Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 2
Ververschingen alzoo--_beim Kaplan_..... Dit luidde toch ietwat bedenkelijk. Zou hij ze tappen uit een wereldlijk, dan uit een geestelijk vat? En zoo het eerste--zou de wijn niet naar wierook rieken, het bier niet bitter zijn gemaakt met _tinctura theologica_ in stee van hop?--En zou hij er geld voor vragen? Of verstrekte hij ze wellicht, de goede Samaritaan, als eene godsgave, uit louter christelijke milddadigheid, dengenen die er naar smachtten?--Iemand die grootheid van ziel genoeg bezat om zijne parapluen uit te leenen aan vreemdelingen, zóó iemand kon licht de onbaatzuchtigheid nog eene spanne verder strekken, en zijnen wijn uitgieten _pro Deo_.
Het een bij het ander--deze hoeder van zielen en laver van lichamen boezemde ons eene zeer levendige belangstelling in, niet minder haast dan de Hüfi-gletscher, de Stäuber-val en de overige merkwaardigheden van dit pronkstuk der Alpen-dalen. Het stond dus vast, dat wij ons door hem zouden laten ververschen.
* * * * *
Van Amsteg naar Bristen is een half uur klimmens langs een van die Zwitsersche kronkelpaden, die voorzeker (indien een breede en gemakkelijke weg geacht moet worden ten verderve te leiden) smal en steil en steenig genoeg zijn om uit te loopen op het koninkrijk der hemelen.
Wij zullen goed de helft van den afstand achter den rug hebben gehad, toen wij vóór ons uit eene menschelijke gedaante zagen heenstappen, met dien uiterst langzamen maar gestadigen tred, die den log geschoeiden Zwitser in staat stelt veel sneller eenen berg te beklimmen, dan Monsieur Volauvent van het Brusselsche ballet, vlugvoetigste aller menschen,--den tred, met andere woorden, waarmee de schildpad eens den wedloop won van den haas. Inderdaad, van eene schildpad had de figuur daar vóór ons wel een weinig. Het ronde lichaam, het dicht op de schouders gedrongene hoofd, de korte, dikke, wijd uit elkander staande beenen--dan, bij wijze van staartstompje, de onder den zoom van het opperkleed uitwippende punt van eene reusachtige paraplu----
Maar is het waar, schildpadden ontmoet men niet in de eedgenootschappelijke cantons--Roomsche paters des te menigvuldiger. En deze mensch--er was geen twijfel aan--deze dikke mensch droeg op zijne schouderen de uniform van de Alleenzaligmakende. Kon =hij= het wezen, temet--de ververscher?
Hij zette zich op eenen steen, ontdeed zich van zijnen hoed, haalde eenen rooden zakdoek te voorschijn, en begon zich daarmede naarstiglijk het blakende bolle aanschijn af te vegen. Onder die bedrijven hadden wij hem spoedig ingehaald, en den avondgroet met hem gewisseld. Want in de Alpen groet men elkander, ook al heeft men nooit eenen stuiver aan elkaar verdiend. O deugd en vreugde van het reizen! Menschen uit de vier hoeken van Europa, lieden die nooit tevoren elkaar gezien hebben, en nooit daarna elkaar zullen wederzien, zij wenschen elkander eenen frisschen morgen of eenen vroolijken avond toe bij het ontmoeten tusschen de bergen en de sparren--zoo gul en hartelijk alsof zij, zoowaar, het plaatsje aan de tafel des levens, het teugje koele lucht en het sprankje zonneschijn elkander niet misgunden!
»_Abend, Abend, meine Herrschaften!_" hijgde de vleeschklomp op den steenklomp, nog altoos druk met den rooden zakdoek in de weer. Deze zoon der bergen scheen het klimmen toch ontwassen--òf wel, hij had dien namiddag bij eenen boer te veel zuren room gegeten. »Melkkost maakt de knieën slap!" placht onze Lauterbrunner gids te zeggen: »_Wenn ich Engländer führe, die Berge springen wollen, so lass ich se Milch trinchen. Dann springen se bald nich mehr!_"--
»Zijn wij", zoo vroegen we, »zijn wij, o weleerwaarde, van Bristen nog ver?--van den kapelaan?"
