Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 19
»Nu--de kerk hebben ze altijd bij zich.... En wie weet", liet de dominee er op volgen:--»Misschien ligt het wel aan mijne manier van preeken, dat de opkomst niet meer is als vroeger. Ik word oud, Dientje. Ik voel wel dat ik den geest van het jonge geslacht zoo niet meer vatten kan. Als men eenmaal de zestig achter den rug heeft--"
Doch verder wou Dientje niet hooren. Haar leeraar aldus zelf twijfelend aan datgene wat voor haar zoo vast stond als de kerktoren: de onovertrefbaarheid van zijne preeken--dit was de bescheidenheid wat al te ver gedreven.--»Foei neen!" riep zij: »zóó mag dominee niet spreken!--Maar ik zie het wel: dominee haalt zich van avond allerlei muizenissen in het hoofd!--Kom! die mooie vertooning bij Arie Harmsen is begonnen. Laat mij den boel nu eens wat opfleuren: dan kan dominee aan den slag. 't Is niet goed voor een mensch, zoo alleen in het donker te zitten turen!"--Meteen paarde de trouwe zorg de daad aan het woord. Zij stak de lamp aan, liet de gordijnen neder, legde haar meesters lange pijp naast zijnen tabakspot, schoof zijnen stoel bij de schrijftafel--en wenschte dominee verder »eene gezegende studie"; hetwelk zooveel gezegd was als: »Nu niet langer gesuft en getreuzeld! Aan uwe preek!--anders zitten ik en uwe gemeente morgen zonder!"
De waarheid was, dat de heer Malthus dien avond geene nieuwe preek behoefde gereed te maken, aangezien hij van zins was zich morgen maar eens met eene oude te behelpen. Onder het uitkijken echter naar de bezoekers van Signor Buonaventura's concert, had hij plotseling den lust in zich voelen opkomen om zijne kudde eens te onderhouden over een onderwerp, dat in eene dorpskerk al zeer zelden tot tekst dient, maar dat morgen in de =zijne= nu juist bijzonder van pas zou komen:--de kunst, en haar invloed op het leven van den mensch. Kon hij den tingeltangel niet weren, hij zou ten minste het onding in al deszelfs gedrochtelijke leelijkheid ten toon kunnen stellen, en daar nevens in reine vormen het beeld ontwerpen van hetgeen waarlijk schoon en liefelijk is. Het landvolk zou er misschien luttel van meedragen; maar licht toch zou er een woord of een wenk hier en daar in goede aarde belanden. Hoe het wezen mocht--het denkbeeld sleepte hem mee: de stof bezielde hem.
Geen wonder. Was hij er niet altoos nog vol van? Kon hij over deze zaak niet spreken uit rijke, al te rijke ervaring?--Muziek was levenslang zijne aangebedene geweest; en zijn verleden had meegebracht dat hij de wereld der muziek doorwandelde in al hare rijken: van het hoogste tot het laagste. Hij had menschen vol schoone belofte zich zien verliederlijken in hare prostitutie; en anderen, die der vertwijfeling nabij schenen, had hij redding en heil zien vinden in haren eeredienst. Behoorde hij zelf niet tot die laatsten? Was diezelfde kunst, die hem in zijne jeugd op een struikelpad gelokt had, en die hij later bij zijne omzwervingen had leeren kennen in hare diepste vernedering, als eene verworpelinge, eene veile, schaamtelooze voetwisch--, was diezelfde kunst, van alle zinnelijks gelouterd, niet zijne troosteresse geworden, zijne heilige, zijne godin?--Ja waarlijk! over kunst en hare zedelijke waarde kon hij iets meepraten--zoo niet voor boeren, dan tot zijne eigene stichting allicht.
