Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 21
En straks werd die stilte verbroken door kindergezang, dat naderde uit de verte..... _O tempora, o mores!_ Een schoolmeester schreed den cirkel binnen, aan de spits van een peloton pupillen. Zijne stem klonk als die eens hoofdmans over honderd; ontzagwekkend kliefde hij de lucht met zijne paraplu. Hij stelde de knaapjes in twee gelederen, deed hen de wandelstokken schouderen, en kommandeerde: »Rechts, richt u! Voorwaarts, marsch!"--of iets dergelijks. En rap rap rap rap! gingen de korte beentjes van de jongens, en de lange beenen van den onderwijzer.... Na de militaire kwamen de athletische oefeningen. Op het tempo »_eins!_" werden al de wandelstokken met beide handen vastgegrepen; op »_zwei!_" rezen zij alle horizontaal boven de hoofden; op »_drei!_" hurkten al de heupen neer--en op »_vier!_" begon zich het gansche gezelschap in beweging te zetten op die eigenaardige wijze, minder uit een aesthetisch dan uit een gymnastisch oogpunt aan te bevelen, die men in studentikose kringen pleegt aan te duiden met het verbum »kikkeren".--»Hiep, hoep!" schreeuwde de paedagoog, met koene sprongen zijnen leerlingen vooruithuppend op de baan der lenigheid. Want tot 's mans eer moet ik betuigen, dat hij niet slechts in het kommando groot was, doch het ook geenszins beneden zich achtte al de afgeroepene evolutiën _in propia persona_ mee te maken--en dit, ondanks zijnen blauwen bril en zijnen zwartlakenschen kuitendekker, met bewonderenswaardige gratie en vaardigheid. »Hiep, hoep!--Stilte, lummels! Wie lachen durft, conjugeert mij vijf-en-twintig maal het werkwoord _risum tenere!_--Hiep, hoep! hiep, hoep! hiep, hoep!----Halt!--_Eins! Zwei! Drei!_"----en daar stonden zij allen weer in »_Reihe und Glied_!" met hijgende borsten en hoogroode wangen.... Och jemini! dit was koddig! O ironie der geschiedenis! Het Romeinsche amphitheater te Trier diende dus ook thans nog tot arena!.... De éénige wreedheid echter, die ik er plegen zag, bestond in eene vermaning met de paraplu, door 's meesters hand toegebracht op den ronden kop van eenen in het kikkeren waarlijk àl te onleerzamen scholier. De jongen wreef zijnen knikker, en griende even. Maar bij het afmarscheeren blaatte hij weer mee uit volle keel:
»_Was frag ich viel nach Geld und Gut Wenn ich zufrieden bin!...._"
Ja ja, beste jongen!--_Wenn ich zufrieden bin!_--dáár zit hem de knoop!...
* * * * *
Ik slenterde mijmerend stadwaarts:--langs de schoone ruïne der Romeinsche Baden, over de duizend- en nogmaals duizendjarige Moezelbrug--tusschen ruige bouwvallen en popperige villa's--het wonderlijkste _durcheinander_ van doode kolossen en levende nietigheden. Daarna volgde ik de rivier totaan het dorpje Palliën, waar ik, links afslaande, de twee- of driehonderd in de rots gehouwen treden beklom, die opvoeren tot het meest bezochte bedevaartsoord van burgers en vreemden te Trier: de restauratie _Schneiders Hof_. Hier, op de breede veranda gezeten, in het altoos onderhoudende gezelschap van mijnen geestigen vriend Brauneberger, genoot ik in de genoegelijkste stemming een der liefelijkste uitzichten ter wereld. De spiegelgladde Mosella, zich slingerend tusschen de roode, met woud en wingerd bewassen zandsteenrotsen, de kring van rijk bebouwde hoogten in het verschiet, de oude brug, de stad met al hare torenspitsen.... Ach! hoe minzaam lachend zijn de steden der menschen, hoe vredig en kinderlijk schijnen zij zich te vleien aan den boezem der moederlijke natuur--als men ze slechts uit eene verte en van eene hoogte gadeslaat!