Wij stieten elkander in de ribben: want dit was eene strikvraag. Maar de vetzak liep er zoo gauw niet in!--De wrijvende roode zakdoek hield rust op de tonsuur; een guitig licht vonkte in de kleine bruine oogen, over welke de borstelige wenkbrauwen zich samentrokken; de machtige onderkin zwol tot eenen krop, en de breede, vleezige lippen snoerden zich bijeen alsof zij een staatsgeheim te bewaren hadden.
»Wel", riep hij: »van hier tot Bristen is nog eene minuut of tien. En van hier tot den kapelaan--"
»Nog een tien minuten!"
»Poeh, poeh, mijn zoon! Het lijkt er niet naar!--Van hier tot den kapelaan----Maar zegt me eens: wat willen de heeren eigenlijk van den kapelaan?"
»Drinken, paterlief, drinken! Wij zijn als sponzen zoo dorstig. Voor elken droppel dien hij ons schenkt, zullen wij hem zeven jaren levens toebidden!"
»_Misericordia!_ verschoont hem! Wat zou hij dan nog lang op het Paradijs moeten wachten, de arme zondaar!... Maar laat mij eens zien. Van hier tot den kapelaan--dat kan ik u heel precies vertellen."--Hij nam zijne paraplu, drukte den knop tegen mijne maagstreek, zichzelven de punt tegen zijne knieschijf, deed als las hij op den stok eene maat af, en riep met groote stem: »_Also!_ Van hier tot den heer kapelaan van Bristen--op den kop af, drie voet negen!"--Tegelijk werd er in het diepste van zijnen breeden buik eene schudding merkbaar, die, een geweldig aardbeven gelijk, zich allengs verspreidde over zijn geheele lichaam. Hij lachte, dat de tranen twee stortbeekjes vormden langs zijne koonen.
Wij van onzen kant veinsden natuurlijk de grootst mogelijke verrassing, alsof er in ons niet het flauwste vermoeden gerezen ware van 's mans éénzelfheid met den bewusten dranktapper in Baedeker.
»Is het mogelijk? En zijt u het waarlijk zelf?--de kapelaan van de _erfrischungen_?"
»_Freili, Freili!_" schaterde hij: »Ik ben het zelf, en niemand anders dan ik. Kijk! Ginds ziet ge het torentje van mijne kerk; en vlak daarbij den rook die uit mijnen schoorsteen waait. Mijne goede Barbara bakt pannekoeken, denk ik!"--
Eene minuut later schreden wij met ons drieën, een vóór en een achter den ouden heer, verder langs het pad omhoog. Het geleek eenen Rigi-trein, met de locomotief in het midden--zóó blies en stoomde onze zwaarlijvige metgezel. Een paar malen nog moest hij stilstaan om lucht te happen. Wij verkwikten hem dan met _eau de Cologne_, hetwelk hij gretig opsnoof, en waarvan zijne poriën groote hoeveelheden schenen in te slorpen. Eindelijk werd het pad effen, en wij stonden in de schaduw van een paar zware noteboomen, voor eene bruin berookte houten woning, op wier vensterkozijnen eene verzameling bergkristallen lag te flonkeren in het licht dat door de bladers brak.
»Barbara! Barbara!" schreeuwde onze makker door het openstaande raam: »Hier breng ik je twee heerschappen mee, die het op je rooden Veltliner gemunt hebben!--Barbara, hé toch!"
Terstond kwam er uit het venster een lachend vrouwehoofd voor den dag, niet mooi, niet jong, maar rond en blozend als een wijnappel. Dit hoofd liet, al grinnikend en knikkend, een paar rijen tanden zien, op welke een hofdentist had kunnen verlieven, en een stel oogen, die glinsterden als de stukken rooktoopaas waarover de eigenares zich heenboog.