Hij schreef. Gedachte bij gedachte welde er op uit zijnen geest, sneller dan zijne pen ze kon neerkladden op het papier;--gedachten, waarvan hij er vele ook bannen moest, omdat zij geheel buiten de bevatting zouden gelegen hebben van zijne gemeentenaren. Want mocht hij soms vergeten hebben voor wie =hij= schreef--het zou hem wel herinnerd zijn geworden door den wind, die, allengs opstekend uit het noordoosten, telkens een flauw gerucht van het tieren in de nabijzijnde herberg tot hem overdroeg.... Het programma moest wel uitermate in den smaak vallen. Hoor! Werd temet dit algemeene gelach uitgelokt door hetgeen Frans en Fransientje van elkaar bespieden konden door »het scheurtje in het kamerschut"? Loonde wellicht dit daverende getrappel, vermengd met schor gebrul, het duo van Signor Vincentio Buonaventura en Mademoiselle Celestine: »_Reik mij de hand, mijn leven! Kom in mijn slot met mij!_"----Och, och! »_Là ci darem la mano!_"--Men kan het voordragen op verschillende wijs: als een gevallen engel, en als een krolsche kater--gelijk men aan Eros offeren kan als eene Aspasia, en als eene straatdeern...... Maar dominee Malthus verdiepte zich hierin niet. Hij schreef. Hoe echte kunst uit God is, en tot God ons opvoert; hoe kunst-=verachters= gelijk zijn aan hen die, hongerende, een hemelsch manna zouden versmaden--en kunst-=misbruikers= de zonde begaan, die er met straf bedreigd staat in het tweede gebod; hoe op het gemoed niets verfrisschender werkt dan =ware= kunst, en niets verderfelijker dan =valsche=; hoe het ook aan den kleinste gegeven is, aan den veldarbeider in zijne hut, aan den landman op zijne hoeve, kunst te beoefenen, aan de bron van het eeuwig liefelijke zich met eene teug te laven, elk naar zijnen aard, zijne behoeften en zijne vermogens--dit alles schreef hij neder met gloed en klaarheid.
Middelerwijl scheen daar naast het concert afgeloopen te zijn, en de dans eenen aanvang te hebben genomen. De al aanzwellende noordooster toch woei af en toe de gillende tonen over van eene viool en eene klarinet--arme instrumenten, die in hunne betere dagen misschien eervol hadden dienst gedaan in eene symphonie-orkest, en nu te klaaglijker jankten over de vernedering van te moeten opspelen bij eene klompen-polka....... Maar dominee Malthus lette er niet op en ergerde zich er niet aan. Hij schreef.
Het uurwerk op den schoorsteenmantel sloeg twaalf--: en de preek was af. Nooit had de dominee geschreven met zooveel bezieling; en toch nooit ook had hij eene preek opgesteld, die zóó weinig op eene preek geleek, als deze. Innig tevreden over zijnen arbeid, wilde hij ter ruste gaan; hij wilde insluimeren met het gevoel van bijna goddelijke weelde, dat den dichter, den kunstenaar, den leeraar vervult, wanneer hij met een goed stuk werk het bewijs mocht afleggen hoe de vonk in hem nog niet uitgedoofd is. Opeens echter werd hij uit de kalme vreugde van dit zelfbehagen opgeschrikt door een wild rumoer.
Wat was er?----
Bij Harmsen viel eene deur met eenen zwaren slag dicht; vensters werden opgerukt; schorre stemmen schreeuwden door elkander--een kluwen van rauwe vloeken en bitse uitroepen. Hier had men het obligate naspel van eene muziekuitvoering met dans ten plattelande: eene kloppartij.
Het was iets zóó gewoons, en de veldslagen van Noordhollandsche boerejongens, hoe rijk aan grof kanonvuur van verwenschingen, veroorzaakten in den regel zóó weinig bloedvergieten, dat de heer Malthus zeer zeker in deze gebeurtenis geene aanleiding zou gevonden hebben om zijne welverdiende nachtrust op te schorten--indien het hem niet duidelijk ware geworden, dat de strijdenden, langs den weg elkander nazettende, zich met groote snelheid over het brugje van de pastorie bewogen: dat daarop de wijkende partij zich in den rug zocht te schutten met behulp van dominees huisdeur, en dat aanstonds dus het gevecht op dominees stoep dreigde beslecht te worden. Dit liep den man des vredes nu toch te spaansch. Hij schoof zachtkens een raam open, stak het hoofd buiten, en zag (want de donkere gestalten teekenden zich tegen den sneeuwgrond scherp genoeg af) eenen man, die zich met eenen stok zoo goed hij kon verweerde tegen een drietal jonge kinkels. Het liet zich denken dat de aldus besprongene, uit de danszaal gegooid en verder met een duchtig pak slaag bedreigd, al vluchtende deze strategische beweging naar de pastorie had volvoerd, in de hoop van daar binnen, waar hij nog licht had zien branden, wijkplaats of bescherming te zullen vinden.
»Pakt beet den Spanjool!" brulden de boeren: »Wacht, snoeshaan, sinjeur Bonneventuur!--Als je avonturen wilt, hier heb je er een! We zullen jou leeren om een braaf Hollandsch meissie te behandelen als een....... Hier, schoelje! Draait hem den nek om, jongens!"