Terwijl ik dan zoo stil mijn hart aan dit alles zat op te halen, bemerkte ik dat er iemand plaats nam op den stoel die bij mijn tafeltje nog ledig stond, en hoorde ik eene stem, rad en schel, maar niet onwelluidend:
»Aha, jonkman! Dus nog onder de levenden?"
Ik wendde mij om en bevond mij van aangezicht tot aangezicht met--men raadt het al--: die andere, die jongere, met het kroeshaar, en de slang zonder eind op hare borst.... Gerechte Hemel! zoo was het dan toch alles werkelijkheid geweest. Die oude vrouw van heden nacht, met hare kruisingen en hare brandstapels--zij was dan toch geen nevenbeeld. Of zou ten slotte misschien ook déze hier....
Ik wreef mijne oogen eens uit .... daar was zij wel, met den staalglans in haren blik en het sarcastische trekje om hare lippen, terwijl zij het schenkmeisje toeriep: »Hola, Kellnerin! nog een glas hier! en doe er meteen maar eene portie knakworst bij."--Zij schonk, zoodra het bestelde haar gebracht was, zich dapper in uit mijne flesch, en verorberde haar avondbrood met opmerkelijke gezwindheid.... Hoe dan had ik aan hare vleeschelijkheid kunnen twijfelen? Er zijn voorbeelden van geesten, die bij gelegenheid een stevig glas wijn ergens in hun onstoffelijk binnenwerk wisten weg te stouwen. Doch dat iemand uit het schimmenrijk knakworst met mosterd nuttigde, dit was iets volslagen ongehoords.
»Nog onder de levenden, waarde heer en vriend?" herhaalde zij met vollen mond: »Men heeft u dus niet opgegeten?"
»Eilieve", antwoordde ik, ietwat kregel: want ofschoon dit jonge ding mij een weinig had doen schrikken, ontzag boezemde zij mij met hare geëmancipeerde manieren volstrekt niet in:--»eilieve, mejuffrouw--waarom zou ik =niet= meer onder de levenden zijn? En wie zou er met mogelijkheid zulk eenen verbasterden appetijt hebben gehad, om mij op te eten--zoolang er namelijk nog knakworst in deze goede stad te krijgen is?"
»O, wat dát betreft", hernam zij al kauwende--»het monster heeft er wel taaiere verslonden met huid en haar!"
»Maar wie bedoelt ge dan toch, als ik u bidden mag?"
»Wie anders, o snuggere man, dan uwe leidsvrouw van gisteren-avond?--De duffe mummie, die 's nachts tusschen brokkelende puinhoopen spookt, en over dag zich schuil houdt in graftomben? De domme drijfster, die zichzelve de karwats over den rug legt, als zij het anderen niet kan doen! De stekeblinde aardmol, die zich, oho! deze wereld tot eene werkelijke hel maakt, om eene denkbeeldige hel daar ergens =buiten= de wereld te ontloopen! De heks! De vampyr! De beulspatronesse!"--
Hare oogen sparkelden van kwaadaardigheid; het badientje in hare hand hieuw al fluitend de bladers af van de wingerd-ranken boven haar hoofd.
»Bedaar, lieve juffrouw!" zoo brak ik den stortvloed van invectieven af: »Die eerwaardige oude dame, in wier gezelschap ik u dan toch aantrof, en die mij, naar zekere gelijkenis te oordeelen, wel uwe grootmoeder scheen--"
»Mijne overgrootmoeder, sapprement!--en mijne aartsvijandin. Want zij wil ook mij naar haar pijpen doen dansen, en mij gelijk maken aan haarzelve. Maar nooit zullen wij twee iets gemeen hebben--nooit! Noemt zij zich vol wrevel =het oude geloof=--ik--wandelaar, let wel!--ik noem mij vol trots het =nieuwe=--"
»=Ongeloof=?" wierp ik half luid in het midden.