Wij traden, door den pater vóórgegaan, in een als gelagkamer ingericht vertrek, kraakhelder, en behaaglijk opgesmukt met eene keur van snuisterijen. Voorwerpen uit de drie rijken der natuur groepeerden zich tegen de wanden rondom de zeer welvarend uitziende portretten van ettelijke martelaren en evangelisten. Hier--terwijl Paus Pius en Paus Leo welwillend op ons nederblikten--stelde zijn weleerwaarde ons formeel aan het blakende vrouwegezicht voor:--
»Twee dorstige vreemdelingen, zuster Barbertje!--Mijne heeren, ziethier mijne zuster Barbara. Aanschouwt in haar de meesteresse van dit huis."
»Maar broeder!" riep de zus, dieper rood nog garend in hare koonen.
»Tut tut--zóó is het!--_Meine Herrschaften_, indien het u wezenlijk ernst is met uwe begeerte naar ons nederig tapsel, tracht u dan met dit vrouwentimmer te verstaan. De kapelaan staat wel in het boek; maar de eigenlijke _domina_ hier, is Signorina Barbara."
Ondertusschen had het vrouwentimmer in quaestie fluks de glazen al voor ons volgeschonken. De kapelaan dronk mee als een bisschop. Ook Barbara stak af en toe haren vergenoegden wipneus in eenen kelk. Er werd gevraagd van waar en waar heen; voor eene tweede maal werden de halve liters gevuld; men praatte en smookte en klonk; de wrange Veltliner gleed er in als Château Lafitte----tot opeens het verdwijnen van de zon achter den westelijken bergzadel ons herinnerde dat de klok niet stilgestaan had middelerwijl.
»Vrienden", zei de dikke man: »ik wil u niet wegjagen; maar als ge vóór het donker het logement nog halen wilt, dan wordt het uw tijd. Ge hebt nog volle derdehalf uur voor het mes; en de wandeling is te schoon om zoo te draven."
Wij namen afscheid--tot wederziens, daar wij langs denzelfden weg terug zouden keeren. Reeds waren wij de deur uit, den trap af. Daar riep ons de kapelaan weerom:
»_Sanct Rochus!_ dat ik het vergeten zou!.... _Ich bitte--nehmen Sie doch einen Schirm mit!_"....
Dit was te veel voor onzen lachlust:--»Een regenscherm?--Maar beste heer, waartoe dit? Er drijft geen wolkje aan het uitspansel!"
»Toch, toch!" maande hij. »Laat u raden! Het weerglas zakt!"
»Maar weleerwaarde! Het firmament is als metaal!"
»Neemt er een mee!" hernam de brave oude, die al ernstiger werd hoe meer wij lachten: »Men kan niet weten! Niemand gaat van hier ooit naar boven zonder paraplu!.... Barbara! Barbara! _einen Schirm!_.... Wat? Zijn ze alle uitgeleend?--Dan de mijne maar, de groote groene!.... Mijne heeren, het is mijn lijfstuk. Maar gij zult wel goed op hem passen, niet waar?--Denkt er om--misschien brengt hij u nog geluk aan!"--
Het baatte niet of wij al afsloegen; de man drong aan: het scheen of hij zou meenen zijne roeping op aarde gemist te hebben, wanneer hij niet al zijne parapluen voortdurend in actieven dienst hield tusschen Bristen en het hotel _Zum Alpenklub_. Zoo dan, om hem niet te grieven, en daar Barbara al met het bedoelde instrument naar buiten kwam geloopen, liet ik het mij geduldig op den nek laden. Nu eerst ook blonk er grenzenloos welbehagen op des paters aangezicht, als stond hij op het punt zichzelven de handen op te leggen, zeggende: »Ga slapen in vrede nu, dienstknecht des Heeren! Wèl besteed was wederom deze dag uws levens!"