De aangevallene schold met heesche stem terug; zuiver Hollandsche scheldwoorden, die niemand dan een geboren Nederlander ter beschikking heeft, doch die hij uitsprak met eenen sterk Duitschen tongval. Tevens verdedigde hij zich als een wanhopige. Hij scheen in het schermen met den korten stok niet onbedreven, zoodat hij nog steeds het drietal op zekeren afstand hield. Eindelijk echter gelukte het eenen der boeren, hem achter den rug te komen. In eenen oogwenk was de rotting hem uit de vuisten gewrongen--lijf aan lijf grepen de woedenden elkander aan. Hunne schoppen en stooten bonsden tegen de deur.
Daar kon een moord uit worden, meende de predikant: want hem dacht dat hij in de hand des vreemdelings een mes had zien blinken. IJlings stak hij eene kaars aan, greep uit eene kast--meer instinctmatig dan met bewustheid--een ouden maskerade-degen, haastte zich naar beneden, rukte de deur open, en stond op den drempel.
Zijn plotseling opdagen werkte op de worstelenden als een tooverslag: zij lieten elkander los, en deinsden hijgende achterwaarts. Licht verklaarbaar. Zooals de grijsaard daar stond, in zijne lange kamerjapon, blootshoofds, met bestraffenden blik, den degen in de rechter, den kandelaar in de linker hand, zweemde hij voor de drie boeren naar eene geestverschijning. Zichzelven echter, hadde hij zich in eenen spiegel weerkaatst gezien, moest hij op treffende wijze het beeld te binnen geroepen hebben van den Gouverneur in het eerste tooneel van _Don Juan_, als deze naar buiten treedt om zijne dochter te ontzetten. Inderdaad, deze overeenkomst bleek ook terstond in het oog te vallen van den persoon, dien de boeren afgerost en Bonneventuur genoemd hadden.
»_Davvéro!_" riep hij, met een dronken lachje, te gelijk naar adem happend en zich met de mouw het voorhoofd afwisschend: »_Davvéro!--il commendatore!_"
Het kaarslicht viel op des sprekers gelaat----en de kandelaar plofte uit dominees hand op de steenen.
»_Animo, Signore!_" hernam de vreemde man, terwijl hij, om de onthutste boeren blijkbaar zich niet meer bekommerend, zich in postuur zette als een duellist:--»Hebt ge lust, oude patroon?--_Frisch auf! Zieh' den Degen!_ Il Commendatore tegen Don Giovanni----ha ha ha ha ha!----Don Juan del Mulino!----Of wilt ge mij helpen tegen deze lompe vlegels, die zich zoo boos maken om een kus?----Nun! bedankt inmiddels voor de tusschenkomst. _Buona notte!_----En u ook, heeren", (dit was tot de drie boerenlummels gericht)--»u ook, heeren! schönen dank voor de hartelijke aufnahme!--_Addio!_ Wel te rusten!--_Wir treffen uns schon wieder, Halunkenpack!_"----Met dezen groet keerde hij zich om, en liep het brugje over, den weg op, terug naar Harmsen's herberg.
Dominee Malthus had nog geen woord gesproken. Eerst nu de vreemdeling uit het gezicht was, opende hij de lippen.
»Vrienden", stamelde hij tot de boeren: »'t is zondag-nacht.... Gij hebt me .... erg doen schrikken. Gaat nu rustig naar huis .... en .... wat ik u bidden mag .... laat .... laat dien man verder ongemoeid."
Hij sloot de deur, gaf op de vragen van zijne doodelijk ontstelde huishoudster geen antwoord, en waggelde de trap op naar zijne kamer, waar hij voor de sofa geknield bleef liggen.
Nu wist hij alles. Het lange gissen was knaging geweest. Maar de plotselinge zekerheid trof als een dolkstoot.