»--Het =nieuwe= geloof", sloeg zij door: »het geloof in den mensch en in zijne zelfgenoegzaamheid. Zie! hier is mijn symbool: de slang die haren staart opeet, zinnebeeld van de godheid Materia in hare eindeloozen kringloop. Hoor! ginds klinkt mijn psalmtoon: de stoomfluit eener locomotief. Lees! dit is mijn evangelie: =Kennis is macht. Genieten is plicht. Zelfverloochening is krankzinnigheid. Er is geen licht dan het licht der wetenschap. Al wat gij daar buiten zoekt, is waan der duisternis.="
Het spreken maakte haar zóó dorstig, dat ik eene tweede flesch Brauneberger moest doen aanrukken.
»Ha!" begon zij opnieuw: »Wie heeft het volk tot =menschen= gemaakt, vrij en gelijk?--Ik.--Wie heeft de brandstapels en marteltuigen van mijne overgrootmoeder doen verzinken?--Ik.--Wie heeft de kloosters doen instorten, de monniken uitgedund, de priesters in hunne schelp doen kruipen?--Ik.--Wie zal binnenkort ook al die daarginds nog overgeblevene tempelen van bijgeloof doen afbreken, om ruim baan te maken voor scholen--scholen waar de jeugd niets anders zal leeren dan dat tweemaal twee vier is?--Ik, ik, ik!.... Maar sta op, en ga mee--dan toon ik u mijnen =fiersten= triomf!"
Zij leidde mij met snellen tred naar buiten, de helling af, het dal door, en langs een kronkelend bergpad weer naar boven. Hier staat op den hoogsten top, vlak tegenover de stad, een reusachtig Mariabeeld, met eene forsche zuil tot voetstuk. Het gevaarte is een vijftig voet hoog, een baken voor geheel het omliggende land.
»Dáár nu!" kraaide de jonge schoone: »Hier heeft mijne macht het bijgeloof verwonnen in zijne laatste sterkte. Zie op, en oordeel!"
Ik keek op, en bespeurde inderdaad iets zonderlings. Men heeft het beeld der Madonna gewapend met--eenen bliksem-afleider!
»Ha ha ha!" gilde mijne geleidster: »de Koningin des Hemels kan niet eens zichzèlve meer beschermen tegen des hemels vuur! Lieve Sint Jozef de timmerman, weet gij daar van? Zij hebben mevrouw uwe gade eene stang door haar onbevlekte lijf gestoken, opdat zij bij eene donderbui niet naar beneden tuimele! De Moeder Gods om haar eigen bestwil gespietst door de profane menschelijke rede! Hi hi hi hi!"
Haar lachen klonk demonisch. Ik kon het niet aanhooren: zoo voor iemand ter wereld, dan had ik voor Maria nu het hoofd willen ontblooten. Ik wendde mij af en zette mij neer op eene der treden van het voetstuk, om stichting te vinden in den aanblik van het heerlijke vergezicht, waarover de schemering nederzeeg.
Toen vernam ik aan weerszijden een geprevel. Links zag ik de jonge vrouw, en rechts de oude--beiden geknield, de handen gevouwen, het hoofd opgericht naar het Madonna-beeld.
»Wat doet gij?" riep ik der oude toe.
»Ik aanbid het beeld des geloofs, dat door het wangeloof geschonden werd."
»En gij?" vroeg ik der jonge.
»Ik kniel voor de almacht der wetenschap, die met hare speer het bijgeloof heeft doorboord."
En zij drongen op mij aan, die beide spookselen. »Kies tusschen ons!" schreeuwden zij met heftige gebaren, alsof zij mijn lichaam in tweeën wilden scheuren.
Maar met kracht weerde ik ze af. »Voort!" riep ik: »voort gij beiden! Ik ga mijnen eigen weg. =In naam van God en van vrijheid=--voort!"....
Zij vloden--de eene rechts, de andere links den berg af. En mijn oog, met bovenmenschelijke scherpte toegerust, zag de oude ijlings verdwijnen in het duister der Triersche Domkerk, de jonge in de stoompijp van eene machinenfabriek.
De eerste starren fonkelden aan den hemel--en eenzaam daalde ik omlaag.
