapluen in het algemeen. Wat nu in het bijzonder =die= paraplu betreft--die groote groene, mijn lijfstuk, met het kruis en den doodskop--zij is mij méér geweest dan een getrouw wandelmakker. Zij redde mij eens...... Maar kom! dát wil ik u vertellen.... Zuster, zorg dat de bodem niet uit je ketel smelt!"
Barbara goot nieuwen wijn bij, nam hare breikous, en zette zich mee tot toehooren--enkel aandacht voor eene geschiedenis, die zij stellig zoo vlot van buiten moest kennen als haar _Ave_.
* * * * *
»Gij zijt," zoo begon de pater, »van Andermatt over de nieuwe Duivelsbrug gekomen. Ik noem haar de nieuwe, omdat ik haren eersten steen heb zien leggen, in het jaar '30, en omdat het mij dus nog heel goed heugt hoe die oude alléén de bedding van de Reuss overspande.
»Een trotsch bouwstuk, die nieuwe brug. Maar de oude was toch veel merkwaardiger; en ik houd het er voor, dat zij de nieuwe nog lang overleven zal. Want wat kan er in duurzaamheid halen bij het metselwerk van----gij weet wien ik bedoel!"--
Barbara sloeg een kruis.
»Ik behoef u zeker niet te herinneren op wat wijze het met die oude brug eigenlijk geschapen stond. Hoe de Bewuste haar bouwde, onder beding, dat de eerste die er over heenging hem toebehooren zou; hoe hij in éénen nacht het werk voltooid had; hoe hij 's ochtends vroeg post vatte aan de ééne zijde, om zijne prooi te bespringen; hoe de slimme mannen van Uri toen van de andere zijde eenen grooten zwarten bok loslieten, die terstond zijnen hoogvereerden vriend en meester in de armen huppelde; en hoe Zijne Helsche Majesteit, verwoed over dit bedrog, den bok in vier stukken scheurde, en, wrake zwerend, in den grond verzonk.
»Wel, de mannen van Uri meenden dit nu al eens bijster leep te hebben aangelegd!--Maar wacht even! Wie het lest lacht, die lacht het best! De Vorst der Duisternis laat zoo maar niet met zich sollen!--_Der Teufel isch kein Kühbub!_--Ik verklaar u, hij heeft zijne schade ingehaald, dubbel en dwars. Want jaarlijks nog in den nacht van den 29sten Augustus, den nacht van den bouw, houdt hij wacht op de oude brug--en wie haar het eerst na klokke twaalf overschrijdt, die is zijn..... Nú, sedert de nieuwe brug er is, wacht hij vergeefs. Doch vóór het jaar '30 is er menige argelooze ziel op die manier hem in de klauwen geloopen!"--
»Brr!" prevelde Barbara--»de wurmen!--En wat deed hij met hen?"
»In zijnen zwavelpoel stopte hij ze, waar weenen is en knersing der tanden."
»Voor eeuwig en eeuwig?"--
»Zuster Barbara, dat is veel gevraagd. De Madonna is rijk aan genade; en veel vermag op dit stuk de voorspraak van Sint Rochus, mijnen patroon.... Maar laat mij voortgaan, zuster! laat mij voortgaan.
»In het jaar '40 had ik de priesterwijding ontvangen; en in afwachting van eene plaatsing, woonde ik ten huize van mijnen oom, den kanunnik te Andermatt. Ik was toen een krachtige, twintigjarige borst, in mijn hart eigenlijk meer roeping voelende voor het jagersbedrijf dan voor het herdersambt. Ook spookte er--ik mag het nú wel bekennen--in mijn binnenste een duiveltje van vrijdenkerij. Aan God en de sacramenten geloofde ik van harte, aan de Heiligen maar half, aan den Duivel in het geheel niet. En ware ik naar mijn zondig gemoed te werk gegaan, dan zou ik veel liever geknield hebben voor eene boerendeerne van melk en bloed, dan voor het houten beeld van Onze Lieve Vrouwe."--
»Broeder! zwijg toch!" riep Barbara, met eene allervermakelijkste uitdrukking van schrik en verbazing op haar gelaat: »Zwijg toch! Zóó heb ik je nog nooit hooren spreken!"--
»Barbertjelief", hernam hij vaderlijk: »ééns moet de waarheid aan het licht. Wij allen zijn zwakke stervelingen. En wat mij betreft--ik ben nu oud genoeg om te mogen bekennen dat ik eenmaal jong was!--Sint Rochus zij geloofd! het is spoedig genoeg anders met mij geworden!"