* * * * *
En als na slapeloozen nacht de ochtend grauwde voor dominee Malthus, sloeg hij zich voor het hoofd, zich nogmaals verwijtend zijne zwakheid, zijne lafheid, zijn plichtverzuim. Beklonken echter was zijn besluit in die bange uren. Wat hij gisteren niet had =kunnen= van zich krijgen, dat zou hij heden volvoeren--dezen zelfden dag nog, onverwijld. Er was gevaar in dralen. Die man kon heden zijnen naam vernemen, en tot hem komen met de bedreiging: »Ik ken u: geef mij geld: of ik stel u op de kaak!"--Dit mocht niet wezen. Hij zelf wilde tot dien ongelukkige gaan, en tot hem zeggen: »Ik ben Lodewijk Malthus: ik erken u als vleesch van mijn vleesch: deel met mij wat ik heb!"--Daarna zou hij zich tot de wereld wenden, en openlijk verklaren, voor allen die het hooren wilden: »Deze ellendige hier, deze dronkaard, deze verloopen kermisschuimer, deze zedelooze potsenmaker--is (hoort ge wel?) is =mijn zoon=!"...... God wist wat het hem kosten zou! Zijn ambt, de achting zijner medemenschen, zijn gerief en zijne liefhebberijen--waaraan een grijsaard nog méér gehecht is dan een kind aan zijn speelgoed--, letterlijk alles! En dit voor eenen rampzalige, die toch door geene menschenmacht meer tot mensch te maken was...... Doch zóó zou het geschieden. Hoe zwaarder en oogenschijnlijk nutteloozer dit tweede zoenoffer wezen zou, des te meer kans dat het den Hemel aannemelijker zou zijn dan het vroegere.
Over een uur moest hij preeken..... Wat preeken!--Hij had heel zijn leven te veel al gepreekt. Nu eindelijk zou hij eens handelen!.... Maar stil: hij wilde ook hierin zijnen plicht vervullen tot het laatste. Preeken zou hij dus. Doch niet de preek die hij gisteren-avond zoo vol edel vuur had neergeschreven. Thans over kunst en wankunst te spreken, zou hem onmogelijk zijn, al hadde hij met elk woord zijn leven een jaar kunnen verlengen.
Het deed er trouwens weinig toe, wat of hoe hij leeraarde dien ochtend. Want de jongere helft zijner gemeente sliep hare roes uit van den vorigen avond; en de oudere helft bleef tehuis om den sneeuwstorm, die al wilder en dichter kwam aangereden sedert het ochtend-uur. Ware juffrouw Berendina niet in de kerk geweest, aandachtig voor eene gansche schare, de dominee zou in den kansel gestaan hebben voor stoelen en banken.
Terstond na kerktijd begaf hij zich naar Arie Harmsen, die zich al schrap zette toen hij hem naderen zag, verwachtende dat dominee hem een strafsermoen kwam houden wegens het gebeurde in dien nacht. Tot 's mans verbazing repte de heer Malthus over het geheele concert en bal geen woord, en wenschte hij enkel het adres te weten van den directeur der troep, Vincentio Buonaventura. Die inlichtingen kon de kastelein verstrekken: Monsieur Bonneventuur en gezelschap hadden hun hoofdkwartier opgeslagen in een armoedig logement van het naburige marktstadje; van daar uit bereisden zij de omliggende dorpen...... »Maar wat" (vroeg Arie Harmsen aan zijne vrouw) »wat drommel kon dit den dommenei schelen?"--Dien dag vroegen al de bezoekers van de herberg, en den volgenden dag vroegen al de bewoners van den polder elkander af: »wat, in liefdes naam, den dommenei nu toch met dien Spanjoolschen liedjeszanger kon uitstaande hebben?"
In het middaguur reeds was des dominees tuinman op weg naar de stad, met een briefje van zijnen meester aan den heer Vincentio Buonaventura, houdende verzoek aan dien persoon om zich dienzelfden dag nog te vervoegen bij den predikant, ten einde van dezen zekere omstandigheden te vernemen, voor hem, Buonaventura, van het grootste belang.
Zoo bracht dan elke schrede van den minuutwijzer het oogenblik der vreeselijke ontmoeting nader. En elk uur deed ook het noodweer nog aanwakkeren, daar buiten over de uitgestorvene velden. De gierende stormwind joeg de poedersneeuw schier horizontaal voor zich heen, of deed, wanneer een plotseling uitschietende zijwind hem in de flank tastte, haar opstuiven in toomeloos gedwarrel, om straks te woedender haar tegen den bodem te ploffen. De binten van het oude huis kraakten onder den last en den druk; het geboomte steende als in doodsstrijd.
Zou hij komen?--Geen twijfel.
Maar zou hij =kunnen= komen?....... De dominee wachtte en keek uit. Zijne koortsige gejaagdheid maakte plaats voor eene onbegrijpelijke kalmte. Des te beter; kalmte juist zou hij wel noodig hebben. Toch speet het hem, dat hij geen uur had bepaald. Wachten is zoo pijnlijk--vooral wanneer men weet dat hetgeen er komen moet het pijnlijkst zal zijn van alles.
