Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker
Chapter 18
Deze dame behoorde dan ook ontegenzeggelijk tot de belangwekkendste artisten van het gezelschap. Geene schoonheid naar den regel--maar een weelderige bouw, gloeiende oogen, eene milde altstem, een hartstochtelijk spel. Zij was het kind van eenen Berlijnschen bierkneiphouder, tijdens de kracht zijner jaren in zekere kringen eenige vermaardheid verwierf door zijn vermogen om _weissbier_ te zwelgen tegen drie brouwersknechten op, en van eene Veroneesche moeder, wier veelbewogene jeugd begon met het vlechten van stroohoeden, en eindigde op de planken van een klein theater, waarna zij eerbaarheid gevonden en zwaarlijvigheid opgedaan had onder het echtelijke dak van den eigenaar der bierhalle _Zur goldenen Bratwurst_. De dochter uit dit huwelijk sprak dus zoo vloeiend als haar vader het zuiverste Berliner Duitsch; en tevens zong zij zoo vlot als hare moeder de taal van den zwaan van Pesaro en van den Abbate del Ponte. Haar eigenlijke naam luidde Lotchen Müller; doch in de kunstwereld kende men haar niet anders dan als Carlotta del Mulino.
Carlotta nu, als Donna Elvira, overtrof dien avond zichzelve. Het was of zij meer dan ooit hare ziel legde in wat zij zong. Toen zij opkwam in hare zwarte _mantilla_, en hare heerlijke aria voordroeg:
»_Mi tradi quell' alma ingrata, quell' alma ingrata--_"
toen scheen zij inderdaad weg te krimpen van wee over hare rampzalige liefde voor den onverlaat die haar ten gronde richtte. Zij zag zoo bleek; zoo welsprekend was elk harer wanhopige gebaren; zooals het =echte= snikken van smart klonken de tonen harer weeke stem. Het gansche publiek schreeuwde _brava! bravissima!_ en klapte in de handen, opgetogen over zóóveel waarheid in de kunst. Alleen de student Malthus, hoewel hij slechts om harentwille scheen gekluisterd te zitten aan zijnen stoel in eene der achterste loges, verroerde hand noch lip. Toch had Elvira's zingen blijkbaar op niemand eenen dieperen indruk gemaakt, dan juist op hem: toch deed die kunst, die zoo het stempel van waarheid droeg, geen muzikaal gemoed in de gansche zaal heftiger meetrillen, dan juist het zijne..... Roerend schoon had Elvira ook in de balkon-scène gezongen; en vervolgens nog in het onvergelijkelijke sextet. Het was (men zeide het algemeen) eene puik-opvoering van Mozart's wonderwerk. Ongelukkig--tegen het eind moest er toch een klein _contretemps_ zich voordoen. Nadat de gordijn was opgehaald voor de tweede finale, kwam namelijk de regisseur aankondigen dat Signora del Mulino door overspanning plotseling onpasselijk was geworden, weshalve het geëerde publiek haar zeker wel haar laatste optreden bij Don Giovanni's avondmaal goedgunstig zou willen kwijtschelden. Het geëerde publiek, volstrekt niet goedgunstig, mompelde dat het niets was dan eene kwade bui van de Signora, die wel meer aan zulke plotselinge onpasselijkheden leed. Lodewijk Malthus echter had nauw de mededeeling van den gerokten man vernomen, of hij was uit zijne loge verdwenen. Hij ijlde achter de schermen, waar hij als een goede bekende toegang had. Dáár trof hij Donna Anna en Don Ottavio, Zerlina en Masetto en heel het personeel van mannelijke en vrouwelijke koristen in eenen staat van volslagen verwildering, door elkander loopend, elkaar iets in het oor fluisterend, de handen in de lucht slaande, met gesmoord lachen, met moeielijk bedwongen uitroepen van spot, verbazing en ergernis. Hij wilde de kleedkamer binnen. Maar voor de deur stond de heer _impresario_, die hem drie woorden toevoegde, welke hem verstijven deden. De Signora was.... De Signora kon.... In 't kort, de kunst der Signora was maar al te zeer tot waarheid geworden; en de heer Lodewijk Malthus, die de opvoering van _Don Giovanni_ was gaan bijwonen als toeschouwer, verliet haar als Don Giovanni in eigen persoon. Hem was achter de coulissen een zoon geboren.