»_Valete!_" schreeuwde hij ons na: »_Auf Wiedersehen!_"
Of die laatste uitroep het meest óns gold, dan wel zijn regenscherm--ik durf het niet beslissen.
* * * * *
Voorbij het kerkje van Bristen opent zich opwaarts het dal. Hoe meer gij de met sparrewoud bewassene steilte nadert, op welke het vriendelijke berghotel al heel van verre u toewenkt, des te heerlijker ontvouwt het Alpenlandschap u zijne pracht. Stouter en toorniger worden de sprongen van den Karstelenbach, het wilde kind der gletschers. Gij stapt heen over de achterblijfselen van een paar lawinen, die langs kaalgereten hellingen neerdonderden over het pad--vreeselijke bajerts van afgeknapte boomstronken en meegesleurde rotsbrokken en grauwbestoven sneeuw. De lucht wordt koeler, de adem der ijsvelden beroert u van nabij--long-verruimend, pees-versterkend, oog-verhelderend. En terwijl gij stadig stijgt, treedt sneeuwtop bij sneeuwtop in glanzende majesteit te voorschijn.
Eén punt is er aan den weg, waar gij niet laten zult te toeven, hoe groot ook uwe haast naar het avondmaal. Het is bij Lungenstutz, eene kleine buurtschap van zeven hutten, met zevenmaal zeven kinderen. Eene plotselinge golving van het pad gunt u hier een onbelemmerd uitzicht naar alle kanten: dal-opwaarts en dal-afwaarts, op de bergketenen naar noord en zuid en oost en west. Hier kunt gij nederzitten, en luisteren naar het geraas van den bergstroom, die, honderd vaam beneden u, in eene duistere kolk geschoten is, waar hij woelt en knaagt aan de fundamenten der gesteenten. Hier speurt gij, diep in het hart der vallei, blanke draden, die schijnen neer te fladderen van eenen machtigen rotswand,--watervallen, wier tuimelen morgen, als gij ze nadert, u met ontzetting vervullen zal. Hier kunt gij rondturen, en de bergen begroeten, één voor één. Déze daar, aan uwe rechterhand, is de geweldige Piz Tgietschen, koning der groep; naast hem de spitse Düssistock--het breede Scheerhorn--de phantastisch gekartelde Rüchen, met zijne tweeling-piek de Windgälle--ver in het westen de witte tinnen van de Spannörter--en als sluitstuk van den diadeem, de koen ten hemel zich spitsende pyramide van den Bristenstock. Zij staan in eenen kring, om uwe hulde te ontvangen. Donkere, dreigende gevaarten, op wier kruinen, met ijs gehelmd, het avondrood de wachtvuren ontsteekt van den nacht.
En als gij eene pooslang zoo rondgeblikt hebt, dan is er alle kans, dat gij allengs u omringd ziet van eenen tweeden kring--enger en minder verheven, maar in zijne soort niet minder schilderachtig dan de krans der Alpen. Ik bedoel, dat de zevenmaal zeven kinderen uit de zeven hutten van de buurtschap Lungenstutz zich om u heengeschaard zullen hebben, ten einde met smeekende oogen en onverstaanbare woorden u te bewegen tot het inruilen van hunne splintertjes bergkristal tegen koperen pasmunt...... Eilieve, laat u dit niet verdrieten. Deze barrevoetertjes kunnen van natuurschoon niet snoepen; een krentekoek ware hun op het oogenblik liever dan een heel gebergte; en al acht gij in theorie het bedelen nóg zoo verderfelijk, gij kunt heden in geene stemming wezen tot het toepassen van de economisch-philanthropische beginselen, die gij tehuis zoo gestrengelijk in practijk brengt. In uwen zak gegrepen dus! Met eene enkele handvol duiten maakt gij hier negen-en-veertig gelukkigen.