In de herberg het Roode huis teruggekeerd, deed ik mij terstond het gastenboek geven. Daar las ik, op de laatst beschrevene bladzijde, vlak onder mijnen eigen naam, in eene wilde, krabbelige hand:
=Er is geen licht dan het licht der wetenschap. Al wat gij daar buiten zoekt, is waan der duisternis.=
En daaronder, in hoekig gothisch schrift:
=In mijne duisternis was een licht--en in uw licht is eene duisternis.=
* * * * *
»Kellner", vroeg ik: »wat staat hier geschreven?"
»Mijnheers naam", antwoordde de knaap, mij nogmaals voor gek aanstarende.
»En verder?"
»Verder is er niets dan wit papier."
»Kellner", hernam ik: »ik geloof waarlijk dat gij gelijk hebt: die Brauneberger slaat erg naar het hoofd."
»Ik geloof het óók, mijnheer!"
»Kellner--naar úw geloof vraagt niemand. Breng mij een ander merk."
»_Zu dienen, Herr, zu dienen!_"
+--------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: BOBSON'S POOLREIS 38 | | C: BOBSON'S POOLREIS 39 | | B: van eene schilpad had de figuur | | C: van eene schildpad had de figuur | | B: liet, al grinnekend en knikkend, | | C: liet, al grinnikend en knikkend, | | B: als de stukken rooktopaas waarover | | C: als de stukken rooktoopaas waarover | | B: ons na: »_Auf Wiedersehen!_' | | C: ons na: »_Auf Wiedersehen!_" | | B: nooit een woord gegewisseld. Mijn | | C: nooit een woord gewisseld. Mijn | | B: met schommelen en slechten drank | | C: met schommelen en slechten drank. | | B: verbroken. Justus Eykendal kende | | C: verbroken. Justus Eykendaal kende | | B: levens, | | C: levens. | | B: maakt uit lammeren._" | | C: maakt uit lammeren._ | | B: »Alle duivels!" wat neemt | | C: »Alle duivels! wat neemt | | B: jaar, elken zaturdag-avond vast. | | C: jaar, elken zaterdag-avondvast. | | B: hier te lande, Sedert vond | | C: hier te lande. Sedert vond | | B: uit zijn koel papadijs,--»_hinauf | | C: uit zijn koel paradijs,--»_hinauf | | B: »_Va bene! eh?_--en ik verwachtte | | C: »_Va bene! eh?_"--en ik verwachtte | | B: schier onmiddelijk aan den rand | | C: schier onmiddellijk aan den rand | | B: ein unbegreiflich hohes Wunder!_" | | C: ein unbegreiflich hohes Wunder!_"" | | B: snellen oopopslag, onuitwischbaar | | C: snellen oogopslag, onuitwischbaar | | B: mijne kamer, Maar des klokkenisten | | C: mijne kamer. Maar des klokkenisten | | B: vol quijnende ongenuchten_--maar | | C: vol quijnende ongenuchten_"--maar | | B: joa joa. Moar, juffer, z'ak oe | | C: joa joa. Moar, juffer, za'k oe | | B: Zij echter, wie al dit gevraag | | C: »Zij echter, wie al dit gevraag | | B: riep hij, »»heeft ooit iemand nog | | C: riep hij, »heeft ooit iemand nog | | B: voor mij =was= het Het moge | | C: voor mij =was= het. Het moge | | B: kleurloosheid,Hooger en hooger klom | | C: kleurloosheid. Hooger en hooger klom | | B: »Kijk! »_Frans en Fransientje, | | C: Kijk! »_Frans en Fransientje, | | B: la mano!...._ Veertig jaren | | C: la mano!...._" Veertig jaren | | B: quell' alma ingrata--_ | | C: quell' alma ingrata--_" | | B: verstrekken Monsieur Bonneventuur | | C: verstrekken: Monsieur Bonneventuur | | B: ontzettende hoop. die hij met alle | | C: ontzettende hoop, die hij met alle | | B: maar geef acht!...Zij greep | | C: maar geef acht!..." Zij greep | | B: allen weer in _Reihe und Glied_!" | | C: allen weer in »_Reihe und Glied_!" | | B: Was frag ieh viel nach Geld | | C: Was frag ich viel nach Geld | +--------------------------------------------+