Hij liet de onderlip hangen, keek droevig naar zijnen paffen buik, zuchtte, dronk met ééne teug zijn glas leeg, en vervolgde:
»Op eenen namiddag, in het laatst van Augustus, belastte mijn oom, die wegens ongesteldheid zijne kamer moest houden, mij met het overbrengen van een vertrouwelijk schrijven aan zijnen confrater, den pastoor te Wasen. Die boodschap was mij welkom: want de weleerwaarde heer Feierabend was een blijmoedig man, die hoog in eere hield wat koning Salomo geschreven heeft over den wijn. Vol lust ging ik dus op marsch, met mijne groene paraplu--die daar, een erfstuk van mijnen braven oom--onder den arm, en onder mijne soutane verborgen mijn zijden vlindernetje. Want daar ik niet jagen mocht op gemzen, zoo moesten de kapellen en kevers het misgelden.
»Ik viel bij den heer pastoor Feierabend binnen als de beer in het honingvat. Zijn weleerwaarde had juist nog een stuk of drie andere geestelijke broeders te gast, die hem moesten helpen eene keuze te doen tusschen twee proefjes ouden witten wijn, waarvan hij wilde inslaan. De heeren waren het oneenig: twee hunner stemden voor den Yvorner, de twee anderen voor den Markgräfler. Men riep mijne bescheidene meening in; en daar de mensch niet lichtvaardiglijk oordeelen zal, noch over zijns naasten zonden, noch over zijns naasten wijn, zoo waagde ik mij niet aan eene beslissing dan na herhaald en grondig onderzoek. Kortom, toen ik tegen het schemeruur afscheid nam, had ik eenen stevigen slok onder mijnen gordel. Pastoor Feierabend bood mij wel nachtverblijf aan; doch ik had mijnen goeden oom beloofd spoedig terug te keeren. Bovendien, het kon een prachtige avond zijn voor de nachtvlinders. Zou ik om niet mijn netje meegedragen hebben?
»Maar jawel! Van jacht geen sprake. Het werd een broeiend heete, doodstille, koolzwarte nacht. Geen sterretje aan den hemel, die als met krip overtogen was. Het éénige, wat eenen zweem van schijnsel gaf, was het schuim van de Reuss in de diepte...... Onze _sennen_ op de bergen verzekeren dat er somwijlen eene duisternis over de aarde komt, zóó dik, zóó ondoordringbaar, dat het vee angstig begint te loeien, en de geiten verschrikt over de horden trachten te springen. Zulk een nacht was déze.
»Ik kende den weg stap bij stap; maar toch verzeker ik u dat ik moest oppassen waar ik ging, om niet terecht te komen waar ik niet wezen wou. Tot voorbij Göschenen liep ik zonder talmen voort. Toen echter bevingen mij de drukkende lucht en de benauwende duisternis. Ik moest mij op eenen steen zetten, om wat te rusten.
»Zoo zittende, tastte ik naar mijnen rozekrans..... Wat mij nooit gebeurd was--ik had hem vergeten. Tot straf legde ik mijzelven twaalf _paternosters_ op..... Ben ik onderwijl in slaap gevallen?--Het moet wel. Want om tien uur was ik door Göschenen gekomen; en nu--ik hoorde in de verte de dorpsklok slaan--ik telde de slagen--het waren er twaalf!
»IJlings sprong ik op mijne beenen, om spoed te maken zooveel het tasten naar den weg dit maar toelaten wilde. Het aanzwellende gedonder van de Reuss deed mij weten dat ik het punt naderde waar zij haren _salto mortale_ maakt. Weldra voelde ik in mijn aangezicht het natte stuifmeel, waarvan de lucht hier vol is. En bij het omslaan van eenen hoek--zoo waarlijk, daar stonden duidelijk de beide boogbruggen afgeteekend tegen het wit van de onder haar doortuimelende watermassa. Het was of er van de wolk van stuifsel boven de kloof een geheimzinnig schijnsel uitging, dat den omtrek min of meer verlichtte..... Een spookachtig gezicht!--Ik wist niet waarom--maar mijn hart bonsde mij tegen mijne ribben.
»Terwijl ik zoo staarde, schoot mij iets vurigs voorbij mijne oogen: eene wit gloeiende stip, die met grillige flikkeringen zich door de lucht bewoog. Het moest, dacht ik, een bijzonder groote en schitterende lichtkever zijn.