* * * * *
De Utrechtsche burgerij kreeg eerst den volgenden ochtend lucht van het schandaal; en, gelijk zich denken laat--zij schaterde. De dames giebelden achter hare zakdoeken; de heeren sloegen zich proestend op hunne buiken. Drie weken lang had men er pret van. Het was dan ook----onbetaalbaar! kolossaal!--Die snaaksche Moeder Natuur had er eens eene grap mee willen hebben! Had zij haren tijd wel guitiger kunnen kiezen?--O Donna Elvira! Nú begreep men hoe het haar zoo ernst was met haar »_Mi tradi quell' alma ingrata!_" Ja ja! nú begreep men het!--En wie mocht wel de vader zijn van den jeugdigen Giovannino? Wie had er de rol van Don Juan vervuld in dit àl te wel afgespeelde stuk?----Men kende en noemde hem weldra. Doch helaas! men had er het ware pleizier niet van. Want hij was gevlogen.
Trouwens, al zou hij gebleven, en van heel dit pelotonsvuur van hartelooze aardigheden het mikpunt geweest zijn--het zou hem luttel gedeerd hebben. Laat de wereld grinniken! Hare vroolijkheid is niet minder kortstondig dan wreed. Indien er op de overtredingen van den hartstocht geene ergere naweeën volgden, dan de vluchtige spot onzer medestruikelaars--wat zou het!
Neen, niet tegenover anderen: tegenover zichzelven had Lodewijk Malthus het zwaar te verantwoorden gehad. Zij toch, die hem al schertsend voor eenen Don Juan deden doorgaan, belasterden hem schromelijk. Hij was geen lichtmis--de statige jonge man, met het ernstige voorhoofd en de droomige oogen. Dit avontuur met eene tooneel-prinses was voor hem geen romanesk hoofdstukje in zijn levensboek, hetwelk hij later, zoo met een zuchtje en een lachje, nog af en toe eens overlas;--integendeel: het was in dat boek de ééne, de éénige bladzijde op welke iets geschreven stond--geschreven met tranen en met bloed. Al de bladen die er aan voorafgingen en er op volgden, waren ledig gebleven. Al de dagen vóór dien dag hadden hem een korte droom--al de jaren nà dien dag eene lange, lange rouw geschenen. Want hij had haar liefgehad, de jonge zangeres, uit geheel de diepte van zijne dichterlijke, innig muzikale natuur: met al de toewijding van een ridderlijk gemoed voor eene vrouw, welke het niet slechts aanbidden, maar ook redden kan. Dat die liefde, in het eerst zoo zelfverloochenend, ten slotte een verterend vuur geworden was--dit was meer háre fout geweest dan de zijne. Zij immers wilde wèl van hem aangebeden zijn, maar niet van hem gered. Niets had ernstiger kunnen wezen, dan zijne bedoelingen te haren opzichte. Hij had haar gesmeekt op zijne knieën, terwijl zij het pasgeboren wichtje in hare armen had, om toch haar eigen leven en het leven van dit schepseltje te beveiligen en te louteren door zijne vrouw te worden. Vergeefs! Zij had hem afgewezen. Als een wild theater-kind was zij gelukkig geweest: een wild theater-kind wilde zij blijven. Zijne liefde had haar