De schemering daalde; het duister viel. Niemand!--De avond verstreek; de nacht was aangebroken. Niemand nog!
Dien nacht ook weder kwam geen slaap den gemartelden grijsaard verkwikken. Hij bleef zitten wachten, of die man nog komen zou. Hij luisterde naar het razen van den storm, naar het ritselen van de scherpe sneeuwkorrels tegen de glasruiten. Elk rammelen van een venster, elk klepperen van een blind deed hem de ooren spitsen, ofschoon hij wel wist dat nu zijn wachten ijdel was. In het huilen der vlagen door den schoorsteen meende hij soms een kermend hulpgeroep te hooren--in het gieren der rukwinden over het dak, het wraakgeschrei der hellegeesten die Don Juan ten afgrond sleurden.... Eindelijk, verstijfd van koude, legde hij zich te bed, waar een stuipachtig sluimeren hem zwevende hield tusschen angstig waken en benauwd gedroom.
Des morgens was het weder bedaard. Vroeg reeds maakte hij zich op, gedreven door eenen martelenden angst, en tegelijk door eene heimelijke, ontzettende hoop, die hij met alle macht zocht terug te dringen in den afgrond van zijn binnenste. De angst was uit God, de hoop was uit den Duivel. Zóó zijn wij arme stervelingen geschapen.
Hij wilde naar het stadje. Rijtuig of slede kon door de opgehoopte sneeuw niet heen. Te voet ging hij dus.
Een moeizame tocht. Hier en daar was er haast geen dóórkomen aan den weg, die van de volgesneeuwde slooten nauwelijks te onderscheiden viel. De halve gang echter werd den wandelaar uitgespaard. Want ginds op het veld bespeurde hij een viertal mannen, zelf tot hunne heupen in de sneeuw verzonken, bezig met iets zwarts uit eene greppel te zeulen. Hij zag niet wat het was; maar hij voelde wat het wezen =moest=...... »Triomf!" juichte de stem der zelfzucht in hem: »Lodewijk Malthus, gij kunt blijven wie ge zijt!"....... De schok deed hem wankelen. Bewusteloos zeeg hij neder in de sneeuw.
* * * * *
»Ja", zeiden de boeren: »was dat nu ook een tocht voor den dommenei! Wat deed zoo'n ouwe man met zulk een weer nu alleenig op den weg!----Maar" (lieten zij er fluisterend op volgen), »dat hij zoo deerlijk bedroefd en verslagen stond bij het dooje lijk van dien dronken spullevent--dát was toch rarig, hè?"
* * * * *
Hij liet ook nu de menschen praten. Kalm, na die ééne losbarsting van vadersmart, heeft hij zijnen dooden zoon aanschouwd, toen het lijk was neergelegd in zijne stille binnenkamer. Dien nacht, bij het kaarslicht, had hij Carlotta's trekken in hem herkend, verwrongen door dronkenschap en strijd. Thans, nu de dood de rimpels van vermoeienis en uitspatting had weggestreken: nu de arme verworpeling daar rustte in zijnen eeuwigen slaap, koud en bleek, en schoon haast als zijne móeder in hare jeugd--thans was de gelijkenis nog sprekender.
Onwaardige moeder! onwaardige zoon!....... Maar wat!--=Hij= had ze liefgehad, die twee onwaardigen! Boven alles op aarde had hij ze liefgehad!
* * * * *
Onder de iepen achter het polderkerkje ligt Don Juan del Mulino begraven.
Vaak in den vroegen ochtend, of 's avonds in het schemeruur, slentert dominee Malthus achter het bedehuis om, en staat hij even in gepeins bij het schamele graf.
De oude man is nog stiller geworden. Maar Dientje--die trouw hare muschjes blijft voederen, en niet aflaat, al zijn de kraaien brutaal--, juffrouw Dientje verklaart dat hij in zichzelven gelukkiger is dan vroeger ..... vroeger, weet ge--vóór dat ongeluk met dien liedjeszanger, dat dominee zich zoo aantrok--niemand begreep waarom. »Ja ja", zucht Berendina, als het hierover te praten komt: »We meenen elkaar te kennen--maar we zijn allemaal raadselen voor elkander; en God alleen weet wat ieder onzer zoo al in zijn binnenste verborgen houdt!"