»Al mijn jachtlust ontwaakte in mij: want zulk een exemplaar bezat ik nog niet in mijne verzameling. Ik haalde mijn netje voor den dag, en zette behoedzaam het diertje na.
»Het vloog een eind voort langs den weg; vervolgens fladderde het omlaag naar den stroom, juist boven het verwaarloosde zijpad, dat destijds nog naar de oude brug afdaalde. Het hier te volgen, was in het donker geene veilige onderneming; doch wat doet een jager niet!--Heelhuids belandde ik op de brug. Aan het eind er van haalde ik het diertje in. Ik meende van mijne vangst reeds zeker te zijn: ik sloeg mijn net uit----och jemini!--de slag was mis--en met eene plotselinge zwenking verdween mij het vermaledijde insect spoorloos tusschen de struiken die over den afgrond hingen.
»Gemelijk, boos op mijzelven en op heel het kevergeslacht, wendde ik mij terug. En nu, kinderen--schrikt niet! Wordt niet versaagd!----
»Midden op de brug stond eene lange, sombere gestalte, met eenen mantel om, eenen hoed met breeden rand en haneveer op het hoofd. Zij blikte mij aan met fonkelende oogen, strekte de armen naar mij uit, en mompelde in eene vreemde, harde taal eenige cabalistische woorden.... Als een bliksem schoot mij door het brein dat het heden de nacht was van den 29sten Augustus. Meer had ik niet noodig om te begrijpen wien ik daar vóór mij zag.
»Des Heeren bijstand afsmeekende, vermande ik mij. »Wie zijt gij? Wat wilt gij?" riep ik met barsche stem.
»Het antwoord, hoewel onverstaanbaar, klonk mij als eene vreeselijke blasphemie, gepaard met snijdend hoongelach.
»»Terug!" schreeuwde ik: »Laat af van mij, Satanas!"
»Maar, in stee dat het hielp, lachte hij des te smalender, en drong hij snel, met uitgesperde krallen, op mij toe, om mij te grijpen"....
Hier kon Barbara hare ontroering niet langer bedwingen. »_Mutter Gottes!_" riep zij, nu werkelijk bleek: »Ik begrijp niet, broeder, hoe ge 't overleefd hebt!"--
Hij keek haar bestraffend aan. »Zuster Barbara", sprak hij: »waar is uw geloof?"--
»_Ach Gott! es isch aber gar zu schauderhaft!_ Hij had je aan stukken kunnen scheuren als den zwarten bok!"--
»Bedaar, zuster, bedaar!--Ik zit hier, zooals ge ziet, met al mijne leden nog gaaf, en met mijne ziel (zoo wil ik deemoediglijk vertrouwen) op den weg des heils. Sint Rochus mijn patroon streed met mij. _In hoc signo vici!_
»Ik hief mijn regenscherm omhoog, en bracht den Euvele het kruis vlak onder zijne grijnzende tronie. »_In nomine Patris, Filii et Spiritus Sancti!_".... Vervolgens, om aan den naam der Heilige Drievuldigheid meer nadruk bij te zetten, gaf ik den Duivel met zijnen broeder den Dood eenen slag op zijnen haviksneus, dat het zoo kwakte.
»Dit was hem genoeg: brullend zette hij het op een loopen. Wel holde ik hem na; maar hij was mij te rap met zijne hielen. Gevlogen!--
»Ik echter, met het kruis in top, stapte den weg op, en over de nieuwe brug huiswaarts. Luidkeels hief ik aan, dat het galmde tusschen de rotsen: »_Te Deum laudamus!_".... En--wonderlijk!--ik zag hoe het plotseling lichter geworden was om mij heen. Ik zag dat de sterren mij bestraalden!"
* * * * *
* * * * *
De oude man nam eene lange teug uit zijn glas, klopte de asch uit zijne pijp, en stopte zich eene versche.
»Ik weet zeer goed", hernam hij met eenige aarzeling, nadat hij eenige seconden al hoofdschuddend in het vuur gestaard had: »Ik weet zeer goed--en ik wil het u niet verzwijgen--dat den volgenden dag te Andermatt het gerucht liep: een phantastische Engelschman, die laat in den nacht op de oude brug had gestaan, om indrukken te garen voor een dichtstuk, was aangerand door den Booze in de gedaante van eenen Roomschen kapelaan.... Ja ja! dat vertelden ze; en dat kwam ook mij ter oore.... Zeg, wat dunkt u daarvan?"--
»Mij dunkt", antwoordde ik, »dat dit niets was dan een listig uitstrooisel van Jonker Satan zelf, om zijne smadelijke nederlaag te verbloemen."