Hervat dan uwe mijmering. Zie toe, hoe de gloed op de hoogten verflauwt, verbleekt, vergrauwt; hoe uit het dal de duisternis opwaarts sluipt door de wouden, die roerloos staan, als scharen pelgrims bij het tingelen van de vesper-klok; hoe aan den hemel, boven de bleeke, kille velden der eeuwige sneeuw, de sterren ontstoken worden----en ginds in het hotel _Zum Alpenklub_, in de warme, gezellige eetzaal, de lampen boven den disch die u weldra spijzen zal.... Gelukkige, sta op! Den gletschers zegt gij thans vaarwel; de welberechte tafel heet gij welkom. Wat ware gindsche goede herberg zonder de Alpen? Wat waren de Alpen zonder gindsche goede herberg?--In dit harmonisch samentreffen van het verhevene en het geriefelijke ligt het geheim der hoogste aardsche vreugde. U van het eene tot het andere te kunnen wenden, naar de geest u roept of het lichaam u noodigt, afwisselend u een Manfred te voelen en een mensch van vleesch en beenderen--dit is waar genot.
Gij dan, zoo wanneer gij het gesmaakt zult hebben--ik bid u, bewaar de heugenis er van trouw en zuiver in uw binnenste. Zonnestralen kunt gij niet opbottelen en huiswaarts dragen; zonnige beelden des te beter. Gij kunt u er aan te goed doen in uren van motregen en bedruktheid, wanneer het u een troost zal zijn, uit de diepste diepten van Schieland's polders te mogen uitroepen: »_Auch ich war in Arkadien!_"
* * * * *
Twee dagen hadden wij in het Maderaner-dal het schoonste weder. Doch bij ons derde ontwaken zagen wij dat er in den nacht op de bergen versche sneeuw gevallen was--een vrij stellig voorteeken van eene naderende storing in den dampkring. Inderdaad woei er reeds uit het westen een sterke wind, die verdachte flarden van wolken voor zich henenjoeg. Wij maakten nog eene flinke ochtend-wandeling, gebruikten het middagmaal, en gunden ons, vóór wij den terugtocht naar Amsteg aanvaardden, eene eerlijk verdiende _siesta_. Het liep dus al tegen den avond, toen wij der moederlijke kasteleinesse de hand drukten tot afscheid, en onze schreden dal-afwaarts richtten, met de reistasschen, de alpenstokken en de paraplu van den heer kapelaan _ganz ordentlich_ beladen.
Deze paraplu, daar zij aan mijn verhaal den titel gaf, dien ik wel met eenige nauwkeurigheid te beschrijven. Zij behoorde tot dat vóórwereldlijke _genus_, dat weldra in de zee der evolutie spoorloos zal zijn ondergegaan, doch waarvan, hier en daar in Europa, zeer enkele individuen nog op de golven zijn zwalkende gebleven. Haar stok was dik genoeg voor eenen bezemsteel; hare taats geleek den spriet van eene brandspuit; en haar baleinen rif moet Leviathan half zijn gebit gekost hebben. Een ring van koper hield met moeite de zwellende plooien van haar grasgroen bekleedsel in bedwang. Haar knop eindelijk (eene grillige afwijking van den klassieken hoornen haak) bestond uit een houten kruis, met eenen ruw gesneden doodskop in het midden, wiens grijnzend gebit was samengesteld uit de letters van _memento mori_, en wiens oogholten opgevuld waren met een paar goed geslepene kristallen van groenachtig rood vloeispaath. Schoof men haar open, dan ontwikkelde zij zich tot den omvang eener niet al te bekrompene legertent, omwelvende het hemeldak van kimme tot kimme. Haar gewicht durf ik niet begrooten. Genoeg, dat men haar het schikkelijkst torste van schouder op schouder, gelijk Israël's verspieders den dikken druiventros uit den lande Kanaän.