eene pooslang geboeid gehouden; doch hare kunst en hare vrijheid waren haar dierbaarder. Niet voor het huwelijk was zij geboren--ten minste niet voor een huwelijk zooals deze Hollandsche minnaar vorderen zou: een huwelijk in vollen ernst. Hartstocht was de drijfveer van haar bestaan: maar een hart bezat zij niet. Want toen hij bleef aandringen--om hun kinds wille, om den wille van =haar= behoud en van =zijne= gemoedsrust; toen hij eenen toon aansloeg alsof hij haar wilde =dwingen= om met hem in een nieuw land een nieuw leven te beginnen--toen klopte hij op eenen goeden ochtend vergeefs aan hare deur. Zij had voor hem een briefje achtergelaten, waarin zij hem meldde dat zij was weggereisd; dat hunne banen elkander gekruist hadden als twee vuurpijlen, maar van nu af weer uiteenliepen; dat hij haar dus nooit terug zou zien; en dat hij moest trachten haar zoo snel mogelijk te vergeten, gelijk zij het zeer stellig hem zou doen.--»Wij hebben", schreef zij, »elkander eenige uren bezorgd van gelukzaligheid. Zou dit nu eene reden moeten wezen om elkaar geheel de rest van ons leven ondragelijk te maken?"--Wat het kind betrof, zoo deed een postscriptum hem weten dat zij het had uitbesteed bij boerenlieden in zeker Hollandsch dorp. Verkoos hij de opvoeding van den kleinen Ludovico (zoo had zij hem genoemd) voor zijne rekening te nemen--niets zou haar liever wezen. Haar beroep toch was wisselvallig, en hare toekomst onzeker. »De jongen", voegde zij er bij, »moet eene stem in de keel hebben. Zorg dat er een fameuse Don Giovanni uit hem groeit!"
O oogenblik van harden strijd tusschen plichtbesef en zelfzucht in den jonkman!--Het eerste echter zegevierde. De meesten in zijn geval zouden gemeend hebben dat zij tegenover eene vrouw als déze nu genoeg hadden gedaan om des gewetens wille. Hij niet. Na zich vergewist te hebben dat het kind goed bezorgd was, reisde hij haar na. Maanden lang zocht hij haar aan alle Duitsche theaters. Ten leste vond hij haar terug, onder eenen anderen naam, als primadonna in eene Hongaarsche stad. Zij schrok van hem toen hij haar aansprak, meenende dat hij haar vervolgd had om het verleden haar voor de voeten te werpen. Doch toen hij haar nogmaals bezwoer terug te keeren tot haren plicht als moeder en als vrouw, en wederom zijne min en trouw haar aanbood in ruil voor de hare--toen lachte zij hem uit in zijn gezicht. Hare trouw?--Hoe kon zij geven wat niet in haar was!--Hare min?--Die had zij immers eenen anderen alweer geschonken!--Had hij dan haren brief niet begrepen?--Overigens kon zij hem niet lang te woord staan. De jonge Bojaar, wiens bezoek zij wachtte, kon elk oogenblik komen. En de man was als een tijger zoo jaloersch.... Dit was hunne laatste ontmoeting geweest. Diep verslagen aanvaardde hij de terugreis--genezen van zijne liefde, doch met eene ongeneesbare wonde in de ziel.