»Niet waar?" riep hij triomfantelijk: »Anders kan het niet geweest zijn! Anders niet!..... Kinderen, ik kan u verzekeren dat ik van dien dag af aan den Duivel geloofd heb, zoo stellig als aan den goeden God!"
»_Bewahre, ja!_" zuchtte Barbara--en zij dronk eens voor den schrik.
»Sedert", hernam de kapelaan, »ben ik nooit uitgegaan zonder deze groote groene paraplu. Tegen den regen heeft zij mij trouw beschermd--tegen de hitte van de zon--tegen den brand van de hel. Kinderen"----hij greep het nog natte meubel, hield het kruis ons voor, en sprak, met eene trillende stem en eenen glans van waarlijk apostolische geestdrift op zijn kogelrond aangezicht--: »_Kinder, der Teufel isch kein Kühbub, fürwahr!_ Hij spant ons strik op strik. Maar wat u ook bejegene op uw pad, verlaat u op den heiligen Rochus en op het hout des kruises!--In dit teeken zult gij alles overwinnen!"
* * * * *
Ik kan het hierbij laten. Alleen nog--eere wien eere toekomt!
Baedeker had ons niets te veel beloofd. Bij den kapelaan van Bristen hebben wij, dorstigen, ons ververscht: met den wijn uit zijn vat--maar veel meer nog met den humor van zijn gul gemoed, met de kloekheid van zijn naïef geloof, en met het hartelijke roode aanschijn van zijne ronde zuster Barbara.
Eenvoudig paar daarginds in de bergen--verversch er nog velen als ons--die dorsten naar wat schoonheid in de natuur, en naar wat frischheid in menschen!
Jack Bobson's Poolreis.
»_Though this be madness, Yet there's method in it._"
Des avonds, zoo vaak mij de ooren begonnen te tuiten van het rumoer der wereldstad, placht ik verademing te zoeken op eene der bruggen waar tol geheven werd, en waar dus weinig verkeer den begeerige naar stilte verstoorde.
Gelijk een visioen uit het Boek der Openbaring was hier de aanblik van de rivier en hare oevers--: »eene glazen zee, met vuur gemengd". Duizenden waren de lampen in den nacht. Londen's diepe stem, gedempt, rolde dreunend over de wateren. En zeewaarts, met dof gebruis tegen de granieten bogen, gleed in de diepte de zwarte stroom, de lampen weerspiegelend met sidderende flikkerglansen. Dan daalde vaak, in de droeve maanden November en December, een grauwe mist uit de hoogte, en legde zich neder op Babylon. Zóó moet de chaos gelegen hebben, woest en ledig, vóór de Geest des Scheppers scheiding kwam maken tusschen het licht en tusschen de duisternis. De duizenden lampen waren als uitgebluscht; onzichtbaar geworden hare trillende schijnselen in het water; al de voorwerpen rondom, ook de brug zelve, aan mijn oog onttrokken, als weggesmolten in het niet. Maar de hemel was vervuld van eenen valen gloed, waarover matte schaduwgestalten schenen heen te trekken in spokenden optocht. En de doffe stem van Londen dreunde voort, als uit eindeloozen afstand. En het doffe bruisen der rivier steeg opwaarts, als uit peillooze diepte. Een gonzen en een schemeren--anders niets.
Ik toefde ook dán nog op de brug. Maar niet lang. Geen mensch weerstaat den somberen invloed van zulk weder te Londen. Elk zoekt eenen haard, al is het zijn eigen niet; elk wil voort uit den geelgrauwen damp, die erger is dan duisternis, wijl zelfs het licht, dat hij verslindt, machteloos is tegen hem.
Zóó ook ik.
Gewoonlijk, na zulk eene melancholieke wandeling, ging ik mij wat opfleuren in zeker behaaglijk ale-huis, gelegen in eene stille zijstraat nabij de zuidzijde der brug. Het was eene kleine, doch kalme en in zekeren zin deftige inrichting. Geen verblindende lichtglans straalde den voorbijganger er uit tegen; geene verdachte heeren en verleidelijke schenksters aan het buffet. De dikke kastelein of zijne stemmige dochter bediende. Men dronk er zijn bier, echt nationaal, uit blinkende tinnen kannen--Engelsch brouwsel uit Engelsch metaal. In de ouderwetsche, met zand bestrooide _parlour_ knapperde steeds in den open haard een vroolijk vuur, terwijl op de eiken tafels versche pijpen geschaard lagen, die den gast op het overredendst noodigden tot toeven. Alles was er, zooals men het eer op het gemoedelijke platteland, dan te Londen zoeken zou. Ook de gasten. Hier kwamen bejaarde huisvaders uit de buurt hunne courant lezen, of murmureeren over de slechte tijden. Doch het liep er nooit druk. Dikwijls, als ik vroeg gekomen was, zat ik er alleen--of met nog éénen persoon, die nu juist bestemd was de held te zijn van deze geschiedenis.