Hadden wij tijdens de heenreis onder dit antediluviaansche gedrocht nutteloos gezweet--thans, op den terugmarsch, kwam het ons onschatbaar te stade. Want wij waren nog geen kwartier gaans van het logement, of de wind ging liggen, de wolken pakten zich samen, en een kille regen ving aan ons te besproeien--_sempre crescendo_.
Niet ontzettender is het verschil tusschen Elyseum en Tartarus, dan tusschen een Alpendal bij zonneschijn en een Alpendal bij regen. De schoone bergen verzwolgen door den nevel; elke boom, die zoo gezegende schaduw spreidde, verkeerd in eene stortmachine; het gisteren zoo steenharde pad veranderd in eene glibberige baan van bodemlooze modder. Glibberige paden (wij weten het uit de zedekunde) voeren lichtelijk ten val, inzonderheid wanneer zij afwaarts hellen; en in modderige banen laat menige zondaar het heil van zijne ziel, menige wandelaar de zolen van zijne schoenen steken.
Wij riepen Sinte Margriet aan, belovende haar een pak stearine-kaarsen op den 20sten der maand Juli. Vergeefs!--De helleveeg plaste er op los als eene Hollandsche schoonmaakster--makende, gelijk deze, meer vuilnis dan schoonheid met haar flodderen. De lucht werd al grauwer; ras daalde de schemering; in de verte begon onheilspellend de donder te grommen.
Het kwam dus aan op goeden moed, eenen stevigen voetstap en eenen sterken arm; den laatste, om de paraplu in positie te houden, die, door het hemelwater verzadigd, mij op den schouder woog als onze moeder de Aarde op den armen Atlas. Toch, aan de duurgekochte beschutting van dit monster was het te danken, dat wij althans ons bovenlijf nog droog voelden toen wij te Bristen aanklopten bij den kapelaan--juist terwijl een felle bliksemstraal ons de oogen verbijsterde.
»Alle heiligen!" gilde Barbara, die ons de deur opende.
Hierop volgde de donderslag; en daarna de zware stem van den heer des huizes:
»_Aha, meine Herrschaften! so isch es recht!--Nun, hat sich mein alter Schirm nicht treu erwiesen? Firmus et fortiter?_"
»_Der Schirm, Herr Kaplan, hat seine Schuldigkeit gethan!_"
* * * * *
Barbara en de pater wilden niet dat wij verder trokken dien avond. Het was wel geene herberg bij hen; maar door zulk noodweer in het donker twee vreemdelingen den berg af te laten gaan, zóó hondsch waren zij niet. Als wij ons dus behelpen wilden met een kermisbed in de gelagkamer----
Nu, wat ons betreft, niets liever. Want, vooreerst, hadden wij èn van den plasregen èn van de paraplu volop onze bekomst. En verder beloofden wij ons van eenen avond met den kapelaan wonderen van gezelligheid. Wie zou niet gaarne de verveling van een logement verruild hebben voor wat kout met eenen minzamen gastheer? en het ploeteren door regen en modder voor een lekker houtvuur, een paar pantoffels, eene sigaar en een keteltje warmen kruidenwijn?
Onder het genot van deze goede dingen waren wij recht spoedig aan het praten geraakt. Of liever, de kapelaan praatte zoo tamelijk alleen en voor ons allen--en dit tot ons innig vermaak. Vertellen is iedermans zaak niet! Daarom, loopt gij er zoo eenen tegen het lijf, die de kunst verstaat, houd dan gerust uwen eigen mond gesloten, en wijd geopend uwe ooren.
Hij sprak over zijne parochie; over enkele wonderlijke gebruiken onder zijne gemeentenaren; over de bezoeken die hij had af te leggen in hutten hoog op den berg; over het harde leven en de ontberingen van die arme _sennen_; over den korten zomer, den langen, langen winter hier in het hoogdal.