Twee jaren sleet Lodewijk Malthus doelloos en lusteloos in de hoofdstad. Zijne ouders hadden hem eenig vermogen nagelaten; broers of zusters bezat hij niet; aan niemand dan zichzelven was hij dus rekenschap schuldig van zijn doen. Na verloop van dien tijd echter was de zin weder in hem ontwaakt om zijne vroegere studie--in welke de kennismaking met Carlotta zulk eene min harmonische storing had gebracht--te hervatten. Sterker dan te voren was in hem weder de roeping geworden tot het predik-ambt, als het éénige dat strookte met zijne teruggetrokkene en toch sympathieke natuur, het éénige ook waarin hij meende nog nut te kunnen stichten. Persoonlijke eerzucht had er nooit in hem gewoond: tot krachtig arbeider, ontbrak hem de innerlijke prikkel zoowel als de uiterlijke drang; doch het stille, beschouwende leven in eene landelijke pastorie, met de natuur en zijne boeken en muziek tot gezelschap, en op zijne schouders geene zwaardere taak, dan een aantal eenvoudige lieden met wat zachtheid te vermanen en met wat hartelijkheid op te beuren--zie! dit lachte hem toe als eene vluchthaven na den storm, en tevens--laat mij het er bijvoegen--als eene soort boetedoening door ontzegging. Hij deed zich derhalve, op vijf-en-twintigjarigen leeftijd, nog als student inschrijven aan eene andere universiteit. Ook dáár woei het gerucht van zijn opera-avontuur hem wel na--maar och! niet tot zijn nadeel. In de oogen der jongen immers hechtte het hem de riddersporen aan de hielen; en in die der ouden----bah! zij verkneukelden zich nog eens over hunne eigene pekelzonden, en herinnerden zich meteen hoe er, van den heiligen Augustinus af, steeds uit de wildste studiosi de kloekste theologanten gegroeid waren...... Hij liet hen allen denken wat zij wilden. Hij promoveerde; wachtte nog een paar jaren op een beroep; en zag zich eindelijk (en zelfs dit nog niet zonder veel moeite: want hij schitterde noch door het geijkte preektalent, noch door de gangbare orthodoxie) als herder en leeraar aangesteld in een Geldersch dorp aan de grens. Hem was het wèl zoo. Voor eene aanzienlijker standplaats zou hij bedankt hebben. Hij had gevonden wat hij wenschte: een rustig plekje, ver van de wereld, waar hij op zijne eigene stille wijze leven en arbeiden, mijmeren en musiceeren--kortom, zijne medemenschen en zichzelven stichten kon.
Onder die bedrijven begreep hij dat het hoog tijd geworden was om het lot van Carlotta's kind zich nader aan te trekken. De jonge predikant had geen oogenblik geweifeld over hetgeen hem op dit stuk te doen stond. Hij haalde het jongsken weg van zijne boersche pleegouders, en nam het bij zich in huis, voor niemand er een geheim van makend dat het zijn zoon was: vast besloten om door alle middelen binnen zijn bereik het levensgeluk van deze vrucht zijner rampzalige minnarij te verzekeren. De goede gemeentenaren keken wel vreemd op, en staken de hoofden bij elkander; maar daarbij bleef het. Die Gelderslui waren een schappelijk slag van menschen. Sommigen zeiden dat het royaal was van den dominee; en de anderen vonden de zaak niet erg genoeg om zich er voor in het harnas te steken. De dominee leefde immers voorbeeldig; hij preekte hun naar den zin; hij was gul voor de armen, innemend in den omgang, zachtmoedig in zijn oordeel over den naaste:--wat zouden zij dan gaan wroeten in zijn verleden? Laat men zich ook niet veel liever gezeggen door een gemoedelijk medezondaar, dan door iemand wien men het recht niet betwisten durft van zich te plaatsen op het voetstuk van eenen heilige?--Bovendien, het bleek maar al te duidelijk: zoo de man gezondigd had, hij had er zijn kruis voor meegekregen.