* * * * *
Hij mag een zestiger zijn geweest. Allereerst trok hij de aandacht door eene dikke muts van glimmend zwart berevel, die hem niet van het hoofd ging. Voorts verrieden gelaatskleur, kleeding en manieren hem dadelijk als eenen oud-zeeman: en toch had hij in zijn doen niets van het hoekige, zoomin als van het vrijmoedige of zelfgenoegzame, dat oude varenslieden veelal kenmerkt. Zijne forsche gestalte was gebogen; de zware grijze knevelbaard hing hem ongerept over lippen en borst; diepe rimpels doorgroefden zijn voorhoofd. Hij scheen lichamelijk veel geleden te hebben, of in den geest veel getobd. Altoos zat hij in denzelfden hoek, geweldig rookend, half verscholen achter zijne courant. Met niemand sprak hij; doch des te drokker scheen hij bezig met zichzelven. Vaak schudde hij geërgerd het hoofd, of liet, met omlaag turenden blik, de kin op de borst rusten. Blijkbaar had de man eene grief, die hem geheel vervulde. Hij maalde over iets.
Ook met mij, hoe dikwijls ik met hem samen geweest was in de stille gelagkamer, had hij nooit een woord gewisseld. Mijn »goeden avond!" bij het binnentreden beantwoordde hij werktuigelijk; verder was er tusschen ons geen geluid gegeven.
Men kan zich daarom mijne verwondering denken, als op zekeren namiddag (ik had pas den omtrek der dokken bezocht en mijn hoofd opgevuld met bonte beelden uit de vijf werelddeelen) de geheimzinnige man plotseling opstond, zich over mij plaatste aan de tafel, en met doordringenden blik mij in de oogen begon te staren.
Ik wil bekennen dat ik eene seconde sterken aandrang voelde om den kastelein te schellen. Doch dit angstige gevoel, van alleen te zijn met eenen krankzinnige, was even snel geweken, toen de zonderling, weemoedig glimlachend, als om mij gerust te stellen, met diepe, gedempte stem tot mij de vraag richtte, of ik niet vreemdeling was.--»_I thought so_", hernam hij op mijn bevestigend bescheid. En als reden voor die meening, liet hij er op volgen: »_You have not the look of an Englishman: you have a look as if you could believe an honest fellow._" Daarna weer, na eene korte pauze, en terwijl hij mij een artikel aanwees in de _Daily Telegraph_: »_Have you read this?_"--Hierop, heftiger: »_They are at it again, the lying rogues--and yet I told them how it is!_"--En ten slotte, met eenen donderenden vuistslag op de tafel: »_Curse them, Sir, they have buried me first--and now they won't believe me!_"
Hij sprong op in zijne volle lengte; en ik, nu volkomen zeker van met eenen razende te doen te hebben, strekte nogmaals de hand uit naar de tafelschel. Maar dadelijk, als verschrikt door zijne heftigheid, zonk hij weer in zijnen stoel, schudde het hoofd, en hield zacht mijnen arm terug. »_You take me for a madman, haha!_" lachte hij droevig. »_Perhaps you are right. But never mind my fits. I will tell you a great secret. And you will believe me. Won't you?_"
Aan mijnen stoel gekluisterd door bevreemding, knikte ik toestemmend. Ik luisterde toen naar het volgende verhaal, dat de man met de zwarte muts mij deed, soms met levendige gebaren van aandoening, en dan weer mompelend voor zich heen, als iemand die eene honderdmaal herhaalde les opzegt. Hij had daarbij eenen stijl en vaak eene woordenkeus, die, zonder juist keurig te mogen heeten, toch eene zekere mate van beschaving en verbeeldingskracht verrieden.
* * * * *
»Ja! ze hebben mij begraven. Ze meenden dat Jack Bobson dood was. Maar Jack heeft ze allen overleefd!--Ik ben het, die hier tegenover u zit. Ik ben Jack Bobson--en de arme Sir John had geen knapper ijsmeester op zijn schip.