Barbara luisterde naar dit alles alsof zij het voor 't eerst van haar leven hoorde. Zij lachte om al zijne kwinkslagen; zij knikte toestemmend of bewonderend bij elke zijner opmerkingen. Hij moest een goede broeder voor haar wezen, gelijk hij blijkbaar een goede herder was voor zijn kuddeken--eenvoudig, trouw, vol goeden moed: de geestverwant, meer nog dan de leeraar van dit natuurvolk: een die het kende en begreep: kortom, een schaap onder de schapen--maar met dit al niet schaperig.
Het éénige wat hem klagen deed, was zijne corpulentie. Hij jammerde over de zweetdroppelen en de aamechtigheid die het klauteren hem kostte--hem, in vroeger jaren zoo rap ter been.
»Ach ja!" zuchtte hij: »Vroeger ging Mohammed naar den berg; tegenwoordig zou de berg wel naar Mohammed mogen komen: want de profeet is zelf een berg geworden--_mons super montem!_..... Maar niet altoos had ik aan mijzelven zoo'n vracht te dragen. Neen, neen! er was een tijd, dat geen mij voorbijliep!" En met trots toonde hij ons de zeldzame bloemen en insecten, en de fraaie kristallen, die hij op de moeilijkst genaakbare pieken in den omtrek gezameld had:--
»_Edelweiss_ van den Tödi: ongemeen groote bloemen. Ik moest, om ze te plukken, tegen eenen steilen en gladden rotswand een voet of twintig omhoog klimmen.--Hier is dubbelspaath van den Bristenstock. Legt men het op een beschreven stuk papier, dan is het precies of men eene rekening ziet van sommige heeren kasteleins!--En bekijkt mij eens dit brok rooktoopaas met colophiet! Ik groef het uit eene holte boven op den Düssistock. Wèl wonder, dat ik dáárbij niet den nek gebroken heb; want het uitstek, waarop ik mij gewaagd had, waggelde onder mijnen voet, en duidelijk hoorde ik in den steen de kabouterlui hameren en beitelen."
»En =als= ge nu eens, broeder Rochus"--viel Barbara in, terwijl zij de handen zich over de borst vouwde--»=als= ge nu bij die _strapatzen_ eens om het leven gekomen waart?"--
»Wel," antwoordde hij--»dan zou mijne zuster Barbertje misschien alle dagen voor eenen deken een vet hoen hebben mogen braden, in plaats van eene droge metworst voor eenen armen berg-kapelaan!.... Maar de kobolden behoefde ik toch niet te vreezen, zuster! Want ik had altoos mijne paraplu met het heilige kruis bij me."
»Is het mogelijk!" kon ik niet nalaten uit te roepen. »Toch niet dat vervaarlijke groene ongedierte?"----
Een oogenblik scheen het of mijn ondankbare uitval tegen zijn eigendom hem de wenkbrauwen deed samentrekken. Doch de plooi verdween: hij glimlachte diepzinnig, en sprak:
»Dezelfde, mijn zoon! dezelfde.----Weet wèl, dat een sterveling hier beneden geene trouwere levensgezellin kan hebben, dan eene stevige paraplu."
Barbara protesteerde. Maar hij ging voort:
»Eene stevige paraplu is onder de meubelen wat de pillen van Holloway zijn onder de remediën: nooit te onpas, altoos nuttig. Gij schuift haar open--zie! daar wandelt gij onder een dak, beschut tegen regen, tegen wind, tegen zonnesteken, alsmede tegen de dingen die de vogelen des hemels soms laten nederdalen op des menschen zondig hoofd. Gij vouwt haar dicht--en zij is u een hoofdkussen wanneer gij languit liggen wilt in de schaduw; zij is u een staf, een wapen, en tevens een vredeteeken in uwe hand: want nooit nog heeft een mensch met eene paraplu onder den arm de oorlogsfakkel doen ontvlammen waar hij kwam. Ten overvloede heeft zij boven mannelijk gezelschap dit voor, dat zij u niet de veldflesch helpt ledigen; en boven vrouwelijk, dat zij niet kijft en kakelt langs den weg."