Vaker dan ooit zit dominee Malthus aan zijn harmonium. Soms breekt hij plotseling den stroom van zijne geliefde koralen en preludiën af, om met zachte registers aan te heffen:
»_Là ci darem la mano!_"----
De zang der verlokking ruischt dan als een lied der verzoening--als eene bede om vergiffenis voor den misstap die zoo ras begaan werd, en zoo lang geboet.
Chiaroscuro.
_Clair--obscur-- C'est un mystère, Qui souvent me trouble l'esprit: L'oeil parfois, que le jour éblouit, Perd son chemin dans la lumière, Tandis que, égaré, obscurci. Il voit un phare dans la nuit._
Het was al tamelijk laat in den avond, toen de omnibus van het station, na veel hotsen en botsen, mij door zijn stilstaan te beduiden gaf dat ik mij bevond aan de deur mijner bestemming: de deur, of liever de poort, van het wijdvermaarde _Rothe Haus_ te Trier. Ik stapte uit. De gebruikelijke kellner (gij kent hem: den bewusten met de bij afwisseling zwarte en blonde bakkebaardjes: denzelfden die bij de aankomst van elken omnibus heeft post gevat voor de deuren van alle hotels ter wereld) maakte de gebruikelijke Judas-achtige buiging; wij wisselden de gebruikelijke vragen en antwoorden--en ik verloor daarna geen oogenblik om de eetzaal binnen te gaan, waar mij zonder dralen een bord van de gebruikelijke watersoep werd onder den neus geschoven, als inleiding tot de gebakkene aardappelen en kalfscoteletten, dewelke, gelijk gebruikelijk, niet nalaten zouden zoo aanstonds te volgen.
Ik had in den trein, van Straatsburg komende, reeds opgemerkt dat het een zeldzaam schoone nacht beloofde te worden: de volle maan rees als een rijpe granaat-appel boven de golvingen van het Badensche gebergte. In den omnibus was het mij niet ontgaan, dat ik doorreed onder den holklinkenden poortboog van een donker gevaarte--de Porta Nigra, naar een mede-passagier mij konddeed. Ik had voorts gelezen dat het logement waar ik mijnen intrek nam, het Roode Huis, gerekend wordt tot de merkwaardigste gebouwen van Rijnland's merkwaardigste stad. Doch met voorbedachten rade had ik noch op het een, noch op het ander acht geslagen, getrouw aan mijnen stelregel om zoo min mogelijk de waarneming van het schoone te doen samengaan met de nijpingen van eene hongerige maag en eenen dorstigen gorgel. De wolf in u, o mensch, gevoelt voor het verhevene niets. Werp hem eene kluif toe, vóór gij uit bewonderen of uit mijmeren gaat, opdat hij u met zijn blaffen niet store.
Eerst bij het ledigschenken van mijn tweede halfje Brauneberger bespeurde ik dat ik niet alléén gegeten had. Rechts en links van mijnen stoel aan het boveneinde van den disch zaten op geringen afstand twee vrouwen, waarvan de eene met een boek, de andere met een handwerk zich onledig hield. Vreemd! Ik meende toch wel zeker te zijn dat er daareven nog, buiten den knecht en mijzelven, niemand in de zaal was geweest. Hoe was het mogelijk, dat ik van het binnenkomen dezer nieuwe gasten niets bemerkt had? Hier waren geene deuren die onhoorbaar als zefirs om hare hengselen zwenkten; hier was geen perzisch tapijt waarover de voetstap geruchtloos henenglipt;--de planken vloer lag zelfs vrij dik met zand bestrooid. Kon de gulzigheid des hongers mij blind en doof hebben gemaakt? Maar zóó streelend voor het verhemelte had ik toch waarlijk de opgewarmde klieken uit deze Triersche vetpotten niet gevonden, om onder het genot er van al mijne overige zintuigen uit wandelen te laten gaan. Vreemd inderdaad! van welke zijde ik het ook bekeek. En tevens voor mij wel een weinig beschamend. Het kwam in mij op, dat ik mij in de oogen dezer dames moest hebben aangesteld als een hyena tijdens de voedering. Niet ééns te hebben opgekeken van mijn bord, terwijl zij binnentraden, met eene minzame neiging misschien--en mij de eer bewezen, zoo dicht in mijne nabijheid aan de tafel plaats te nemen!--Ik begreep mijzelven niet--en nog minder begreep ik het raadselachtige opduiken van deze twee dischgenooten.