Ja, dit kind van wilde passie was zijn vaders kruis. De kleine Ludovico werd hem door de boerenlieden afgeleverd als een bijster ondeugend perceeltje, waarmee al in de wieg geen huis te houden was. Nu, het zou wel aan gemis aan tact bij die brave menschen gehaperd hebben--meende de predikant. Hoe zou het fazanten-hoen in de ganzenkooi passen!....... Maar was hemzelven dan het opvoedkundige beleid, de kalme en toch onverzettelijke wilskracht geschonken, om deze woeste natuur te teugelen?--Hij moest er straks, tot zijn bitter leed, aan beginnen te twijfelen--te wanhopen. De knaap was onhandelbaar: hij scheen volslagen naar zijne moeder te aarden: enkel hartstocht--geen hart. Al wat geduld en zachtheid vermochten, werd door den vader beproefd. Strengheid alléén echter, ijzeren tucht had dit dwars gewassen riet kunnen rechtbuigen:--en dáártoe stond de hand van Lodewijk Malthus niet. Na eene lange, smartelijke worsteling, bij welke hij voelde dat hij meer en meer het onderspit dolf, moest hij het opgeven. Ten einde raad, deed hij den bengel op eene naburige kostschool, wier meester bekend stond om zijne vaardigheid als temmer. Helaas! Monsieur's methode was aan Van Aken's beestenspel ontleend: zijne overredingsmiddelen beperkten zich tot rotting-olie en hongerstraf. Toch zou het misschien nog zoo mis niet geloopen zijn, hadde het noodlot niet gewild dat er op het instituut, na verloop van een jaar of zoo, een nieuwe ondermeester moest in functie treden, die, uit het Sticht afkomstig, met geheel de historie van Lodewijk Malthus en Lotchen Müller, van Donna Elvira en Giovannino's merkwaardige geboorte, in kleuren en geuren bekend was. Deze snapper, tuk om zijnen patroon eens te doen bemerken dat hij méér wist dan tweemaal twee is vier, vertelde alles in vertrouwen aan den kostschoolhouder. Deze bracht het onder de roos aan zijne vrouw over. De vrouw weder aan hare oudste dochter; de oudste dochter aan de dienstmaagd; de dienstmaagd aan eenen kweekeling; de kweekeling aan eenen der scholieren; en de scholier aan al zijne kornuiten. Zoodat straks de zoon van dominus Malthus door zijne schoolmakkers niet anders meer toegesproken werd dan als Don Jantje, of wel, als Don Juan del Mulino. Hij ranselde zijne laffe beleedigers;--doch daar zij dertig tegen één waren, beliep hij slaag op slaag. Het gevolg van dit alles liet zich voorspellen. Op eenen fraaien ochtend had de dertienjarige Ludovico de plaat gepoetst.
Zijn vader reisde hem niet na over de landpalen. Hij had er den moed niet toe. Hij overdacht nog hoe hij met de moeder van dien jongen woesteling gevaren was--hij legde er het hoofd bij neder, met het gevoel, dat God hem nogmaals strafte voor de overtreding zijner jeugd, en dat hij deze tuchtroede ook ditmaal niet kon afwenden. Welkom was hem een beroep naar eenen anderen uithoek van het vaderland: naar den Noordhollandschen polder, waar hij rekenen kon dat niemand hem het drama van zijn leven tot een verwijt maken zou. De tijd trouwens had al gaandeweg de stoflaag der vergetelheid gestrooid over deze gebeurtenis. Wie spreekt er nog over drama's van twintig jaren geleden?--Indien wij slechts oud genoeg mogen worden, dan is er niets in ons leven, wat niet wordt alsof het nimmer geweest ware.
En Ludovico?--Het weinige dat de heer Malthus ooit omtrent den lotsloop van zijnen verloren zoon te weten gekomen was, stond vervat in den volgenden brief, die hem, nu acht jaren geleden, door de tusschenkomst van eenen neef en naamgenoot te Amsterdam was in handen geraakt:--
»_Carissimo!_--Van eenen handelsreiziger uit Amsterdam vernam ik dat gij toch nog _pfarrer_ geworden zijt, en ongetrouwd gebleven. _Du lieber Kerl!_--en dat om mij!--_Wahrhaftig_, ik denk nog dikwijls aan u, nu ik vet ben geworden en mij vergenoegen moet met de duenna-rollen. Maar hoe vet ook, eene goede predikantsvrouw zou ik ook thans nog niet wezen.--Onlangs ben ik onzen Ludovico tegen het lijf geloopen. Wij werkten eene pooslang samen aan het Regensburger theater: ik als tweede alt, hij als derde bariton. Al had hij mij niet verklapt wie hij was, ik zou hem terstond herkend hebben aan mijn eigen neus en oogen; doch natuurlijk zeide ik hem dit niet. Waartoe zenuwschokkende familiescènes, wanneer men toch niets voor elkaar wezen kan, dan opeters!... Ach, mijn brave Ludwig! gij zijt goed voor hem geweest, en hebt het beste met hem voorgehad, evenals met mij;--maar wij Zigeuners van de kunst en van de liefde, wij hebben niet gewild. Intusschen moogt ge uw fatum danken, dat hij, evenals ik, van u weggeloopen is. Onder ons gezegd, _Luduigo caro_--wij leggen niet veel eer in met dat zoontje van ons. De schelm moet eene prachtige stem in den gorgel hebben gehad; maar hij heeft niet willen leeren, zelfs geene _solfeggi_. Eens probeerde hij den Don Juan te zingen;--hij stuurde de heele voorstelling in het honderd, en men floot hem de planken af. Sedert heeft hij den dienst van Venus afgezworen, en zich aan Bacchus gewijd. Hij zuipt, _amico mio_. Van zijn kostelijk orgaan bleven nog slechts eenige flarden over. Ik zie voor hem geen ander einde dan het hospitaal. _Schade um den schönen Bursch! Aber--che volete!_ Hij is de zoon zijner moeder!...... Wat mijzelve betreft, maak u over mij niet bezorgd. Als ik op de planken mijn laatste kruit verschoten heb, dan zet ik eene bierkneip op, gelijk mijn onvergetelijke vader zaliger...... Gij inmiddels, voortreffelijke Ludwig, trek gij u niets van al deze dingen aan. Bewandel gij, eerlijkste aller menschen, in vrede uwen vromen levensweg. En zoo gij vlijtig bidt voor de arme zielen in hel en vagevuur--doe dan ook somwijlen eens een goed woord voor een paar zondaars, wien de duivel hier op aarde het vuur al warm genoeg stookt!--Carlotta."
Inderdaad, het was weinig geweest--maar toch méér dan genoeg; het aanvullen van deze korte schets kon dominee Malthus wel aan zijne verbeelding overlaten. Steeds had hij zich gevleid met de hoop, dat de jongen wel zijnen weg zou gevonden hebben: als soldaat, als zeeman, als opera-zanger desnoods. Maar dit! Een verloopen korist!.... Hij had terstond aan Carlotta geschreven, om haar en haren zoon de geringe geldelijke hulp te bieden, welke nog in zijn vermogen stond: eene hulp trouwens, die =zij= niet behoefde, en die Ludovico niet baten kon. Noch op dien brief noch op eenen tweeden was éénig antwoord gekomen. Toen had de wroeging hem opnieuw het hart doen bloeden. Hij verweet zich dat hij niet genoeg gedaan had, voor dien knaap althans: dat hij niet krachtiger geweest was in zijnen plicht: dat hij, toen de jongen ontvluchtte, hem niet nagezet en met sterke hand gegrepen en teruggehaald had. De ware liefde laat niet af!--zoo had hij ook daareven immers nog gedacht, toen zijne huishoudster de hongere muschjes voederde met zoo taaie volharding. Was hij zelf in het groot naar dit kleine voorbeeld te werk gegaan? Had zijne liefde voor die twee ongelukkigen niet afgelaten? Had hij niets ontzien: naam, noch stand, noch persoonlijk gerief, noch het oordeel van de wereld--om van die twee het verderf af te weren, dat hij over hen had helpen brengen toen hij in wellusts armen de wereld vergat?
* * * * *
Het woelde hem alles door het hoofd--herinnering, en zelfverwijt, en machteloos leed--terwijl hij daar zat in zijne sombere kamer, met het papiertje in de hand, staroogend, beurtelings op de haast verglommen kolen van zijn haardvuur, en naar buiten in den winternacht.
Eindelijk rees hij van zijnen stoel, zette zich in het duister aan zijn harmonium, en speelde met zachte registers:
»_Là ci darem la mano, Là mi dirai di si._"
En de toovermacht der melodie vaagde de nevelen weg van zijnen geest, zijne knagende smart verkeerende in stillen weemoed. Al voort-orgelend, voelde hij eenen zonnestraal doorbreken in het donker van zijn binnenste. Hij voelde de zaligheid der jeugd weer opbruisen in zijne aderen, Carlotta's kussen weer branden op zijne lippen--en Mozart's geest zwevende boven hen beiden, bemiddelend, bij den God die immers ook de min ontstak in der menschen harten:--»Vergeef hun! Zij waren jong!"
II.
Dit echter was juffrouw Dientje niet gewoon, dat dominee op Zaterdag-avond, wanneer hij zijne preek placht te »memoriseeren", zich vermeidde met orgelspel. Een koraal of een preludium had er misschien mee doorgekund; doch een lied van zóó wereldschen toon.... Desniettemin haastte zij zich naar het studeervertrek, om, volgens gewoonte, een paar kandelaars te ontsteken, en die aan weerszijden van de toetsen neer te zetten. Terwijl zij dit deed, brak de dominee plotseling zijn spelen af. En toen zij daarop vroeg of »dominee nog iets beliefde", gaf hij geen antwoord, maar keek haar aan met zulk eenen vreemden glimlach, met zoo iets afgetrokkens in zijne oogen, dat de goede ziel den moed niet had om hare vraag te herhalen.--»Hij heeft zeker eene overheerlijke gedachte in zijn hoofd", mompelde zij bij het nederdalen naar de keuken: »zoo'n gedachte alsof de engelen uit den hemel ze hem hadden ingegeven!"--Reeds spitste zij zich op de preek van morgen. En zij zou het zich even zwaar hebben toegerekend, haren leeraar bij het uitwerken zijner rede te storen, als een lekkerbek het eene zonde geacht zou hebben zijnen kok uit de keuken te roepen te midden van de bereiding eener kostelijke truffelpastei.
Een half uur later echter, toen zij dominee zijne thee bracht, trof zij hem bij het raam zittende, en welgevallig de sleden in oogenschouw nemende, die uit de vier richtingen van den kruisweg met hare vrachten »concertbezoekers" kwamen aangestoven. Het waren meest plompe baksleden; maar er liepen knappe paarden voor, die in hun tingelend tuig blijkbaar even veel schik hadden als een kind in zijne rinkelbel. De boereknapen schreeuwden elkander toe; terwijl hunne roodwangige en breedgerokte vrijsters groepjes vormden op het brugje over de sloot, om dan, gearmd, al gichelend naar binnen te hollen, zoo vlug en sierlijk ongeveer als eene kudde vaarzen die men in de klaver drijft. Baas Harmsen had, tot opluistering van het feest, en mede tot het practische doeleinde van verlichting, aan weerskanten van zijn hek een paar brandende pektoortsen in den grond gestoken, wier walmende vlammen het geheel in eenen helrooden gloed wikkelden, in schilderachtig contrast met het bleekgrauwe duister van den besneeuwden achtergrond. Een verbazende ommekeer, na de kleurlooze, roerlooze stilte van een uur te voren.
»Wat een oploop!" riep Berendina. »'t Is of er de zaligheid mee te verdienen valt!"
»Och", sprak de predikant vergoelijkend: »de meesten zijn jongelui, zie ik."--Hij wist immers zelf zoo goed wat het zeggen wil, jong te zijn.
»Als ze ooit maar zoo druk naar de kerk liepen!" hernam juffrouw Dientje.