»Van Jack Bobson hebt ge zeker nooit gehoord. Maar wel van Sir John--Sir John Franklin?--Nu, ik voer met hem mee op de _Erebus_, in het jaar '45.
»'t Ging alles best tot het Beechey-eiland, waar we dien eersten winter ons kwartier opsloegen. Doch toen de zon weer uit haar nest gekropen was, in Mei, of Juni, ging Jack Bobson te kooi liggen met eene vreemde ziekte, die bij hem in de familie zat, en deed alsof hij stierf. Dit was stom van Jack. Maar nog stommer was het van de kameraden, dat ze hem den tijd niet gunden om weer tot zijnen adem te komen, en hem wegstopten onder eenen hoop keien, alsof er haast bij was. De éénige, die bij deze gelegenheid zijn verstand gebruikte, was de witte beer die Jack opgroef, en hem wakker schudde met eenen knauw, en van schrik aan den haal ging, toen Jack hem bedankte met eenen opstopper tegen zijnen kouden neus. Goed maar, dat er in de gauwigheid geen doodkist op had kunnen overschieten voor Jack. En de kameraads schenen inderdaad geduchte haast te hebben gehad om verder te trekken. Zij waren gevlogen met hunne schepen, toen Jack door den beer was bijgeholpen. Gevlogen!--Arme kerels! Arme Sir John!--Waren ze maar gebleven! dan zaten ze hier warm als ik, en we hadden samen de Pool ontdekt, en, _curse me, Sir!_ als men ons dán niet zou gelooven!--Hier gaan ze! Op hunne eeuwige glorie!
»Ik was alleen", ging de verteller voort, na eene teug genomen te hebben uit zijne kroes. »Ik was alleen. Bij geluk had Sir John op het Beechey-eiland in eene _cairn_ eenen ruimen voorraad achtergelaten van levensmiddelen en allerhande benoodigdheden; ook eene stevige sloep met toebehooren. Nu moet ge bovendien weten, dat die ziekte van mij eene bijzonder vreemdsoortige ziekte was geweest. Mijn vader had ze vóór mij gehad, en had drie weken op het kerkhof te Plymouth gelegen. Toen hij weer levend werd, had hij met een enkel zetsel het deksel van zijne kist gewipt, en het handjevol zand van het deksel: want hij was uit het armhuis begraven--ofschoon hij een _gentleman_ was, Sir, die een aardig fortuintje tot den laatsten stuiver verspilde--gek die hij was--met het zoeken naar eene machine om de zonnestralen vloeibaar te maken en op te bottelen...... _Well, but that's neither here nor there!_--Die ziekte, wou ik maar zeggen, was zooveel als eene schijndoodziekte. De dokters verklaren dat zij maar ééns in de honderd jaren voorkomt. Ontwaakt men er uit, en heeft men maar een goed maal eten gehad, dan voelt men zich versch man, rap en levenslustig als drie. Zoo dan, nadat ik de _cairn_ opengebroken en mij behoorlijk met spijs en drank versterkt had, was ik weer als een borst van achttien jaren.
»Daar rees in mij eene stoute gedachte. »Jack Bobson", sprak eene stem in mijn binnenste: »gij kunt een beroemd man worden, zoo beroemd als de grootsten van oud-Engeland's helden. Uwe makkers ontdekken de Noordwest-passage. Gij, Jack, ontdekt de Pool!"...... Ei ja! waarom zou ik niet?--Ik wist den weg; niets ontbrak mij tot de reis; 't was zomerdag; de zee lag open, en er woei eene vaste bries uit het Zuiden. Voorwaarts, Jack Bobson! voorwaarts!
»Fluks maakte ik de sloep ree met zeil en riemen, roer en tuig, en met eenen overvloed van mondkost en kleeren, wapens en kruit. Het was de handigste kleine expeditie, die ooit naar het Noorden den boeg wendde. Maar één ding vergat ik. Ik ezel! dat ik verzuimde mijn kloek plan neer te schrijven op een stuk papier, en dit stuk te teekenen met mijnen naam, en het weg te bergen in de _cairn_! Dan hadden zij mij =moeten= gelooven. Ik ezel!"----Hij sloeg zich wild tegen het voorhoofd. »Zeg, Sir", voer hij eensklaps tegen mij uit: »gelooft gij me, tot dusver?"--Een oogenblik later hervatte hij rustig zijn verhaal: